Een persoon met een bril en een baard staat lachend buiten voor een bakstenen gebouw en raam.

Gods Genade evangelie

The Gospel  of Gods Grace

בשורת חסד האלוהים

Een schema uit de dispensationalistische theologie met de titel
Een kleurrijk, schematisch diagram illustreert een tijdlijn van de Bijbelse geschiedenis, onderverdeeld in secties met pictogrammen en tekst.

Jezus Onze Heere


download deze studuie -  Kind van God! Maar wie is God?


Kind van God! Maar wie is God?

Door: Dov Avnon


Ik geloof in de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heere Jezus Christus. Ik spreek over de God van de Bijbel, Die zegt dat Hij Zijn Naam en Zijn eer aan geen ander geeft (Jesaja 42:8).


Toen ik aan dit boek begon, “een kind van God uit genade alleen” dacht ik aan mensen die in de Heere Jezus als Verlosser geloven, maar niet kunnen zeggen: „Ik ben een kind van God, uit genade alleen.” Later besefte ik dat ik misschien de belangrijkste vraag was vergeten: Is de Heere Jezus Zelf de God Die mij redt?


Want wanneer ik zeg dat Jezus God is, hoor ik vaak: „Maar Hij is alleen de Zoon van God.”

Tegenwoordig zijn er in Nederland en daarbuiten veel mensen die wel in Jezus van Nazareth geloven en historische feiten erkennen, zoals Zijn dood aan het kruis en mogelijk ook Zijn lichamelijke opstanding. Maar daar houdt hun geloof op.

Zij erkennen de Heere Jezus als de Zoon van God, maar geloven en leren niet dat Hij Zelf waarachtig God is. Hier moeten wij een belangrijk onderscheid maken tussen Zijn Persoon en Zijn Goddelijke natuur. Met de Persoon bedoel ik zijn geboorte uit de maagd maria, leven hier op aarde, dood aan het kruis voor onze zonden en de lichamelijk opstanding uit de doden. Wie Hij is. Toen de Heere  Jezus Christus op aarde was. Hij is de Zoon van God omdat Hij is niet de zoon van Adam.


Met Zijn Goddelijke natuur bedoelen wij Wat Hij is: waarachtig God. De Zoon bezit dezelfde eeuwige Goddelijke natuur als de Vader. Zij zijn dus twee onderscheiden Personen, maar niet twee afzonderlijke goden.


De titel „Zoon van God” betekent daarom niet dat Christus door de Vader geschapen is of dat Hij minder God is dan de Vader. Hij is van eeuwigheid de Zoon en van eeuwigheid waarachtig God.

Paulus noemt Hem onze grote God en Zaligmaker (Titus 2:13) en schrijft dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kolossenzen 2:9).


Beproeft alle dingen


Paulus schrijft: „Beproeft alle dingen; behoudt het goede” (1 Thessalonicenzen 5:19–21). Met het bereiden van deze studie, Ik heb niet alle geloofsgemeenschappen of hun leer onderzocht. Ook heb ik weinig kennis van de Joodse geleerdheid en heb ik de Koran nooit gelezen. Maar ik geloof dat Gods Woord in zijn geheel en de brieven van de apostel Paulus in het bijzonder de maatstaf is waaraan wij een leer moeten beproeven.


In 1979 heb ik in Israël de Heere Jezus als Messias en Verlosser aangenomen door de oudtestamentische profetieën die mensen mij vanuit de Bijbel lieten zien.


Paulus sprak eveneens vanuit de Schriften. Handelingen 17:2 (SV): „En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften.” Handelingen 26:22 (SV): „Hulp dan van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou.”

Voor mij moet wat iemand leert daarom overeenkomen met Gods Woord en het Evangelie van Gods genade.


Ik lees Hebreeuws, maar geen Grieks. Ik vertrouw erop dat God Zijn Woord heeft bewaard en gebruik de Statenvertaling om te beproeven wat mensen leren. Paulus waarschuwt voor mensen die anderen verleiden en zelf worden verleid (2 Timotheüs 3:13). Ook schrijft hij dat onze strijd niet tegen vlees en bloed is, maar tegen geestelijke machten (Efeze 6:12).


Daarom wil ik geen lijst maken van mensen die volgens mij verkeerd leren. Het mag niet persoonlijk worden. Wij zijn gezanten van God en moeten de waarheid met liefde verkondigen. Maar wanneer iemand de volle Godheid van Christus ontkent of afwijkt van de belijdenis van één God — Vader, Zoon en Heilige Geest — moet ik dat aan Gods Woord toetsen.


Als jonge gelovige was ik in 1980 nieuwsgierig naar allerlei leerstellingen. Ik dank God dat ik mensen ontmoette die mij hielpen om geworteld te worden in het Evangelie van Gods genade (Romeinen 16:25; Kolossenzen 2:6–7).


Ook nu, in 2026, terwijl ik mijn zeventigste levensjaar ben ingegaan, wil ik vasthouden aan wat Paulus centraal stelde: Heere Jezus Christus en Dien gekruisigd (1 Korinthe 2:1–2).


Daarom blijft mijn vraag: Wie is de Heere Jezus Christus? Paulus leert ons dat Hij de Zoon van God is, maar niet alleen de Zoon van God. Hij is onze grote God en Zaligmaker, de Schepper van alle dingen, in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont.

Deze Heere Jezus Christus is voor onze zonden gestorven en opgestaan. Door het geloof in Hem worden wij uit genade gered. Daarom kan ik zeggen: ik ben een kind van God, uit genade alleen.

 

 Dit hoofdstuk


Dit hoofdstuk is geen diepgaande studie over de Godheid van Christus. Het gaat mij om de vraag Wie de Heere Jezus Christus werkelijk is, zoals de apostel Paulus Hem verkondigt in het Evangelie van Gods genade. Paulus leert niet alleen dat Jezus Christus de Zoon van God is, maar noemt Hem ook onze grote God en Zaligmaker (Titus 2:13) en schrijft dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kolossenzen 2:9).


Het is dezelfde Heere Jezus Christus Die voor onze zonden gestorven is, begraven werd en op de derde dag is opgewekt, zoals Paulus het Evangelie bekendmaakt in 1 Korinthe 15:1–4. Daarom kan ik de Godheid van Christus niet los zien van Zijn volbrachte verlossingswerk en het Evangelie van Gods genade.


Ik kan niemand overtuigen. Zoals ik vaak zeg: je moet zelf de Bijbel openslaan en Gods Woord bestuderen  in het licht van het Evangelie van Gods genade, dat de Heere Jezus aan de apostel Paulus heeft geopenbaard.


Het huis van de levende God


„15 Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.

Het huis van de levende God is naar mijn overtuiging een van de duidelijkste beschrijvingen van de Gemeente in deze bedeling van genade. Paulus schrijft niet over een gebouw, maar over de Gemeente van de levende God, die een pilaar en vastigheid der waarheid is.

Om te begrijpen wat deze Gemeente is, moeten wij kijken naar wat de Heere Jezus vanuit de hemel aan de apostel Paulus heeft geopenbaard. Paulus schrijft in Efeze 1:22–23 dat God Christus tot een Hoofd boven alle dingen aan de Gemeente gegeven heeft, „Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.”


De Gemeente is dus het Lichaam van Christus, waarvan de Heere Jezus Zelf het Hoofd is. Het gaat niet om een kerkgebouw, een kathedraal of een menselijke organisatie, maar om allen die door het geloof in de Heere Jezus Christus tot Zijn Lichaam behoren.

Paulus schrijft in 1 Korinthe 12:13: „Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt.” De eenheid van de Gemeente wordt dus niet gevormd door een menselijke organisatie, maar door de Heilige Geest.


Een pilaar en vastigheid der waarheid.” (1 Timotheüs 3:15)


Mensen hebben in deze tijd moeite met de waarheid over de bedeling van Gods genade en de leer die de Heere Jezus Christus vanuit de hemel aan de apostel Paulus heeft geopenbaard. Toch is juist de Gemeente, het Lichaam van Christus, in deze bedeling een pilaar en vastigheid der waarheid. opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, met deze woorden Paulus schrijft timotheus in het kort wat hij moet de mensen leren. Ik weet dat met zowel Bijbel leringen om ons heen, Het is moeilijk te zeggen “dat is de Waarheid” en toch toen de Heere op aarde was


zware wolven


28 Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 30 En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen. 32 En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.


God heeft door de Heilige Geest opzieners over de Gemeente aangesteld om de kudde Gods te weiden, haar te bewaren bij de gezonde leer en te waken tegen verkeerde leringen.


De waarschuwing van Paulus in Handelingen 20:28–32 is in de eerste plaats gericht aan de ouderlingen van de Gemeente te Efeze, die hij naar Milete had laten komen (Handelingen 20:17). Juist aan hen, die de verantwoordelijkheid droegen om de Gemeente te weiden, richtte Paulus de woorden: „Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde.” Paulus waarschuwde deze opzieners niet alleen voor zware wolven die na zijn vertrek van buitenaf zouden binnenkomen en de kudde niet zouden sparen, maar ook voor mannen die uit hun eigen midden zouden opstaan, verkeerde dingen zouden spreken en de discipelen achter zich aan zouden trekken. Deze waarschuwing is des te ernstiger omdat al in Paulus' tijd mensen Gods Woord verdraaiden en het Evangelie vervalsten. Daaronder vallen ook leringen die de Godheid van de Heere Jezus Christus ontkennen en daarmee de waarheid aantasten dat God in het vlees geopenbaard is (1 Timotheüs 3:16).


Daarom wees Paulus deze opzieners niet op menselijke overleveringen, maar beval hij hen aan God en aan het Woord Zijner genade, dat machtig is hen op te bouwen (Handelingen 20:32).


16 En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.” (1 Timotheüs 3:15–16)


Het Woord was God, en het Woord is vlees geworden, schrijft Johannes in verband met de komst van de Heere Jezus in deze wereld (Johannes 1:1, 14). Paulus bevestigt dit later: „heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw” (Galaten 4:4).

In 1 Timotheüs 3:16 schrijft Paulus vervolgens: „God is geopenbaard in het vlees.” Deze woorden spreken over de Heere Jezus Christus, Die als mens in deze wereld is gekomen. Zij betekenen niet dat God pas in de Gemeente vlees geworden is. De Gemeente is Zijn Lichaam, maar Christus Zelf is Degene in Wie al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kolossenzen 2:9).


Daarom moeten wij onderscheid maken

 tussen Christus, Die God is en in het vlees geopenbaard werd, en de Gemeente, die Zijn Lichaam is en waarvan Hij het Hoofd is.

Sommige Bijbelvertalingen hebben in 1 Timotheüs 3:16 het woord „God” niet opgenomen. Juist daarom vind ik het belangrijk om bij de Statenvertaling te blijven, waarin wij lezen: „God is geopenbaard in het vlees.”

Wij zien hoe in de loop der eeuwen dit levende huis voor sommigen een gebouw is geworden, een kathedraal of een gigantische organisatie met een menselijk hoofd. Maar Paulus leert ons dat de Gemeente het Lichaam van Christus is en dat Hij alleen het Hoofd is.

Daarom is het zo belangrijk om de openbaring te erkennen die de Heere Jezus vanuit de hemel aan de apostel Paulus heeft gegeven. Want daarin leren wij niet alleen wat de Gemeente is, maar ook Wie haar Hoofd is: onze Heere Jezus Christus, onze God en Verlosser.


de verborgenheid der godzaligheid


de verborgenheid der godzaligheid staat tegenover de verborgenheid van ongerechtigheid. het w

erk van God in het hart en leven van de gelovige onder de ze bedeling van Genade. Het staat tegenover de verborgenheid der ongerechtigheid. Terwijl het kwaad in de mens werkt, werkt God door Zijn Woord en de Heilige Geest in de harten van hen die geloven. De godzaligheid wordt zichtbaar in een leven dat op God gericht is.

7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 2 Thessalonicenzen 2:7,


De verborgen werking van Satan, die mensen tot wetteloosheid en ongehoorzaamheid brengt. Het gaat met namen over waarheden met betrekking van Gods genade evangelie en de Godheid van Christus is een van. De verborgenheid der godzaligheid: de Heilige Geest werkt in gelovigen door Gods Woord, waardoor zij Christus leren kennen en liefhebben. De verborgenheid der ongerechtigheid: Satan werkt achter de schermen in de kinderen der ongehoorzaamheid. Efeze 2:2 , over de geest die in hen werkt.

antichrist nog niet geopenbaard, maar is de geestelijke werking die zijn komst voorbereidt al actief. Satan beïnvloedt mensen, terwijl de volledige ontplooiing van die wetteloosheid nog wordt tegengehouden. godsdienstige misleiding, valse leer en bedrieglijke tekenen**. 2 Thessalonicenzen 2:9, 1 Timotheüs 4:1 en 2 Korinthe 11:13–15: Satan kan zich voordoen als een engel des lichts. Een indrukwekkend teken bewijst volgens Stam daarom niet dat iets van God komt


Satan nu al verborgen werkt om mensen van Gods waarheid af te trekken; later wordt die werking openlijk zichtbaar in de antichrist.

2 Petrus 2:1: „En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende.”



“Zoon van God”


Dus waar komt het vandaan dat de Heere Jezus alleen de „Zoon van God” is? Terwijl wij onder deze bedeling heel duidelijk lezen in Kolossenzen 2:9: „Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.”


Het antwoord staat in Lukas 3:23–38. Het geslachtsregister loopt terug van de Heere Jezus helemaal tot Adam en vervolgens tot God: „... den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.”


Ik spreek niet over zomaar een god, een religieus godsbeeld of een menselijke voorstelling van God. Ik spreek over de God van de Bijbel, Die Zijn Naam en Zijn eer niet met een ander deelt.


De tijd waarin mensen wisten wie de God van de Bijbel is, lijkt voorbij te zijn. Ook de gebouwen waarin deze God ooit duidelijk werd verkondigd, worden steeds schaarser. Alleen zeggen dat Jezus „de Zoon van God” is, is de helft van het verhaal. Natuurlijk is Hij de Zoon van God. Zijn geboorte maakt dat duidelijk: Hij werd uit Maria geboren, maar niet door Jozef verwekt. Lukas 1:35 zegt daarom: „dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”


„1 En er was een mens uit de Farizeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; 2 Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.” Johannes 3:1–2.


Dat is alles in het kort, en dat geldt voor veel mensen. Zij noemen Hem alleen Jezus, en niet de Heere Jezus. Zij zien Hem als een Leraar van God vanwege de tekenen, en niet als de waarachtige God, Die voor onze zonden is gestorven en voor onze rechtvaardigheid is opgestaan.

„Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood...” Romeinen 5:12.


Een Verlosser en niet zomaar een leraar. Adam staat rechtstreeks tegenover de Heere Jezus Christus. Die ene mens is Adam. In vers 14 noemt Paulus Adam „een voorbeeld Desgenen, Die komen zou”. Daarna maakt hij de tegenstelling duidelijk: door Adam kwamen zonde en dood, maar door de Heere Jezus Christus komen genade, rechtvaardigheid en leven.


„Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door Dien Enen, namelijk Jezus Christus.” Romeinen 5:17.


Daarom is de geboorte van Christus zo belangrijk. Hij werd werkelijk uit Maria geboren, maar niet door Jozef verwekt. Hij kwam niet door de natuurlijke verwekking van een menselijke vader uit de lijn van Adam. Hij is „dat Heilige”, de Zoon van God. Tegenover Adam, door wie zonde en dood kwamen, staat Jezus Christus, door Wie genade, rechtvaardigheid en leven komen.


„4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; 5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.” Galaten 4:4–5.


Onder de bedeling van Gods genade kennen wij Christus niet alleen als de Zoon van God, Die naar Israël kwam en Zijn Koninkrijk verkondigde. Hij is de gekruisigde, opgestane en verheerlijkte Heere. Zijn kruis staat centraal in Gods plan om zondaars vandaag uit genade te redden.


„16 Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. 17 Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.” 2 Korinthiërs 5:16–17.


Paulus is degene die ons laat zien dat achter het kruis een verborgen wijsheid van God lag:


„Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.” 1 Korinthe 2:8.


De dood van de Heere Jezus aan het kruis en Zijn opstanding staan centraal in het Evangelie van Gods genade dat Paulus verkondigt: Christus stierf voor onze zonden, werd begraven en stond op uit de doden voor onze rechtvaardigheid. Anders is ons geloof tevergeefs:

„2 Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.” 1 Korinthiërs 15:2.


De Heere Jezus Christus is niet alleen voor onze zonden gestorven en opgestaan. De zondaar die eens ver van God was, wordt niet door de wet, religie of eigen werken nabij gebracht. Hij wordt alleen door Christus nabij gebracht, door het bloed dat aan het kruis werd vergoten.

„Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.” Efeze 2:13.

Onze God en Verlosser


Als wij over de Godheid van de Heere Jezus Christus spreken, moet Gods Woord, de Bijbel, onze maatstaf zijn. Daarbij gebruik ik de Statenvertaling in het Nederlands (zie de studie „Welke Bijbelvertaling?”.


De vraag is niet alleen of de Heere Jezus de Zoon van God is, maar ook of Hij Zelf God is. Om daarop een antwoord te vinden, wil ik vooral kijken naar wat de apostel Paulus hierover schrijft. De Heere Jezus Christus heeft aan Paulus het Evangelie van Gods genade geopenbaard. Daarom is het belangrijk om niet alleen te lezen  wat Paulus over onze redding leert, maar ook Wie onze Verlosser is.


Juist daarom moeten wij lezen wat Gods Woord ons leert. Paulus waarschuwt ons voor verkeerde leer en arglistigheid (Efeze 4:14) en schrijft dat wij Gods Woord niet mogen vervalsen (2 Korinthe 4:2).



Ik en de Vader zijn één


Niet lang geleden vroeg iemand mij: „Jezus zegt: ‘Ik en de Vader zijn één’ (Johannes 10:30), maar op een andere plaats bidt Hij tot de Vader. Hoe kan dat als Hij God is?” Johannes 17:1: „Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.”


De God van de Bijbel is geen algemene aanduiding voor een hogere macht of iedere god waarin mensen geloven. Op de vraag „Wij geloven toch in dezelfde God?” is het antwoord afhankelijk van wie het zegt en Wie hij bedoelt. Volgens het evangelie van Gods genade zijn de erkenning van Christus’ Godheid en het geloof in Zijn volbrachte verlossingswerk onmisbaar: Hij is voor onze zonden gestorven, begraven en ten derden dage opgewekt (1 Korinthe 15:1–4).


Terug naar Johannes 17:1: daar spreekt de Zoon tot de Vader. In vers 5 noemt Hij de heerlijkheid die Hij bij de Vader had voordat de wereld was, en in vers 24 de liefde van de Vader voor Hem vóór de grondlegging der wereld. Deze gemeenschap tussen de Zoon en de Vader is volledig in overeenstemming met Christus’ Godheid.


Ik moet erbij zeggen dat je het onderwerp „de Godheid van Christus” niet zomaar met je natuurlijke verstand kunt begrijpen. Je hebt ook Gods Geest nodig om de waarheden van Gods Woord in geloof aan te nemen. Niet omdat alles voor ons logisch en begrijpelijk is, maar omdat het zo in Gods Woord staat. 14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. 1 Korinthiërs 2

Paulus - dank ik mijn God door Jezus Christus


8 Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus…. Romeinen 1:8 18 Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader. Efeze 2:18 -3:14 Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, 17 Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis; Efeze 1:17


In het licht van het Evangelie van Gods genade zien wij hier de verhouding tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De Vader is Degene tot Wie wij naderen, Christus is Degene door Wie wij toegang hebben en de Heilige Geest is Degene door Wie die toegang plaatsvindt. Dit onderscheid tussen de Vader en de Zoon betekent niet dat Christus minder God is. Paulus schrijft immers ook dat in Christus al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kolossenzen 2:9).


Een God


Deuteronomium 6:4 (SV) „Hoor, Israël! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!” Ja er is een God en geen drie. Mozes verklaart hier dat de HEERE de enige God is. Er zijn geen andere goden naast Hem. Het woord „enig” benadrukt dat God één is en dat alleen Hij

Het Hebreeuwse woord voor God, אֱלֹהִים (Elohim), heeft echter een meervoudsvorm. Ook lezen wij in Genesis 1:26 dat God zegt: „Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” 


Om meer over de Godheid van Christus te weten te komen, moeten wij de hele Bijbel lezen. In de brieven van Paulus vinden wij verdere openbaring die vooral betrekking heeft op het Evangelie van onze verlossing. De Godheid van Christus betekent dus niet dat er naast God de Vader nog een tweede God bestaat. De Heere Jezus Christus is Zelf waarachtig God, onderscheiden van de Vader, maar één met Hem in Godheid.

In Gods genade evangelie leren wij niet alleen Wie de Heere Jezus Christus is, maar ook wat Hij voor onze redding heeft gedaan. Dezelfde Christus, in Wie al de volheid der Godheid woont, is voor onze zonden gestorven, begraven en op de derde dag opgewekt, zoals Paulus verkondigt in 1 Korinthe 15:1–4. In Efeze 2:8–9 maakt Paulus duidelijk dat wij uit genade zalig worden, door het geloof, en niet uit onze werken. Onze redding is dus niet gebaseerd op wat wij zelf doen, maar op het volbrachte verlossingswerk van de Heere Jezus Christus.


En in Efeze 1:13–14 lezen wij dat wij, nadat wij het Woord der waarheid, het Evangelie onzer zaligheid, gehoord en geloofd hebben, verzegeld zijn met de Heilige Geest der belofte. Zo zien wij ook in het Evangelie van Gods genade het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Door het geloof in de Heere Jezus Christus hebben wij door één Geest toegang tot de Vader (Efeze 2:18).


Daarom kan ik de Godheid van Christus niet los zien van het Evangelie van Gods genade. Het gaat niet alleen om de vraag Wie God is, maar ook om de vraag Wie ons heeft verlost en hoe wij door het geloof in Hem kinderen van God worden, uit genade alleen.


Wij hebben maar één God


Ja wij hebben maar een God en niet drie. „Nochtans hebben wij maar één God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.” (1 Korinthe 8:6). Paulus spreekt over één God, de Vader, en één Heere Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn  Romeinen 9:5 in verband met het volk Israël lezen wij:  Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.

Dus alhoewel Christus op aarde wordt de Zoon van God genoemd, Hij is ook  God boven allen Johannes 1:1 — Statenvertaling (SV) „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” 


Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel — 1 Johannes 5:5–9


Er zijn Drie in de hemel Die getuigen: de Vader, het Woord en de Heilige Geest. Hun getuigenis is duidelijk terug te zien in de Bijbel. In de Statenvertaling lezen wij:


De getuigenis van God de Vader


5 Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? 6 Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.

7 Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.

De Vader getuigt over Zijn Zoon. Bij de doop van de Heere Jezus spreekt Hij vanuit de hemel: „En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!”  Mattheüs 3:17


Op de berg klinkt opnieuw de stem van de Vader: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!” Mattheüs 17:5**

De Heere Jezus bevestigt Zelf dat de Vader over Hem getuigt:„Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.” — Johannes 8:18


De Vader spreekt dus vanuit de hemel en verklaart Wie Jezus is: Zijn geliefde Zoon. ook in de brief aan de Hebreeën lezen wij hoe de Vader over de Zoon spreekt: „Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?” — Hebreeën 1:5 De Vader noemt de Zoon ook God:


„Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.” — Hebreeën 1:8

De Vader getuigt dus Zelf dat Christus  Zijn Zoon is , en spreekt Hem aan als  God , Wiens troon in alle eeuwigheid is.

Ook in de brieven van Paulus lezen wij over God de Vader en Zijn Zoon. Hier beschrijft Paulus hun relatie; het zijn geen rechtstreekse uitspraken van de Vader zoals in Hebreeën 1.


„Aangaande Zijn Zoon, Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden, namelijk Jezus Christus, onzen Heere.”  Romeinen 1:3–4. De opstanding bevestigt dat Jezus Christus de Zoon van God is. „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.” Galaten 4:4 God heeft Zijn Zoon uitgezonden om het verlossingswerk te volbrengen. „En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!” Galaten 4:6


Hier worden God de Vader, Zijn Zoon en de Geest van Zijn Zoon samen genoemd. De Geest roept in de harten van Gods kinderen: **„Abba, Vader!”

Getuigenis van het Woord Gods Geest.


1. Het Woord de Heere Jezus getuigt van Zichzelf


Johannes 8:18:  „Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.”

Hier noemt de Heere Jezus uitdrukkelijk Zijn eigen getuigenis én de getuigenis van de Vader


Johannes 10:30: „Ik en de Vader zijn een. De Heere Jezus getuigt hier van Zijn eenheid met de Vader. Markus 14:61–62: „Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods? „En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.” Hij bevestigt Zelf dat Hij de Christus, de Zoon van God, is

2. De Heilige Geest getuigt van de Heere Jezus Johannes 15:26:  „Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.” de Geest der waarheid getuigt van de Heere Jezus.

Johannes 16:14:  „Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.” De Heilige Geest verheerlijkt Christus en verkondigt wat van Hem is.


Lukas 1:41–43:  „En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;” „En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!” „En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?” Elizabet wordt vervuld met de Heilige Geest en noemt het Kind dat Maria draagt „mijn Heere”. Hier zien wij iemand die, vervuld met Gods Geest, van de Heere Jezus getuigt.


Johannes 1:32 en 34: „En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.” „En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.”


De Geest daalt op Jezus neer. Johannes de Doper ziet dit en getuigt dat Jezus de Zoon van God is. De Geest spreekt hier geen hoorbare woorden; Zijn neerdalen is het teken waardoor Johannes Hem herkent.

3. De Vader getuigt, terwijl de Geest op de Zoon neerdaalt


Mattheüs 3:16–17:  „En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.” „En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!”


Hier zien wij de Zoon, de Geest die op Hem neerdaalt en de Vader die vanuit de hemel over Zijn Zoon spreekt.  De woorden „Deze is Mijn Zoon” zijn de woorden van de Vader.


Deze drie teksten vormen een duidelijke verbinding:  de Vader zegt „Deze is Mijn Zoon” (Mattheüs 3:17), het Woord zegt „Ik ben het, Die van Mijzelven getuig” (Johannes 8:18), en over de Geest zegt Jezus „Die zal van Mij getuigen” (Johannes 15:26).


ook in de brieven van Paulus vinden wij teksten die aansluiten bij de getuigenis van de Vader, het Woord en de Heilige Geest over de Heere Jezus.

1. God de Vader maakt Zijn Zoon bekend Galaten 1:15–16:  „Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;”


God openbaart Zijn Zoon aan Paulus, opdat Paulus Hem onder de heidenen zou verkondigen. De boodschap over Christus komt van God Zelf.  Filippenzen 2:9 en 11:  „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;” „En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.”


God bevestigt de heerlijkheid en het gezag van Christus door Hem uitermate te verhogen. De belijdenis dat Jezus Christus de Heere is, dient tot heerlijkheid van de Vader.


2. Het Woord Christus Zelf spreekt tot Paulus Galaten 1:11–12:  „Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.  Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.” Paulus ontvangt het Evangelie door de openbaring van Jezus Christus. De Heere Jezus maakt Zelf Zijn boodschap bekend.

2 Korinthe 12:9: „En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.” Hier lezen wij de woorden van de Heere tot Paulus: **„Mijn genade is u genoeg.” Paulus verbindt die woorden rechtstreeks met de kracht van Christus die in hem woont.


3. De Heilige Geest getuigt dat Jezus de Heere is 1 Korinthe 12:3:  „Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.” Dit is de duidelijkste aansluiting bij Johannes 15:26: „Die zal van Mij getuigen.” Door de Heilige Geest wordt Jezus als Heere beleden. Het gaat hier om de oprechte belijdenis, niet alleen om het uitspreken van woorden


1 Timotheüs 3:16:  „En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.” „Gerechtvaardigd in den Geest” betekent hier dat Christus als rechtvaardig bevestigd wordt. Het betekent niet dat Hij eerst een zondaar was die vergeving nodig had. Daarbij past ook Hebreeën 1:8, waar God rechtstreeks tot de Zoon spreekt:  „Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.”


Hier wordt de Zoon aangesproken als „o God” en wordt Zijn eeuwige koningschap bevestigd. „En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.” De engel verklaart aan Maria dat zij door de werking van de Heilige Geest een Kind zal ontvangen, Dat Gods Zoon genoemd zal worden. Hier spreekt de engel over het werk van de Geest.


Lukas 1:41 en 43:  „En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;” En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?”


Elizabet wordt vervuld met de Heilige Geest en noemt het ongeboren Kind **„mijn Heere”**. Dit past heel duidelijk bij de getuigenis van de Geest over de Heere Jezus vóór Zijn geboorte.


2. Het water — toen de Heere Jezus werd gedoopt Mattheüs 3:16–17: „En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.”


„En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!” Bij Zijn doop in het water daalt de Geest op Hem neer en getuigt de Vader vanuit de hemel: **„ Deze is Mijn Zoon.”


Johannes 1:32 en 34:  „En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem. „En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.” Johannes de Doper bevestigt wat hij gezien heeft: deze Jezus is de Zoon van God.

3. Het bloed  toen de Heere Jezus aan het kruis stierf Mattheüs 26:28: „Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.” Vóór Zijn kruisiging verklaart de Heere Jezus Zelf waarom Zijn bloed vergoten zal worden: **tot vergeving der zonden.


Johannes 19:34–35:  „Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.”  „En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt.”


Hier worden “bloed, water en getuigenis rechtstreeks samen genoemd. Johannes getuigt van wat hij werkelijk gezien heeft, opdat wij geloven. Deze gebeurtenissen passen bij de woorden van 1 Johannes 5:6


 „Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.”


Dezelfde Jezus Die bij Zijn doop als Gods Zoon wordt bekendgemaakt, is ook Degene Die Zijn bloed vergiet. „Die drie zijn tot een” kun je hier uitleggen als: hun getuigenissen stemmen overeen en wijzen op dezelfde Persoon — Jezus Christus, de Zoon van God.** Dat sluit aan bij vers 9: het is de getuigenis die God van Zijn Zoon gegeven heeft.


De Naam van onze Verlosser


De Hebreeuwse naam Jezus, Yeshua, betekent „de HEERE redt”. Zijn Naam wijst op Zijn verlossingswerk (Mattheüs 1:21). Hij wordt ook Immanuël genoemd: „God met ons” (Mattheüs 1:23). Daarbij denk ik aan Jeremia 23:6: „De HEERE onze Gerechtigheid.”


In Hebreeën 1:4 lezen wij dat Christus een uitnemender Naam heeft dan de engelen. En in Hebreeën 1:8 wordt de Zoon aangesproken als God.

Daarom gaat het niet alleen om wat Zijn Naam betekent, maar vooral om Wie Hij is: onze grote God en Zaligmaker (Titus 2:13).

De Schepper en de Eerstgeborene aller creaturen


Paulus noemt Christus „het Beeld des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller creaturen” (Kolossenzen 1:15). Ook Hebreeën 1:3 spreekt over Hem als het Afschijnsel van Gods heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid.


Maar betekent „Eerstgeborene” dat Christus als eerste geschapen is? Nee. Psalm 89:27–30 laat zien dat eerstgeborene ook de hoogste koninklijke positie en het gezag kan aanduiden.


Dat zien wij in Psalm 89:28, waar God spreekt over de eerstgeborene als de hoogste over de koningen der aarde. Ook Efraïm wordt Gods eerstgeborene genoemd, hoewel zijn broer Manasse ouder was (Genesis 48:14–20; Jeremia 31:9). Israël wordt eveneens Gods eerstgeborene genoemd (Exodus 4:22).


Paulus verklaart in Kolossenzen 1:16–17 dat alle dingen door Christus en tot Hem geschapen zijn en dat Hij vóór alle dingen is. Johannes bevestigt dat zonder Hem niets gemaakt is (Johannes 1:3).


Christus behoort dus niet tot de schepping. Hij is de Schepper van alle dingen. Paulus schrijft bovendien dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont (Kolossenzen 2:9). Hij is niet alleen de Zoon van God, maar Zelf God.


De Eerstgeborene aller creaturen


De Heere Jezus Christus wordt de Eerstgeborene aller creaturen genoemd. Betekent dit dat Christus als eerste geschapen werd? Nee. Paulus leert juist dat alle dingen door Christus geschapen zijn. Daarom bestond Hij al voordat de schepping tot stand kwam.


In Lucas 2:7 lezen wij over het kind dat als eerste in een gezin geboren wordt. „En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.” Ook in Hebreeën 11:28 lezen wij over de eerstgeborenen: „Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou.”

Het woord „eerstgeborene” wordt ook gebruikt om de bijzondere positie van Christus aan te duiden. In Kolossenzen 1:18 en Openbaring 1:5 wordt Christus de Eerstgeborene uit de doden genoemd. Hij heeft de eerste plaats in de opstanding en het nieuwe leven dat daarop volgt.

In Romeinen 8:29 schrijft Paulus dat Christus de Eerstgeborene is onder vele broederen. Gods bedoeling is dat gelovigen gelijkvormig worden aan het beeld van Zijn Zoon.


Ook in Hebreeën 1:6 wordt Christus de Eerstgeborene genoemd. In Hebreeën 12:23 lezen wij over de gemeente der eerstgeborenen. Het woord „eerstgeborene” betekent dus niet automatisch dat iemand als eerste geschapen is. De betekenis moet worden vastgesteld aan de hand van het gedeelte waarin het woord voorkomt.


Kolossenzen 1:15 leert niet  dat Christus een geschapen wezen zou zijn. Paulus leert immers dat Christus vóór alle dingen bestaat en dat alle dingen door Hem geschapen zijn. In zijn brieven spreekt Paulus over de Godheid van Christus (Romeinen 1:4; Efeze 3:19; Kolossenzen 2:9; 3:3). Vooral Kolossenzen 2:9 is duidelijk: „Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.”


Christus is dus niet een geschapen wezen dat lager staat dan God. Hij is de eeuwige Zoon van God.


In Efeze 1:4–5 schrijft Paulus dat God ons in Christus heeft uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. Christus bestond vóór de schepping.

Ook Genesis 1:26 en Genesis 11:7 worden in deze studie betrokken bij de openbaring van God als Vader, Zoon en Heilige Geest.

26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis: 7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.

De Mens Christus Jezus


Paulus noemt Hem ook „de Mens Christus Jezus” (1 Timotheüs 2:5): „Want er is één God, er is ook één Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus.” Betekent dit dat Hij slechts een mens was? Nee. Hij werd werkelijk Mens, maar was zonder zonde.


Hebreeën 2:14 (SV): „Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel.”


Hebreeën 4:15 (SV): „Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.”

Die in de gestaltenis Gods was


In Filippenzen 2:6–11 beschrijft Paulus hoe Christus, Die in de gestaltenis Gods was, de gestaltenis van een dienstknecht aannam, Mens werd en Zichzelf vernederde tot de dood aan het kruis. Zijn menswording betekent dus niet dat Hij ophield God te zijn.


Wat betekent Die in de gestaltenis Gods was? Paulus vervolgt dat Hij geen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn. Christus eigende Zich geen Godheid toe die Hem niet toebehoorde. Hij was al God vóór Zijn menswording. Johannes schrijft: In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Johannes 1:1. Christus spreekt Zelf over de heerlijkheid die Hij bij de Vader had, eer de wereld was. Johannes 17:5.

De gestaltenis Gods is daarom niet slechts een uiterlijke gelijkenis met God. Hebreeën 1:3 noemt Hem het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid. En tot de Zoon wordt gezegd: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid. Hebreeën 1:8.


Het tegenovergestelde zien wij in 2 Thessalonicenzen 2:4. Daar schrijft Paulus over de mens der zonde: Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is. Hij is geen God, maar neemt wel die positie in. Volgens vers 9 is zijn komst naar de werking des satans. Daar zien wij de geest van zelfverheffing, die wij soms ook bij mensen herkennen wanneer wij zeggen: Hij denkt dat hij God is.


Christus, Die Gode evengelijk was, vernederde Zichzelf. De mens der zonde, die geen God is, verheft zichzelf alsof hij God is. Christus nam de gestaltenis van een dienstknecht aan en werd gehoorzaam tot de dood. Hij bleef God en werd werkelijk Mens, om het verlossingswerk te volbrengen.

Heeft Zichzelven vernietigd


Paulus verklaart in Filippenzen 2:7–8 zelf wat dit betekent: Christus heeft de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen, is den mensen gelijk geworden en heeft Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood des kruises. Het gaat dus om Zijn menswording, dienstbaarheid en vernedering.


Hij hield daarbij niet op God te zijn. Johannes 1:14 zegt: Het Woord is vlees geworden. Hetzelfde Woord van Wie Johannes 1:1 zegt: Het Woord was God. Ook schrijft Paulus: Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Kolossenzen 2:9.


Jesaja 53 beschrijft deze vernedering: Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid. Vers 3. Hij droeg het lijden om onze zonden: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Vers 5. En vers 12 zegt dat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood.


In Romeinen 15:3 schrijft Paulus: Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd; maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen. Hij zocht niet Zijn eigen behagen, maar droeg de smaad.


Zichzelven vernietigd betekent hier dus dat Hij Zichzelf tot de plaats van een dienstknecht vernederde. Hij, Die in de gestaltenis Gods was, werd Mens, droeg onze zonden en gaf Zijn leven.


Jesaja 50:5–6 zegt: De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts. Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.


Die gehoorzaamheid zien wij ook in Mattheüs 26:39: Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Hebreeën 5:8 zegt: Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden. En in Hebreeën 10:9 lezen wij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Zo beschrijven deze teksten wat Paulus zegt: Hij heeft Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Filippenzen 2:8.


God heeft Hem uitermate verhoogd


Na Zijn vernedering tot de dood des kruises heeft God Christus opgewekt en Hem aan Zijn rechterhand gezet. Efeze 1:20–21 zegt: En heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in den hemel; verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. Verhoogd betekent dus dat Christus boven alle machten gesteld is. Vers 22 zegt: En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen.

Dit betekent niet dat Christus toen pas God werd. Hij was al in de gestaltenis Gods. Hij, Die Zich als Mens vernederde, is nu verheerlijkt. Zoals Hij tot de Vader bad: En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was. Johannes 17:5.


Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd


Het woord daarom verbindt Zijn verhoging met Zijn vernedering en gehoorzaamheid tot de dood des kruises. Jesaja 52:13 zegt reeds: Ziet, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. Hebreeën 2:9 beschrijft Jezus als met heerlijkheid en eer gekroond vanwege het lijden des doods.


God heeft Hem opgewekt en aan Zijn rechterhand gezet. Efeze 1:20–21 zegt: En heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in den hemel; verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende. Zijn verhoging betekent dat alle machten aan Hem onderworpen zijn. Ook 1 Petrus 3:22 zegt: Welke is aan de rechterhand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

Een Naam boven allen naam


Deze Naam spreekt van Zijn verheven waardigheid en gezag. Hebreeën 1:4 zegt: Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft. Kolossenzen 1:18 verbindt Zijn opstanding met Zijn voorrang: Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.


Filippenzen 2:10–11 verklaart dit verder: in den Naam van Jezus zal alle knie zich buigen en alle tong belijden dat Jezus Christus de Heere is. Openbaring 19:16 noemt Hem: Koning der koningen, en Heere der heren.


Zijn verhoging betekent niet dat Hij toen pas God werd. Hij had al heerlijkheid bij de Vader voordat de wereld was. Johannes 17:5. Hij, Die Zichzelf vernederde en voor onze zonden stierf, is nu verheerlijkt en boven allen gesteld.


Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie


Het buigen van de knie betekent hier de erkenning van Christus’ gezag. Na Zijn opstanding zegt Hij: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Mattheüs 28:18. Alle knie zal zich voor Hem buigen, omdat Hij de Heere is.


In Jesaja 45:23 zegt God: Ik heb gezworen bij Mijzelven, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. In Filippenzen 2:10–11 verbindt Paulus dit met Jezus Christus: alle knie zal zich in Zijn Naam buigen en alle tong zal belijden dat Hij de Heere is.


Die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, laat zien hoe allesomvattend Zijn gezag is. Hebreeën 1:6 zegt: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden. Ook Openbaring 5:13 beschrijft alle schepselen in de hemel, op de aarde en onder de aarde, die zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.


Ook in verband met het oordeel schrijft Paulus: Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden. Daarna haalt hij aan: Voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. Romeinen 14:10–11. Niemand staat dus buiten Zijn gezag. Deze tekst leert niet dat alle mensen gered worden; dat behoort tot een ander onderwerp.


Jezus Christus de Heere, tot heerlijkheid Gods des Vaders


Alle tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is. Belijden betekent hier erkennen en uitspreken Wie Hij is. Jezus zegt Zelf: Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het. Johannes 13:13. Thomas belijdt Hem met de woorden: Mijn Heere en mijn God! Johannes 20:28.

Zijn heerschappij omvat allen. Handelingen 10:36 zegt: Deze is een Heere van allen. Paulus schrijft: Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou. Romein

en 14:9. Hij, Die Zich vernederde tot de dood des kruises, zal door allen als Heere erkend worden.


Deze belijdenis is tot heerlijkheid Gods des Vaders. De eer die de Zoon ontvangt, verheerlijkt de Vader. Johannes 5:23 zegt: Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft. Christus bad ook: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Johannes 17:1.


Romeinen 10:9 spreekt over onze behoudenis en verbindt de belijdenis met het geloof: Indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. Filippenzen 2:11 zegt dat alle tong Zijn heerschappij zal erkennen. Daarmee leert deze tekst niet dat alle mensen gered worden; dat behoort tot een ander onderwerp.

De Zoon van God en het Lam van God


In Lukas 3:23–38 wordt Adam een zoon van God genoemd. Maar de Heere Jezus is niet op dezelfde wijze Zoon van God als Adam. Hij werd uit Maria geboren, zonder door Jozef verwekt te zijn (Lukas 1:35). Paulus stelt Adam tegenover Christus. Door Adam kwamen zonde en dood, maar door Christus komen genade, rechtvaardigheid en leven (Romeinen 5:12, 14, 17). De Heere Jezus Christus was zonder zonde en is het Lam van God (Johannes 1:29). Zoals het paaslam onder de wet zonder gebrek moest zijn (Exodus 12:5; Hebreeën 10:1), zo gaf Christus Zichzelf als het volmaakte offer (Hebreeën 4:15; 9:14).


Paulus schrijft dat Hij geen zonde gekend heeft, maar voor ons tot zonde is gemaakt, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden worden (2 Korinthe 5:21).


Het volbrachte werk aan het kruis


Het hart van het Evangelie van Gods genade is dat Christus voor onze zonden gestorven is, begraven werd en op de derde dag is opgewekt (1 Korinthe 15:1–4). Hij werd overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (R

omeinen 4:25). Door het geloof in Hem hebben wij vrede met God (Romeinen 5:1).


Paulus noemt de gekruisigde Christus „den Heere der heerlijkheid” (1 Korinthe 2:8). God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende (2 Korinthe 5:19).



Door Zijn bloed zijn wij nabij gebracht (Efeze 2:13). In Hem hebben wij verlossing en vergeving (Efeze 1:7) en zijn wij met de Heilige Geest verzegeld (Efeze 1:13–14).

Ook onze toekomstige hoop is verbonden met Zijn dood en opstanding (1 Thessalonicenzen 4:14). „Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.”