"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

Standvastig, juni 2004

 Hoe Paulus schreef over zijn sterven

Over het werk van de Stichting tot Herziening van de Statenvertaling hebben we al enkele malen geschreven. Deze stichting is opgericht door mensen die vinden, dat de Statenvertaling in haar huidige vorm niet meer bruikbaar is in onze tijd. Daarom zijn zij aan het werk gegaan om de tekst van de Statenvertaling grondig te herzien. Moeilijke woorden worden vervangen; ingewikkelde zinnen worden vereenvoudigd, om de Statenvertaling begrijpelijker te maken.

Dit alles vanuit de gedachte, dat de Statenvertaling al bijna 400 jaar oud is. In die vier eeuwen is de Nederlandse taal zo veranderd, dat hertaling in de taal van nu hard nodig zou zijn.

Inderdaad, onze taal is in de loop der jaren veranderd. Woorden als ‘mitsgaders’, ‘hetwelk’, ‘een iegelijk’, ‘toornig’, ‘vlieden’, ‘zich benaarstigen’, ‘aangezicht’, ‘verkeerdelijk’ worden in de gewone omgangstaal allang niet meer gebruikt. Wat overigens nog niet wil zeggen dat ze onbegrijpelijk geworden zijn.

Maar in die groeiende kloof tussen de taal van de Statenvertaling en de omgangstaal van nu gaat het wel om wezenlijker dingen dan alleen wat verouderde woorden. De verandering van onze taal hangt ten nauwste samen met een diepgaande verandering van onze hele cultuur. Onze samenleving is in enkele tientallen jaren radicaal ontkerstend. Op straat, op het werk, in de winkels, in bus en trein, overal horen wij en horen onze kinderen een heel andere taal, met een heel andere woordenschat en manier van uitdrukken dan in de kerk. In die taalvernieuwing hebben TV en radio een groot aandeel.

Wij hebben Gods Woord in de Nederlandse taal, in een vertaling die eeuwenlang onze taal, onze cultuur, ons volksbestaan gestempeld heeft. De Statenvertaling is van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van onze Nederlandse taal. Maar ons volk heeft de laatste halve eeuw God openlijk en uitdagend de rug toegekeerd, Zijn dienst verlaten, Zijn Woord en Wet radicaal verworpen. Daardoor is heel onze cultuur in een crisis zonder weerga gekomen, tot en met onze taal toe, die dagelijks verder af komt te staan van de taal van de Bijbel.

Het is waar, maar laten we elkaar daarmee niets aanpraten. Onze Statenvertaling is bepaald niet onverstaanbaar. Op de punten waar het op aankomt, is zij glashelder voor iedereen, jong of oud, kerkelijk of niet-kerkelijk.

Vertaalprincipe

De Statenvertaling is bijna vierhonderd jaar oud. Natuurlijk is dat te merken in de taal. Neem bijvoorbeeld de naamvalsbuigingen (des, der, den, enz.). Maar men moet dat niet overdrijven. Er wordt al jaren beweerd dat de Statenvertalers de Bijbel vertaald zouden hebben in het gewone Nederlands van de 17e eeuw en dat dit ons het recht zou geven, hun werk te herschrijven in het gewone Nederlands van nu. Maar de Statenvertalers hebben het ‘gewone Nederlands’ van toen juist niet gebruikt. Zij kozen bewust voor een deftige, verheven taal, uit eerbied voor de hoge, heilige God Die tot ons spreekt in dat Woord. Ver boven de spreektaal van toen.

Bovendien is de kloof die men aanwijst tussen de taal van de Statenvertaling en het huidig taalgebruik niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, een kwestie van oud, ouderwets of deftig Nederlands.

Het heeft alles te maken met de vertaalprincipes van de Statenvertalers. Zij vertaalden zo letterlijk mogelijk. Zij hadden de opdracht van de Dordtse synode gekregen, niet alleen de woorden, maar ook de volgorde der woorden uit de Hebreeuwse en Griekse grondtekst aan te houden, zo na en nauw als dat mogelijk was.

Daarom zijn hun zinnen vaak lang en ingewikkeld opgebouwd. Dat deden zij uit eerbied voor de oorspronkelijke tekst, waar dat zo was. Zij probeerden de grondtekst met zijn structuur zichtbaar te maken in de vertaling. Daarom is hun vertaling hebraïserend en heeft men wel gesproken van een vertaling in ‘Nederhebreeuws’. Het ging er hun niet alleen om wat er staat. Van wezenlijk belang was voor hen ook hoe het er staat.

Heengaan

Begin juni heeft de Stichting Herziening Statenvertaling de eerste resultaten van haar arbeid gepresenteerd. Het is een boekje met twaalf ‘hertaalde’ bijbelboeken: Genesis, Psalmen, Markus, Johannes, zeven brieven van Paulus en Openbaring.

Wij geven daaruit één voorbeeld. Voldoende om ons kernbezwaar tegen de gekozen methode van hertaling van de Statenvertaling toe te lichten.

In Filippenzen 1:23 spreekt Paulus zijn begeerte uit om ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat was hem zeer verre het beste.

In het nu verschenen boekje met herziene Statenvertaling staat op deze plaats: ik heb het verlangen om heen te gaan en met Christus te zijn.

Niet meer ‘ontbonden te worden’, maar ‘heen te gaan’.

Misschien zal iemand zeggen: Maar dat is toch hetzelfde? Beide uitdrukkingen betekenen sterven. Alleen, ‘ontbonden te worden’ zegt vandaag de dag niemand meer. Als iemand zou zeggen: Die of die is vannacht ontbonden, zouden de meeste mensen absoluut niet begrijpen waarover hij het had. Dan zoek je daar toch gewoon een ander woord voor?

Daarom heeft in de Herziene Statenvertaling Johannes de Doper ook geen gordel meer om zijn ‘lendenen’, maar om zijn ‘middel’.

Doet het er dan niet toe hoe het er staat?

De Statenvertalers vertaalden ‘ontbonden te worden’, omdat Paulus die uitdrukking in het Grieks schreef. De apostel gebruikte het woord ‘heengaan’ niet, maar koos voor ‘ontbonden worden’.

Ontbinding

Calvijn tekent bij deze tekst, Filippenzen 1:23, aan, dat Paulus hier getuigt dat de dood een scheiding is van ziel en lichaam. Calvijn ziet hier een verwerping van de leer van de zogenaamde zielenslaap en schrijft: ‘Paulus betuigt openlijk dat wij met Christus zullen zijn als onze ziel gescheiden zal zijn van ons lichaam’.

Paulus duidt zijn sterven hier aan als ‘ontbonden te worden’.

Dat houdt ook in ontbonden te worden van de ketenen waarmee hij nu nog geboeid is aan zijn bewakers. Ontbonden ook van de kluisters der zonde, ontbonden uit de knopen der goddeloosheid, ontbonden uit alle benauwdheid. Ontbonden van de engel des satans die hem met vuisten sloeg. Dan geen banden meer, geen geselslagen, geen schipbreuken, geen dwaalleraars, niet meer verkocht onder de zonde, niet meer ‘het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik’, niet langer doornen in het vlees, geen helse aanvechtingen meer. Losgemaakt ook van de zorg die hem dagelijks overviel van al de gemeenten, losgemaakt van dierbare vrienden en familiebetrekkingen. De Heere maakt Zijn volk in het sterven los van alles wat hen nog bindt aan dit leven, om alsdan altijd met Christus te zijn.

Van dat alles getuigde de apostel, toen hij zijn sterven aanduidde met de gelijkenis van het ontbonden worden. Daar mocht hij weleens naar verlangen. Dat leefde bij hem. Zo zou hij ook, eenmaal aan het einde van zijn leven gekomen, aan Timotheüs schrijven: ‘De tijd mijner ontbinding is aanstaande’, 2 Timotheüs 4:6.

Goede reden

De Statenvertalers hadden dus een heel goede reden om hier aan hun vertaalbeginsel van letterlijk te vertalen vast te houden. Bovendien lichtten zij het beeld nog toe, door in een kanttekening te spreken over reizigers die op weg zijn naar hun vaderland, en over het touw van het scheepje dat losgemaakt wordt, en in een volgende kanttekening over Paulus’ ziel die straks met Christus in de hemel zou zijn.

Het is niet altijd mogelijk, elke uitdrukking in de Hebreeuwse en Griekse grondtekst zo letterlijk over te zetten. Dan laten zij wel in een kanttekening zien wat er letterlijk staat. Een en ander getuigt van de grote noodzaak die de Statenvertalers gevoelden om niet alleen te tonen wat er staat, maar ook hoe het er staat.

Wat is het leerzaam om kennis te nemen van de laatste woorden van David, 2 Samuël 23. Wat is het zielverrijkend om te lezen hoe een stervende Jakob getuigenis gaf van de hoop die in hem was, Genesis 49:18. En Stefanus in Handelingen 7. Zo ook Paulus hier, alleen al door dat woord ‘ontbinden’.

Het zou bijzonder te betreuren zijn, wanneer er straks onder de naam van Herziene Statenvertaling een Bijbel zou uitkomen, waarin om maar in eerste oogopslag direct goed begrijpelijk te zijn, zulke noties verloren zullen zijn gegaan.

Daarbij komt nog, dat wie voor zulk een Herziene Statenvertaling kiest, de kanttekeningen kwijtraakt, want die zijn naast de hertaalde Bijbel onbruikbaar. Wat men dus aan begrijpelijkheid denkt te winnen door de hertaling, verliest men daardoor tegelijk weer dubbel en dwars.

                                                                                                          L. M. P. Scholten

 

In dit gedeelte vindt u Openbaring 19:8 met de kanttekeningen.

Standvastig, september 2004

Rechtvaardigheid van Christus is als een zuiver wit kleed voor Zijn volk

De rechtvaardigmakingen der heiligen

En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen, Openbaring 19:8.

Het gaat hier over de bruiloft des Lams. De vrouw waarover gesproken wordt, is de Bruid van Christus. De strijd is gestreden. De overwinning is behaald. De bruiloftsdag is aangebroken. De bruid is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad. Een sneeuwwit bruiloftskleed voor een in zichzelf zwarte bruid. En dan voegt de bijbelschrijver, Johannes, daaraan toe: Want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen. Wat wordt daarmee bedoeld?

In het Grieks staat het woord dikaiooma. Dat woord komt tienmaal voor in het Nieuwe Testament. De Statenvertalers hebben het overgezet met ‘recht’, ‘oordeel’, ‘rechtvaardigheid’ of ‘rechtvaardigmaking’. Dat laatste in Openb. 19:8, alsmede in Rom. 5:16 en Hebr. 9:10.

Dikaiooma komt van het bijvoeglijk naamwoord dikaios = rechtvaardig. Dikaiooma betekent eigenlijk: iets dat vereist is tot rechtvaardigmaking, iets dat kracht heeft om rechtvaardig te maken. Zo leggen de Statenvertalers het zelf uit, in kanttekeningen op Rom. 2:26; 8:4 en 5:18. In Hebr. 9:1 en 10 komt dikaiooma voor als een ceremoniële rechtvaardigmaking, die alleen naar het uitwendige rechtvaardig kon maken. In Romeinen 5 gaat het om de rechtvaardigmaking van de zondaar voor God. Op dat laatste heeft ook Johannes het oog, wanneer hij in Openb. 19:8 spreekt over de dikaiooma’s van de heiligen.

Zij zijn daarmee bekleed als een rein en blinkend fijn lijnwaad. Het is het kleed van Christus’ gerechtigheid. Het is hun gegeven, als een bruiloftsgift van de Bruidegom. Dan alleen is een mens rein. Het zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen. Heiligen zijn mensen die rechtvaardig verklaard en rechtvaardig gemaakt zijn. Van die bruid, met dat geschonken lijnwaad, zegt de Bruidegom: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.

Kanttekening

Zo vinden wij deze uitdrukking ook verklaard in de kanttekening. Bij het woord ‘rechtvaardigmakingen’ lezen we: ‘Of: rechtvaardigheden, namelijk niet waardoor wij in onszelven, maar waardoor wij voor God rechtvaardig zijn, welke is de rechtvaardigheid van Christus, die ons door het geloof wordt toegerekend, 2 Kor. 5:21. En is als een zuiver wit kleed, waardoor onze naaktheid voor Gods aangezicht wordt bedekt, zie Rom. 13:14. 1 Kor. 1:30. Gal. 3:27. Openb. 7:13, waaruit de heiligmaking des Geestes haar oorsprong heeft, die hiernamaals in ons ook zal volmaakt worden.’

De gerechtigheid der heiligen is niet meer en niet minder dan Christus’ gerechtigheid, die hun toegerekend is. Dat zijn dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. Hun rechtvaardigmaking, hun rechtvaardigheid, hebben de heiligen ontvangen in het bloed des kruises. Openb. 19:8 behoort bij Rom. 5:18. Onze kanttekenaars hebben deze uitdrukking verklaard in overeenstemming met het woord van de apostel Paulus: Gelijk ook David de mens zalig spreekt, welke God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken, Rom. 4:6.

Teleurstellend

Zeer teleurstellend was daarom, dat de NBG-vertaling van 1951 Openb. 19:8 vertaalde als: ‘En haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.’ 

Zeker, het woord ‘gegeven’ werd gehandhaafd, maar daarmee werd toch de indruk gewekt, dat Christus de zondaar in staat stelt, zichzelf een rechtvaardigheid te verwerven. Dit is een van de punten geweest, waarom velen deze nieuwe vertaling afgewezen hebben.

De Groot Nieuws Bijbel (1983) heeft zelfs: Want het witte linnen is het goede dat de heiligen gedaan hebben.

Doen de heiligen dan geen goede werken? Dat doen ze zeker, als vrucht van de heiligmaking, maar daarmee zijn het geen dikaiooma’s: iets dat vereist is tot rechtvaardigmaking, iets dat kracht heeft om rechtvaardig te maken. Daarenboven zegt John Gill in de eerste aanhaling van hem hieronder, dat het geen goede werken of hun eigen rechtvaardigheid kunnen zijn, ‘want al is het dat dit kentekenen zijn van het geloof waardoor de heiligen gerechtvaardigd worden, en dat God ze voor hen voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, toch kunnen deze niet vergeleken worden met rein en blinkend fijn lijnwaad, maar zij zijn als vuile lompen en kunnen niet rechtvaardig maken in het oog van God.’

Rechtvaardige daden

Maar hoe is het dan mogelijk, dat in de zogenaamde Herziene Statenvertaling, waarvan dit jaar een gedeelte in druk verschenen is, Openbaring 19:8 ook luidt: En het is haar gegeven zich met smetteloos en blinkend linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen. Let er ook op, dat het ‘bekleed worden’ van de Statenvertaling vervangen is door het ‘zich bekleden’ van de Nieuwe Vertaling. En ook hier wordt gesproken van de rechtvaardige daden.

Volgens het RD van 19 augustus heeft ds. H. J. Lam (een van de medewerkers aan de Herziene Statenvertaling) voor theologiestudenten van de Gereformeerde Bond over de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) gezegd, dat hij de vertaalprincipes van de NBV op zichzelf genomen niet onjuist vond. Toch meende hij van een principieel verschil tussen de Statenvertaling en de NBV te moeten spreken. Dat komt door wat hij noemde verschillen in theologische uitgangspunten. Hij noemde als voorbeelden hoe de NBV Genesis 15:6 vertaalt en dat de NBV in plaats van bekering spreekt van ‘tot inkeer komen’ of ‘veranderen’.

Hebben wij het mis, wanneer wij op onze beurt vaststellen, dat er althans in Openbaring 19:8 sprake is van een principieel verschil tussen de Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling? Zou dat wellicht ook het gevolg kunnen zijn van een verschil in theologische uitgangspunten? Is het dan nog wel correct, om bij de herziening de naam Statenvertaling te blijven gebruiken?

En dit voorbeeld is met vele anderen te vermeerderen, helaas.

Keur van getuigen

Wij laten hieronder een keur van reformatorische schriftuitleggers horen over de dikaiooma’s, de rechtvaardigmakingen der heiligen in Openbaring 19:8.

Matthew Henry:

In de lange gewaden van de rechtvaardigheid van Christus, gegeven ter rechtvaardigmaking en ingeplant ter heiligmaking; het witte kleed van vergeving, aanneming en vrijmaking, en van reinheid en algehele heiligheid.

Matthew Poole (Polus):

Dat zij bekleed zou worden met rein en blinkend fijn lijnwaad: dat zij bekleed zou worden met de gerechtigheid van Christus, haar toegerekend voor gerechtigheid. Dit is de rechtvaardigmaking der heiligen, genaamd de rechtvaardigheid Gods, Rom. 1:17; een gerechtigheid door het geloof van Christus, Filipp. 3:9, genaamd rechtvaardigmakingen in het Grieks, omdat er vele heiligen mede bekleed worden; en omdat zij toegerekend wordt beide tot rechtvaardigmaking en heiligmaking, niet om ons te ontheffen van heiligheid, maar vanwege onze gebreken.

Barnes:

Het is niet hun eigen gerechtigheid, want er wordt gezegd, dat het is gegeven aan de bruid – aan de heiligen. Het is de genadige schenking van hun Heere en het moet hier zien op die gerechtigheid die zij verkrijgen door het geloof, de gerechtigheid die vloeit uit de rechtvaardigmaking door de verdiensten van de Verlosser. Hiervan spreekt Paulus, wanneer hij zegt: En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof, Filipp. 3:9.

Christoph Starcke:

Rechtvaardigmakingen, in het meervoud, met opzicht tot hun grootheid en voortreffelijkheid. Want het is Christus’ gerechtigheid, die Hij met Zijn dood verworven heeft. Ook met opzicht tot haar menigvuldigheid, die zij in andere heilgoederen in zich bevat en met zich brengt, Rom. 5:16, als het kindschap Gods, de volkomen erfenis, de vrijheid, vreugde en blijdschap van de Geest, de vrede in en met God, de gemeenschap met Hem en alle zaligheid, enz., Jes. 45:24. Rom. 14:17; 8:32. Ofschoon nu dit sieraad der ziel terstond bij de verloving reeds in deze genadetijd geschonken en in het geloof aangedaan wordt, zo heet het hier, dat het haar is gegeven geworden, namelijk met opzicht tot de gehele volmaking, rechte verheerlijking en volkomen openbaring, Rom. 8:23. Kol. 3:3. Ps. 45:10. Jes. 61:10. Luk. 15:22. Gal. 3:27. Openb. 21:2.

John Gill:

Geen goede werken, of hun eigen rechtvaardigheid, want al is het dat dit kentekenen zijn van het geloof waardoor de heiligen gerechtvaardigd worden, en dat God ze voor hen voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen, toch kunnen deze niet vergeleken worden met rein en blinkend fijn lijnwaad, maar zij zijn als vuile lompen en kunnen niet rechtvaardig maken in het oog van God. Maar de gerechtigheid van Christus is bedoeld, en de rechtvaardigmaking door dezelve; want die is de enige rechtvaardigmakende gerechtigheid der heiligen. En hoewel deze maar één is, kan zij toch genoemd worden ‘rechtvaardigheden’ of ‘rechtvaardigmakingen’, in het meervoud. Dat is eensdeels vanwege de verscheidene gelegenheden waarin de daad van de rechtvaardigmaking gebeurt, eerst in Gods raad van eeuwigheid, vervolgens met opzicht op Christus als de Borg, toen Hij opstond van de doden, en op alle uitverkorenen in Hem, en dan in de consciënties der heiligen wanneer zij geloven, en de uitspraak ervan zal bekendgemaakt en verklaard worden aan mensen en engelen in het laatste oordeel; en anderdeels vanwege de vele personen die erdoor gerechtvaardigd worden, en ook vanwege de uitmuntendheid ervan; zo gebruiken de Joden het woord in het meervoud.

Nog eens John Gill:

Christus’ gerechtigheid kan worden vergeleken met rein en blinkend fijn lijnwaad, vanwege haar vlekkeloze reinheid; zij die ermede bekleed zijn, zijn onbestraffelijk en onbeschuldiglijk, zonder vlek of smet, en onberispelijk voor de troon. Hiermede zal de Joodse kerk bekleed worden; al des Heeren volk zal rechtvaardig zijn, zij zullen de beste kleding aan hebben, en het bruiloftsgewaad, dat veracht was door de Joden in Christus’ dagen, die weigerden te komen tot het bruiloftsfeest. En dat zij daarmede bekleed zijn, zal te danken zijn aan de genade van Christus, Die het schenkt; en zo is Christus’ gerechtigheid genaamd gave van gerechtigheid, vrije gave, gave uit genade, en overvloed van genade; en het geloof dat haar ontvangt en aanneemt, is Gods gave, Rom. 5:15 – 17. Ef. 2:8. Niet alleen het gewaad is een genadegave, maar het aannemen ervan is een gave van Christus en wat Hij Zelf doet, Jes. 61:10. Zach. 3:4.

Jamieson, Fausset en Brown:

Rechtvaardigmakingen – Grieks meervoud, distributief gebruikt. Elke heilige moet deze rechtvaardigmaking hebben: niet alleen gerechtvaardigd alsof de rechtvaardigmaking zou behoren tot de kerk in haar totaliteit; de heiligen hebben tezamen rechtvaardigmakingen; namelijk Hij is gerekend als ‘de Heere onze Gerechtigheid’ voor elke heilige op diens geloof, hun klederen zijnde wit gemaakt in het bloed des Lams. De rechtvaardigmaking der heiligen is niet, zoals Alford dwalende zegt, inherent (iets van de heiligen zelf), maar is toegerekend; indien het anders was, zou Christus alleen de zondaar in staat stellen zichzelf rechtvaardig te maken. Rom. 5:18 is hieromtrent beslissend. Vergelijk Artikel 11, Kerk van Engeland. De rechtvaardigmaking, die reeds aan de heiligen gegeven was in titel en ongeziene bezitting, wordt hun nu gegeven voor ieders oog: zij wandelen openlijk met Christus in witte kleding. Hierover gaat het hier, en niet zozeer over hun eerste rechtvaardigmaking op aarde. Hun rechtvaardigmaking voor de afvallige wereld, die hen vervolgd had, staat in tegenstelling tot het vonnis en de veroordeling van de hoer.

Bij wijze van contrast één afwijkende uitlegger tot slot, de remonstrant Hugo de Groot. Hij schreef in zijn Aentekeningen over de brieven van den apostel Paulus … nevens de algemeene brieven en Openbaringe (1694) over Openb. 19:8 ‘want het fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen’:

Zij zijn waardig dus gekleed te worden. Want hun werken komen met hun kleding overeen. Want ze zijn en blinkende en zuiver, als die van fijn lijnwaad. Onder de groten van Constantijns hof waren mannen van grote deugden. Zie Eusebius. Rechtvaardigmakingen worden genoemd Gods geboden, Luk. 1:6. Maar hier bij overnaming werken die met Gods geboden overeenkomen.

  

Veranderingen

Nog een aantal opmerkelijke veranderingen in het boek Openbaring in de Herziene Statenvertaling. We vermelden eerst de Statenvertaling, en daarna de herziening:

 1:1       Hem                                        - hem (Johannes?)

1:3       de woorden dezer profetie       - de woorden van de profetie

1:9       lijdzaamheid                             - volharding (idem 2:2, 2:19; 13:10)

1:13     Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde           - iemand, die op een mensenzoon leek (idem 14:14)

1:18     hel                                           - graf (idem 20:13, 14)

2:3       en hebt geduld                         - en volharding getoond

2:7       Die oren heeft, die hore            - Wie oren heeft, laat hij horen (bepaald onduidelijker)

3:8       voor u                                     - voor uw ogen (idem 13:13)

3:8       en gij hebt Mijn Woord bewaard                     - en toch hebt u Mijn Woord bewaard

3:10     het woord Mijner lijdzaamheid             - Mijn Woord om te volharden

6:2       en Die daarop zat                    - en hij die erop zat

6:8       hel                                           - dodenrijk

6:8       en met den dood                      - en met pest

6:11     lange witte klederen                 - een lang wit kleed (idem 7:9, 13)

7:15     zal hen overschaduwen - zal Zijn tent over hen uitspreiden

7:17     zal hun een Leidsman zijn         - zal hun de weg wijzen

8:12     opdat                                      - zodat

9:1, 2   haar … En zij                          - hem … En hij

9:16     heirlegers der ruiterij                - bereden troepen

9:17     sulfervervig                              - rookkleurig

9:20     hebben zch niet bekeerd          - bekeerden zich toch niet

10:1     een anderen sterken Engel        - een andere sterke engel        

11:3     met zakken bekleed                 - in rouwkleding

11:17   en als Koning hebt geheerst      - en Uw koningschap hebt aanvaard

13:1     koninklijke hoeden                   - kronen

13:8     van de grondlegging der wereld            - verplaatst in de tekst en tussen haken geplaatst. Vgl. de kantekening!!

13:10   Hier is                                     - Hier zien we ((wie zijn die we? Idem 14:12)

13:12   in tegenwoordigheid van hetzelve         - voor zijn ogen (idem vers 14)

13:14   en weder leefde                       - en toch leefde

13:16   dat het                                     - dat men

13:17   die dat merkteken heeft, of den naam   - die dat merkteken heeft: de naam

14:2     een stem van citerspelers          - een geluid als van citerspelers

14:3     zij zongen als een nieuw gezang            - zij zongen een nieuw lied

14:6     vliegende in het midden des hemels      - die hoog aan de hemel vloog

14:8     den wijn des toorns harer hoererij        - de wijn van haar hartstochtelijke hoererij (zie de kanttekening! Idem 18:3)

14:13   hun arbeid                               - hun moeiten

14:15   voor U                                    - nu

14:15   rijp                                          - geheel rijp

16:8     verhitten                                  - verteren

16:9     en lasterden                             - Maar zij lasterden

16:11   en zij                                       - maar zij

16:16   zij hebben hen vergaderd         - jij verzamelde hen

16:21   en de mensen                           - Maar de mensen

17:7     zeggen                                     - vertellen

17:14   gelovigen                                 - getrouwen

18:14   niet meer                                 - beslist niet meer (idem 18:22)

18:16   bekleed was                            - bekleed is

18:21   niet meer                                 - nooit meer (idem 18:23, 2x)

18:24   gedood                                               - geslacht

19:6     als een stem                             - zoiets als een geluid

19:9     het avondmaal van de bruiloft des Lams           - het bruiloftsmaal van het Lam

20:4     zij zaten op dezelve                  - zij gingen daarop zitten

20:4     en heersten als koningen           - en gingen als koningen regeren

21:4     En God                                   - En Hij

21:5     Die op den troon zat                - Die op de troon zit

21:9     Kom herwaarts                        - Kom mee

21:12   in de poorten                           - bij die poorten

21:14   de namen der twaalf apostelen             - de twaalf namen van de twaalf apostelen

21:25   niet gesloten                             - nooit gesloten

21:25   geen nacht zijn             - geen nacht meer zijn

 

L.M.P. Scholten                                                                                                                               

 

                                                                                  Standvastig, december 2004

 

Negen punten waarom de Nieuwe

Bijbelvertaling niet aanvaardbaar is

 

De Bijbel is niet zomaar een boek. Voor velen is het het boek van God, waarin Hij rechtstreeks tot hen spreekt. Dat boek ordent hun denken. Dat boek geeft hun leven perspectief. Aan dat boek vertrouwen zij met hun hele hebben en houden, bovenal met hun kostelijke ziel, zich toe. Boeken vertalen vereist altijd al zorgvuldigheid, maar bij de Bijbel geeft dit daar een extra dimensie aan. Hieraan moest ik denken, nu mij gevraagd is een beoordeling te geven van de Nieuwe Bijbelvertaling, die 27 oktober verschenen is.

De trefwoorden van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) zijn brontekstgetrouw en doeltaalgericht. Prachtig, maar de vraag is, wat er gebeurt wanneer deze twee principes op elkaar botsen. De keus van de NBV is dan duidelijk: Het dient altijd goed lopend, natuurlijk Nederlands te zijn.

Bij de Statenvertaling (en dat geldt ook nog in belangrijke mate van de NBG-1951 vertaling) heeft het brontekstgetrouw dan voorrang. Het is gezien het karakter van dit boek van het grootste belang, de oorspronkelijke tekst bij de overgang van de ene taal in de andere zo getrouw mogelijk te behouden voor de lezer. Niet de natuurlijkheid van het Nederlands was dan de maatstaf, maar het zo zorgvuldig mogelijk weergeven van de eigenheid van het bijbelse spreken. Hebraïsmen en graecismen werden meevertaald om maar zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke te blijven, ook al kreeg het Nederlands daardoor iets stijfs en onnatuurlijks.

Dat betekende ook concordant vertalen, dat wil zeggen voor een bepaald woord uit de brontekst in de doeltaal zoveel mogelijk één en hetzelfde woord gebruiken, ook als dat misschien strijdt met natuurlijk Nederlands.

De NBV heeft gestreefd naar gangbaar Nederlands. Maar we moeten er ons van bewust zijn, dat het hier om een niet-gangbare boodschap gaat, een boodschap van de Andere zijde. Om die passend weer te geven, hebben de Statenvertalers, indien nodig, zelfs nieuwe woorden gemaakt. Iedere vertaler in de zending weet daarvan.

 

Begrijpelijk

En nog een laatste vooropmerking. Eén van de doelstellingen van de NBV was, dat de vertaling ook voor een buitenkerkelijke lezer direct begrijpelijk diende te zijn. Dat is een loffelijk streven, maar daarbij dient wel bedacht worden, dat de bijbelschrijvers – niet één uitgezonderd – zich richtten op mensen die al bekend waren met het geloof. Toen Paulus zijn brief aan de Romeinen schreef, dacht hij daarbij niet aan een willekeurige heidense Romeinse soldaat, maar aan een concrete gemeente van christenen. Alle bijbelboeken veronderstellen bij de lezers op zijn minst basiskennis van geloofszaken, ook Markus en Lukas. Het is overvragen, wanneer men van een vertaling iets anders verlangt.

Het is duidelijk, dat wie instemt met bovenstaande overwegingen de NBV reeds afgewezen heeft op haar uitgangspunten. Maar nu ligt het resultaat op tafel. We weten dat vertalen altijd het brengen van offers betekent. In het vertalen gaan onherroepelijk zaken verloren, maar daar staat weer winst tegenover, bijvoorbeeld van grotere leesbaarheid. De vraag is derhalve: Is wat in deze vertaling verloren is gegaan, echt onopgeefbaar?

Ik meen van wel, en wil dit laten zien op negen punten. Ik vergelijk daarvoor de NBV met de Statenvertaling, omdat ik daarmee altijd geleefd heb, maar bijna alles gaat ook op voor de mensen die vergroeid zijn met de NBG-vertaling van 1951.

Er zouden natuurlijk meer punten te noemen zijn. Zeker zou een tiende punt gepast zijn geweest over de vraag van welke brontekst een bijbelvertaling dient uit te gaan. Met name voor het Nieuwe Testament is dat van belang, maar dit artikel zou dan te lang worden.

 1 – Het Hebreeuwse taaleigen

In de NBV is de taal zonder het Hebreeuwse coloriet op menige plaats zo kaal en plat geworden. Theologisch kan ik bepaald niet door één deur met ds. Nico ter Linden, maar ik val hem bij waar hij heeft gewezen op Genesis 23. Het eerste vers is in de Statenvertaling een compleet en prachtig hebraïsme: ‘En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaar; dit waren de jaren des levens van Sara.’ Wat klinkt de NBV dan kil: ‘Sara leefde honderdzevenentwintig jaar.’ Punt uit! Sara sterft, Abraham beweent haar en dan vervolgt de Statenvertaling, letterlijk volgens het Hebreeuws: ‘Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijn dode.’ We zien het voor ons. Onvergetelijk teer. Wat heeft de NBV: ‘stond hij op, verliet de tent waarin zijn overleden vrouw lag’.

Jeremia 31:16: ‘Bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen’. Wat steekt de NBV daar koud bij af: ‘Huil niet langer, droog je tranen’.

Genesis 6:6b ‘En het smartte Hem aan Zijn hart’ is in de NBG vervangen door ‘zich diep gekwetst voelen’, hedendaags hulpverlenersjargon, maar op die plaats volstrekt niet passend.

In Ruth 1:6 hoort Naomi in de NBV, ‘dat de Heer zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had’. Hier is niet meer duidelijk, dat God het volk weer te eten had gegeven, en bovendien wordt er in het Hebreeuws niet van eten gesproken, maar van brood. Dat had een vertaler nooit mogen verwaarlozen. Ruth is toch het boek van Bethlehem, het Broodhuis!

De mooie en duidelijke zegswijze ‘Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan’, Handelingen 26:14, is afgeplat tot ‘Je kwelt jezelf door je zinloze halsstarrigheid’.

De Statenvertalers hebben met hun herkenbaar Hebreeuws en Grieks idioom de lezer opgetrokken tot de tekst. De NBV-ers hebben de tekst af laten zakken naar het niveau van de lezer.

2 – Niet meer gangbaar?

In de tweede plaats noem ik woorden die uit de Bijbel verdwenen zijn omdat ze blijkbaar niet meer als gangbaar Nederlands worden beschouwd. Zo is goedertieren(heid) in het Nieuwe Testament overal goed(heid) geworden (bijv. 1 Petr. 2:3. Rom. 11:22). Afgezien van het feit dat goedertieren volgens Van Dale nog gewoon gangbaar is, heeft dit woord een meerwaarde boven goed: in goedertierenheid zit ook het element van barmhartigheid. Het woord ‘zalig’, van de zaligsprekingen in Mattheüs 5, is consequent vervangen door ‘gelukkig’. Daarmee is het eeuwigheidsperspectief eruit. ‘Innerlijk met ontferming bewogen worden’ heet nu ‘medelijden voelen’ (Matth. 9:36; 14:14).

Het begrip ‘vreze des Heeren’ is weergegeven als ‘ontzag voor de Heer’ of ‘eerbied voor de Heer’. Dat is maar één zijde van de vreze des Heeren. Er ligt in deze uitdrukking tegelijk ook vertrouwen. Daarom had zij zo gehandhaafd moeten blijven. Ontslapen is vervangen door sterven (Hand. 7:60. 1 Kor. 15:20), terwijl de gedachte aan een slaap zo heel duidelijk in de brontekst zit. Heil is redding geworden, ongerechtigheid werd onrecht of schuld, welbehagen is vervangen door wil of verlangen. Al deze termen zijn gestempeld door een bepaalde traditie. Hun vervanging betekent een verzwakte zeggingskracht. Moesten deze (volgens Van Dale allemaal nog gangbare) woorden nu echt geofferd worden voor het natuurlijk Nederlands?

3 – Nog wel heel gangbaar

Maar ook zeer bekende woorden zijn uit de Bijbel verdwenen, ik kan niet anders zeggen dan uit een kennelijke behoefte om tegen de traditie in te gaan. Zo is de melaatsheid vervangen door huidvraat, en hebben kribbe en herberg uit het Kerstevangelie plaats moeten maken voor voederbak en nachtverblijf. Wie randkerkelijken nog verder van de Bijbel wil vervreemden, moet vooral zulke correcties aanbrengen!

Veel schokkender in Lukas 2 is nog, dat de engel niet meer de geboorte aankondigt van ‘de Zaligmaker’, maar van ‘een redder’. Exegetisch bestaat er geen enkele noodzaak om de eeuwenoude vertaaltraditie op dit punt te verbreken. Een grote misslag is ook, bij het sterven van Christus te schrijven dat Hij ‘de laatste adem uitblies’ (Luk. 23:46, ook in Mark. 15:37, 39), in plaats van ‘de geest gaf’. Te onbegrijpelijker gelet op Christus’ eigen woorden in hetzelfde vers.

We begrijpen ook niet, waarom overbekende bijbelgedeelten die velen uit het hoofd kennen, zoals de zegenbede van Aäron, de Tien Geboden en het Onze Vader, ingrijpend veranderd moesten worden?  Zo is het duidelijke ‘Gij zult niet begeren’ uit het tiende gebod veranderd is in het zoveel zwakkere ‘Zet uw zinnen niet op het huis (enz.)’. In het Gebed des Heeren moet nu gebeden worden: ‘Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’. De Statenvertalers handelden zoveel zuiverder door de klassieke en letterlijke uitdrukking ‘ons dagelijks brood’ te laten staan en in een kanttekening bij ‘dagelijks’ uit te leggen: ‘Dat is, genoegzaam en nodig tot onderhoud van ons leven voor dezen dag, of: ons bescheiden deel’. Deze omschrijvende uitleg in de vertaling zelf verwerken geeft in een gebed een effect dat daarin totaal niet past. 

4 - Concordant vertalen

Voor vergelijkende bijbelstudie is het van belang om kernwoorden uit het oorspronkelijke zoveel mogelijk met eenzelfde woord in het Nederlands te vertalen. Men noemt dat concordant vertalen. Het is ook een bewuste stijlvorm in de brontalen van het Oude en Nieuwe Testament, bepaalde woorden te herhalen binnen een perikoop, of ook wel binnen een heel bijbelboek. Dat accentueert iets. In de geschiedenis van de hoofdman van Kapernaüm doen de oudsten der Joden een goed woordje voor hem bij Jezus met de woorden ‘Hij is waardig, dat Gij hem dat doet’, Lukas 7:4. De hoofdman zelf zegt drie verzen later juist, dat hij zichzelf niet waardig acht. Blijkbaar was de dictatuur van het natuurlijk Nederlands zo sterk, dat vers 4 in de NBV veranderd is in ‘Hij verdient het’, waardoor de woordgelijkheid verloren is gegaan.

In de geschiedenis van de zalving van Saul tot koning (1 Samuël 9 en 10) komt twaalfmaal het werkwoord matsa’ (vinden) voor (9:4, 8, 11, 13, 20; 10:2, 3, 7, 16). Daar heeft de schrijver een bedoeling mee gehad. Hij gebruikt het soms zelfs geforceerd, in onnatuurlijk Hebreeuws (‘er vindt zich een geldstuk in mijn hand’). De NBV presteert het echter om matsa’ hier op zeven verschillende manieren te vertalen: 2x vinden, 2x tegenkomen, 2x aantreffen, 1x niet mislopen. Zelfs de ezelinnen zijn 3x niet ‘gevonden’, maar ‘terecht’. Men moet nu het Hebreeuws lezen om achter de bedoeling van de schrijver te komen, en dat is toch niet het doel van een vertaling.

5 - Tegenstrijdigheid

Er zit in de NBV een merkwaardige tegenstrijdigheid. Veel moeilijke woorden en verouderde zinswendingen zijn vervangen door hedendaags natuurlijk Nederlands, maar tegelijk is er een fors aantal nieuwe moeilijke woorden bijgekomen. De hoofdman over honderd heet nu centurio, stadhouder Pilatus prefect, de kamerling uit Morenland is een eunuch geworden. Dorkas maakt tunica’s in plaats van rokken, de sikkel werd een sjekel en in plaats van paasfeest spreken we nu van pesachfeest en van Christus als ‘ons pesachlam’ (1 Kor. 5:7).

 Dat is allemaal om de lezer duidelijk te maken, dat de Bijbel in een heel andere cultuur is ontstaan dan de onze. De vreemde woorden onderstrepen de kloof van eeuwen.

Maar dan snap ik het fanatisme niet, waarmee tegelijk geijverd is om ‘exclusief mannelijk taalgebruik’ zoveel mogelijk uit te bannen: de aanspraak ‘mannen broeders’ is veranderd in ‘broeders en zusters’ (Hand. 1:16; 2:29; 13:26, 38. Rom. 1:13. 1 Kor.1:10, 11, enz.), tot zelfs in Mattheüs 5:23 moest de broeder veranderd worden in ‘broeder of zuster’, en Handelingen 6:3 laat ons in de NBV geloven dat de vrouwen ook stemrecht hadden in de gemeente, voorvaderen worden voorouders (Jer. 11:10, vergelijk Deut. 19:14), mannen worden mensen (Jak. 1:12, 20; 3:2). Enerzijds wordt de cultuurkloof geaccentueerd, anderzijds wordt ze krampachtig weggedoezeld. Waarom niet eenvoudig erkend, dat de Bijbel in een patriarchale cultuur ontstaan is?

De NBV laat Sara in Genesis 18:12 spreken over Abraham als haar man, in plaats van haar heer zoals er in het Hebreeuws staat, waardoor het betoog van Petrus in 1 Petrus 3:5 en 6 onbegrijpelijk wordt. Overigens is dit vers uit vertaaloogpunt een dieptepunt in de NBV: ‘Zou de liefde voor mij dan nog weggelegd zijn? dacht ze.’

Onbegrijpelijk hoe men tot de ‘vertaling’ van Genesis 2:23 is kunnen komen: Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd.’ Blijkbaar was de invloed van de feministische theologie in de NBV zo groot, dat de eerste woorden van de eerste mens die in de Bijbel staan, nu al meteen een belijdenis inhouden van het modernistische dogma van de gelijkheid van man en vrouw: ‘Eindelijk een gelijk aan mij’. Alleen, waar berust dit op? In elk geval niet op de grondtekst. De woorden ‘een gelijk aan mij’ zijn er door de vertalers bij gefantaseerd. Ze staan niet in de Hebreeuwse tekst. Dit moet de NBV-ers ernstig kwalijk genomen worden. Het tweede deel van het vers is voorts aanmerkelijk afgezwakt. Dat Eva ‘Manninne’ (zo is letterlijk het Hebreeuwse woord voor vrouw) genoemd wordt omdát zij uit de man genomen is, is in de vertaling weggelaten. Dat redengevend voegwoord is voor het rechte begrip hier wezenlijk.

6 – Theologische vooronderstellingen

Vertalen is kiezen. De keuze wordt onvermijdelijk mede bepaald door de theologische achtergrond van de vertaler. Het is schokkend, te merken dat het begrip bekering helemaal uit de Bijbel verdwenen is. Bekeren wordt in de NBV systematisch vertaald met termen als: tot inkeer komen (enkele voorbeelden uit Lukas: 10:13; 13:3, 5; 15:7, 10; 16:30; 24:47), berouw tonen (Hand. 8:22. Openb. 2:5b; 16:9), een nieuw leven beginnen (Hand. 13:24; 17:30; 19:4), anders gaan leven (Jona 3:8, 10), zijn leven beteren (1 Kon. 8:35), overgaan tot het geloof (Hand. 11:21). Het element van de totale ommekeer, dat duidelijk in het Hebreeuwse woord sjoeb zit, is weg. Dat is ingrijpend: de bekering weg uit de Bijbel!

Het begrip ‘geloven’, in de zin van tot het geloof komen, in het boek Handelingen, is doorgaans weergegeven met ‘het geloof aanvaarden’, wat een veel verstandelijker indruk maakt (bijv. Hand. 2:44; 4:32; 18:8), en ook wel met ‘tot het geloof overgaan’ (Hand. 11:21). Waarom is overigens in Markus 5:36 ‘geloof alleenlijk’ het laatste woord weggevallen? Waarom staat in Markus 10:15 ‘Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God’? Openstaan is toch heel wat anders dan ontvangen (Grieks: dechomai)? Zijn we mis, wanneer we veronderstellen, dat achter zulke vertalingen heel andere gedachten over het werk van Gods Geest in het hart van de uitverkoren zondaar schuilgaat?

In dit verband verdient ook Romeinen 4 de aandacht. Wat betekent het, als er gesproken wordt van ‘gerechtvaardigd door het geloof’? Daar wijdt Paulus een heel hoofdstuk aan, met als kern het Schriftwoord uit Genesis 15:6 ‘Abraham geloofde in God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid’. In de kanttekeningen op de Statenvertaling wordt dat toegelicht: Het woord rekenen of toerekenen wordt genomen voor iets op iemands rekening stellen.

Abraham had van zichzelf geen gerechtigheid. Maar door het geloof op Gods beloften aangaande het zaad, waaronder inzonderheid Christus, heeft God hem uit genade de gerechtigheid van Christus toegerekend. Niet dat het geloof dit verdient of in zichzelf waardig is, gelijk enigen verkeerdelijk menen, maar omdat het geloof als een instrument is dat de gerechtigheid van Christus aanneemt. Aldus de kanttekeningen. Maar de NBV heeft van het geloof zelf een verdienende daad gemaakt, want Genesis 15:6 wordt zo weergegeven in Romeinen 4:3: ‘Abraham vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend’. Het wordt herhaald in vers 9 en vers 22. Maar de Heere rechtvaardigt geen gelovige mensen, maar goddelozen, zegt Paulus juist hier, in vers 5. Het geloof rechtvaardigt hen, niet omdat God ze hun geloof genadig toerekent als een daad van gerechtigheid, maar alleen omdat het geloof hen met Christus en Zijn gerechtigheid verenigt. Niet vanwege de dáád van hun geloof, maar vanwege het vóórwerp van hun geloof, Christus en Zijn gerechtigheid, worden zij gerechtvaardigd. Men leze Artikel 22 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en Zondag 23 van de Catechismus. In dit geloofsstuk waarmee de kerk staat of valt, is de NBV rechtstreeks in strijd met de belijdenis.

Het begrip ‘de zonde verzoenen’ is in de NBV weergegeven als de zonde wegnemen (Ps. 65:4), uitwissen (Deut. 32:43), tenietdoen (Jes. 6:7), vergeven (Jes. 22:14), en andere woorden van eenzelfde strekking. Maar het Hebreeuwse werkwoord legt een verband met het verzoendeksel op de verbondsark. ‘De zonde verzoenen’ veronderstelt een zoenoffer tot bedekking van de schuld. Mag zo’n essentieel gegeven in de vertaling wegvallen? Spreekt het woord ‘verzoenen’ in het Oude Testament dan niet van de noodzakelijkheid van verzoening door de offerande van de Middelaar?

Genesis 5:24 ‘Henoch wandelde met God, en hij was niet meer; want God nam hem weg’ luidt in de NBV nu: ‘Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam’. Het wonderbare van Henochs wegneming, dat zo kennelijk besloten ligt in de woorden ‘en hij was niet meer’ is op die manier wegvertaald. Hebreeën 11:5 laat er geen twijfel over bestaan, dat God Henoch tot Zich genomen heeft zonder sterven. Waarom heeft men zich dan niet gehouden aan de letterlijke Hebreeuwse tekst?

De NBV laat Petrus zeggen, dat God de gevallen engelen in de Tartarus geworpen heeft. Het Griekse woord dat hij in 2 Petrus 2:4 gebruikt, noodzaakt helemaal niet om aan te nemen dat Petrus in het bestaan van een dergelijk mythologisch oord geloofd heeft. Achter al deze vertalingen zitten theologische vooronderstellingen die op gespannen voet staan met het belijden van de kerk.

Ernstige vragen over de achterliggende theologie worden ook opgeroepen door de vertaling van Exodus 3:14: ‘Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toegestuurd.”’ De geleerden zijn het er wel over eens, dat de Godsnaam JHWH (‘Jehovah’) verklaard moet worden uit het Hebreeuwse werkwoord hajah (zijn). Deze Naam ziet op Gods eeuwigheid en onveranderlijkheid, Hij Die is en Die was en Die komen zal, Die gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid. Zie ook de kanttekening SV op Genesis 2:8. De Heere openbaart hier aan Mozes in Zijn Naam, dat Hij zal zijn Die Hij geweest is en Die Hij nu is. Hij is de God der aartsvaders, de Onveranderlijke, de Getrouwe, Die Zijn volk niet begeven noch verlaten zal, omdat Hij altijd Zichzelf gelijk blijft. Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd, Maleachi 3:6. De NBV-ers hebben daar het woordje ‘er’ tussengevoegd. Dat lijkt een kleine taalkundige toevoeging, maar dat is het bepaald niet. De onveranderlijkheid Gods verdwijnt naar de achtergrond. ‘Ik zal er zijn’ betekent in het verband van de tekst: Daar waar Ik nodig ben, zal Ik zijn. De moderne theologie spreekt over een God Die Zich als God realiseert in relatie tot de mens. ‘Ik zal zijn’ en ‘Ik zal er zijn’ een wereld van verschil!   

7 Christus-profetieën

Voor veel oudtestamentici geldt het als een naïeve misstap om te spreken van Christusprofetieën in het Oude Testament. Op dit punt gaapt er een kloof met de gemeenteleden die in de adventsweken graag horen preken over adventsteksten, zoals de moederbelofte en Jesaja’s profetie van de maagd die zwanger zal worden. Dat wordt met de NBV wel erg moeilijk. De kerk heeft in het beloofde vrouwenzaad van Genesis 3:15 altijd Christus gezien. De NBV vertaalt dit vers zo: ‘Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’ Hier is een keuze gemaakt. Door dat woordje ‘zij’ in het meervoud (niet brontekstgetrouw) wordt de christologische uitleg onmogelijk gemaakt.

Genesis 22:18 is in de traditie der kerk (en zie daarbij ook Handelingen 3:25) een profetie van de zegen voor de volken in Christus. In de NBV is ook dat weg: ‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jouw nakomelingen’. Niet om vertaaltechnische redenen, maar vanuit theologische vooronderstellingen.

Op vergelijkbare wijze hebben ook Deuteronomium 18:15 en Jesaja 7:14 en nog veel meer plaatsen hun karakter als heenwijzing naar de komst van Christus verloren. In de NBV zijn de twee genoemde teksten weergegeven als ‘Hij zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren’ en ‘Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen’. Vergelijk dit met Handelingen 3:22 en Mattheüs 1:22 en 23! Ik heb begrepen dat vooral hierom de r.k. bisschoppen de NBV voor liturgisch gebruik afgekeurd hebben. Voor die beslissing is alle reden.

In Daniël 7:13 duidt Daniël de komende Messias aan als ‘Een als eens mensen Zoon’. In aansluiting aan deze tekst heeft Christus Zichzelf tientallen malen in de Evangeliën de Zoon des mensen genoemd. In de NBV is deze aansluiting niet meer te zien, want ter wille van het natuurlijke Nederlands lezen we nu in Daniël 7:13 van ‘iemand die eruitzag als een mens’.

Een onbegrijpelijke en zeer ernstige vertaalfout is gemaakt in Lukas 1:27. Tweemaal wordt Maria in dit vers een ‘meisje’ genoemd, terwijl Lukas uitdrukkelijk in het Grieks het woord parthenos (maagd) gebruikt. Lukas sluit daarbij aan bij Jesaja 7:14, waar in de Griekse vertaling ook van parthenos gesproken wordt. Bizar is dat in de NBV parthenos in Mattheüs 1:23 wel met ‘maagd’ vertaald is, maar hier niet. En dat terwijl het verband met Jesaja 7:14 ook bij Lukas overduidelijk is, waar vier verzen verder de bewoordingen die de engel Gabriël gebruikt, letterlijk ontleend zijn aan Jesaja’s profetie. Gabriël kondigt in dit hoofdstuk twee geboorten aan die naar de mens gesproken onmogelijk waren. Zoals Lukas in vers 7 van Elisabet schrijft dat zij onvruchtbaar was, zo vermeldt hij in vers 27 nog nadrukkelijker dat Maria (niet zomaar een meisje, maar) maagd was.

8 - Jijjouwen

Tutoyeren (jijjouwen) moge in de omgangstaal gewoon zijn, maar in de Bijbel past het eenvoudig niet. Zolang onze koningin in de troonrede haar onderdanen met u toespreekt, komt het krom over, dat in de wetgeving in de woestijn de Israëlieten aangesproken worden met jou en jullie. Bovendien lijkt er in het tutoyeren in de NBV geen vaste lijn te zitten. Waarom bijvoorbeeld jullie tegen de discipelen en u tegen de farizeeën, maar in Lukas 7 jij en jou tegen Simon de farizeeër en u tegen de zondares? Dat God de Vader Christus ten aanhoren van een grote schare aanspreekt met jij en jou vind ik onbestaanbaar.

Jammer is de afschaffing van het woord ‘gij’ (bepaald nog niet uitgestorven en de beste aanspraakvorm in het gebed), de verdwijning van de gebiedende wijs meervoud en de rigoreuze uitbanning van de genitief (tweede naamval), ook in vaste verbindingen. Koninkrijk Gods en koninkrijk der hemelen klinkt veel natuurlijker en vloeiender dan het nu telkens herhaalde koninkrijk van God en koninkrijk van de hemel.

9 – Eerbieds(hoofd)letters
Over de weergave van de Godsnaam is al veel te doen geweest. Het is meer dan een gevoelszaak, dat wij de drie e’s van Heere niet in de Bijbel willen missen, ook al weten wij, dat de berijmers van 1773 daar al anders over hebben gedacht.

Ingrijpend is voorts het besluit om voornaamwoorden die betrekking hebben op God, Christus en de Heilige Geest met een kleine letter te schrijven. Ik weet, dat dit in vroeger eeuwen ook gebeurde, maar wij leven nu. Emotioneel grijpt dit bij velen diep in. De kleine letter wordt verdedigd met de ‘huidige tendens’ naar versobering van het hoofdlettergebruik, maar de NBV heeft zich hierin een voortrekkersrol aangemeten en draagt zo bij aan de verdere secularisering van de samenleving. De kerk heeft het zelf afgeschaft, zal er gezegd worden. Daar het ondenkbaar is dat de moskee volgt, zal dit in de media tot een bizar effect kunnen leiden!

(dit artikel is oorspronkelijk geschreven voor het Friesch Dagblad en daarin (in verkorte versie) geplaatst 13 november 2004. In het beschikbaar gestelde recensie-exemplaar van de NBV ontbraken de inleidingen op de bijbelboeken, zodat we daarop niet hebben kunnen reageren)

L. M. P. Scholten

 

                                                                                  Standvastig, maart 2005

 

Inleidingen Nieuwe Bijbelvertaling

beheerst door moderne theologie

 De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) heeft voor elk bijbelboek een korte inleiding, waarin het karakter van het bijbelboek getypeerd wordt en kort iets wordt gezegd over het ontstaan. Dat zijn wij in onze gewone huis- en zakbijbels niet gewend, maar verkeerd is het niet. De Bijbels met kanttekeningen hebben ook dergelijke inleidingen. Alleen is de geest waarin de Statenvertalers die hebben geschreven, wel heel anders dan de inleidingen in de NBV. De laatste zijn een beetje ‘elk wat wils’. Meermalen worden uiteenlopende meningen van bijbelgeleerden naast elkaar gezet. Maar de Schriftkritiek overheerst.

 Dat wordt direct al zichtbaar in de inleiding op de Bijbel als geheel. ‘De oudste schriftelijke overleveringen in de bijbel reiken ten minste terug tot de achtste eeuw v. Chr.’, lezen we daar (blz. VII).

Wij zouden zeggen: ‘De oudste schriftelijke overleveringen in de Bijbel reiken ten minste terug tot de vijftiende eeuw voor Christus’, want in die tijd leefde Mozes. En wie weet of Mozes wellicht nog gebruik gemaakt heeft van geschriften van de geslachten die vóór hem leefden. Maar neen, de mensen van de NBV houden het op de achtste eeuw. Dat is de tijd van de koningen Uzzia en Jotham, en van de profeten Hosea en Jesaja. Of er daarvoor al iets op schrift gesteld is, is volgens deze uitspraak onzeker. Wat in de Bijbel over oudere tijden beschreven staat, berust dan blijkbaar op mondelinge overlevering. Of op vrome fantasie. Dat staat natuurlijk niet zwart op wit in de NBV-inleidingen, maar men zou het er wel uit af kunnen leiden.

Er zijn bijvoorbeeld 73 psalmen waarboven staat ‘Van David’. Niet zelden vindt men er nog iets bij vermeld over de omstandigheden waarin David verkeerde, toen hij de psalm dichtte (bijvoorbeeld Ps. 3, 7, 18, 34, enz.). Moderne onderzoekers hechten over het algemeen weinig historische waarde aan die opschriften.

‘Veel psalmen worden voorafgegaan door een opschrift dat de naam bevat van de persoon aan wie de psalm is toegedicht’ (zo wordt gezegd op blz. 691, cursivering van ons). Vrome fantasie dus van de samenstellers van het Boek der Psalmen. Zulke psalmen kunnen volgens hen best door heel iemand anders in een heel andere tijd gemaakt zijn. En dat de wetten, gegeven in de woestijn, door Mozes uit de mond des Heeren zijn opgetekend, kunnen zij ook niet aannemen. Die wetten zijn in veel later tijd ontstaan en in vrome fantasie terugverplaatst naar Mozes’ tijd. Mozes was een legendarische figuur, zoals trouwens ook de aartsvaders. Neen, dat staat zo niet in de NBV, maar die gedachte dringt zich vanzelf op bij de lezer.

Oergeschiedenis

Veelzeggend is ook het gebruik van het woord ‘oergeschiedenis’ (blz. VII en 3). De eerste elf hoofdstukken van Genesis bevatten ‘verhalen over de oergeschiedenis van de mensheid’. Mensen die die uitdrukking gebruiken, plegen daarmee te kennen te geven, dat je nog niet van echte, wetenschappelijk te verifiëren, geschiedenis kunt spreken. Het klinkt versluierend: oergeschiedenis. Je zou ook het woord ‘mythe’ kunnen gebruiken.

‘Door middel van een aantal geslachtsregisters in Genesis 4, 5, 10 en 11 wordt de visie tot uitdrukking gebracht dat alle mensen Adam als gemeenschappelijke stamvader hebben’ (blz. 4). Waarom staat daar niet in gewoon Nederlands: ‘De geslachtsregisters in Genesis 4, 5, 10 en 11 laten zien dat alle mensen Adam als gemeenschappelijke stamvader hebben’? Het antwoord is simpel: Omdat de NBG-vertalers dat niet geloven.

Omdat natuurwetenschappelijk onderzoek tot de conclusie heeft geleid, dat het bijbelse gegeven dat alle mensen van Adam afstammen, wetenschappelijk onhoudbaar is. Daarom wordt hier gezegd, dat deze geslachtsregisters maar een visie tot uitdrukking brengen. En weer dringt zich de conclusie aan de lezer op: vrome fantasie, die geslachtsregisters.

Van de historische boeken Genesis tot en met 2 Koningen wordt gezegd: ‘Tegenwoordig nemen velen aan dat deze boeken in hun huidige vorm het resultaat zijn van een langdurig proces van overleveren en redigeren’ (blz. 3). Het redactieproces (dus het op schrift stellen en later weer wijzigen) is al voor de ballingschap begonnen en na de ballingschap nog een tijd doorgegaan.

Wij houden op grond van het getuigenis van de Schrift zelf vast, dat Mozes de feitelijke schrijver van de eerste vijf bijbelboeken is geweest. Tegelijk geeft de Schrift ons ook aanwijzingen, dat deze boeken van Mozes nog enige aanvulling en wijziging hebben ondergaan van latere handen. Dat is het duidelijkst met Deuteronomium 34. Van dat hoofdstuk zeggen onze Statenvertalers ook, dat het na Mozes’ dood door iemand anders door een bijzondere openbaring en ingeving des Heiligen Geestes geschreven is. Zo zijn wij er ook niet blind voor, dat plaatsen als Genesis 36:31 en volgende, Exodus 16:35 en Numeri 32:34 en volgende bezwaarlijk door Mozes geschreven kunnen zijn. Dergelijke latere toevoegingen zijn evenzeer door Gods Geest geïnspireerd als de rest. Maar het is totaal wat anders, wanneer men stelt dat de boeken als zodanig pas eeuwen later zijn geschreven.

Zo lezen we ook in de inleiding op Rechters (de nieuwe naam van Richteren) dat dit boek geschreven is ‘vanuit het perspectief van de Babylonische ballingschap’. Dat is nogal wat. Een eenvoudige bijbellezer zal veeleer uit het herhaalde ‘In die dagen was er geen koning in Israël; een iegelijk deed wat recht was in zijn ogen’ de conclusie trekken, dat dit boek geschreven is in een tijd dat er wel een koning in Israël was. En Richteren 1:21 is kennelijk geschreven toen de gebeurtenissen van 2 Samuël 5 nog niet waren voorgevallen.

  

Ruth

Over de ontstaanstijd van het boek Ruth worden twee meningen weergegeven: of in de tijd dat de nakomelingen van David in Juda regeerden (de klassieke opvatting; waarom overigens niet de mogelijkheid opengelaten van de tijd van David zelf?), of ‘in de vijfde eeuw v. Chr., omdat de thematiek ingaat op maatschappelijke kwesties die juist in de tijd ná de Babylonische ballingschap urgent waren’.

De vijfde eeuw, dat is de tijd van Ezra en Nehemia. Er is inderdaad een fantastische theorie, volgens welke het boek Ruth in die tijd is ontstaan, in een kring van ‘rekkelijke’ Joden, die het niet eens waren met de strakke lijnen die Ezra en Nehemia trokken om de Joodse gemeenschap zuiver te bewaren door maatregelen tegen huwelijken met heidense vrouwen. Vinden de mensen van de NBV dat een legitieme uitleg van het ontstaan van het boek Ruth?

Bij Prediker lezen we, dat het moeilijk vast te stellen is wanneer en door wie het boek geschreven is. ‘Het opschrift in 1:1 schrijft het boek toe aan Salomo. De vermelding van deze dichtende koning dient vooral om het karakter en het belang van de tekst te onderstrepen’. Zo bezien weer vrome fantasie dus. Volgens de NBV hebben Spreuken en Prediker respectievelijk in de tweede en de derde eeuw voor Christus, ver na de ballingschap dus, pas hun huidige vorm gekregen.

Van het boek Jesaja beweren thans velen, dat de hoofdstukken 40 – 55 ontstaan moeten zijn tijdens de Babylonische ballingschap, en de hoofdstukken 56 – 66 na de terugkeer uit de ballingschap.

Omdat men de namen van deze profeten niet weet, heeft men ze maar Deuterojesaja en Tritojesaja genoemd (de tweede en de derde Jesaja). De argumenten overtuigen echter niet en miskennen de aard van de bijbelse profetie. Maar de NBV volgt deze theorie wel. Wij houden ons aan het getuigenis van het Nieuwe Testament over deze gedeelten (Matth. 3:3; 8:17; 12:17. Joh. 1:23; 12:38. Rom. 10:16, 20).

Daniël

Men moet zich eens voorstellen dat in het jaar 2005 iemand een nooit eerder verschenen boek uitgeeft van ds. Van der Groe. Hij doet daarin opmerkelijke profetieën, waarin hij de gehele geschiedenis van Nederland beschrijft, de Franse bezetting, de breuken in de kerk, het herstel van de roomse bisschoppen, de opkomst van liberalisme en socialisme, Hitler, het verlies van Indië, de watersnood, het leegstromen van de kerken, tot en met het binnentrekken van honderdduizenden moslims. Elk staat verwonderd dat Van der Groe dit alles zo nauwkeurig heeft voorzegd. Totdat blijkt, dat het boek pas in 2005 bedacht is en niets met Van der Groe te maken heeft. Zo is volgens de inleiding in de NBV het boek Daniël ontstaan. Geschreven meer dan drie eeuwen na de dood van Daniël, in de tijd van de Makkabese opstand. Dan heeft het geen profetische waarde meer. Daniël profeteert dan volgens deze inleiding gebeurtenissen die op het moment dat dit boek geschreven werd, al geschied waren.

We kunnen maar een greep doen. De inleidingen in het Nieuwe Testament zijn in dezelfde lijn. Eeuwenlang heeft niemand eraan getwijfeld wie het vierde Evangelie geschreven heeft. Zie wat er staat in hoofdstuk 21 vers 24. De inleiding in de NBV zegt daar echter van: ‘Over de vraag of deze identificatie historisch betrouwbaar is of gezien moet worden als een literair motief waarmee een verder onbekende auteur zijn boek gezag wil verlenen, bestaat discussie.’

Op dezelfde wijze wordt het auteurschap van tenminste zes brieven van Paulus betwijfeld en van alle brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas. Allemaal van onbekende auteurs die op deze manier hun betoog ‘gezag wilden verlenen’ 

 

Weglaten

Op speciaal verzoek zal er ook een editie van de NBV verschijnen zonder inleidingen. We kunnen dat verzoek wel begrijpen. Maar het is struisvogelgedrag, te denken dat een vertaling acceptabel wordt door de uitgangspunten weg te laten.

We keren terug naar de inleiding op de Bijbel als geheel. We lezen daar aan het begin: ‘De bijbel is een bundeling van een groot aantal boeken uit het oude Israël, het antieke jodendom en het vroege christendom’ (blz. VII). Formeel is dat ook zo. Daar komt het woord ook vandaan. Het Griekse woord biblia betekent ‘boeken’. Je moet de Bijbel eigenlijk zien als een kleine bibliotheek, zo is een veel gehoorde uitdrukking. Men doet er echter beter aan, de eenheid van het ene boek te benadrukken. De Bijbel is het Woord van God. Dát wordt in de NBV-inleidingen nergens gezegd.

                                                                                               L. M. P. Scholten