|
Standvastig, juni
2004
Hoe Paulus
schreef over zijn sterven
Over het werk van
de Stichting tot Herziening van de
Statenvertaling hebben we al enkele malen
geschreven. Deze stichting is opgericht door
mensen die vinden, dat de Statenvertaling in
haar huidige vorm niet meer bruikbaar is in onze
tijd. Daarom zijn zij aan het werk gegaan om de
tekst van de Statenvertaling grondig te herzien.
Moeilijke woorden worden vervangen; ingewikkelde
zinnen worden vereenvoudigd, om de
Statenvertaling begrijpelijker te maken.
Dit alles vanuit
de gedachte, dat de Statenvertaling al bijna 400
jaar oud is. In die vier eeuwen is de
Nederlandse taal zo veranderd, dat hertaling in
de taal van nu hard nodig zou zijn.
Inderdaad, onze
taal is in de loop der jaren veranderd. Woorden
als ‘mitsgaders’, ‘hetwelk’, ‘een iegelijk’,
‘toornig’, ‘vlieden’, ‘zich benaarstigen’,
‘aangezicht’, ‘verkeerdelijk’ worden in de
gewone omgangstaal allang niet meer gebruikt.
Wat overigens nog niet wil zeggen dat ze
onbegrijpelijk geworden zijn.
Maar in die
groeiende kloof tussen de taal van de
Statenvertaling en de omgangstaal van nu gaat
het wel om wezenlijker dingen dan alleen wat
verouderde woorden. De verandering van onze taal
hangt ten nauwste samen met een diepgaande
verandering van onze hele cultuur. Onze
samenleving is in enkele tientallen jaren
radicaal ontkerstend. Op straat, op het werk, in
de winkels, in bus en trein, overal horen wij en
horen onze kinderen een heel andere taal, met
een heel andere woordenschat en manier van
uitdrukken dan in de kerk. In die
taalvernieuwing hebben TV en radio een groot
aandeel.
Wij hebben Gods
Woord in de Nederlandse taal, in een vertaling
die eeuwenlang onze taal, onze cultuur, ons
volksbestaan gestempeld heeft. De
Statenvertaling is van grote betekenis geweest
voor de ontwikkeling van onze Nederlandse taal.
Maar ons volk heeft de laatste halve eeuw God
openlijk en uitdagend de rug toegekeerd, Zijn
dienst verlaten, Zijn Woord en Wet radicaal
verworpen. Daardoor is heel onze cultuur in een
crisis zonder weerga gekomen, tot en met onze
taal toe, die dagelijks verder af komt te staan
van de taal van de Bijbel.
Het is waar, maar
laten we elkaar daarmee niets aanpraten. Onze
Statenvertaling is bepaald niet onverstaanbaar.
Op de punten waar het op aankomt, is zij
glashelder voor iedereen, jong of oud, kerkelijk
of niet-kerkelijk.
Vertaalprincipe
De Statenvertaling
is bijna vierhonderd jaar oud. Natuurlijk is dat
te merken in de taal. Neem bijvoorbeeld de
naamvalsbuigingen (des, der, den, enz.). Maar
men moet dat niet overdrijven. Er wordt al jaren
beweerd dat de Statenvertalers de Bijbel
vertaald zouden hebben in het gewone Nederlands
van de 17e eeuw en dat dit ons het recht zou
geven, hun werk te herschrijven in het gewone
Nederlands van nu. Maar de Statenvertalers
hebben het ‘gewone Nederlands’ van toen juist
niet gebruikt. Zij kozen bewust voor een
deftige, verheven taal, uit eerbied voor de
hoge, heilige God Die tot ons spreekt in dat
Woord. Ver boven de spreektaal van toen.
Bovendien is de
kloof die men aanwijst tussen de taal van de
Statenvertaling en het huidig taalgebruik niet
alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, een
kwestie van oud, ouderwets of deftig Nederlands.
Het heeft alles te
maken met de vertaalprincipes van de
Statenvertalers. Zij vertaalden zo letterlijk
mogelijk. Zij hadden de opdracht van de Dordtse
synode gekregen, niet alleen de woorden, maar
ook de volgorde der woorden uit de Hebreeuwse en
Griekse grondtekst aan te houden, zo na en nauw
als dat mogelijk was.
Daarom zijn hun
zinnen vaak lang en ingewikkeld opgebouwd. Dat
deden zij uit eerbied voor de oorspronkelijke
tekst, waar dat zo was. Zij probeerden de
grondtekst met zijn structuur zichtbaar te maken
in de vertaling. Daarom is hun vertaling
hebraïserend en heeft men wel gesproken van een
vertaling in ‘Nederhebreeuws’. Het ging er hun
niet alleen om wat er staat. Van wezenlijk
belang was voor hen ook hoe het er staat.
Heengaan
Begin juni heeft
de Stichting Herziening Statenvertaling de
eerste resultaten van haar arbeid gepresenteerd.
Het is een boekje met twaalf ‘hertaalde’
bijbelboeken: Genesis, Psalmen, Markus,
Johannes, zeven brieven van Paulus en
Openbaring.
Wij geven daaruit
één voorbeeld. Voldoende om ons kernbezwaar
tegen de gekozen methode van hertaling van de
Statenvertaling toe te lichten.
In Filippenzen
1:23 spreekt Paulus zijn begeerte uit om
ontbonden te worden en met Christus te zijn,
want dat was hem zeer verre het beste.
In het nu
verschenen boekje met herziene Statenvertaling
staat op deze plaats: ik heb het verlangen om
heen te gaan en met Christus te zijn.
Niet meer
‘ontbonden te worden’, maar ‘heen te gaan’.
Misschien zal
iemand zeggen: Maar dat is toch hetzelfde? Beide
uitdrukkingen betekenen sterven. Alleen,
‘ontbonden te worden’ zegt vandaag de dag
niemand meer. Als iemand zou zeggen: Die of die
is vannacht ontbonden, zouden de meeste mensen
absoluut niet begrijpen waarover hij het had.
Dan zoek je daar toch gewoon een ander woord
voor?
Daarom heeft in de
Herziene Statenvertaling Johannes de Doper ook
geen gordel meer om zijn ‘lendenen’, maar om
zijn ‘middel’.
Doet het er dan
niet toe hoe het er staat?
De Statenvertalers
vertaalden ‘ontbonden te worden’, omdat Paulus
die uitdrukking in het Grieks schreef. De
apostel gebruikte het woord ‘heengaan’ niet,
maar koos voor ‘ontbonden worden’.
Ontbinding
Calvijn tekent bij
deze tekst, Filippenzen 1:23, aan, dat Paulus
hier getuigt dat de dood een scheiding is van
ziel en lichaam. Calvijn ziet hier een
verwerping van de leer van de zogenaamde
zielenslaap en schrijft: ‘Paulus betuigt
openlijk dat wij met Christus zullen zijn als
onze ziel gescheiden zal zijn van ons lichaam’.
Paulus duidt zijn
sterven hier aan als ‘ontbonden te worden’.
Dat houdt ook in
ontbonden te worden van de ketenen waarmee hij
nu nog geboeid is aan zijn bewakers. Ontbonden
ook van de kluisters der zonde, ontbonden uit de
knopen der goddeloosheid, ontbonden uit alle
benauwdheid. Ontbonden van de engel des satans
die hem met vuisten sloeg. Dan geen banden meer,
geen geselslagen, geen schipbreuken, geen
dwaalleraars, niet meer verkocht onder de zonde,
niet meer ‘het kwade, dat ik niet wil, dat doe
ik’, niet langer doornen in het vlees, geen
helse aanvechtingen meer. Losgemaakt ook van de
zorg die hem dagelijks overviel van al de
gemeenten, losgemaakt van dierbare vrienden en
familiebetrekkingen. De Heere maakt Zijn volk in
het sterven los van alles wat hen nog bindt aan
dit leven, om alsdan altijd met Christus te
zijn.
Van dat alles
getuigde de apostel, toen hij zijn sterven
aanduidde met de gelijkenis van het ontbonden
worden. Daar mocht hij weleens naar verlangen.
Dat leefde bij hem. Zo zou hij ook, eenmaal aan
het einde van zijn leven gekomen, aan Timotheüs
schrijven: ‘De tijd mijner ontbinding is
aanstaande’, 2 Timotheüs 4:6.
Goede reden
De Statenvertalers
hadden dus een heel goede reden om hier aan hun
vertaalbeginsel van letterlijk te vertalen vast
te houden. Bovendien lichtten zij het beeld nog
toe, door in een kanttekening te spreken over
reizigers die op weg zijn naar hun vaderland, en
over het touw van het scheepje dat losgemaakt
wordt, en in een volgende kanttekening over
Paulus’ ziel die straks met Christus in de hemel
zou zijn.
Het is niet altijd
mogelijk, elke uitdrukking in de Hebreeuwse en
Griekse grondtekst zo letterlijk over te zetten.
Dan laten zij wel in een kanttekening zien wat
er letterlijk staat. Een en ander getuigt van de
grote noodzaak die de Statenvertalers gevoelden
om niet alleen te tonen wat er staat, maar ook
hoe het er staat.
Wat is het
leerzaam om kennis te nemen van de laatste
woorden van David, 2 Samuël 23. Wat is het
zielverrijkend om te lezen hoe een stervende
Jakob getuigenis gaf van de hoop die in hem was,
Genesis 49:18. En Stefanus in Handelingen 7. Zo
ook Paulus hier, alleen al door dat woord
‘ontbinden’.
Het zou bijzonder
te betreuren zijn, wanneer er straks onder de
naam van Herziene Statenvertaling een Bijbel zou
uitkomen, waarin om maar in eerste oogopslag
direct goed begrijpelijk te zijn, zulke noties
verloren zullen zijn gegaan.
Daarbij komt nog,
dat wie voor zulk een Herziene Statenvertaling
kiest, de kanttekeningen kwijtraakt, want die
zijn naast de hertaalde Bijbel onbruikbaar. Wat
men dus aan begrijpelijkheid denkt te winnen
door de hertaling, verliest men daardoor
tegelijk weer dubbel en dwars.
L. M. P. Scholten
In dit gedeelte
vindt u Openbaring 19:8 met de kanttekeningen.
Standvastig,
september 2004
Rechtvaardigheid
van Christus is als een zuiver wit kleed voor
Zijn volk
De
rechtvaardigmakingen der heiligen
En haar is
gegeven, dat zij bekleed worde met rein en
blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad
zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen,
Openbaring 19:8.
Het gaat hier over
de bruiloft des Lams. De vrouw waarover
gesproken wordt, is de Bruid van Christus. De
strijd is gestreden. De overwinning is behaald.
De bruiloftsdag is aangebroken. De bruid is
gegeven dat zij bekleed worde met rein en
blinkend fijn lijnwaad. Een sneeuwwit
bruiloftskleed voor een in zichzelf zwarte
bruid. En dan voegt de bijbelschrijver,
Johannes, daaraan toe: Want dit fijn lijnwaad
zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen. Wat
wordt daarmee bedoeld?
In het Grieks
staat het woord dikaiooma. Dat woord komt
tienmaal voor in het Nieuwe Testament. De
Statenvertalers hebben het overgezet met
‘recht’, ‘oordeel’, ‘rechtvaardigheid’ of
‘rechtvaardigmaking’. Dat laatste in Openb.
19:8, alsmede in Rom. 5:16 en Hebr. 9:10.
Dikaiooma komt van
het bijvoeglijk naamwoord dikaios =
rechtvaardig. Dikaiooma betekent eigenlijk: iets
dat vereist is tot rechtvaardigmaking, iets dat
kracht heeft om rechtvaardig te maken. Zo leggen
de Statenvertalers het zelf uit, in
kanttekeningen op Rom. 2:26; 8:4 en 5:18. In
Hebr. 9:1 en 10 komt dikaiooma voor als een
ceremoniële rechtvaardigmaking, die alleen naar
het uitwendige rechtvaardig kon maken. In
Romeinen 5 gaat het om de rechtvaardigmaking van
de zondaar voor God. Op dat laatste heeft ook
Johannes het oog, wanneer hij in Openb. 19:8
spreekt over de dikaiooma’s van de heiligen.
Zij zijn daarmee
bekleed als een rein en blinkend fijn lijnwaad.
Het is het kleed van Christus’ gerechtigheid.
Het is hun gegeven, als een bruiloftsgift van de
Bruidegom. Dan alleen is een mens rein. Het zijn
de rechtvaardigmakingen der heiligen. Heiligen
zijn mensen die rechtvaardig verklaard en
rechtvaardig gemaakt zijn. Van die bruid, met
dat geschonken lijnwaad, zegt de Bruidegom:
Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is
geen gebrek aan u.
Kanttekening
Zo vinden wij deze
uitdrukking ook verklaard in de kanttekening.
Bij het woord ‘rechtvaardigmakingen’ lezen we: ‘Of:
rechtvaardigheden, namelijk niet waardoor
wij in onszelven, maar waardoor wij voor God
rechtvaardig zijn, welke is de rechtvaardigheid
van Christus, die ons door het geloof
wordt toegerekend, 2 Kor. 5:21. En is als een
zuiver wit kleed, waardoor onze naaktheid voor
Gods aangezicht wordt bedekt, zie Rom. 13:14. 1
Kor. 1:30. Gal. 3:27. Openb. 7:13, waaruit de
heiligmaking des Geestes haar oorsprong heeft,
die hiernamaals in ons ook zal volmaakt worden.’
De gerechtigheid
der heiligen is niet meer en niet minder dan
Christus’ gerechtigheid, die hun toegerekend is.
Dat zijn dingen die onder ons volkomen zekerheid
hebben. Hun rechtvaardigmaking, hun
rechtvaardigheid, hebben de heiligen ontvangen
in het bloed des kruises. Openb. 19:8 behoort
bij Rom. 5:18. Onze kanttekenaars hebben deze
uitdrukking verklaard in overeenstemming met het
woord van de apostel Paulus: Gelijk ook David de
mens zalig spreekt, welke God de
rechtvaardigheid toerekent zonder werken, Rom.
4:6.
Teleurstellend
Zeer
teleurstellend was daarom, dat de NBG-vertaling
van 1951 Openb. 19:8 vertaalde als: ‘En haar is
gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn
linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de
rechtvaardige daden der heiligen.’
Zeker, het woord
‘gegeven’ werd gehandhaafd, maar daarmee werd
toch de indruk gewekt, dat Christus de zondaar
in staat stelt, zichzelf een rechtvaardigheid te
verwerven. Dit is een van de punten geweest,
waarom velen deze nieuwe vertaling afgewezen
hebben.
De Groot Nieuws
Bijbel (1983) heeft zelfs: Want het witte linnen
is het goede dat de heiligen gedaan hebben.
Doen de heiligen
dan geen goede werken? Dat doen ze zeker, als
vrucht van de heiligmaking, maar daarmee zijn
het geen dikaiooma’s: iets dat vereist is tot
rechtvaardigmaking, iets dat kracht heeft om
rechtvaardig te maken. Daarenboven zegt John
Gill in de eerste aanhaling van hem hieronder,
dat het geen goede werken of hun eigen
rechtvaardigheid kunnen zijn, ‘want al is het
dat dit kentekenen zijn van het geloof waardoor
de heiligen gerechtvaardigd worden, en dat God
ze voor hen voorbereid heeft, opdat zij in
dezelve zouden wandelen, toch kunnen deze niet
vergeleken worden met rein en blinkend fijn
lijnwaad, maar zij zijn als vuile lompen en
kunnen niet rechtvaardig maken in het oog van
God.’
Rechtvaardige
daden
Maar hoe is het
dan mogelijk, dat in de zogenaamde Herziene
Statenvertaling, waarvan dit jaar een gedeelte
in druk verschenen is, Openbaring 19:8 ook
luidt: En het is haar gegeven zich met
smetteloos en blinkend linnen te kleden, want
dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van
de heiligen. Let er ook op, dat het ‘bekleed
worden’ van de Statenvertaling vervangen is door
het ‘zich bekleden’ van de Nieuwe Vertaling. En
ook hier wordt gesproken van de rechtvaardige
daden.
Volgens het RD van
19 augustus heeft ds. H. J. Lam (een van de
medewerkers aan de Herziene Statenvertaling)
voor theologiestudenten van de Gereformeerde
Bond over de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
gezegd, dat hij de vertaalprincipes van de NBV
op zichzelf genomen niet onjuist vond. Toch
meende hij van een principieel verschil tussen
de Statenvertaling en de NBV te moeten spreken.
Dat komt door wat hij noemde verschillen in
theologische uitgangspunten. Hij noemde als
voorbeelden hoe de NBV Genesis 15:6 vertaalt en
dat de NBV in plaats van bekering spreekt van
‘tot inkeer komen’ of ‘veranderen’.
Hebben wij het
mis, wanneer wij op onze beurt vaststellen, dat
er althans in Openbaring 19:8 sprake is van een
principieel verschil tussen de Statenvertaling
en de Herziene Statenvertaling? Zou dat wellicht
ook het gevolg kunnen zijn van een verschil in
theologische uitgangspunten? Is het dan nog wel
correct, om bij de herziening de naam
Statenvertaling te blijven gebruiken?
En dit voorbeeld
is met vele anderen te vermeerderen, helaas.
Keur van getuigen
Wij laten
hieronder een keur van reformatorische
schriftuitleggers horen over de dikaiooma’s, de
rechtvaardigmakingen der heiligen in Openbaring
19:8.
Matthew Henry:
In de lange
gewaden van de rechtvaardigheid van Christus,
gegeven ter rechtvaardigmaking en ingeplant ter
heiligmaking; het witte kleed van vergeving,
aanneming en vrijmaking, en van reinheid en
algehele heiligheid.
Matthew Poole
(Polus):
Dat zij bekleed
zou worden met rein en blinkend fijn lijnwaad:
dat zij bekleed zou worden met de gerechtigheid
van Christus, haar toegerekend voor
gerechtigheid. Dit is de rechtvaardigmaking der
heiligen, genaamd de rechtvaardigheid Gods, Rom.
1:17; een gerechtigheid door het geloof van
Christus, Filipp. 3:9, genaamd
rechtvaardigmakingen in het Grieks, omdat er
vele heiligen mede bekleed worden; en omdat zij
toegerekend wordt beide tot rechtvaardigmaking
en heiligmaking, niet om ons te ontheffen van
heiligheid, maar vanwege onze gebreken.
Barnes:
Het is niet hun
eigen gerechtigheid, want er wordt gezegd, dat
het is gegeven aan de bruid – aan de heiligen.
Het is de genadige schenking van hun Heere en
het moet hier zien op die gerechtigheid die zij
verkrijgen door het geloof, de gerechtigheid die
vloeit uit de rechtvaardigmaking door de
verdiensten van de Verlosser. Hiervan spreekt
Paulus, wanneer hij zegt: En in Hem gevonden
worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die
uit de wet is, maar die door het geloof van
Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die
uit God is door het geloof, Filipp. 3:9.
Christoph Starcke:
Rechtvaardigmakingen, in het meervoud, met
opzicht tot hun grootheid en voortreffelijkheid.
Want het is Christus’ gerechtigheid, die Hij met
Zijn dood verworven heeft. Ook met opzicht tot
haar menigvuldigheid, die zij in andere
heilgoederen in zich bevat en met zich brengt,
Rom. 5:16, als het kindschap Gods, de volkomen
erfenis, de vrijheid, vreugde en blijdschap van
de Geest, de vrede in en met God, de gemeenschap
met Hem en alle zaligheid, enz., Jes. 45:24.
Rom. 14:17; 8:32. Ofschoon nu dit sieraad der
ziel terstond bij de verloving reeds in deze
genadetijd geschonken en in het geloof aangedaan
wordt, zo heet het hier, dat het haar is gegeven
geworden, namelijk met opzicht tot de gehele
volmaking, rechte verheerlijking en volkomen
openbaring, Rom. 8:23. Kol. 3:3. Ps. 45:10. Jes.
61:10. Luk. 15:22. Gal. 3:27. Openb. 21:2.
John Gill:
Geen goede werken,
of hun eigen rechtvaardigheid, want al is het
dat dit kentekenen zijn van het geloof waardoor
de heiligen gerechtvaardigd worden, en dat God
ze voor hen voorbereid heeft, opdat zij in
dezelve zouden wandelen, toch kunnen deze niet
vergeleken worden met rein en blinkend fijn
lijnwaad, maar zij zijn als vuile lompen en
kunnen niet rechtvaardig maken in het oog van
God. Maar de gerechtigheid van Christus is
bedoeld, en de rechtvaardigmaking door dezelve;
want die is de enige rechtvaardigmakende
gerechtigheid der heiligen. En hoewel deze maar
één is, kan zij toch genoemd worden
‘rechtvaardigheden’ of ‘rechtvaardigmakingen’,
in het meervoud. Dat is eensdeels vanwege de
verscheidene gelegenheden waarin de daad van de
rechtvaardigmaking gebeurt, eerst in Gods raad
van eeuwigheid, vervolgens met opzicht op
Christus als de Borg, toen Hij opstond van de
doden, en op alle uitverkorenen in Hem, en dan
in de consciënties der heiligen wanneer zij
geloven, en de uitspraak ervan zal bekendgemaakt
en verklaard worden aan mensen en engelen in het
laatste oordeel; en anderdeels vanwege de vele
personen die erdoor gerechtvaardigd worden, en
ook vanwege de uitmuntendheid ervan; zo
gebruiken de Joden het woord in het meervoud.
Nog eens John
Gill:
Christus’
gerechtigheid kan worden vergeleken met rein en
blinkend fijn lijnwaad, vanwege haar vlekkeloze
reinheid; zij die ermede bekleed zijn, zijn
onbestraffelijk en onbeschuldiglijk, zonder vlek
of smet, en onberispelijk voor de troon.
Hiermede zal de Joodse kerk bekleed worden; al
des Heeren volk zal rechtvaardig zijn, zij
zullen de beste kleding aan hebben, en het
bruiloftsgewaad, dat veracht was door de Joden
in Christus’ dagen, die weigerden te komen tot
het bruiloftsfeest. En dat zij daarmede bekleed
zijn, zal te danken zijn aan de genade van
Christus, Die het schenkt; en zo is Christus’
gerechtigheid genaamd gave van gerechtigheid,
vrije gave, gave uit genade, en overvloed van
genade; en het geloof dat haar ontvangt en
aanneemt, is Gods gave, Rom. 5:15 – 17. Ef. 2:8.
Niet alleen het gewaad is een genadegave, maar
het aannemen ervan is een gave van Christus en
wat Hij Zelf doet, Jes. 61:10. Zach. 3:4.
Jamieson, Fausset en Brown:
Rechtvaardigmakingen – Grieks meervoud,
distributief gebruikt. Elke heilige moet deze
rechtvaardigmaking hebben: niet alleen
gerechtvaardigd alsof de rechtvaardigmaking zou
behoren tot de kerk in haar totaliteit; de
heiligen hebben tezamen rechtvaardigmakingen;
namelijk Hij is gerekend als ‘de Heere onze
Gerechtigheid’ voor elke heilige op diens
geloof, hun klederen zijnde wit gemaakt in het
bloed des Lams. De rechtvaardigmaking der
heiligen is niet, zoals Alford dwalende zegt,
inherent (iets van de heiligen zelf), maar is
toegerekend; indien het anders was, zou Christus
alleen de zondaar in staat stellen zichzelf
rechtvaardig te maken. Rom. 5:18 is hieromtrent
beslissend. Vergelijk Artikel 11, Kerk van
Engeland. De rechtvaardigmaking, die reeds aan
de heiligen gegeven was in titel en ongeziene
bezitting, wordt hun nu gegeven voor ieders oog:
zij wandelen openlijk met Christus in witte
kleding. Hierover gaat het hier, en niet zozeer
over hun eerste rechtvaardigmaking op aarde. Hun
rechtvaardigmaking voor de afvallige wereld, die
hen vervolgd had, staat in tegenstelling tot het
vonnis en de veroordeling van de hoer.
Bij wijze van
contrast één afwijkende uitlegger tot slot, de
remonstrant Hugo de Groot. Hij schreef in zijn
Aentekeningen over de brieven van den apostel
Paulus … nevens de algemeene brieven en
Openbaringe (1694) over Openb. 19:8 ‘want het
fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der
heiligen’:
Zij zijn waardig
dus gekleed te worden. Want hun werken komen met
hun kleding overeen. Want ze zijn en blinkende
en zuiver, als die van fijn lijnwaad. Onder de
groten van Constantijns hof waren mannen van
grote deugden. Zie Eusebius.
Rechtvaardigmakingen worden genoemd Gods
geboden, Luk. 1:6. Maar hier bij overnaming
werken die met Gods geboden overeenkomen.
Veranderingen
Nog een aantal
opmerkelijke veranderingen in het boek
Openbaring in de Herziene Statenvertaling. We
vermelden eerst de Statenvertaling, en daarna de
herziening:
1:1
Hem - hem
(Johannes?)
1:3 de
woorden dezer profetie - de woorden van de
profetie
1:9
lijdzaamheid -
volharding (idem 2:2, 2:19; 13:10)
1:13 Een, den
Zoon des mensen gelijk zijnde -
iemand, die op een mensenzoon leek (idem 14:14)
1:18
hel -
graf (idem 20:13, 14)
2:3 en hebt
geduld - en volharding
getoond
2:7 Die oren
heeft, die hore - Wie oren heeft,
laat hij horen (bepaald onduidelijker)
3:8 voor
u - voor uw
ogen (idem 13:13)
3:8 en gij
hebt Mijn Woord bewaard - en
toch hebt u Mijn Woord bewaard
3:10 het woord
Mijner lijdzaamheid - Mijn Woord om
te volharden
6:2 en Die
daarop zat - en hij die erop
zat
6:8
hel -
dodenrijk
6:8 en met
den dood - en met pest
6:11 lange
witte klederen - een lang wit
kleed (idem 7:9, 13)
7:15 zal hen
overschaduwen - zal Zijn tent over hen
uitspreiden
7:17 zal hun
een Leidsman zijn - zal hun de weg
wijzen
8:12
opdat -
zodat
9:1, 2 haar … En
zij - hem … En hij
9:16
heirlegers der ruiterij - bereden
troepen
9:17
sulfervervig -
rookkleurig
9:20 hebben
zch niet bekeerd - bekeerden zich toch
niet
10:1 een
anderen sterken Engel - een andere sterke
engel
11:3 met
zakken bekleed - in rouwkleding
11:17 en als
Koning hebt geheerst - en Uw koningschap
hebt aanvaard
13:1
koninklijke hoeden - kronen
13:8 van de
grondlegging der wereld - verplaatst
in de tekst en tussen haken geplaatst. Vgl. de
kantekening!!
13:10 Hier
is - Hier
zien we ((wie zijn die we? Idem 14:12)
13:12 in
tegenwoordigheid van hetzelve - voor
zijn ogen (idem vers 14)
13:14 en weder
leefde - en toch leefde
13:16 dat
het - dat
men
13:17 die dat
merkteken heeft, of den naam - die dat
merkteken heeft: de naam
14:2 een stem
van citerspelers - een geluid als van
citerspelers
14:3 zij
zongen als een nieuw gezang - zij
zongen een nieuw lied
14:6 vliegende
in het midden des hemels - die hoog aan de
hemel vloog
14:8 den wijn
des toorns harer hoererij - de wijn van
haar hartstochtelijke hoererij (zie de
kanttekening! Idem 18:3)
14:13 hun
arbeid - hun
moeiten
14:15 voor
U - nu
14:15
rijp -
geheel rijp
16:8
verhitten -
verteren
16:9 en
lasterden - Maar zij
lasterden
16:11 en
zij - maar
zij
16:16 zij hebben
hen vergaderd - jij verzamelde hen
16:21 en de
mensen - Maar de
mensen
17:7
zeggen -
vertellen
17:14
gelovigen -
getrouwen
18:14 niet
meer - beslist
niet meer (idem 18:22)
18:16 bekleed
was - bekleed is
18:21 niet
meer - nooit
meer (idem 18:23, 2x)
18:24
gedood
- geslacht
19:6 als een
stem - zoiets als
een geluid
19:9 het
avondmaal van de bruiloft des Lams -
het bruiloftsmaal van het Lam
20:4 zij zaten
op dezelve - zij gingen daarop
zitten
20:4 en
heersten als koningen - en gingen als
koningen regeren
21:4 En
God - En Hij
21:5 Die op
den troon zat - Die op de troon
zit
21:9 Kom
herwaarts - Kom mee
21:12 in de
poorten - bij die
poorten
21:14 de namen
der twaalf apostelen - de twaalf
namen van de twaalf apostelen
21:25 niet
gesloten - nooit
gesloten
21:25 geen nacht
zijn - geen nacht meer zijn
Standvastig, december 2004
Negen punten
waarom de Nieuwe
Bijbelvertaling
niet aanvaardbaar is
De Bijbel is niet
zomaar een boek. Voor velen is het het boek van
God, waarin Hij rechtstreeks tot hen spreekt.
Dat boek ordent hun denken. Dat boek geeft hun
leven perspectief. Aan dat boek vertrouwen zij
met hun hele hebben en houden, bovenal met hun
kostelijke ziel, zich toe. Boeken vertalen
vereist altijd al zorgvuldigheid, maar bij de
Bijbel geeft dit daar een extra dimensie aan.
Hieraan moest ik denken, nu mij gevraagd is een
beoordeling te geven van de Nieuwe
Bijbelvertaling, die 27 oktober verschenen is.
De trefwoorden van
de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) zijn
brontekstgetrouw en doeltaalgericht. Prachtig,
maar de vraag is, wat er gebeurt wanneer deze
twee principes op elkaar botsen. De keus van de
NBV is dan duidelijk: Het dient altijd goed
lopend, natuurlijk Nederlands te zijn.
Bij de
Statenvertaling (en dat geldt ook nog in
belangrijke mate van de NBG-1951 vertaling)
heeft het brontekstgetrouw dan voorrang. Het is
gezien het karakter van dit boek van het
grootste belang, de oorspronkelijke tekst bij de
overgang van de ene taal in de andere zo getrouw
mogelijk te behouden voor de lezer. Niet de
natuurlijkheid van het Nederlands was dan de
maatstaf, maar het zo zorgvuldig mogelijk
weergeven van de eigenheid van het bijbelse
spreken. Hebraïsmen en graecismen werden
meevertaald om maar zo dicht mogelijk bij het
oorspronkelijke te blijven, ook al kreeg het
Nederlands daardoor iets stijfs en
onnatuurlijks.
Dat betekende ook
concordant vertalen, dat wil zeggen voor een
bepaald woord uit de brontekst in de doeltaal
zoveel mogelijk één en hetzelfde woord
gebruiken, ook als dat misschien strijdt met
natuurlijk Nederlands.
De NBV heeft
gestreefd naar gangbaar Nederlands. Maar we
moeten er ons van bewust zijn, dat het hier om
een niet-gangbare boodschap gaat, een boodschap
van de Andere zijde. Om die passend weer te
geven, hebben de Statenvertalers, indien nodig,
zelfs nieuwe woorden gemaakt. Iedere vertaler in
de zending weet daarvan.
Begrijpelijk
En nog een laatste
vooropmerking. Eén van de doelstellingen van de
NBV was, dat de vertaling ook voor een
buitenkerkelijke lezer direct begrijpelijk
diende te zijn. Dat is een loffelijk streven,
maar daarbij dient wel bedacht worden, dat de
bijbelschrijvers – niet één uitgezonderd – zich
richtten op mensen die al bekend waren met het
geloof. Toen Paulus zijn brief aan de Romeinen
schreef, dacht hij daarbij niet aan een
willekeurige heidense Romeinse soldaat, maar aan
een concrete gemeente van christenen. Alle
bijbelboeken veronderstellen bij de lezers op
zijn minst basiskennis van geloofszaken, ook
Markus en Lukas. Het is overvragen, wanneer men
van een vertaling iets anders verlangt.
Het is duidelijk,
dat wie instemt met bovenstaande overwegingen de
NBV reeds afgewezen heeft op haar
uitgangspunten. Maar nu ligt het resultaat op
tafel. We weten dat vertalen altijd het brengen
van offers betekent. In het vertalen gaan
onherroepelijk zaken verloren, maar daar staat
weer winst tegenover, bijvoorbeeld van grotere
leesbaarheid. De vraag is derhalve: Is wat in
deze vertaling verloren is gegaan, echt
onopgeefbaar?
Ik meen van wel,
en wil dit laten zien op negen punten. Ik
vergelijk daarvoor de NBV met de
Statenvertaling, omdat ik daarmee altijd geleefd
heb, maar bijna alles gaat ook op voor de mensen
die vergroeid zijn met de NBG-vertaling van
1951.
Er zouden
natuurlijk meer punten te noemen zijn. Zeker zou
een tiende punt gepast zijn geweest over de
vraag van welke brontekst een bijbelvertaling
dient uit te gaan. Met name voor het Nieuwe
Testament is dat van belang, maar dit artikel
zou dan te lang worden.
1 – Het
Hebreeuwse taaleigen
In de NBV is de
taal zonder het Hebreeuwse coloriet op menige
plaats zo kaal en plat geworden. Theologisch kan
ik bepaald niet door één deur met ds. Nico ter
Linden, maar ik val hem bij waar hij heeft
gewezen op Genesis 23. Het eerste vers is in de
Statenvertaling een compleet en prachtig
hebraïsme: ‘En het leven van Sara was honderd
zeven en twintig jaar; dit waren de jaren des
levens van Sara.’ Wat klinkt de NBV dan kil:
‘Sara leefde honderdzevenentwintig jaar.’ Punt
uit! Sara sterft, Abraham beweent haar en dan
vervolgt de Statenvertaling, letterlijk volgens
het Hebreeuws: ‘Daarna stond Abraham op van het
aangezicht van zijn dode.’ We zien het voor ons.
Onvergetelijk teer. Wat heeft de NBV: ‘stond hij
op, verliet de tent waarin zijn overleden vrouw
lag’.
Jeremia 31:16:
‘Bedwing uw stem van geween en uw ogen van
tranen’. Wat steekt de NBV daar koud bij af:
‘Huil niet langer, droog je tranen’.
Genesis 6:6b ‘En
het smartte Hem aan Zijn hart’ is in de NBG
vervangen door ‘zich diep gekwetst voelen’,
hedendaags hulpverlenersjargon, maar op die
plaats volstrekt niet passend.
In Ruth 1:6 hoort
Naomi in de NBV, ‘dat de Heer zich het lot van
zijn volk had aangetrokken en dat het weer te
eten had’. Hier is niet meer duidelijk, dat God
het volk weer te eten had gegeven, en bovendien
wordt er in het Hebreeuws niet van eten
gesproken, maar van brood. Dat had een vertaler
nooit mogen verwaarlozen. Ruth is toch het boek
van Bethlehem, het Broodhuis!
De mooie en
duidelijke zegswijze ‘Het is u hard tegen de
prikkels de verzenen te slaan’, Handelingen
26:14, is afgeplat tot ‘Je kwelt jezelf door je
zinloze halsstarrigheid’.
De Statenvertalers
hebben met hun herkenbaar Hebreeuws en Grieks
idioom de lezer opgetrokken tot de tekst. De
NBV-ers hebben de tekst af laten zakken naar het
niveau van de lezer.
2 – Niet meer
gangbaar?
In de tweede
plaats noem ik woorden die uit de Bijbel
verdwenen zijn omdat ze blijkbaar niet meer als
gangbaar Nederlands worden beschouwd. Zo is
goedertieren(heid) in het Nieuwe Testament
overal goed(heid) geworden (bijv. 1 Petr. 2:3.
Rom. 11:22). Afgezien van het feit dat
goedertieren volgens Van Dale nog gewoon
gangbaar is, heeft dit woord een meerwaarde
boven goed: in goedertierenheid zit ook het
element van barmhartigheid. Het woord ‘zalig’,
van de zaligsprekingen in Mattheüs 5, is
consequent vervangen door ‘gelukkig’. Daarmee is
het eeuwigheidsperspectief eruit. ‘Innerlijk met
ontferming bewogen worden’ heet nu ‘medelijden
voelen’ (Matth. 9:36; 14:14).
Het begrip ‘vreze
des Heeren’ is weergegeven als ‘ontzag voor de
Heer’ of ‘eerbied voor de Heer’. Dat is maar één
zijde van de vreze des Heeren. Er ligt in deze
uitdrukking tegelijk ook vertrouwen. Daarom had
zij zo gehandhaafd moeten blijven. Ontslapen is
vervangen door sterven (Hand. 7:60. 1 Kor.
15:20), terwijl de gedachte aan een slaap zo
heel duidelijk in de brontekst zit. Heil is
redding geworden, ongerechtigheid werd onrecht
of schuld, welbehagen is vervangen door wil of
verlangen. Al deze termen zijn gestempeld door
een bepaalde traditie. Hun vervanging betekent
een verzwakte zeggingskracht. Moesten deze
(volgens Van Dale allemaal nog gangbare) woorden
nu echt geofferd worden voor het natuurlijk
Nederlands?
3 – Nog wel heel
gangbaar
Maar ook zeer
bekende woorden zijn uit de Bijbel verdwenen, ik
kan niet anders zeggen dan uit een kennelijke
behoefte om tegen de traditie in te gaan. Zo is
de melaatsheid vervangen door huidvraat, en
hebben kribbe en herberg uit het Kerstevangelie
plaats moeten maken voor voederbak en
nachtverblijf. Wie randkerkelijken nog verder
van de Bijbel wil vervreemden, moet vooral zulke
correcties aanbrengen!
Veel schokkender
in Lukas 2 is nog, dat de engel niet meer de
geboorte aankondigt van ‘de Zaligmaker’, maar
van ‘een redder’. Exegetisch bestaat er geen
enkele noodzaak om de eeuwenoude vertaaltraditie
op dit punt te verbreken. Een grote misslag is
ook, bij het sterven van Christus te schrijven
dat Hij ‘de laatste adem uitblies’ (Luk. 23:46,
ook in Mark. 15:37, 39), in plaats van ‘de geest
gaf’. Te onbegrijpelijker gelet op Christus’
eigen woorden in hetzelfde vers.
We begrijpen ook
niet, waarom overbekende bijbelgedeelten die
velen uit het hoofd kennen, zoals de zegenbede
van Aäron, de Tien Geboden en het Onze Vader,
ingrijpend veranderd moesten worden? Zo is het
duidelijke ‘Gij zult niet begeren’ uit het
tiende gebod veranderd is in het zoveel zwakkere
‘Zet uw zinnen niet op het huis (enz.)’. In het
Gebed des Heeren moet nu gebeden worden: ‘Geef
ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’. De
Statenvertalers handelden zoveel zuiverder door
de klassieke en letterlijke uitdrukking ‘ons
dagelijks brood’ te laten staan en in een
kanttekening bij ‘dagelijks’ uit te leggen: ‘Dat
is, genoegzaam en nodig tot onderhoud van ons
leven voor dezen dag, of: ons bescheiden deel’.
Deze omschrijvende uitleg in de vertaling zelf
verwerken geeft in een gebed een effect dat
daarin totaal niet past.
4 - Concordant
vertalen
Voor vergelijkende
bijbelstudie is het van belang om kernwoorden
uit het oorspronkelijke zoveel mogelijk met
eenzelfde woord in het Nederlands te vertalen.
Men noemt dat concordant vertalen. Het is ook
een bewuste stijlvorm in de brontalen van het
Oude en Nieuwe Testament, bepaalde woorden te
herhalen binnen een perikoop, of ook wel binnen
een heel bijbelboek. Dat accentueert iets. In de
geschiedenis van de hoofdman van Kapernaüm doen
de oudsten der Joden een goed woordje voor hem
bij Jezus met de woorden ‘Hij is waardig, dat
Gij hem dat doet’, Lukas 7:4. De hoofdman zelf
zegt drie verzen later juist, dat hij zichzelf
niet waardig acht. Blijkbaar was de dictatuur
van het natuurlijk Nederlands zo sterk, dat vers
4 in de NBV veranderd is in ‘Hij verdient het’,
waardoor de woordgelijkheid verloren is gegaan.
In de geschiedenis
van de zalving van Saul tot koning (1 Samuël 9
en 10) komt twaalfmaal het werkwoord matsa’
(vinden) voor (9:4, 8, 11, 13, 20; 10:2, 3, 7,
16). Daar heeft de schrijver een bedoeling mee
gehad. Hij gebruikt het soms zelfs geforceerd,
in onnatuurlijk Hebreeuws (‘er vindt zich een
geldstuk in mijn hand’). De NBV presteert het
echter om matsa’ hier op zeven verschillende
manieren te vertalen: 2x vinden, 2x tegenkomen,
2x aantreffen, 1x niet mislopen. Zelfs de
ezelinnen zijn 3x niet ‘gevonden’, maar
‘terecht’. Men moet nu het Hebreeuws lezen om
achter de bedoeling van de schrijver te komen,
en dat is toch niet het doel van een vertaling.
5 -
Tegenstrijdigheid
Er zit in de NBV
een merkwaardige tegenstrijdigheid. Veel
moeilijke woorden en verouderde zinswendingen
zijn vervangen door hedendaags natuurlijk
Nederlands, maar tegelijk is er een fors aantal
nieuwe moeilijke woorden bijgekomen. De hoofdman
over honderd heet nu centurio, stadhouder
Pilatus prefect, de kamerling uit Morenland is
een eunuch geworden. Dorkas maakt tunica’s in
plaats van rokken, de sikkel werd een sjekel en
in plaats van paasfeest spreken we nu van
pesachfeest en van Christus als ‘ons pesachlam’
(1 Kor. 5:7).
Dat is allemaal
om de lezer duidelijk te maken, dat de Bijbel in
een heel andere cultuur is ontstaan dan de onze.
De vreemde woorden onderstrepen de kloof van
eeuwen.
Maar dan snap ik
het fanatisme niet, waarmee tegelijk geijverd is
om ‘exclusief mannelijk taalgebruik’ zoveel
mogelijk uit te bannen: de aanspraak ‘mannen
broeders’ is veranderd in ‘broeders en zusters’
(Hand. 1:16; 2:29; 13:26, 38. Rom. 1:13. 1
Kor.1:10, 11, enz.), tot zelfs in Mattheüs 5:23
moest de broeder veranderd worden in ‘broeder of
zuster’, en Handelingen 6:3 laat ons in de NBV
geloven dat de vrouwen ook stemrecht hadden in
de gemeente, voorvaderen worden voorouders (Jer.
11:10, vergelijk Deut. 19:14), mannen worden
mensen (Jak. 1:12, 20; 3:2). Enerzijds wordt de
cultuurkloof geaccentueerd, anderzijds wordt ze
krampachtig weggedoezeld. Waarom niet eenvoudig
erkend, dat de Bijbel in een patriarchale
cultuur ontstaan is?
De NBV laat Sara
in Genesis 18:12 spreken over Abraham als haar
man, in plaats van haar heer zoals er in het
Hebreeuws staat, waardoor het betoog van Petrus
in 1 Petrus 3:5 en 6 onbegrijpelijk wordt.
Overigens is dit vers uit vertaaloogpunt een
dieptepunt in de NBV: ‘Zou de liefde voor mij
dan nog weggelegd zijn? dacht ze.’
Onbegrijpelijk hoe
men tot de ‘vertaling’ van Genesis 2:23 is
kunnen komen: Toen riep de mens uit: ‘Eindelijk
een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn
eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit
een man gebouwd.’ Blijkbaar was de invloed van
de feministische theologie in de NBV zo groot,
dat de eerste woorden van de eerste mens die in
de Bijbel staan, nu al meteen een belijdenis
inhouden van het modernistische dogma van de
gelijkheid van man en vrouw: ‘Eindelijk een
gelijk aan mij’. Alleen, waar berust dit op? In
elk geval niet op de grondtekst. De woorden ‘een
gelijk aan mij’ zijn er door de vertalers bij
gefantaseerd. Ze staan niet in de Hebreeuwse
tekst. Dit moet de NBV-ers ernstig kwalijk
genomen worden. Het tweede deel van het vers is
voorts aanmerkelijk afgezwakt. Dat Eva
‘Manninne’ (zo is letterlijk het Hebreeuwse
woord voor vrouw) genoemd wordt omdát zij uit de
man genomen is, is in de vertaling weggelaten.
Dat redengevend voegwoord is voor het rechte
begrip hier wezenlijk.
6 – Theologische
vooronderstellingen
Vertalen is
kiezen. De keuze wordt onvermijdelijk mede
bepaald door de theologische achtergrond van de
vertaler. Het is schokkend, te merken dat het
begrip bekering helemaal uit de Bijbel verdwenen
is. Bekeren wordt in de NBV systematisch
vertaald met termen als: tot inkeer komen
(enkele voorbeelden uit Lukas: 10:13; 13:3, 5;
15:7, 10; 16:30; 24:47), berouw tonen (Hand.
8:22. Openb. 2:5b; 16:9), een nieuw leven
beginnen (Hand. 13:24; 17:30; 19:4), anders gaan
leven (Jona 3:8, 10), zijn leven beteren (1 Kon.
8:35), overgaan tot het geloof (Hand. 11:21).
Het element van de totale ommekeer, dat
duidelijk in het Hebreeuwse woord sjoeb zit, is
weg. Dat is ingrijpend: de bekering weg uit de
Bijbel!
Het begrip
‘geloven’, in de zin van tot het geloof komen,
in het boek Handelingen, is doorgaans
weergegeven met ‘het geloof aanvaarden’, wat een
veel verstandelijker indruk maakt (bijv. Hand.
2:44; 4:32; 18:8), en ook wel met ‘tot het
geloof overgaan’ (Hand. 11:21). Waarom is
overigens in Markus 5:36 ‘geloof alleenlijk’ het
laatste woord weggevallen? Waarom staat in
Markus 10:15 ‘Wie niet als een kind openstaat
voor het koninkrijk van God’? Openstaan is toch
heel wat anders dan ontvangen (Grieks:
dechomai)? Zijn we mis, wanneer we
veronderstellen, dat achter zulke vertalingen
heel andere gedachten over het werk van Gods
Geest in het hart van de uitverkoren zondaar
schuilgaat?
In dit verband
verdient ook Romeinen 4 de aandacht. Wat
betekent het, als er gesproken wordt van
‘gerechtvaardigd door het geloof’? Daar wijdt
Paulus een heel hoofdstuk aan, met als kern het
Schriftwoord uit Genesis 15:6 ‘Abraham geloofde
in God en het is hem gerekend tot
rechtvaardigheid’. In de kanttekeningen op de
Statenvertaling wordt dat toegelicht: Het woord
rekenen of toerekenen wordt genomen voor iets op
iemands rekening stellen.
Abraham had van
zichzelf geen gerechtigheid. Maar door het
geloof op Gods beloften aangaande het zaad,
waaronder inzonderheid Christus, heeft God hem
uit genade de gerechtigheid van Christus
toegerekend. Niet dat het geloof dit verdient of
in zichzelf waardig is, gelijk enigen
verkeerdelijk menen, maar omdat het geloof als
een instrument is dat de gerechtigheid van
Christus aanneemt. Aldus de kanttekeningen. Maar
de NBV heeft van het geloof zelf een verdienende
daad gemaakt, want Genesis 15:6 wordt zo
weergegeven in Romeinen 4:3: ‘Abraham vertrouwde
op God, en dat werd hem als een daad van
gerechtigheid toegerekend’. Het wordt herhaald
in vers 9 en vers 22. Maar de Heere
rechtvaardigt geen gelovige mensen, maar
goddelozen, zegt Paulus juist hier, in vers 5.
Het geloof rechtvaardigt hen, niet omdat God ze
hun geloof genadig toerekent als een daad van
gerechtigheid, maar alleen omdat het geloof hen
met Christus en Zijn gerechtigheid verenigt.
Niet vanwege de dáád van hun geloof, maar
vanwege het vóórwerp van hun geloof, Christus en
Zijn gerechtigheid, worden zij gerechtvaardigd.
Men leze Artikel 22 van de Nederlandse
Geloofsbelijdenis en Zondag 23 van de
Catechismus. In dit geloofsstuk waarmee de kerk
staat of valt, is de NBV rechtstreeks in strijd
met de belijdenis.
Het begrip ‘de
zonde verzoenen’ is in de NBV weergegeven als de
zonde wegnemen (Ps. 65:4), uitwissen (Deut.
32:43), tenietdoen (Jes. 6:7), vergeven (Jes.
22:14), en andere woorden van eenzelfde
strekking. Maar het Hebreeuwse werkwoord legt
een verband met het verzoendeksel op de
verbondsark. ‘De zonde verzoenen’ veronderstelt
een zoenoffer tot bedekking van de schuld. Mag
zo’n essentieel gegeven in de vertaling
wegvallen? Spreekt het woord ‘verzoenen’ in het
Oude Testament dan niet van de noodzakelijkheid
van verzoening door de offerande van de
Middelaar?
Genesis 5:24
‘Henoch wandelde met God, en hij was niet meer;
want God nam hem weg’ luidt in de NBV nu:
‘Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God;
aan zijn leven kwam een einde doordat God hem
wegnam’. Het wonderbare van Henochs wegneming,
dat zo kennelijk besloten ligt in de woorden ‘en
hij was niet meer’ is op die manier wegvertaald.
Hebreeën 11:5 laat er geen twijfel over bestaan,
dat God Henoch tot Zich genomen heeft zonder
sterven. Waarom heeft men zich dan niet gehouden
aan de letterlijke Hebreeuwse tekst?
De NBV laat Petrus
zeggen, dat God de gevallen engelen in de
Tartarus geworpen heeft. Het Griekse woord dat
hij in 2 Petrus 2:4 gebruikt, noodzaakt helemaal
niet om aan te nemen dat Petrus in het bestaan
van een dergelijk mythologisch oord geloofd
heeft. Achter al deze vertalingen zitten
theologische vooronderstellingen die op
gespannen voet staan met het belijden van de
kerk.
Ernstige vragen
over de achterliggende theologie worden ook
opgeroepen door de vertaling van Exodus 3:14:
‘Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn
zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: “IK ZAL ER
ZIJN heeft mij naar u toegestuurd.”’ De
geleerden zijn het er wel over eens, dat de
Godsnaam JHWH (‘Jehovah’) verklaard moet worden
uit het Hebreeuwse werkwoord hajah (zijn). Deze
Naam ziet op Gods eeuwigheid en
onveranderlijkheid, Hij Die is en Die was en Die
komen zal, Die gisteren en heden Dezelfde is en
in der eeuwigheid. Zie ook de kanttekening SV op
Genesis 2:8. De Heere openbaart hier aan Mozes
in Zijn Naam, dat Hij zal zijn Die Hij geweest
is en Die Hij nu is. Hij is de God der
aartsvaders, de Onveranderlijke, de Getrouwe,
Die Zijn volk niet begeven noch verlaten zal,
omdat Hij altijd Zichzelf gelijk blijft. Want
Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt
gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd, Maleachi
3:6. De NBV-ers hebben daar het woordje ‘er’
tussengevoegd. Dat lijkt een kleine taalkundige
toevoeging, maar dat is het bepaald niet. De
onveranderlijkheid Gods verdwijnt naar de
achtergrond. ‘Ik zal er zijn’ betekent in het
verband van de tekst: Daar waar Ik nodig ben,
zal Ik zijn. De moderne theologie spreekt over
een God Die Zich als God realiseert in relatie
tot de mens. ‘Ik zal zijn’ en ‘Ik zal er zijn’
een wereld van verschil!
7
Christus-profetieën
Voor veel
oudtestamentici geldt het als een naïeve misstap
om te spreken van Christusprofetieën in het Oude
Testament. Op dit punt gaapt er een kloof met de
gemeenteleden die in de adventsweken graag horen
preken over adventsteksten, zoals de
moederbelofte en Jesaja’s profetie van de maagd
die zwanger zal worden. Dat wordt met de NBV wel
erg moeilijk. De kerk heeft in het beloofde
vrouwenzaad van Genesis 3:15 altijd Christus
gezien. De NBV vertaalt dit vers zo:
‘Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare, zij
verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’
Hier is een keuze gemaakt. Door dat woordje
‘zij’ in het meervoud (niet brontekstgetrouw)
wordt de christologische uitleg onmogelijk
gemaakt.
Genesis 22:18 is
in de traditie der kerk (en zie daarbij ook
Handelingen 3:25) een profetie van de zegen voor
de volken in Christus. In de NBV is ook dat weg:
‘Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te
worden als jouw nakomelingen’. Niet om
vertaaltechnische redenen, maar vanuit
theologische vooronderstellingen.
Op vergelijkbare
wijze hebben ook Deuteronomium 18:15 en Jesaja
7:14 en nog veel meer plaatsen hun karakter als
heenwijzing naar de komst van Christus verloren.
In de NBV zijn de twee genoemde teksten
weergegeven als ‘Hij zal in uw midden profeten
laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet
u luisteren’ en ‘Daarom zal de Heer zelf u een
teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal
spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen’.
Vergelijk dit met Handelingen 3:22 en Mattheüs
1:22 en 23! Ik heb begrepen dat vooral hierom de
r.k. bisschoppen de NBV voor liturgisch gebruik
afgekeurd hebben. Voor die beslissing is alle
reden.
In Daniël 7:13
duidt Daniël de komende Messias aan als ‘Een als
eens mensen Zoon’. In aansluiting aan deze tekst
heeft Christus Zichzelf tientallen malen in de
Evangeliën de Zoon des mensen genoemd. In de NBV
is deze aansluiting niet meer te zien, want ter
wille van het natuurlijke Nederlands lezen we nu
in Daniël 7:13 van ‘iemand die eruitzag als een
mens’.
Een
onbegrijpelijke en zeer ernstige vertaalfout is
gemaakt in Lukas 1:27. Tweemaal wordt Maria in
dit vers een ‘meisje’ genoemd, terwijl Lukas
uitdrukkelijk in het Grieks het woord parthenos
(maagd) gebruikt. Lukas sluit daarbij aan bij
Jesaja 7:14, waar in de Griekse vertaling ook
van parthenos gesproken wordt. Bizar is dat in
de NBV parthenos in Mattheüs 1:23 wel met
‘maagd’ vertaald is, maar hier niet. En dat
terwijl het verband met Jesaja 7:14 ook bij
Lukas overduidelijk is, waar vier verzen verder
de bewoordingen die de engel Gabriël gebruikt,
letterlijk ontleend zijn aan Jesaja’s profetie.
Gabriël kondigt in dit hoofdstuk twee geboorten
aan die naar de mens gesproken onmogelijk waren.
Zoals Lukas in vers 7 van Elisabet schrijft dat
zij onvruchtbaar was, zo vermeldt hij in vers 27
nog nadrukkelijker dat Maria (niet zomaar een
meisje, maar) maagd was.
8 - Jijjouwen
Tutoyeren
(jijjouwen) moge in de omgangstaal gewoon zijn,
maar in de Bijbel past het eenvoudig niet.
Zolang onze koningin in de troonrede haar
onderdanen met u toespreekt, komt het krom over,
dat in de wetgeving in de woestijn de
Israëlieten aangesproken worden met jou en
jullie. Bovendien lijkt er in het tutoyeren in
de NBV geen vaste lijn te zitten. Waarom
bijvoorbeeld jullie tegen de discipelen en u
tegen de farizeeën, maar in Lukas 7 jij en jou
tegen Simon de farizeeër en u tegen de zondares?
Dat God de Vader Christus ten aanhoren van een
grote schare aanspreekt met jij en jou vind ik
onbestaanbaar.
Jammer is de
afschaffing van het woord ‘gij’ (bepaald nog
niet uitgestorven en de beste aanspraakvorm in
het gebed), de verdwijning van de gebiedende
wijs meervoud en de rigoreuze uitbanning van de
genitief (tweede naamval), ook in vaste
verbindingen. Koninkrijk Gods en koninkrijk der
hemelen klinkt veel natuurlijker en vloeiender
dan het nu telkens herhaalde koninkrijk van God
en koninkrijk van de hemel.
9 –
Eerbieds(hoofd)letters
Over de weergave van de Godsnaam is al veel te
doen geweest. Het is meer dan een gevoelszaak,
dat wij de drie e’s van Heere niet in de Bijbel
willen missen, ook al weten wij, dat de
berijmers van 1773 daar al anders over hebben
gedacht.
Ingrijpend is
voorts het besluit om voornaamwoorden die
betrekking hebben op God, Christus en de Heilige
Geest met een kleine letter te schrijven. Ik
weet, dat dit in vroeger eeuwen ook gebeurde,
maar wij leven nu. Emotioneel grijpt dit bij
velen diep in. De kleine letter wordt verdedigd
met de ‘huidige tendens’ naar versobering van
het hoofdlettergebruik, maar de NBV heeft zich
hierin een voortrekkersrol aangemeten en draagt
zo bij aan de verdere secularisering van de
samenleving. De kerk heeft het zelf afgeschaft,
zal er gezegd worden. Daar het ondenkbaar is dat
de moskee volgt, zal dit in de media tot een
bizar effect kunnen leiden!
(dit artikel is
oorspronkelijk geschreven voor het Friesch
Dagblad en daarin (in verkorte versie) geplaatst
13 november 2004. In het beschikbaar gestelde
recensie-exemplaar van de NBV ontbraken de
inleidingen op de bijbelboeken, zodat we daarop
niet hebben kunnen reageren)
L. M. P. Scholten
Standvastig, maart 2005
Inleidingen Nieuwe
Bijbelvertaling
beheerst door
moderne theologie
De Nieuwe
Bijbelvertaling (NBV) heeft voor elk bijbelboek
een korte inleiding, waarin het karakter van het
bijbelboek getypeerd wordt en kort iets wordt
gezegd over het ontstaan. Dat zijn wij in onze
gewone huis- en zakbijbels niet gewend, maar
verkeerd is het niet. De Bijbels met
kanttekeningen hebben ook dergelijke
inleidingen. Alleen is de geest waarin de
Statenvertalers die hebben geschreven, wel heel
anders dan de inleidingen in de NBV. De laatste
zijn een beetje ‘elk wat wils’. Meermalen worden
uiteenlopende meningen van bijbelgeleerden naast
elkaar gezet. Maar de Schriftkritiek overheerst.
Dat wordt direct
al zichtbaar in de inleiding op de Bijbel als
geheel. ‘De oudste schriftelijke overleveringen
in de bijbel reiken ten minste terug tot de
achtste eeuw v. Chr.’, lezen we daar (blz. VII).
Wij zouden zeggen:
‘De oudste schriftelijke overleveringen in de
Bijbel reiken ten minste terug tot de vijftiende
eeuw voor Christus’, want in die tijd leefde
Mozes. En wie weet of Mozes wellicht nog gebruik
gemaakt heeft van geschriften van de geslachten
die vóór hem leefden. Maar neen, de mensen van
de NBV houden het op de achtste eeuw. Dat is de
tijd van de koningen Uzzia en Jotham, en van de
profeten Hosea en Jesaja. Of er daarvoor al iets
op schrift gesteld is, is volgens deze uitspraak
onzeker. Wat in de Bijbel over oudere tijden
beschreven staat, berust dan blijkbaar op
mondelinge overlevering. Of op vrome fantasie.
Dat staat natuurlijk niet zwart op wit in de
NBV-inleidingen, maar men zou het er wel uit af
kunnen leiden.
Er zijn
bijvoorbeeld 73 psalmen waarboven staat ‘Van
David’. Niet zelden vindt men er nog iets bij
vermeld over de omstandigheden waarin David
verkeerde, toen hij de psalm dichtte
(bijvoorbeeld Ps. 3, 7, 18, 34, enz.). Moderne
onderzoekers hechten over het algemeen weinig
historische waarde aan die opschriften.
‘Veel psalmen
worden voorafgegaan door een opschrift dat de
naam bevat van de persoon aan wie de psalm is
toegedicht’ (zo wordt gezegd op blz. 691,
cursivering van ons). Vrome fantasie dus van de
samenstellers van het Boek der Psalmen. Zulke
psalmen kunnen volgens hen best door heel iemand
anders in een heel andere tijd gemaakt zijn. En
dat de wetten, gegeven in de woestijn, door
Mozes uit de mond des Heeren zijn opgetekend,
kunnen zij ook niet aannemen. Die wetten zijn in
veel later tijd ontstaan en in vrome fantasie
terugverplaatst naar Mozes’ tijd. Mozes was een
legendarische figuur, zoals trouwens ook de
aartsvaders. Neen, dat staat zo niet in de NBV,
maar die gedachte dringt zich vanzelf op bij de
lezer.
Oergeschiedenis
Veelzeggend is ook
het gebruik van het woord ‘oergeschiedenis’
(blz. VII en 3). De eerste elf hoofdstukken van
Genesis bevatten ‘verhalen over de
oergeschiedenis van de mensheid’. Mensen die die
uitdrukking gebruiken, plegen daarmee te kennen
te geven, dat je nog niet van echte,
wetenschappelijk te verifiëren, geschiedenis
kunt spreken. Het klinkt versluierend:
oergeschiedenis. Je zou ook het woord ‘mythe’
kunnen gebruiken.
‘Door middel van
een aantal geslachtsregisters in Genesis 4, 5,
10 en 11 wordt de visie tot uitdrukking gebracht
dat alle mensen Adam als gemeenschappelijke
stamvader hebben’ (blz. 4). Waarom staat daar
niet in gewoon Nederlands: ‘De
geslachtsregisters in Genesis 4, 5, 10 en 11
laten zien dat alle mensen Adam als
gemeenschappelijke stamvader hebben’? Het
antwoord is simpel: Omdat de NBG-vertalers dat
niet geloven.
Omdat
natuurwetenschappelijk onderzoek tot de
conclusie heeft geleid, dat het bijbelse gegeven
dat alle mensen van Adam afstammen,
wetenschappelijk onhoudbaar is. Daarom wordt
hier gezegd, dat deze geslachtsregisters maar
een visie tot uitdrukking brengen. En weer
dringt zich de conclusie aan de lezer op: vrome
fantasie, die geslachtsregisters.
Van de historische
boeken Genesis tot en met 2 Koningen wordt
gezegd: ‘Tegenwoordig nemen velen aan dat deze
boeken in hun huidige vorm het resultaat zijn
van een langdurig proces van overleveren en
redigeren’ (blz. 3). Het redactieproces (dus het
op schrift stellen en later weer wijzigen) is al
voor de ballingschap begonnen en na de
ballingschap nog een tijd doorgegaan.
Wij houden op
grond van het getuigenis van de Schrift zelf
vast, dat Mozes de feitelijke schrijver van de
eerste vijf bijbelboeken is geweest. Tegelijk
geeft de Schrift ons ook aanwijzingen, dat deze
boeken van Mozes nog enige aanvulling en
wijziging hebben ondergaan van latere handen.
Dat is het duidelijkst met Deuteronomium 34. Van
dat hoofdstuk zeggen onze Statenvertalers ook,
dat het na Mozes’ dood door iemand anders door
een bijzondere openbaring en ingeving des
Heiligen Geestes geschreven is. Zo zijn wij er
ook niet blind voor, dat plaatsen als Genesis
36:31 en volgende, Exodus 16:35 en Numeri 32:34
en volgende bezwaarlijk door Mozes geschreven
kunnen zijn. Dergelijke latere toevoegingen zijn
evenzeer door Gods Geest geïnspireerd als de
rest. Maar het is totaal wat anders, wanneer men
stelt dat de boeken als zodanig pas eeuwen later
zijn geschreven.
Zo lezen we ook in
de inleiding op Rechters (de nieuwe naam van
Richteren) dat dit boek geschreven is ‘vanuit
het perspectief van de Babylonische
ballingschap’. Dat is nogal wat. Een eenvoudige
bijbellezer zal veeleer uit het herhaalde ‘In
die dagen was er geen koning in Israël; een
iegelijk deed wat recht was in zijn ogen’ de
conclusie trekken, dat dit boek geschreven is in
een tijd dat er wel een koning in Israël was. En
Richteren 1:21 is kennelijk geschreven toen de
gebeurtenissen van 2 Samuël 5 nog niet waren
voorgevallen.
Ruth
Over de
ontstaanstijd van het boek Ruth worden twee
meningen weergegeven: of in de tijd dat de
nakomelingen van David in Juda regeerden (de
klassieke opvatting; waarom overigens niet de
mogelijkheid opengelaten van de tijd van David
zelf?), of ‘in de vijfde eeuw v. Chr., omdat de
thematiek ingaat op maatschappelijke kwesties
die juist in de tijd ná de Babylonische
ballingschap urgent waren’.
De vijfde eeuw,
dat is de tijd van Ezra en Nehemia. Er is
inderdaad een fantastische theorie, volgens
welke het boek Ruth in die tijd is ontstaan, in
een kring van ‘rekkelijke’ Joden, die het niet
eens waren met de strakke lijnen die Ezra en
Nehemia trokken om de Joodse gemeenschap zuiver
te bewaren door maatregelen tegen huwelijken met
heidense vrouwen. Vinden de mensen van de NBV
dat een legitieme uitleg van het ontstaan van
het boek Ruth?
Bij Prediker lezen
we, dat het moeilijk vast te stellen is wanneer
en door wie het boek geschreven is. ‘Het
opschrift in 1:1 schrijft het boek toe aan
Salomo. De vermelding van deze dichtende koning
dient vooral om het karakter en het belang van
de tekst te onderstrepen’. Zo bezien weer vrome
fantasie dus. Volgens de NBV hebben Spreuken en
Prediker respectievelijk in de tweede en de
derde eeuw voor Christus, ver na de ballingschap
dus, pas hun huidige vorm gekregen.
Van het boek
Jesaja beweren thans velen, dat de hoofdstukken
40 – 55 ontstaan moeten zijn tijdens de
Babylonische ballingschap, en de hoofdstukken 56
– 66 na de terugkeer uit de ballingschap.
Omdat men de namen
van deze profeten niet weet, heeft men ze maar
Deuterojesaja en Tritojesaja genoemd (de tweede
en de derde Jesaja). De argumenten overtuigen
echter niet en miskennen de aard van de bijbelse
profetie. Maar de NBV volgt deze theorie wel.
Wij houden ons aan het getuigenis van het Nieuwe
Testament over deze gedeelten (Matth. 3:3; 8:17;
12:17. Joh. 1:23; 12:38. Rom. 10:16, 20).
Daniël
Men moet zich eens
voorstellen dat in het jaar 2005 iemand een
nooit eerder verschenen boek uitgeeft van ds.
Van der Groe. Hij doet daarin opmerkelijke
profetieën, waarin hij de gehele geschiedenis
van Nederland beschrijft, de Franse bezetting,
de breuken in de kerk, het herstel van de roomse
bisschoppen, de opkomst van liberalisme en
socialisme, Hitler, het verlies van Indië, de
watersnood, het leegstromen van de kerken, tot
en met het binnentrekken van honderdduizenden
moslims. Elk staat verwonderd dat Van der Groe
dit alles zo nauwkeurig heeft voorzegd. Totdat
blijkt, dat het boek pas in 2005 bedacht is en
niets met Van der Groe te maken heeft. Zo is
volgens de inleiding in de NBV het boek Daniël
ontstaan. Geschreven meer dan drie eeuwen na de
dood van Daniël, in de tijd van de Makkabese
opstand. Dan heeft het geen profetische waarde
meer. Daniël profeteert dan volgens deze
inleiding gebeurtenissen die op het moment dat
dit boek geschreven werd, al geschied waren.
We kunnen maar een
greep doen. De inleidingen in het Nieuwe
Testament zijn in dezelfde lijn. Eeuwenlang
heeft niemand eraan getwijfeld wie het vierde
Evangelie geschreven heeft. Zie wat er staat in
hoofdstuk 21 vers 24. De inleiding in de NBV
zegt daar echter van: ‘Over de vraag of deze
identificatie historisch betrouwbaar is of
gezien moet worden als een literair motief
waarmee een verder onbekende auteur zijn boek
gezag wil verlenen, bestaat discussie.’
Op dezelfde wijze
wordt het auteurschap van tenminste zes brieven
van Paulus betwijfeld en van alle brieven van
Jakobus, Petrus, Johannes en Judas. Allemaal van
onbekende auteurs die op deze manier hun betoog
‘gezag wilden verlenen’
Weglaten
Op speciaal
verzoek zal er ook een editie van de NBV
verschijnen zonder inleidingen. We kunnen dat
verzoek wel begrijpen. Maar het is
struisvogelgedrag, te denken dat een vertaling
acceptabel wordt door de uitgangspunten weg te
laten.
We keren terug
naar de inleiding op de Bijbel als geheel. We
lezen daar aan het begin: ‘De bijbel is een
bundeling van een groot aantal boeken uit het
oude Israël, het antieke jodendom en het vroege
christendom’ (blz. VII). Formeel is dat ook zo.
Daar komt het woord ook vandaan. Het Griekse
woord biblia betekent ‘boeken’. Je moet de
Bijbel eigenlijk zien als een kleine
bibliotheek, zo is een veel gehoorde
uitdrukking. Men doet er echter beter aan, de
eenheid van het ene boek te benadrukken. De
Bijbel is het Woord van God. Dát wordt in de
NBV-inleidingen nergens gezegd.
L. M. P. Scholten
|