De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  IX

            WARE GEESTELIJKHEID EN

             ONZE VRIJHEID IN CHRISTUS

             ONZE PLAATS ALS ZONEN VAN GOD

 "Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, en wordt niet meer onder het juk van dienstbaarheid bevangen" (Gal. 5:1)

 Wij hebben gezien, dat het menselijk geslacht van hoger hand is ingedeeld in: 1) De natuurlijke mens, 2) de baby in Christus, 3) de vleselijke Christen, 4) de geestelijke Christen. Wij moeten echter onthouden, dat de laatste drie van deze, en de verantwoordelijkheid om te groeien van geestelijk  kindschap naar volwassenheid, alleen te maken hebben met onze ervaring en gedrag als gelovigen, en helemaal niet met onze positie in Christus.

 De positie van de gelovige in Gods oog, of hij een baby, of zelfs een vleselijke Christen zijn moge, is die van een volwassen zoon, eenvoudigweg omdat God hem ziet in Christus, Zijn volmaakte Zoon.

 Wat was de Vader met recht trots op Zijn Zoon, toen Hij de hemelen doorbrak en uitriep over Hem, Die bij Zijn doop reeds werd "gerekend onder de zondaars": "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" (Matt.3:17)

 En nu, in eindeloze genade, vertelt God ons, dat Hij "ons begenadigd heeft in de Geliefde", "volmaakt in Hem" en gezeten met Hem in de hemelse gewesten, ver buiten het bereik van alle aanklagers, en zelfs van de wet zelf. (Eph.1:6; Col.2:10; Eph.2:6)     

Het is in het licht van deze glorieuze waarheden, dat wij zouden moeten leven, wandelend in het besef van onze hoge en heilige roeping; overeenkomstig onze positie in Christus. (Eph.4:1; 2Tim.1:9). Om nu terug te gaan onder de wet, staat gelijk met het afwijzen van onze    positie in Christus.

Het is nergens zo duidelijk uitgedrukt als in Gal.4:1-7, waar de Apostel Paulus , door de Geest, onze positie in Christus als volwassen zonen, en onze daarmee verbonden vrijheid van de wet behandelt.

ZOONSCHAP      

 "Doch ik zeg, zo lang de erfgenaam een kind is, verschilt hij in niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles.

 "Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd door de vader tevoren vastgesteld.

 "Zo waren ook wij, toen wij kinderen waren, dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld.

 "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet.

 "Opdat Hij hen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen (zonen) verkrijgen zouden.

 "En aangezien gij kinderen (zonen) zijt, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!

 "Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, dan zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus". (Gal.4:1-7)

 Toen we enige jaren geleden in een Bijbels Woordenboek  het woord "aanneming" (adoptie) opzochten, vonden wij de volgende definitie:

"Adoptie is een daad waarbij een persoon een vreemdeling opneemt in zijn familie, hem als kind erkent, en hem stelt tot erfgenaam van zijn bezit....In het Nieuwe Testament, wijst adoptie op het feit van Gods vrije genade...door welke wij, gerechtvaardigd door geloof, worden ontvangen in de familie van God, en erven worden gemaakt van de hemelse erfenis."

 Dat is de betekenis van het woord aanneming (adoptie) in tegenwoordig spraakgebruik, hetgeen niemand zal ontkennen. Maar dat dit niet de betekenis van het Griekse woord, vertaald in de Bijbel met aanneming is, is duidelijk uit het gebruik ervan in het Nieuwe Testament, en speciaal in de aangehaalde passage.

 De aanneming van kinderen zoals wij daar heden over spreken, bedoelt het aannemen van andermans kinderen in zijn familie, maar het woord "aanneming" (Gr. huiothesia) in de oorspronkelijke vertaling van de Bijbel, betekent eenvoudig "plaatsen als zoon", in dit geval als een volwassen zoon. In de bovenaangehaalde passage uit Galaten, duidt het op hen, die reeds kinderen zijn! Het kan natuurlijk niet worden ontkend, dat een vreemdeling eveneens kan worden aangenomen en hem een plaats als volwassen zoon wordt gegeven, maar het punt is, dat Bijbelse "aanneming" niet alleen verwijst naar aanname in een familie, maar naar een verklaring van volwassen zoonschap, met alle rechten en voorrechten vandien.*/[i]

KLEINE KINDEREN STAAN ONDER LEER- EN TUCHTMEESTERS VOLWASSEN ZONEN NIET

 In het leven van de Joodse jongen kwam een tijd, bepaald door zijn vader, dat "adoptie" regelingen plaats vonden, en de jongen formeel verklaard werd, zoon en erfgenaam van zijn vader te zijn.

 Voorafgaand aan die tijd, was hij daadwerkelijk een zoon, maar "onder onderwijzers en opvoeders". Hem werd verteld wat hij wel, en wat hij niet mocht doen. In deze verschilde hij niets met een dienstknecht, hoewel hij toch "heer  over alles" was.

 Maar tenslotte ontwikkelde het kind tot een opgegroeide zoon en dan kwam "de bestemde tijd". Hij had niet langer toezicht nodig om hem te controleren. Er zou nu een natuurlijk begrijpen en samenwerking tussen vader en zoon zijn. En zo vonden de adoptie-regelingen plaats - een formele en officiele verklaring, dat de zoon nu gekomen was in alle rechten en voorrechten van het volwassen zoonschap.

 Dat is de betekenis van het woord "adoptie" (huiothesia) in de brieven van Paulus.

             ONZE "ADOPTIE" IN CHRISTUS

 Profetisch gesproken, behoort de "adoptie" tot Gods verbondsvolk Israel (Rom.9:4), en deze eer was hen gegeven door genade, nadat zij gefaald hadden om dit te verkrijgen onder de wet. Het uitverkoren volk weigerde echter de onderscheiding, en ging door met hun "eigen gerechtigheid", zodat de vervulling van dit doel nu wacht op een toekomstig tijdstip.

 Maar God werd daar niet door verrast, want het was Zijn geheim, eeuwig, doel om aan te tonen, dat alle zegen geheel is opgenomen in Christus. Omdat Israel in ongeloof blijft, zullen allen die vertrouwen in het volmaakte, verrichte werk van Christus, daarvoor de "aanneming" hebben, die Israel weigerde, -en nog meer.  Daarom schrijft de apostel historie, als hij zegt: "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. "Opdat hij hen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden." (Gal.4:4,5)       

 "De volheid der tijden", toen Christus stierf, is daar waar profetie en het geheim samenkomen, want "wij" komen in de plaats van volwassen zoonschap, niet door vervulling van verbondsbeloften, maar door vervulling van een eeuwig doel, geheim gehouden, tot Paulus. Het was Gods genadig plan om ons te maken: "heilig en onberispelijk voor Hem, IN LIEFDE HEEFT HIJ ONS TEVOREN ERTOE BESTEMD ALS ZONEN VAN HEM TE WORDEN AANGENOMEN". (Eph.1:4,5 N.V.)

Maar hoe kon Hij ons, zondaren uit de heidenen, "heilig en onberispelijk voor Hem" maken, en ons de eer geven van "adoptie" (aanneming)?

Er is maar ייn antwoord: "DOOR JEZUS CHRISTUS", en het is eeuwig "TOT LOF VAN DE HEERLIJKHEID VAN ZIJN GENADE" dat "HIJ ONS BEGENADIGD (AANGENOMEN) HEEFT IN DE GELIEFDE" (Eph.1:5,6).

Aldus wordt aan de meest eenvoudige gelovige, onmiddelijk een plaats gegeven in Christus, aan Gods rechterhand, als een volwassen zoon, met al de rechten en privileges van het zoonschap, en voor altijd vrij van de binding van de wet. Het kan alleen maar God ont-eren door na te laten, om deze positie in Christus te erkennen, en dan niet in de vreugde daarover, te wandelen.

Toch falen ook wel de besten van ons, en wij moeten dikwijls met schaamte erkennen, dat wij niet als zonen van God hebben gewandeld. De vraag rijst dan: Werkt deze toegeschreven "adoptie" proefondervindelijk - dit ons een plaats geven van zoonschap in Christus? Brengt het de verlangde resultaten op, in het conflict dat bestaat tussen "het vlees" en "de geest"?

         WERKT HET?

  De Apostel Paulus behandelt deze zaak tamelijk uitvoerig, en staat er op, dat een waardering van onze positie in Christus het enige is, dat ons kan helpen om werkelijk een Gode aangenaam leven te leiden.

De Galaten dachten waarschijnlijk, dat zij God behaagden, door in hun leven vrijwillig de wet aan de genade toe te voegen, in een poging het vlees te overwinnen. Maar terwijl zij zichzelf meer dingen gaven om te gehoorzamen, wijst de apostel juist aan, dat zij, door zichzelf onder de wet te plaatsen, "de waarheid ongehoorzaam"   waren, en Christus onteerden, die toch gestorven was om hen te bevrijden, niet alleen van de zonde, maar van de wet (Gal.3:1,13;5:7).

Bovendien was hun gezochte slotsom van het probleem vals. Het is waar dat "het vlees begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees", en dat "vleselijke begeerten...strijd voeren tegen de ziel" (Gal.5:17;1Pet.2:11), maar de Galaten, net als vele gelovigen vandaag, waren onbewust van de ware natuur van het vlees, welks "begeerten", of verlangens, niet alleen tot uiting komen in het vrijkomen van primitieve lusten, maar dikwijls ook in een poging iets van zichzelf te maken; om zijn eigen god te zijn. Deze uitingsvorm van het vlees is net zo tegengesteld aan de Geest, als andere, grovere vormen.

Herinnerend aan Abraham's poging - en falen - om God door het vlees te helpen, zegt de apostel: "Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, ייn uit de dienstmaagd, en ייn uit de vrije.

 "Maar die uit de dienstmaagd was NAAR HET VLEES geboren, doch die uit de vrije DOOR DE BELOFTE."(Gal.4:22,23)

De vergelijking tussen deze twee zonen van Abraham verbindt de apostel, niet met leven in openlijke zonde en rechtvaardig leven voor God, maar met leven onder de wet en leven onder de genade. De zoon die naar het vlees geboren werd, zegt Paulus, vertegenwoordigt in Christelijk gedrag, het pricipe van de wet, terwijl de zoon, geboren naar belofte, het principe vertegenwoordigt van genade.

Let wel op; noch de eerste helpt, noch de laatste  bemoedigt, alsof onszelf onder de wet plaatsen, zou helpen om in genade te groeien. Integendeel, zij zijn elkaar tegengesteld:

"Doch zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem VERVOLGDE die naar de Geest geboren was, ZO OOK NU." (Gal.4:29)

Dit verlangen om iets van jezelf te maken door onderdanig te worden aan de wet, is een uiting van het vlees, die net zo tegengesteld is aan de Geest, als elke morele zonde. Met het oog hierop zegt de apostel:

"Als gij u laat besnijden, zal Christus u van geen nut  zijn...Christus is ijdel geworden voor u die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen." (Gal.5:2,4)*/[ii]

 Waartoe is Christus nodig, wanneer iemand iets uit zichzelf kan doen? Dit was het, wat Israel weerhield van gered te worden:

 "Want daar zij Gods rechtvaardigheid niet kennen, en hun eigen gerechtigheid trachten op te richten, hebben zij zich aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen.

 "Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor een ieder die gelooft." (Rom.10:3,4)

 Niet eerder, dan als het volk Israel ophoudt met te worstelen teneinde hun eigen gerechtigheid te vestigen, en hun alles in Christus vinden, zullen zij gered worden, en tegelijkertijd "aangenomen", zodat men zal zeggen: "Gij zijt zonen van de levende God" (Hos.1:10).

 De Galaten waren natuurlijk reeds lang gered door genade, maar nu "verlangden zij om onder de wet te zijn" (Gal.4:9,21). Dit culmineerde in een verachting van het volbrachte werk van Christus, was ongehoorzaamheid aan de waarheid en louter dwaasheid. "Zijt gij zo uitzinnig?" vraagt de apostel, "daar gij in de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu in het vlees? (wordt gij nu in het vlees voleindigd?) (Gal.3:3).

In de brief van Paulus aan de Romeinen leren we, dat "de wet...door het vlees krachteloos was" en dat "wat het vlees bedenkt, vijandschap tegen God is; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet" (Rom.8:3,7). Hoe kan dan onderwerping aan de wet ons helpen om heiliger te leven?

Maar "wat voor de wet onmogelijk was...volbracht God door de zending van Zijn eigen Zoon".

"OPDAT HET RECHT VAN DE WET VERVULD ZOU WORDEN IN ONS, DIE NIET NAAR HET VLEES WANDELEN, MAAR NAAR DE GEEST" (Rom.8:4).

De gelovige Galatiers mochten proberen God eruit te helpen door zichzelf aan de wet te onderwerpen, en Hem hun werken te offeren, evenals Abraham probeerde God te helpen door de gebonden vrouw (slavin) te huwen en Hem haar zoon te offeren,

 "Maar wat zegt de Schrift? WERP DE DIENSTMAAGD UIT EN HAAR ZOON; WANT DE ZOON VAN DE DIENSTMAAGD ZAL GEENSZINS ERVEN MET DE ZOON VAN DE VRIJE...STAAT DAN IN DE VRIJHEID WAARMEE CHRISTUS ONS VRIJGEMAAKT HEEFT EN WORDT NIET WEER ONDER HET JUK VAN DIENSTBAARHEID BEVANGEN." (Gal.4:30,5:1)

 "De werken van het vlees", afgezien van de wet, "zijn openbaar", en zij zijn "allen slecht" (Gal.5:19-21). "Maar de vrucht van de Geest" is "al goed" en, naar zijn natuur, behoeft hij geen wet om het te bewijzen. (Gal.5:22,23)

 Zoals we hebben gezien, neemt de Heilige Geest niet bovennatuurlijk bezit van ons, en drijft ons om Zijn wil te doen, maar door Gods genade verblijft Hij in ons, altijd gereed om te helpen (de wet was altijd klaar om ons te veroordelen!). Dus mogen wij geestelijke overwinning hebben in elke situatie. Waar God ons door genade in voorziet, moeten wij door geloof toeeigenen, altijd erkennende dat Hij ons reeds een plaats gegeven heeft, aan Zijn rechterhand, in Christus, en zoeken Hem uit louter genade te behagen.

 De enige weg is dan, om ondervindelijk te groeien tot een plaats van volle zoonschap, met de vrijheid en het voorrecht daarin besloten, te erkennen dat we volwassen zonen in Christus zijn.

"Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt ontvangen DE GEEST VAN AANNEMING TOT ZOONSCHAP, door welke wij roepen: Abba, Vader" (Rom.8:15 N.V.).

 "En, dat(overmits) gij zonen zijt - God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader" (Gal.4:6 N.V.)

"En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerte van het vlees niet." (Gal.5:16)

            HET GEESTELIJK GEBRUIK VAN VRIJHEID

De Christelijke vrijheid is een kosteloos bezit. Zij kan natuurlijk worden misbruikt, maar rechtmatig gebruikt, is zij een altijd vloeiende bron van geestelijke vreugde en kracht.

Gods doel met betrekking tot de vrijheid van de gelovige in Christus is uitvoerig opgesomd voor ons, in ייn kort vers in de Galatenbrief. Vanzelf in drie delen uiteen vallende, luidt het vers:

"Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, "Alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; "Maar dient elkander door de liefde" (Gal.5:13).

Wij hebben reeds gezien, dat, waar de oorzaak van geestelijke neergang in Israel altijd was, hun afkeren van Gods Woord tot hen, door Mozes, zo is de oorzaak van geestelijke neergang onder gelovigen vandaag altijd, hun weggaan van Gods Woord tot ons, door Paulus.

Als er nu iets ontwijfelbaar duidelijk is in de brieven van Paulus, dan is het wel het feit, dat gelovigen in deze tegenwoordige bedeling van de genade, zijn bevrijd van de wet en "geroepen tot vrijheid". De nalatigheid van Gods volk om deze vrijheid toe te eigenen, en zich daarin vandaag te verheugen, resulteert in geestelijke neergang, net zo zeker als het nalaten van het volk Israel om de wet van Mozes te betrachten, dit deed in hun tijd.

Kan er iets duidelijker zijn, dan deze passages in dezelfde brief aan de Galaten, waar de apostel, door de Geest zegt:

"CHRISTUS HEEFT ONS VERLOST VAN DE VLOEK VAN DE WET, door voor ons een vloek te worden; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt" (Gal.3:13)

"Zo dan , de wet is onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.

"Maar nu het geloof gekomen is, ZIJN WIJ NIET MEER ONDER DE TUCHTMEESTER" (Gal.3:24,25).

"Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, ZOND GOD ZIJN ZOON, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet,

"OPDAT HIJ HEN DIE ONDER DE WET WAREN, VERLOSSEN ZOU, EN OPDAT WIJ DE AANNEMING TOT KINDEREN (ZONEN) VERKRIJGEN ZOUDEN.

"ZO DAN, GIJ ZIJT NIET MEER EEN DIENSTKNECHT, MAAR EEN ZOON; EN INDIEN GIJ EEN ZOON ZIJT, DAN ZIJT GIJ OOK EEN ERFGENAAM VAN GOD DOOR CHRISTUS." (Gal.4:4-7).

In het licht hiervan zou het ongeloof en ongehoorzaamheid zijn, om onszelf terug te plaatsen onder de wet, zelfs ondanks dat heel het Woord van God, met inbegrip van de boeken van Mozes, voor ons en "nuttig" is. Inderdaad, toen de Galaten, bij de "morgenstond" van de bedeling van de genade (de bedeling van de wet nauwelijks voorbij), "verlangden weer gebonden te zijn" en zo Gods Woord "meer" te gehoorzamen, berispte Paulus hen ernstig, noemde hen "dwaas" en "ongehoorzaam" (Gal.3:1;5:7) omdat zij door teruggang naar de wet, de door God gegeven verdere openbaring door hem, en de vrijheid die Christus had gekocht voor hen met Zijn eigen bloed, verachtten.

Door de vrijheid van het zoonschap af te wijzen en terug te gaan naar de dienstbaarheid van de wet, wordt niet alleen Gods Woord veracht, maar Gods Woord tot "ons", en dit moet noodzakelijk resulteren in geestelijke neergang.

Het is niet aan "ons" om te beslissen hoe wij het beste God kunnen behagen. Het is aan ons om te horen, te geloven en Hem te gehoorzamen. Dit alleen is de koers van ware geestelijkheid. De apostel merkt inderdaad op de betrekking tussen ware geestelijkheid en onze vrijheid in Christus, als hij zegt:

"EN IK ZEG: WANDELT DOOR DE GEEST EN VOLBRENGT DE BEGEERTE VAN HET VLEES NIET...INDIEN GIJ DOOR DE GEEST GELEID WORDT, DAN ZIJT GIJ NIET ONDER DE WET." (Gal.5:16-18)

Deze aanwijzingen veronachtzamen, betekent het verlaten van Gods wil voor onze levens, en geestelijke teruggang.

Het is niet te verwonderen, dat toen de Judaisten probeerden om de gelovigen in Antiochie onder de wet te brengen, "bij Paulus en Barnabas geen kleine weerstand en twist geschiedde tegen hen" (Hand.15:2). Geen wonder dat hij zo hevig streed met hen, "die ingekomen waren om onze (hun) vrijheid te bespieden, die wij (zij) in Christus Jezus hebben (hadden)" en "voor wie zij ook geen uur geweken zijn door zich te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij hen zou blijven" (Gal.2:4,5). Geen wonder dat hij schreef tot de Galaten, die waren beinvloed door de Judaisten:

"STAAT DAN IN DE VRIJHEID WAARMEE CHRISTUS ONS VRIJGEMAAKT HEEFT, EN WORDT NIET WEER ONDER HET JUK VAN DIENSTBAARHEID BEVANGEN" (Gal.5:1).

Zeker zouden wij, die bijna twee duizend jaren na de wet leven, in deze laatste tijd niet verleid mogen worden om daarnaar terug te keren. Christus is gestorven:

"HIJ HEEFT UITGEWIST HET HANDSCHRIFT, DAT TEGEN ONS WAS VANWEGE DE INZETTINGEN...EN HIJ HEEFT DAT UIT HET MIDDEN WEGGENOMEN DOOR HET AAN HET KRUIS TE NAGELEN.

"LAAT DAN NIEMAND U OORDELEN IN SPIJS OF IN DRANK, OF INZAKE EEN FEESTDAG, OF NIEUWE MAAN OF SABBATTEN;

"DIE EEN SCHADUW ZIJN VAN DE TOEKOMSTIGE DINGEN, MAAR HET LICHAAM (DE WERKELIJKHEID) IS VAN CHRISTUS" (Col.2:14-17).

Deze en vele andere Schriftplaatsen over het onderwerp van de vrijheid van de gelovige in Christus, zijn al te duidelijk om ruimte te laten voor tegenspraak. Twijfel om te accepteren, en zich te verheugen over deze door God geschonken vrijheid, is een teken, niet van geestelijkheid, maar van vleselijkheid; niet van menselijkheid, maar van trots.

               VRIJHEID, GEEN LOSBANDIGHEID

Het feit, dat ons volmaakte vrijheid in Christus is gegeven, betekent echter niet, dat wij onze levens zouden besteden in toe te geven aan onze eigen vleselijke begeerten. Juist het tegendeel is het geval. Wij werden bevrijd van de slavernij van kindschap, en ons werd gegeven de vrijheid van volwassen zoonschap (Gal.3:24;4:1-7). Deze vooruitgang van kindschap tot volwassenheid houdt in zich, de verwerving van een gevoel van verantwoordelijkheid.

De leer van onze vrijheid in Christus ondersteunt niet; zij weerlegt eerder, de valse theorie dat zij die onder de genade zijn, mogen doen waar zij zin in hebben. Paulus werd in dit verband "lasterlijk" beticht (Rom.3:8), maar er waren vleselijke gelovigen toen, zoals ook nu, die daadwerkelijk hun vrijheid gebruikten als volmacht om hun eigen begeerten te rechtvaardigen. Omkeren van vrijheid naar volmacht op deze manier, is net zo volledig fout, als omkering van vrijheid naar de wet.

Menig gelovige, alleen gemotiveerd door zijn eigen vleselijke verlangens, en helemaal niet door de liefde voor Christus of anderen, heeft toegegeven aan genoegens van het vlees en de wereld, zich rechtvaardigend op grond dat hij onder de genade is en vrijheid heeft in Christus. Terwijl hij anderen meetrekt in zijn geestelijk verval, klaagt hij over anderen, die hem willen helpen, dat "zij hem proberen onder de wet te krijgen".

Dezen zijn daadwerkelijk schuldig aan verlaten van de genade, want de "genade van God...is verschenen": "EN ONDERWIJST ONS DAT WIJ, MET VERZAKING VAN DE GODDELOOSHEID EN DE WERELDSE BEGEERTEN, MATIG EN RECHTVAARDIG EN GODZALIG LEVEN ZOUDEN IN DEZE TEGENWOORDIGE TIJD (WERELD);   "IN DE VERWACHTING VAN DE ZALIGE HOOP EN VERSCHIJNING VAN DE HEERLIJKHEID VAN DE GROTE GOD EN ONZE ZALIGMAKER JEZUS CHRISTUS;

"DIE ZICHZELF VOOR ONS GEGEVEN HEEFT, OPDAT HIJ ONS ZOU VERLOSSEN VAN ALLE ONGERECHTIGHEID, EN ZICHZELF EEN EIGEN VOLK ZOU REINIGEN, IJVERIG IN GOEDE WERKEN" (Tit.2:11-14).

Petrus benadrukt deze waarheid wanneer hij gelovigen aanspoort om te leven:

"Als vrijen, en niet door de vrijheid als een deksel van de boosheid te hebben, maar als dienstknechten van God" (1Petr.2:16)

En ook Johannes benadrukt dit, wanneer hij zegt:   "HEBT DE WERELD NIET LIEF, NOCH WAT IN DE WERELD IS; ALS IEMAND DE WERELD LIEFHEEFT, DE LIEFDE VAN DE VADER IS NIET IN HEM"*/[iii] (1Joh.2:15).

       Paulus, de grote Apostel van genade, gaf geen ruimte aan twijfel wat betreft zijn gedrag ten opzichte van wereldgezindheid en vleselijke toegeeflijkheid, want hij zegt dat hij "gekruisigd is voor de wereld" (Gal.6:14) en vermaande de Romeinse gelovigen "zich daarvoor te houden, dat zij dood zijn voor de zonden van het vlees", en verklaart dat zonde niet langer heerschappij over hen mag hebben, omdat zij niet meer onder de wet, maar onder genade waren (Rom.6:12-14). Daarenboven schrijft hij geinspireerd, zodat zijn woorden aan de Galaten en de Romeinen, ook voor ons, Gods Woord is.

       "Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees..." (Gal.5:13).                              

                     CHRISTELIJKE VRIJHEID,

                  DE DRAAGSTER VAN LIEFDE

De apostel is niet negatief in zijn houding in deze zaak, maar waarschuwt ons tegen verkeerd gebruik van onze vrijheid. Hij is positief, als hij uitlegt hoe onze vrijheid moet worden gebruikt tot glorie van God en ten goede van onszelf en anderen:

"Dient elkander door de liefde." Dit is een zo eenvoudige vermaning, dat niemand haar kan misverstaan, en toch zo hoogstaand, zo allesomvattend, dat zij het hele bereik van het gedrag van de gelovige t.o.v. zijn mede-leden in het Lichaam van Christus omvat.

Als wij maar ophouden, met ons te verwonderen over het feit, dat wij zouden zijn toegerust met vrijheid - vol en vrij -, als volwassen zonen, terwijl wij nog verzoeking en zonde bezitten en dikwijls falen. Indien wij maar tijd nemen om te overpeinzen, de oneindige liefde en erbarming, - en de oneindig hoge prijs die gemoeid was met het schenken van deze vrijheid aan ons. Als wij opmerken dat deze vrijheid, daarentegen aan ons is gegeven, niet als onwedergeboren zondaars, maar dat zij ons is gegeven in Christus, als aan diegenen die gekruisigd, begraven en opgewekt werden met Hem, teneinde te "wandelen in nieuwheid des levens". Als we tijd nemen om dit alles te overwegen, wordt ons spoedig duidelijk, dat het enig juiste gebruik van vrijheid is: "door liefde elkander te dienen".

Het is belangrijk om te herinneren, dat we zijn "geroepen tot vrijheid", maar het is evenzo belangrijk erop te letten, dat we deze vrijheid beoefenen, in een leven van bruikbaarheid voor anderen. Het is belangrijk dat we "vaststaan" in onze "door God gegeven" vrijheid, maar het is even belangrijk acht te geven op de vermaning:

"MAAR ZIET TOE, DAT DEZE MACHT VAN U NIET MISSCHIEN EEN AANSTOOT WORDT VOOR HEN, DIE ZWAK ZIJN" (1Cor.8:9).

Verwijzend naar het eten van vlees en het waarnemen van dagen, vermaant de apostel:

"Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk DAT GIJ DE BROEDER GEEN AANSTOOT OF ERGERNIS GEEFT....INDIEN UW BROEDER OM HET ETEN BEDROEFD WORDT, DAN WANDELT GIJ NIET MEER NAAR LIEFDE....ZALIG IS HIJ DIE ZICHZELF NIET OORDEELT IN WAT HIJ VOOR GOED HOUDT" (Rom.14:13-22)

Met betrekking tot het eten van vlees wat aan afgoden geofferd is, zegt de apostel verder: "DE KENNIS MAAKT OPGEBLAZEN, MAAR DE LIEFDE STICHT....WIJ WETEN DAT EEN AFGOD NIETS IS IN DE WERELD...DOCH DE KENNIS IS NIET BIJ ALLEN....DAAROM, INDIEN DE SPIJS MIJN BROEDER ERGERT, DAN ZAL IK IN EEUWIGHEID GEEN VLEES ETEN..."(1Cor.8:1-13)

Zoals eens wijlen Dr. Bultema het zo treffend heeft gesteld: "Wij hebben niet het recht om onze vrijheid terzijde te stellen, maar we hebben vrijheid om onze rechten terzijde te stellen". Dit is het waar het om gaat in Gal.5:13.

Buiten onze Here Jezus Christus, de God-mens, was klaarblijkelijk Paulus zelf, het grootste voorbeeld voor dit gebruik van Christelijke vrijheid.

Schrijvend aan de Corinthiers, brengt hij hen in herinnering, dat hij het recht had, als een apostel, en als hun weldoener onder God, om er goed van te leven, en van hen te verwachten dat zij voor zijn noden zo zouden zorgen, dat hij "vrijgesteld van werken" zou zijn. Hij brengt argument na argument aan uit het dagelijks leven, en vanuit de Schriften. ter ondersteunung in deze twistzaak. Hij herinnert hen eraan dat zij hem hun geldelijke steun schuldig zijn (1Cor.9:1-14). Maar hij schrijft ook aan deze vleselijke Corinthiers:

"DOCH WIJ HEBBEN DIT RECHT NIET GEBRUIKT; MAAR WIJ VERDRAGEN ALLES, OPDAT WIJ GEEN ENKELE VERHINDERING GEVEN AAN HET EVANGELIE VAN CHRISTUS...WANT DAAR IK VAN ALLEN VRIJ WAS, HEB IK MIJZELF ALLEN DIENSTBAAR GEMAAKT, OPDAT IK ER MEER ZOU WINNEN" (1Cor.9:12-19).

Opnieuw verwijzend naar zijn gebruik van zijn vrijheid in Christus, zegt hij:

"ALLE DINGEN ZIJN MIJ GEOORLOOFD, MAAR NIET ALLE DINGEN ZIJN NUTTIG; ALLE DINGEN ZIJN MIJ GEOORLOOFD, MAAR NIET ALLE DINGEN STICHTEN.

"LAAT NIEMAND ZOEKEN WAT VAN HEMZELF IS; MAAR LAAT IEDER ZOEKEN WAT VAN DE ANDER IS" (1COR.10:23,24).

Daar hebben we het weer. We zijn in de vrijheid gesteld, niet dat we ons zouden tegoed doen in het toegeven aan eigen begeerten, maar dat wij mogen leven voor anderen. Wij verliezen hierdoor niets. Dit is ware vrijheid, want "het is beter te geven dan te ontvangen".

Dank God, dat we zijn "geroepen tot vrijheid". Door Christus kunnen wij vrij ademen. Maar om zich in deze vrijheid volkomen te verheugen, moeten wij zorgen om die niet te gebruiken als een gelegenheid om onszelf te dienen, maar liever als het middel, waardoor wij in liefde elkander mogen dienen.


[i].*/Voetnoot" Zie de brochure van de schrijver, getiteld, Zoonschap.

[ii].*/Voetnoot: Uiteraard logisch gesproken, niet werkelijk, want de contekst maakt duidelijk, dat zij waarlijk gered waren (4:28,31).

[iii].*/Voetnoot: Hieruit volgt niet dat wereldse gelovigen hun behoudenis verliezen. De eenvoudige betekenis is, dat het onmogelijk is, om de wereld, en de Vader, tegelijkertijd lief te hebben. De ene liefde neemt de plaats in van de andere. Gelukkig is het God's liefde tot ons, die behoudt (Rom.8:35-39), maar wereldse gezindheid in de gelovige, zal zeker leiden tot verlies voor de rechterstoel van Christus (2Cor.5:10).

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011