|
H O O F D S T U K
IX
WARE
GEESTELIJKHEID EN
ONZE VRIJHEID IN CHRISTUS
ONZE PLAATS ALS ZONEN VAN GOD
"Staat
dan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, en wordt niet meer
onder het juk van dienstbaarheid bevangen" (Gal. 5:1)
Wij hebben
gezien, dat het menselijk geslacht van hoger hand is ingedeeld in: 1) De
natuurlijke mens, 2) de baby in Christus, 3) de vleselijke
Christen, 4) de geestelijke Christen. Wij moeten echter onthouden,
dat de laatste drie van deze, en de verantwoordelijkheid om te groeien
van geestelijk kindschap naar
volwassenheid, alleen te maken hebben met onze ervaring en gedrag
als gelovigen, en helemaal niet met onze positie in Christus.
De positie
van de gelovige in Gods oog, of hij een baby, of zelfs een vleselijke
Christen zijn moge, is die van een volwassen zoon, eenvoudigweg omdat God hem
ziet in Christus, Zijn volmaakte Zoon.
Wat was de
Vader met recht trots op Zijn Zoon, toen Hij de hemelen doorbrak en uitriep over
Hem, Die bij Zijn doop reeds werd "gerekend onder de zondaars": "Deze
is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!" (Matt.3:17)
En nu, in
eindeloze genade, vertelt God ons, dat Hij "ons begenadigd heeft
in de Geliefde", "volmaakt in Hem" en gezeten met Hem
in de hemelse gewesten, ver buiten het bereik van alle aanklagers, en zelfs van
de wet zelf. (Eph.1:6; Col.2:10; Eph.2:6)
Het is in het licht van deze glorieuze waarheden, dat wij zouden moeten
leven, wandelend in het besef van onze hoge en heilige roeping; overeenkomstig
onze positie in Christus. (Eph.4:1; 2Tim.1:9). Om nu terug te gaan onder de wet,
staat gelijk met het afwijzen van onze
positie in Christus.
Het is
nergens zo duidelijk uitgedrukt als in Gal.4:1-7, waar de Apostel Paulus , door
de Geest, onze positie in Christus als volwassen zonen, en onze daarmee
verbonden vrijheid van de wet behandelt.
ZOONSCHAP
"Doch ik
zeg, zo lang de erfgenaam een kind is, verschilt hij in niets van een
dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles.
"Maar
hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd door de vader tevoren
vastgesteld.
"Zo
waren ook wij, toen wij kinderen waren, dienstbaar gemaakt onder de eerste
beginselen van de wereld.
"Maar
toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een
vrouw, geworden onder de wet.
"Opdat
Hij hen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot
kinderen (zonen) verkrijgen zouden.
"En
aangezien gij kinderen (zonen) zijt, heeft God de Geest van Zijn Zoon
uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!
"Zo dan,
gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt,
dan zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus". (Gal.4:1-7)
Toen we enige
jaren geleden in een Bijbels Woordenboek het
woord "aanneming" (adoptie) opzochten, vonden wij de volgende
definitie:
"Adoptie is een daad waarbij een persoon een
vreemdeling opneemt in zijn familie, hem als kind erkent, en hem stelt tot
erfgenaam van zijn bezit....In het Nieuwe Testament, wijst adoptie op het feit
van Gods vrije genade...door welke wij, gerechtvaardigd door geloof, worden
ontvangen in de familie van God, en erven worden gemaakt van de hemelse
erfenis."
Dat is de betekenis van het
woord aanneming (adoptie) in tegenwoordig spraakgebruik, hetgeen niemand
zal ontkennen. Maar dat dit niet de betekenis van het Griekse
woord, vertaald in de Bijbel met aanneming is, is duidelijk uit het
gebruik ervan in het Nieuwe Testament, en speciaal in de aangehaalde passage.
De aanneming van kinderen
zoals wij daar heden over spreken, bedoelt het aannemen van andermans
kinderen in zijn familie, maar het woord "aanneming" (Gr. huiothesia)
in de oorspronkelijke vertaling van de Bijbel, betekent eenvoudig "plaatsen
als zoon", in dit geval als een volwassen zoon. In de
bovenaangehaalde passage uit Galaten, duidt het op hen, die reeds
kinderen zijn! Het kan natuurlijk niet worden ontkend, dat een vreemdeling
eveneens kan worden aangenomen en hem een plaats als volwassen zoon wordt
gegeven, maar het punt is, dat Bijbelse "aanneming" niet alleen
verwijst naar aanname in een familie, maar naar een verklaring van volwassen
zoonschap, met alle rechten en voorrechten vandien.*/[i]
KLEINE KINDEREN STAAN ONDER
LEER- EN TUCHTMEESTERS
VOLWASSEN ZONEN NIET
In het leven van de Joodse jongen kwam een tijd, bepaald
door zijn vader, dat "adoptie" regelingen plaats vonden, en de jongen
formeel verklaard werd, zoon en erfgenaam van zijn vader te zijn.
Voorafgaand
aan die tijd, was hij daadwerkelijk een zoon, maar "onder onderwijzers en
opvoeders". Hem werd verteld wat hij wel, en wat hij niet mocht doen. In
deze verschilde hij niets met een dienstknecht, hoewel hij toch "heer
over alles" was.
Maar
tenslotte ontwikkelde het kind tot een opgegroeide zoon en dan kwam "de
bestemde tijd". Hij had niet langer toezicht nodig om hem te controleren.
Er zou nu een natuurlijk begrijpen en samenwerking tussen vader en zoon zijn. En
zo vonden de adoptie-regelingen plaats - een formele en officiele verklaring,
dat de zoon nu gekomen was in alle rechten en voorrechten van het volwassen
zoonschap.
Dat is de
betekenis van het woord "adoptie" (huiothesia) in de brieven
van Paulus.
ONZE "ADOPTIE" IN CHRISTUS
Profetisch gesproken, behoort de "adoptie" tot
Gods verbondsvolk Israel (Rom.9:4), en deze eer was hen gegeven door genade,
nadat zij gefaald hadden om dit te verkrijgen onder de wet. Het
uitverkoren volk weigerde echter de onderscheiding, en ging door met hun "eigen
gerechtigheid", zodat de vervulling van dit doel nu wacht op een toekomstig
tijdstip.
Maar God werd
daar niet door verrast, want het was Zijn geheim, eeuwig, doel om aan te tonen,
dat alle zegen geheel is opgenomen in Christus. Omdat Israel in ongeloof
blijft, zullen allen die vertrouwen in het volmaakte, verrichte werk van
Christus, daarvoor de "aanneming" hebben, die Israel weigerde, -en nog
meer.
Daarom
schrijft de apostel historie, als hij zegt:
"Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een
vrouw, geworden onder de wet.
"Opdat
hij hen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot
kinderen verkrijgen zouden." (Gal.4:4,5)
"De volheid der
tijden", toen Christus stierf, is daar waar profetie en het geheim
samenkomen, want "wij" komen in de plaats van volwassen
zoonschap, niet door vervulling van verbondsbeloften, maar door vervulling van
een eeuwig doel, geheim gehouden, tot Paulus. Het was Gods genadig plan
om ons te maken: "heilig en onberispelijk voor Hem, IN LIEFDE HEEFT
HIJ ONS TEVOREN ERTOE BESTEMD ALS ZONEN VAN HEM TE WORDEN AANGENOMEN". (Eph.1:4,5 N.V.)
Maar hoe
kon Hij ons, zondaren uit de heidenen, "heilig en onberispelijk voor
Hem" maken, en ons de eer geven van "adoptie" (aanneming)?
Er is maar ייn antwoord:
"DOOR JEZUS CHRISTUS", en het is eeuwig "TOT LOF VAN DE
HEERLIJKHEID VAN ZIJN GENADE" dat "HIJ ONS BEGENADIGD (AANGENOMEN)
HEEFT IN DE GELIEFDE" (Eph.1:5,6).
Aldus wordt aan de meest
eenvoudige gelovige, onmiddelijk een plaats gegeven in Christus, aan Gods
rechterhand, als een volwassen zoon, met al de rechten en privileges van het
zoonschap, en voor altijd vrij van de binding van de wet. Het kan alleen maar
God ont-eren door na te laten, om deze positie in Christus te erkennen,
en dan niet in de vreugde daarover, te wandelen.
Toch falen ook wel de besten
van ons, en wij moeten dikwijls met schaamte erkennen, dat wij niet als zonen
van God hebben gewandeld. De vraag rijst dan: Werkt deze toegeschreven
"adoptie" proefondervindelijk - dit ons een plaats geven van zoonschap
in Christus? Brengt het de verlangde resultaten op, in het conflict dat
bestaat tussen "het vlees" en "de geest"?
WERKT HET?
De Apostel Paulus behandelt
deze zaak tamelijk uitvoerig, en staat er op, dat een waardering van onze
positie in Christus het enige is, dat ons kan helpen om werkelijk een
Gode aangenaam leven te leiden.
De Galaten
dachten waarschijnlijk, dat zij God behaagden, door in hun leven vrijwillig de
wet aan de genade toe te voegen, in een poging het vlees te overwinnen. Maar
terwijl zij zichzelf meer dingen gaven om te gehoorzamen, wijst de
apostel juist aan, dat zij, door zichzelf onder de wet te plaatsen, "de
waarheid ongehoorzaam" waren,
en Christus onteerden, die toch gestorven was om hen te bevrijden, niet alleen
van de zonde, maar van de wet (Gal.3:1,13;5:7).
Bovendien was
hun gezochte slotsom van het probleem vals. Het is waar dat "het vlees
begeert tegen de Geest en de Geest tegen het vlees", en dat "vleselijke
begeerten...strijd voeren tegen de ziel" (Gal.5:17;1Pet.2:11), maar de
Galaten, net als vele gelovigen vandaag, waren onbewust van de ware natuur van
het vlees, welks "begeerten", of verlangens, niet alleen tot uiting
komen in het vrijkomen van primitieve lusten, maar dikwijls ook in een poging iets
van zichzelf te maken; om zijn eigen god te zijn. Deze uitingsvorm
van het vlees is net zo tegengesteld aan de Geest, als andere, grovere vormen.
Herinnerend
aan Abraham's poging - en falen - om God door het vlees te helpen, zegt de
apostel: "Want
er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, ייn uit de dienstmaagd, en ייn
uit de vrije.
"Maar
die uit de dienstmaagd was NAAR HET VLEES geboren, doch die uit de vrije DOOR DE
BELOFTE."(Gal.4:22,23)
De
vergelijking tussen deze twee zonen van Abraham verbindt de apostel, niet met
leven in openlijke zonde en rechtvaardig leven voor God, maar met leven onder
de wet en leven onder de genade. De zoon die naar het vlees
geboren werd, zegt Paulus, vertegenwoordigt in Christelijk gedrag, het pricipe
van de wet, terwijl de zoon, geboren naar belofte, het principe
vertegenwoordigt van genade.
Let wel op;
noch de eerste helpt, noch de laatste
bemoedigt, alsof onszelf onder de wet plaatsen, zou helpen om in
genade te groeien. Integendeel, zij zijn elkaar tegengesteld:
"Doch
zoals destijds hij die naar het vlees geboren was, hem VERVOLGDE die naar de
Geest geboren was, ZO OOK NU." (Gal.4:29)
Dit verlangen om iets van
jezelf te maken door onderdanig te worden aan de wet, is een uiting van het
vlees, die net zo tegengesteld is aan de Geest, als elke morele zonde. Met het
oog hierop zegt de apostel:
"Als gij
u laat besnijden, zal Christus u van geen nut
zijn...Christus is ijdel geworden voor u die door de wet gerechtvaardigd
wilt worden; gij zijt van de
genade vervallen." (Gal.5:2,4)*/[ii]
Waartoe is Christus nodig,
wanneer iemand iets uit zichzelf kan doen? Dit was het, wat Israel weerhield van
gered te worden:
"Want
daar zij Gods rechtvaardigheid niet kennen, en hun eigen gerechtigheid trachten
op te richten, hebben zij zich aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen.
"Want
het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor een ieder die
gelooft." (Rom.10:3,4)
Niet eerder, dan als het
volk Israel ophoudt met te worstelen teneinde hun eigen gerechtigheid te
vestigen, en hun alles in Christus vinden, zullen zij gered worden, en
tegelijkertijd "aangenomen", zodat men zal zeggen: "Gij zijt
zonen van de levende God" (Hos.1:10).
De Galaten waren natuurlijk
reeds lang gered door genade, maar nu "verlangden zij om onder de wet te
zijn" (Gal.4:9,21). Dit culmineerde in een verachting van het volbrachte
werk van Christus, was ongehoorzaamheid aan de waarheid en louter dwaasheid. "Zijt
gij zo uitzinnig?" vraagt de apostel, "daar gij in de Geest
begonnen zijt, voleindigt gij nu in het vlees? (wordt gij nu in het vlees
voleindigd?) (Gal.3:3).
In
de brief van Paulus aan de Romeinen leren we, dat "de wet...door het
vlees krachteloos was" en dat "wat het vlees bedenkt,
vijandschap tegen God is; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet, want
het kan dat ook niet" (Rom.8:3,7). Hoe kan dan onderwerping aan de wet
ons helpen om heiliger te leven?
Maar "wat voor de wet onmogelijk was...volbracht God door de
zending van Zijn eigen Zoon".
"OPDAT HET RECHT VAN DE WET VERVULD ZOU WORDEN IN ONS, DIE NIET
NAAR HET VLEES WANDELEN, MAAR NAAR DE GEEST" (Rom.8:4).
De gelovige Galatiers mochten proberen God eruit te helpen
door zichzelf aan de wet te onderwerpen, en Hem hun werken te offeren, evenals
Abraham probeerde God te helpen door de gebonden vrouw (slavin) te huwen en Hem
haar zoon te offeren,
"Maar
wat zegt de Schrift? WERP DE DIENSTMAAGD UIT EN HAAR ZOON; WANT DE ZOON VAN DE
DIENSTMAAGD ZAL GEENSZINS ERVEN MET DE ZOON VAN DE VRIJE...STAAT DAN IN DE
VRIJHEID WAARMEE CHRISTUS ONS VRIJGEMAAKT HEEFT EN WORDT NIET WEER ONDER HET JUK
VAN DIENSTBAARHEID BEVANGEN." (Gal.4:30,5:1)
"De
werken van het vlees",
afgezien van de wet, "zijn openbaar", en zij zijn "allen
slecht" (Gal.5:19-21). "Maar de vrucht van de Geest"
is "al goed" en, naar zijn natuur, behoeft hij geen wet om het
te bewijzen. (Gal.5:22,23)
Zoals we
hebben gezien, neemt de Heilige Geest niet bovennatuurlijk bezit van ons, en drijft
ons om Zijn wil te doen, maar door Gods genade verblijft Hij in ons, altijd
gereed om te helpen (de wet was altijd klaar om ons te veroordelen!). Dus mogen
wij geestelijke overwinning hebben in elke situatie. Waar God ons door
genade in voorziet, moeten wij door geloof toeeigenen, altijd erkennende dat Hij
ons reeds een plaats gegeven heeft, aan Zijn rechterhand, in
Christus, en zoeken Hem uit louter genade te behagen.
De enige weg
is dan, om ondervindelijk te groeien tot een plaats van volle zoonschap, met de
vrijheid en het voorrecht daarin besloten, te erkennen dat we volwassen zonen in
Christus zijn.
"Want gij hebt niet
ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt ontvangen DE
GEEST VAN AANNEMING TOT ZOONSCHAP, door welke wij roepen: Abba, Vader"
(Rom.8:15 N.V.).
"En, dat(overmits)
gij zonen zijt - God heeft de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in onze harten,
die roept: Abba, Vader" (Gal.4:6 N.V.)
"En
ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerte van het vlees niet."
(Gal.5:16)
HET GEESTELIJK GEBRUIK VAN VRIJHEID
De Christelijke vrijheid is een kosteloos bezit. Zij
kan natuurlijk worden misbruikt, maar rechtmatig gebruikt, is zij een altijd
vloeiende bron van geestelijke vreugde en kracht.
Gods
doel met betrekking tot de vrijheid van de gelovige in Christus is uitvoerig
opgesomd voor ons, in ייn kort vers in de Galatenbrief. Vanzelf in drie delen
uiteen vallende, luidt het vers:
"Want
gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders,
"Alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; "Maar dient elkander door de liefde" (Gal.5:13).
Wij
hebben reeds gezien, dat, waar de oorzaak van geestelijke neergang in Israel
altijd was, hun afkeren van Gods Woord tot hen, door Mozes, zo is de
oorzaak van geestelijke neergang onder gelovigen vandaag altijd, hun weggaan van
Gods Woord tot ons, door Paulus.
Als
er nu iets ontwijfelbaar duidelijk is in de brieven van Paulus, dan is het wel
het feit, dat gelovigen in deze tegenwoordige bedeling van de genade, zijn
bevrijd van de wet en "geroepen tot vrijheid". De nalatigheid van Gods
volk om deze vrijheid toe te eigenen, en zich daarin vandaag te verheugen,
resulteert in geestelijke neergang, net zo zeker als het nalaten van het volk
Israel om de wet van Mozes te betrachten, dit deed in hun tijd.
Kan
er iets duidelijker zijn, dan deze passages in dezelfde brief aan de Galaten,
waar de apostel, door de Geest zegt:
"CHRISTUS HEEFT ONS VERLOST VAN DE VLOEK VAN DE WET, door voor
ons een vloek te worden; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan
het hout hangt" (Gal.3:13)
"Zo dan , de wet is onze tuchtmeester geweest tot op Christus,
opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.
"Maar nu het geloof gekomen is, ZIJN WIJ NIET MEER ONDER DE
TUCHTMEESTER" (Gal.3:24,25).
"Maar
toen de volheid van de tijd gekomen was, ZOND GOD ZIJN ZOON, geworden uit een
vrouw, geworden onder de wet,
"OPDAT HIJ HEN DIE ONDER DE WET WAREN, VERLOSSEN ZOU, EN OPDAT WIJ
DE AANNEMING TOT KINDEREN (ZONEN) VERKRIJGEN ZOUDEN.
"ZO DAN, GIJ ZIJT NIET MEER EEN DIENSTKNECHT, MAAR EEN ZOON; EN
INDIEN GIJ EEN ZOON ZIJT, DAN ZIJT GIJ OOK EEN ERFGENAAM VAN GOD DOOR
CHRISTUS." (Gal.4:4-7).
In het licht hiervan zou het ongeloof en ongehoorzaamheid
zijn, om onszelf terug te plaatsen onder de wet, zelfs ondanks dat heel het
Woord van God, met inbegrip van de boeken van Mozes, voor ons en
"nuttig" is. Inderdaad, toen de Galaten, bij de
"morgenstond" van de bedeling van de genade (de bedeling van de wet
nauwelijks voorbij), "verlangden weer gebonden te zijn" en zo Gods
Woord "meer" te gehoorzamen, berispte Paulus hen ernstig, noemde hen
"dwaas" en "ongehoorzaam" (Gal.3:1;5:7) omdat zij door
teruggang naar de wet, de door God gegeven verdere openbaring door hem, en de
vrijheid die Christus had gekocht voor hen met Zijn eigen bloed, verachtten.
Door de vrijheid van het zoonschap af te wijzen en terug te gaan naar de
dienstbaarheid van de wet, wordt niet alleen Gods Woord veracht, maar Gods Woord
tot "ons", en dit moet noodzakelijk resulteren in geestelijke
neergang.
Het is niet aan "ons" om te beslissen hoe wij het beste God
kunnen behagen. Het is aan ons om te horen, te geloven en Hem te gehoorzamen.
Dit alleen is de koers van ware geestelijkheid. De apostel merkt inderdaad op de
betrekking tussen ware geestelijkheid en onze vrijheid in Christus, als hij
zegt:
"EN
IK ZEG: WANDELT DOOR DE GEEST EN VOLBRENGT DE BEGEERTE VAN HET VLEES
NIET...INDIEN GIJ DOOR DE GEEST GELEID WORDT, DAN ZIJT GIJ NIET ONDER DE
WET." (Gal.5:16-18)
Deze
aanwijzingen veronachtzamen, betekent het verlaten van Gods wil voor onze
levens, en geestelijke teruggang.
Het
is niet te verwonderen, dat toen de Judaisten probeerden om de gelovigen in
Antiochie onder de wet te brengen, "bij Paulus en Barnabas geen kleine
weerstand en twist geschiedde tegen hen" (Hand.15:2). Geen wonder dat
hij zo hevig streed met hen, "die ingekomen waren om onze (hun) vrijheid
te bespieden, die wij (zij) in Christus Jezus hebben (hadden)"
en "voor wie zij ook geen uur geweken zijn door zich te onderwerpen,
opdat de waarheid van het evangelie bij hen zou blijven" (Gal.2:4,5).
Geen wonder dat hij schreef tot de Galaten, die waren beinvloed door de
Judaisten:
"STAAT
DAN IN DE VRIJHEID WAARMEE CHRISTUS ONS VRIJGEMAAKT HEEFT, EN WORDT NIET WEER
ONDER HET JUK VAN DIENSTBAARHEID BEVANGEN" (Gal.5:1).
Zeker
zouden wij, die bijna twee duizend jaren na de wet leven, in deze laatste tijd
niet verleid mogen worden om daarnaar terug te keren. Christus is gestorven:
"HIJ HEEFT UITGEWIST HET
HANDSCHRIFT, DAT TEGEN ONS WAS VANWEGE DE INZETTINGEN...EN HIJ HEEFT DAT UIT HET
MIDDEN WEGGENOMEN DOOR HET AAN HET KRUIS TE NAGELEN.
"LAAT DAN NIEMAND U OORDELEN IN SPIJS OF IN DRANK, OF INZAKE EEN
FEESTDAG, OF NIEUWE MAAN OF SABBATTEN;
"DIE EEN SCHADUW ZIJN VAN DE TOEKOMSTIGE DINGEN, MAAR HET LICHAAM
(DE WERKELIJKHEID) IS VAN CHRISTUS"
(Col.2:14-17).
Deze en vele andere Schriftplaatsen over het onderwerp van de vrijheid
van de gelovige in Christus, zijn al te duidelijk om ruimte te laten voor
tegenspraak. Twijfel om te accepteren, en zich te verheugen over deze door God
geschonken vrijheid, is een teken, niet van geestelijkheid, maar van
vleselijkheid; niet van menselijkheid, maar van trots.
VRIJHEID, GEEN LOSBANDIGHEID
Het feit, dat ons volmaakte vrijheid in Christus is
gegeven, betekent echter niet, dat wij onze levens zouden besteden in toe te
geven aan onze eigen vleselijke begeerten. Juist het tegendeel is het geval. Wij
werden bevrijd van de slavernij van kindschap, en ons werd gegeven de
vrijheid van volwassen zoonschap (Gal.3:24;4:1-7). Deze vooruitgang van
kindschap tot volwassenheid houdt in zich, de verwerving van een gevoel van verantwoordelijkheid.
De
leer van onze vrijheid in Christus ondersteunt niet; zij weerlegt eerder, de
valse theorie dat zij die onder de genade zijn, mogen doen waar zij zin in
hebben. Paulus werd in dit verband "lasterlijk" beticht (Rom.3:8),
maar er waren vleselijke gelovigen toen, zoals ook nu, die daadwerkelijk hun
vrijheid gebruikten als volmacht om hun eigen begeerten te rechtvaardigen.
Omkeren van vrijheid naar volmacht op deze manier, is net zo volledig fout, als
omkering van vrijheid naar de wet.
Menig
gelovige, alleen gemotiveerd door zijn eigen vleselijke verlangens, en helemaal
niet door de liefde voor Christus of anderen, heeft toegegeven aan genoegens van
het vlees en de wereld, zich rechtvaardigend op grond dat hij onder de genade is
en vrijheid heeft in Christus. Terwijl hij anderen meetrekt in zijn geestelijk
verval, klaagt hij over anderen, die hem willen helpen, dat "zij hem
proberen onder de wet te krijgen".
Dezen
zijn daadwerkelijk schuldig aan verlaten van de genade, want de "genade
van God...is verschenen":
"EN
ONDERWIJST ONS DAT WIJ, MET VERZAKING VAN DE GODDELOOSHEID EN DE WERELDSE
BEGEERTEN, MATIG EN RECHTVAARDIG EN GODZALIG LEVEN ZOUDEN IN DEZE TEGENWOORDIGE
TIJD (WERELD); "IN DE VERWACHTING VAN DE ZALIGE HOOP EN VERSCHIJNING VAN DE
HEERLIJKHEID VAN DE GROTE GOD EN ONZE ZALIGMAKER JEZUS CHRISTUS;
"DIE ZICHZELF VOOR ONS GEGEVEN HEEFT, OPDAT HIJ ONS ZOU VERLOSSEN
VAN ALLE ONGERECHTIGHEID, EN ZICHZELF EEN EIGEN VOLK ZOU REINIGEN, IJVERIG IN
GOEDE WERKEN" (Tit.2:11-14).
Petrus benadrukt deze waarheid wanneer hij gelovigen aanspoort om te
leven:
"Als vrijen, en niet door de vrijheid als een deksel van de
boosheid te hebben, maar als dienstknechten van God" (1Petr.2:16)
En ook Johannes benadrukt dit, wanneer hij zegt: "HEBT DE WERELD NIET LIEF, NOCH WAT IN DE
WERELD IS; ALS IEMAND DE WERELD LIEFHEEFT, DE LIEFDE VAN DE VADER IS NIET IN
HEM"*/[iii] (1Joh.2:15).
Paulus, de grote Apostel van genade, gaf geen ruimte aan twijfel wat
betreft zijn gedrag ten opzichte van wereldgezindheid en vleselijke
toegeeflijkheid, want hij zegt dat hij "gekruisigd is voor de
wereld" (Gal.6:14) en vermaande de Romeinse gelovigen "zich
daarvoor te houden, dat zij dood zijn voor de zonden van het vlees", en
verklaart dat zonde niet langer heerschappij over hen mag hebben, omdat zij
niet meer onder de wet, maar onder genade waren (Rom.6:12-14). Daarenboven
schrijft hij geinspireerd, zodat zijn woorden aan de Galaten en de Romeinen, ook
voor ons, Gods Woord is.
"Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruikt
de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees..." (Gal.5:13).
CHRISTELIJKE VRIJHEID,
DE DRAAGSTER VAN LIEFDE
De
apostel is niet negatief in zijn houding in deze zaak, maar waarschuwt ons tegen
verkeerd gebruik van onze vrijheid. Hij is positief, als hij uitlegt hoe onze
vrijheid moet worden gebruikt tot glorie van God en ten goede van onszelf en
anderen:
"Dient
elkander door de liefde." Dit is een zo eenvoudige vermaning, dat
niemand haar kan misverstaan, en toch zo hoogstaand, zo allesomvattend, dat zij
het hele bereik van het gedrag van de gelovige t.o.v. zijn mede-leden in het
Lichaam van Christus omvat.
Als
wij maar ophouden, met ons te verwonderen over het feit, dat wij zouden
zijn toegerust met vrijheid - vol en vrij -, als volwassen zonen, terwijl wij
nog verzoeking en zonde bezitten en dikwijls falen. Indien wij maar tijd nemen
om te overpeinzen, de oneindige liefde en erbarming, - en de oneindig hoge prijs
die gemoeid was met het schenken van deze vrijheid aan ons. Als wij opmerken dat
deze vrijheid, daarentegen aan ons is gegeven, niet als onwedergeboren zondaars,
maar dat zij ons is gegeven in Christus, als aan diegenen die gekruisigd,
begraven en opgewekt werden met Hem, teneinde te "wandelen in nieuwheid des
levens". Als we tijd nemen om dit alles te overwegen, wordt ons spoedig
duidelijk, dat het enig juiste gebruik van vrijheid is: "door liefde
elkander te dienen".
Het is belangrijk om te herinneren, dat we
zijn "geroepen tot vrijheid", maar het is evenzo belangrijk erop te
letten, dat we deze vrijheid beoefenen, in een leven van bruikbaarheid voor
anderen. Het is belangrijk dat we "vaststaan" in onze "door God
gegeven" vrijheid, maar het is even belangrijk acht te geven op de
vermaning:
"MAAR
ZIET TOE, DAT DEZE MACHT VAN U NIET MISSCHIEN EEN AANSTOOT WORDT VOOR HEN, DIE
ZWAK ZIJN" (1Cor.8:9).
Verwijzend
naar het eten van vlees en het waarnemen van dagen, vermaant de apostel:
"Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit
liever, namelijk DAT GIJ DE BROEDER GEEN AANSTOOT OF ERGERNIS GEEFT....INDIEN UW
BROEDER OM HET ETEN BEDROEFD WORDT, DAN WANDELT GIJ NIET MEER NAAR
LIEFDE....ZALIG IS HIJ DIE ZICHZELF NIET OORDEELT IN WAT HIJ VOOR GOED
HOUDT" (Rom.14:13-22)
Met betrekking tot het eten van vlees wat aan afgoden geofferd is, zegt
de apostel verder:
"DE KENNIS MAAKT OPGEBLAZEN, MAAR DE LIEFDE STICHT....WIJ WETEN
DAT EEN AFGOD NIETS IS IN DE WERELD...DOCH DE KENNIS IS NIET BIJ
ALLEN....DAAROM, INDIEN DE SPIJS MIJN BROEDER ERGERT, DAN ZAL IK IN EEUWIGHEID
GEEN VLEES ETEN..."(1Cor.8:1-13)
Zoals eens wijlen Dr. Bultema het zo treffend heeft gesteld: "Wij
hebben niet het recht om onze vrijheid terzijde te stellen, maar we hebben
vrijheid om onze rechten terzijde te stellen". Dit is het waar het om gaat
in Gal.5:13.
Buiten onze Here Jezus Christus, de God-mens, was klaarblijkelijk Paulus
zelf, het grootste voorbeeld voor dit gebruik van Christelijke vrijheid.
Schrijvend aan de Corinthiers, brengt hij hen in herinnering, dat hij het
recht had, als een apostel, en als hun weldoener onder God, om er goed van te
leven, en van hen te verwachten dat zij voor zijn noden zo zouden zorgen, dat
hij "vrijgesteld van werken" zou zijn. Hij brengt argument na argument
aan uit het dagelijks leven, en vanuit de Schriften. ter ondersteunung in deze
twistzaak. Hij herinnert hen eraan dat zij hem hun geldelijke steun schuldig
zijn (1Cor.9:1-14). Maar hij schrijft ook aan deze vleselijke Corinthiers:
"DOCH
WIJ HEBBEN DIT RECHT NIET GEBRUIKT; MAAR WIJ VERDRAGEN ALLES, OPDAT WIJ GEEN
ENKELE VERHINDERING GEVEN AAN HET EVANGELIE VAN CHRISTUS...WANT DAAR IK VAN
ALLEN VRIJ WAS, HEB IK MIJZELF ALLEN DIENSTBAAR GEMAAKT, OPDAT IK ER MEER ZOU
WINNEN" (1Cor.9:12-19).
Opnieuw
verwijzend naar zijn gebruik van zijn vrijheid in Christus, zegt hij:
"ALLE
DINGEN ZIJN MIJ GEOORLOOFD, MAAR NIET ALLE DINGEN ZIJN NUTTIG; ALLE DINGEN ZIJN
MIJ GEOORLOOFD, MAAR NIET ALLE DINGEN STICHTEN.
"LAAT NIEMAND ZOEKEN WAT VAN HEMZELF IS; MAAR LAAT IEDER ZOEKEN WAT
VAN DE ANDER IS" (1COR.10:23,24).
Daar
hebben we het weer. We zijn in de vrijheid gesteld, niet dat we ons zouden
tegoed doen in het toegeven aan eigen begeerten, maar dat wij mogen leven voor
anderen. Wij verliezen hierdoor niets. Dit is ware vrijheid, want "het is
beter te geven dan te ontvangen".
Dank God, dat we zijn "geroepen
tot vrijheid". Door Christus kunnen wij vrij ademen. Maar om zich in deze
vrijheid volkomen te verheugen, moeten wij zorgen om die niet te gebruiken als
een gelegenheid om onszelf te dienen, maar liever als het middel, waardoor wij
in liefde elkander mogen dienen.
[i].*/Voetnoot" Zie de brochure
van de schrijver, getiteld, Zoonschap.
[ii].*/Voetnoot: Uiteraard logisch
gesproken, niet werkelijk, want de contekst maakt duidelijk, dat zij
waarlijk gered waren (4:28,31).
[iii].*/Voetnoot: Hieruit volgt niet
dat wereldse gelovigen hun behoudenis verliezen. De eenvoudige betekenis is,
dat het onmogelijk is, om de wereld, en de Vader, tegelijkertijd lief te
hebben. De ene liefde neemt de plaats in van de andere. Gelukkig is het
God's liefde tot ons, die behoudt (Rom.8:35-39), maar wereldse gezindheid in
de gelovige, zal zeker leiden tot verlies voor de rechterstoel van Christus
(2Cor.5:10).
|