Het merendeel
van de gelovigen is zeer verward met betrekking tot, het werk van de Heilige
Geest in hun levens, en de juiste begrenzing waarbinnen zij Zijn hulp mogen
verwachten bij het overwinnen van zonde. Deze verwarring is hoofdzakelijk
ontstaan, door de onschriftuurlijke traditie, dat de tegenwoordige bedeling
begon met de uitgieting van de Geest op Pinksteren. Een verdere
beschouwing van het Woord, in dit verband, is daarom noodzakelijk.
Diegenen, die
het ervoor houden dat Pinksteren het begin van de tegenwoordige bedeling
aangeeft, zouden zorgvuldig die Schriftgedeelten moeten onderzoeken, die
handelen over de Heilige Geest en Zijn werk. Een simpele vergelijking,
bijvoorbeeld van Zijn werking op Pinksteren met de werking vandaag, zoals deze
is opgenomen in de epistels van Paulus, kan maar tot ייn conclusie leiden:
dat de doop met, of in de Geest, op Pinksteren, in alle opzichten werd
vervangen door een andere doop - die, waarbij gelovigen zijn gedoopt in ייn
lichaam -, en dat het Lichaam van Christus niet bestond (behalve in Gods
gedachten) toen de Geest werd uitgestort op Pinksteren. Indien onze
Fundamentalistische leiders dit feit zouden willen verifiכren en accepteren,
zouden zij het antwoord hebben op het "Pinkster"-fanatisme, dat
vandaag de dag bestaat.
DE WERKING VAN DE GEEST
OP PINKSTEREN
Wat betreft de honderd en
twintig gelovigen, die op Pinksterdag vergaderd waren in de opperzaal, lezen
we: "EN ZIJ WERDEN ALLEN VERVULD MET DE HEILIGE GEEST" (Hand.2:4)
Dit is
vanzelfsprekend een andere manier van
uitdrukken, voor: de Heilige Geest nam geheel bezit van hen. Zij, die
ertoe gekomen zijn om de betekenis van het Bijbelse woord doop te
onderzoeken, zullen gelijk het verband zien met de belofte van de Heer, dat de
Zijnen zouden worden gedoopt met de Heilige Geest (Hand.1:5). Zij
werden inderdaad "vervuld" met de Geest (Hand.2:4), in
vervulling van de belofte, dat zij zouden worden gedoopt met de Geest.
En het
resultaat van deze doop, deze vervulling met de Geest, was niet alleen dat zij
wonderlijke krachten bezaten, maar ook dat zij het soort leven leefden, dat
Gods volk vףףr die tijd ontbrak. Dit is de bijzondere zaak waarmee we hier
te maken krijgen.
Let wel: in
Hand.2:4 hebben we niet een aansporing om vervuld te worden met de
Geest, zoals we later hebben in de brieven van Paulus. Eerder hebben we hier
een simpele vaststelling van het feit: "Zij werden allen vervuld met de
Heilige Geest".
De honderd
twintig waren natuurlijk als iedere andere groep van gelovigen in de
geschiedenis. Zij waren niet allen even geestelijk, of toegewijd, of trouw.
Sommigen waren dat meer dan de anderen, en waar sommigen in ייn deugd
uitmuntten, deden anderen dat in een andere. Toch werden "allen
VERVULD" met de Geest, van de minste tot de grootste van hen.
De aandachtige Bijbelstudent
zal natuurlijk vragen, waarom werden nu al deze gelovigen vervuld met de
Heilige Geest. Was het misschien, omdat zij als groep, godsdienstiger geweest
waren, dan de anderen vףףr hen? Het evangelie geeft het bewijs dat dit niet
zo is. Petrus roemde, Thomas twijfelde, Jakobus en Johannes zochten
persoonlijk voorrecht, en toen onze Heer gevangen genomen werd,
"verzaakten allen Hem en vluchtten".
Was het dan omdat zij lang
genoeg, of ernstig genoeg, gebeden hadden om de Geest, dat deze op hen
zou komen en hen onder contrפle nemen? Neen; zij waren geinstrueerd om naar
Jeruzalem te gaan, niet om te bidden om de Heilige Geest, dat Hij zou
komen, zoals sommigen veronderstellen, maar om te "wachten op de
(vervulling van de) belofte" aangaande de Geest (Hand.1:4,5) - en
precies hier ligt het antwoord op onze vraag. De gelovigen op Pinksteren
werden vervuld met de Heilige Geest, niet omdat zij zo lang om de komst van de
Geest gebeden hadden, of ernstig genoeg, maar omdat de tijd was gekomen
voor de vervulling*/[i] van de goddelijke belofte.
De Oud Testamentische profeten en de Heere Jezus hadden beloofd, dat de
Heilige Geest op zekere dag zou komen, om de leiding te nemen van Gods volk,
en die dag was gekomen. Zij werden vervuld met de Geest, omdat
God, overeenkomstig Zijn belofte, hen had gedoopt met de Geest.
DE WERKING VAN DE
HEILIGE
GEEST VANDAAG
De Apostel Paulus zegt nergens, dat alle leden van het Lichaam worden
vervuld met de Heilige Geest. Het is zeker duidelijk uit het verslag, dat de
Corinthiers en de Galaten bijvoorbeeld, niet werden vervuld met de Geest, want
de brieven van Paulus tot deze gemeenten, bevatten veel berisping en
correctie. En het is ook duidelijk, dat gelovigen vandaag niet - zelfs
niet de besten onder hen - volledig vervuld zijn met de Geest. De vervulling
met de Geest is nu een doel, een verkrijging, die de apostel, door inspiratie,
ons voorzet. Wij zijn niet allen vervuld met de Geest, als zijnde een feit,
zoals de Pinkstergelovigen. Omdat de Geest inderdaad in ons woont, door Gods
genade, moeten wij dagelijks Zijn hulp en zegen toe eigenen door geloof.
Vandaar dat
de apostel, nu, gelovigen vermaant: "Wordt vervuld met de
Geest" (Eph.5:18), zoals hij hen ook vermaant en voor hen bidt, dat
zij mogen worden "vervuld met vruchten van gerechtigheid" (Phil.1:11);
"vervuld met de kennis van Zijn wil" (Col.1:9); "vervuld
tot al de volheid van God" (Eph.3:19).
Maar waarom zijn wij niet automatisch vervuld met de
Geest, zoals de gelovigen dat werden op Pinksteren? Wij willen doorgaan met
beantwoorden van deze vraag, maar laat de lezer niet nalaten om eerst het feit
te erkennen, dat waar de gelovigen, vergaderd in de bovenzaal, met Pinksteren,
allen vervuld werden met de Geest. De gelovigen onder Paulus, sinds die
tijd, echter niet allen werden vervuld met de Geest. Omdat bovendien
duidelijk, keer op keer, wordt gesteld, dat de Pinkstergelovigen werden, of
behoorden te worden gedoopt met de Geest, Paulus niet ייnmaal in zijn
brieven leert, dat leden van het Lichaam van Christus worden gedoopt met de
Geest, zelfs niet in 1Cor.12:13. Integendeel vermaant hij hen om Gods
genade door geloof toe te eigenen, zodat zij met de Geest mogen worden
vervuld.
DE HEILIGE GEEST EN
MENSELIJK GEDRAG
Het geprofeteerde werk van de Heilige Geest met betrekking
tot Zijn volk Israel, moet duidelijk worden verstaan, willen wij Zijn werk
vandaag kunnen begrijpen in verband met de leden van het Lichaam van Christus.
In Joel 2:28,29 beloofde God, dat Hij hen op bovennatuurlijke wijze zal doen
profeteren, etc., maar in Ezech. 36:26,27, beloofde Hij, dat zij op
bovennatuurlijke wijze Zijn wil zouden doen:
"Een
nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van
steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven.
MIJN GEEST
ZAL IK IN UW BINNENSTE GEVEN EN MAKEN, DAT GIJ NAAR MIJN INZETTINGEN WANDELT
EN NAARSTIG MIJN VERORDENINGEN ONDERHOUDT."
Aldus wilde God tonen, dat
de enige weg waarop ook Zijn eigen volk Hem volkomen gehoorzamen kan is,
wanneer Hij bezit van hen neemt en hen bewerkt om Zijn wil te
doen. Metterdaad toont Hij dit nu nog. Hoewel wij vandaag alle voordelen en
zegeningen van de bedeling van genade hebben, en hoewel wij ernaar verlangen,
God zeer ernstig te gehoorzamen en te dienen zoals wij zouden moeten, schieten
wij voortdurend tekort. Dit komt daardoor, dat niemand van ons gedoopt
is met de Geest.
HET GEDRAG VAN DE GELOVIGEN
OP PINKSTEREN
Met
Pinksteren was de tijd gekomen voor de vervulling van de profetische belofte
met betrekking tot de Heilige Geest. "En toen de dag van het
Pinksterfeest vervuld werd....en zij werden allen vervuld met de Heilige
Geest" (Hand.2:1,4)
Wij
moeten acht geven op de onmiddellijke verandering, die plaats vond in het
gedrag van deze gelovigen, nu de Heilige Geest bezit van hen genomen had. Niet
alleen spraken zij in tongen, profeteerden en deden wonderen, maar zij
allen begonnen voor elkander te leven.
"En
allen die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk,
"en
zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naardat elk
nodig had." (Hand.2:44,45)
"En
de menigte van hen die geloofden, was ייn hart en ייn ziel; en niemand zei
dat iets van wat hij had, zijn eigen was, maar alle dingen hadden ze
gemeenschappelijk."
"Want
er was ook niemand onder hen die gebrek had; want zo velen er bezitters waren
van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de
verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen."
"En
aan een ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had."
(Hand.4:32,34,35)
Nooit
tevoren hadden de discipelen van Christus bij benadering zo een geest van duidelijke zelfloosheid en
liefde voor elkander. Ondanks de Tien Geboden, de Bergrede en de herhaalde
vermaningen van onze Heer om hun aardse goederen te verkopen en te verdelen,
en om voor elkaar te leven, waren zij, - zelfs de twaalven -, tot dan toe even
menselijk en egoןstisch als diegenen, die er vףףr hen waren.
Op een dag
kwamen Jacobus en Johannes een speciale gunst vragen van Christus; dat zij
zouden mogen zitten op de eerste plaatsen in het koninkrijk, ייn aan de
rechterhand van Christus en de ander aan Zijn linker! (Mark.10:37). Bescheiden
mannen! En de andere tien waren werkelijk niet anders van hart, want we lezen:
"Toen de andere tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes
zeer kwalijk te nemen" (Vers 41). Wij horen ze haast uitroepen tegen
elkaar: "Wie denken Jakobus en Johannes wel dat zij zijn?!" Ook was
dit niet de eerste keer dat de apostelen "onder elkaar in woorden
waren op de weg, wie de meeste zou zijn." (Mark.9:34)
Maar nu is
dit alles plotseling veranderd! Nu gaat ieder opzij en laat anderen eerst
zijn. En zoals Jeremia had voorzegd, dit kwam uit het hart. Let wel: we
lezen dat er een menigte van meer dan vijfduizend (Hand.4:4) was, die allen
ייn van hart en ziel waren, en hun land en huizen verkochten en de opbrengst
bij de apostelen brachten ter verdeling onder de behoeftigen. Stellen wij ons
de vrijheid en de vreugde en zegen voor, die moet hebben geheerst onder de
discipelen onder deze omstandigheden! Dit waren inderdaad "de dagen van
hemel op aarde"!
Gods
kinderen hebben in de tegenwoordige bedeling - de zgn. Pinkstermensen
daaronder begrepen - nimmer samen geleefd zoals de gelovigen destijds met
Pinksteren. Stel u voor om vandaag onder gelovigen, gemeenschap van alle
goederen te suggereren! Zij die roepen: "Terug naar Pinksteren"
zullen wel niet de eersten zijn, vrezen we, om op te staan en hun
hard-verdiende investeringen te overhandigen, zoals Barnabas en alle
gelovige eigenaren van goederen deden op Pinksteren. Inderdaad zou het verkeerd
zijn als we dat vandaag zouden doen, want de richtlijn van de Geest voor deze
tegenwoordige, boze tijd is:
"Doch
als iemand voor de zijnen, en vooral zijn huisgenoten, niet zorgt, die heeft
het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige" (1Tim.5:8).
VERBAND VAN PINKSTEREN MET HET KONINKRIJK, NIET MET HET LICHAAM.
Pinksteren was een voorproef
van de koninkrijks-regering van Christus, wanneer vrede en voorspoed zal
heersen op aarde, en de mensen niet behoeven te hamsteren voor de toekomst.
Maar toen Israel de Koning en Zijn Koninkrijk afwees, en het oordeel dreigde,
kwam God genadevol tussenbeide, en voegde de bedeling van genade in, waaronder
wij thans leven.
Gedurende deze tegenwoordige
bedeling, doet God iets, dat nimmer in de Oud-Testamentische profetie is
vermeld: de vorming van een lichaam van gelovigen, samengesteld uit Joden en
Heidenen, verzoend met Hemzelf door het Kruis (Eph.2:16). Dit lichaam wordt
genoemd: "het Lichaam van Christus", sinds de leden eeuwig en
onafscheidelijk met Christus verenigd zijn door ייn heilige doop. Deze doop,
op haar beurt, is iets dat totaal gescheiden en onderscheiden is van de doop
met de Geest op Pinksteren, en heeft haar vervangen. Dit is duidelijk uit de
volgende feiten:
Met Pinksteren was de
Heer Jezus Christus de Doper, en Hij doopte de gelovigen met, of in, de
Heilige Geest.
"HIJ
(CHRISTUS) ZAL U DOPEN MET DE HEILIGE GEEST...(Matt.3:11;
Cf.Luk.3:16) "DE
TROOSTER...DIE IK U ZAL ZENDEN VAN DE VADER, NAMELIJK DE GEEST VAN DE
WAARHEID...DIE ZAL VAN MIJ GETUIGEN." (Joh.15:26)
"MAAR
INDIEN IK HEENGA, ZAL IK HEM TOT U ZENDEN." (Joh.16:7)
Vandaag,
onder de bedeling van genade echter, is de Heilige Geest de Doper, die
de gelovigen doopt in Christus en Zijn Lichaam.
"WANT
OOK WIJ ALLEN ZIJN DOOR ֹֹN GEEST TOT ֹֹN LICHAAM GEDOOPT...(1Cor.12:13)
"WANT
ZOVELEN GIJ IN CHRISTUS GEDOOPT ZIJT, HEBT GIJ CHRISTUS AANGEDAAN.
"DAARIN
IS NOCH JOOD NOCH GRIEK; DAARIN IS NOCH SLAAF NOCH VRIJE; DAARIN IS GEEN MAN
EN VROUW; WANT GIJ ALLEN ZIJT ֹֹN IN CHRISTUS JEZUS." (Gal.3:27,28)
Hen, die het
Lichaam van Christus zouden willen terugvoeren naar Pinksteren, vragen wij:
Waar lezen wij in de vroege Handelingen, dat de Heilige Geest Joden en
Heidenen in ייn samengevoegd lichaam doopt, het Lichaam van Christus? Tot
aan Cornelius predikten de discipelen, het Woord "tot niemand dan
alleen tot de Joden" (Hand.11:19) en zeker kon de verzoening
van Joden en Heidenen met God in ייn lichaam, niet zijn gepredikt dan
wanneer de Joden zowel als de Heidenen van God vervreemd waren. Daarom lezen
we van "de verwerping van hen (Israel)" in verband met "de
verzoening van de wereld" (Rom.11:15).
"Want
God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen
zou barmhartig zijn" (Rom.11:32).
Zeker had God Israel nog
niet verworpen, of besloten in ongeloof met Pinksteren, want op Pinksteren, en
enige tijd daarna, handelde God met Israel nog steeds als een volk, met haar
pleitend om bekering, zodat haar Messias zou mogen terugkomen en de
lang-beloofde tijden van verkwikking brengen (Hand.3:19-21).
Hen die overigens Pinksteren
binnen de tegenwoordige bedeling willen brengen, vragen wij: Waar is de
Bijbelse bevestiging van de voortzetting van Pinkster-ervaring in deze
bedeling? Het is duidelijk uit Handelingen en de brieven van Paulus, dat het
Pinksterplan werd uitgesteld vanwege de afwijzing van Christus en Zijn
koninkrijk. Zeker zijn de gaven van profetie, tongen en (bovennatuurlijke)
kennis voorbij (1Cor.13:8). En zo is het met de gaven van genezing (Rom.8:22,23;
2Cor.4:16-5:4; 1Tim.5:23; 2Tim.4:20, etc.). Paulus zelf, die behouden werd
gedurende de Pinkstertijd en wonderkrachten bezeten had, minstens zo groot als
die van de twaalven, schrijft over zijn eigen ziekte:
"HIEROVER
HEB IK DE HERE DRIEMAAL GEBEDEN, DAT HIJ VAN MIJ ZOU WIJKEN.
"EN HIJ
HEEFT TOT MIJ GEZEGD: MIJN GENADE IS U GENOEG, WANT MIJN KRACHT WORDT IN
ZWAKHEID VOLBRACHT..."(2Cor.12:8,9)
En wat
betreft het gedrag na Pinksteren in deze bedeling: waar vinden we dit zelfs
onder "Pinkstermensen"? De
vroege hoofdstukken van Handelingen vermelden noch zonde, noch tekortschieten,
in de levens van de gelovigen met Pinksteren. Wel probeerden Ananias en
Saffira zich bij de gemeenschap te voegen door bedrog, maar werden ter dood
geslagen. Maar niet alleen onder de "Pinkstermensen" als groep, maar
in ieder "Pinkstermens" afzonderlijk, zijn deze meer dan aanwezig.
En wat betreft het alles verkopen en voor elkander leven, velen van hun
leiders zijn rijk en toegenomen in goederen, terwijl minderen onder hen in
behoeften verkeren. Beiden, rijk en arm, getuigen daarmee dat het Pinksterplan
is ingestort en voorbij. Het is inderdaad voorbij gegaan in de tijd van
Paulus, want hierover lezen we in Hand.4:34: "Want er was ook niemand
onder hen die gebrek had;" maar later ontdekken we dat Paulus
collecteert voor de "armen onder de heiligen die te Jerusalem
zijn" (Rom.15:26). Dit als oorzaak, omdat de Koning en Zijn
koninkrijk werden afgewezen. Maar "waar de zonde toenam, daar is de
genade veel overvloediger geweest" (Rom.5:20). En vandaag verheugen
wij ons over nog groter zegeningen, de zegeningen van "de bedeling van
de genade van God" (Eph.3:2). De Pinkstergelovigen leefden Gode
welgevallig, omdat de Heilige Geest hen regeerde. Voor ons zijn er
morele en geestelijke overwinningen te behalen, als we door geloof, ons
toeeigenen, datgene waarvan God ons, door genade, voorziet.
DE HEILIGE GEEST EN DE GELOVIGE THANS
Genade en geloof zijn de karakteristieke kenmerken van
de tegenwoordige bedeling. Niet alleen wordt redding nu verklaard te
zijn uit genade, door geloof, maar de Geest werkt ook in de gelovige, door
genade, door geloof. Hij neemt geen bezit van ons en bewerkt ons om te
doen wat recht is, maar verblijft binnen ieder gelovige (1Cor.6:19), om de
nodige leiding en kracht te verlenen om verzoeking te weerstaan. Wij mogen
deze voorziening benutten door geloof.
Wij hebben
reeds gezien hoe de Geest, Die allereerst leven aan ons toedeelde, ook kracht
toedeelt om verzoeking te weerstaan en om zonde te overwinnen. In onze
zwakheid zelfs om te bidden zoals het behoort, "komt de Geest onze
zwakheid mede te hulp" en "bidt voor ons" (Rom.8:26).
In onze zwakheid worden wij "met kracht versterkt door Zijn Geest in
de inwendige mens" (Eph.3:16) en God neigt Zich om "uw
sterfelijke lichamen levend te maken door Zijn Geest, Die in u woont"
(Rom.8:11).
"ZO
DAN, BROEDERS, WIJ ZIJN SCHULDENAARS, NIET AAN HET VLEES OM NAAR HET VLEES TE
LEVEN" (Vers 12).
De
gevolgtrekking uit bovenstaande passage
is, dat hoe intens verzocht ook, wij schuldenaars blijven aan de Geest,
die in ons verblijft en ons voorziet van overwinningskracht.
De
vraag in tijden van verzoeking is in het algemeen, of wij werkelijk verlangen
om te overwinnen, want wij mogen overwinnen in elk gegeven geval door
genade, door geloof. In de tegenwoordige bedeling is het niet waar, dat
het niet mogelijk is voor de gelovige om te zondigen, maar het is,
God zij dank, waar, dat in elke situatie het mogelijk is voor hem om niet
te zondigen, want de Geest is altijd daar om te helpen.
Als
wij naar de Bijbel gaan en eisen, in geloof, de hulp van de Geest om onze
zonden te overwinnen, gaan wij binnen in de vreugde van de volheid van
geestelijk leven en zegening. Als we nalaten om dat te doen, verdorren we en
sterven - voor zover het onze geestelijke ervaring betreft. Wij kunnen
natuurlijk nooit onze behoudenis verliezen, want "eeuwig
leven" werd verkregen door geloof in Christus, en niet door te wandelen
in de Geest. Dit wordt bevestigd door het feit, dat dezelfde apostel die
pleit: "Bedroef niet de Heilige Geest", direct toevoegt:
"DOOR WIE GIJ VERZEGELT ZIJT TOT DE DAG VAN DE VERLOSSING." (Eph.4:30)
Maar
nalaten om Gods genadige voorziening toe te eigenen voor overwinning op de
zonde, resulteert in de dood, voor zover het onze Christelijke ervaring
betreft. Dit is het wat de apostel bedoelt, wanneer hij zegt, door de Geest:
"WANT
WAT HET VLEES BEDENKT IS DE DOOD, MAAR WAT DE GEEST BEDENKT IS HET LEVEN EN
VREDE" (Rom.8:6)
"WANT
INDIEN GIJ NAAR HET VLEES LEEFT, DAN ZULT GIJ STERVEN; MAAR INDIEN GIJ DOOR DE
GEEST DE WERKINGEN VAN HET LICHAAM
DOODT, DAN ZULT GIJ LEVEN." (Rom.8:13).
Tot de
zorgeloze Corinthiers, roept Paulus:
"Of
weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is,
Die gij van God hebt, en dat gij van uzelf niet zijt?
"Want
gij zijt duur gekocht: verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die
van God zijn." (1Cor.6:19,20)
Deze passage
beschrijft wellicht onze relatie tot de Heilige Geest beter dan elke andere.
God, door Zijn Geest, woont in ons, en onze lichamen zijn bedoeld als
heiligdommen, tempels, waar Hij wordt aanbeden. In de mate waarop Hem Zijn
gerechte plaats wordt gegeven, en waarlijk inwendig wordt aanbeden, -
naar mate onze lichamen overgegeven zijn aan Zijn glorie -, in die mate zal de
zonde worden overwonnen, God verhoogd, en wij gezegend. Waarlijk, de wereld,
het vlees en de duivel, roepen ook allen. Maar wij zouden God moeten danken
voor de beproevingen die hierdoor verschijnen. Wij prijzen God voor het
voorrecht van werken, lijden, en opoffering voor Hem nu, waar dat voorrecht
voor altijd voorbij zal zijn, wanneer wij worden opgenomen met Hem.
Laat
ons Hem dan ook prijzen voor de verzoekingen die ons dagelijks overkomen, want
elke overwonnen verzoeking zal ons een rijke beloning bezorgen.
God
zal niet -en kan ook niet- nu van ons zeggen: "Zij werden allen
vervuld met de Heilige Geest", maar Hij zet ons voor de glorieuze
zaak: "Wordt vervuld met de Geest" (Eph.5:18). En als wij
zoeken, door geloof, deze zaak te realiseren, zijn rijke, diepe, zegeningen nu
reeds de onze, om niets te zeggen van de beloningen die nog uitstaan. Wat een
geloofs-uitdaging!
Het was een
bijzondere overwinning voor de Pinkstergelovigen om te worden vervuld met de
Geest, want de Geest nam eenvoudig bezit van hen, overeenkomstig Zijn eigen
souvereine wil en belofte. Maar grotere geestelijke overwinningen zijn de
onze, als wij, door de Geest, de werkingen van het vlees doden, opdat onze
lichamen inderdaad tempels van God mogen zijn. Moge God ons veel van zulke
overwinningen schenken, als wij Hem op Zijn Woord nemen!
"Bedroef
niet de Heilige Geest" (Eph.4:30)
"Wandel
in de Geest" (Gal.5:16)
"Wordt
vervuld met de Geest" (Eph.5:18)
[i].*/Voetnoot: Sommigen zien Pinksteren zuiver als
een voorafschaduwing van de beloofde duizendjarige zegening, Wij geloven,
dat het het begin was van de vervulling van de belofte, maar dat de
volledige vervulling werd onderbroken door de bedeling van genade.