De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  VII

                   DE VERVULLING MET DE GEEST

                HET GEESTELIJKE DOEL VAN DE GELOVIGE

 Het merendeel van de gelovigen is zeer verward met betrekking tot, het werk van de Heilige Geest in hun levens, en de juiste begrenzing waarbinnen zij Zijn hulp mogen verwachten bij het overwinnen van zonde. Deze verwarring is hoofdzakelijk ontstaan, door de onschriftuurlijke traditie, dat de tegenwoordige bedeling begon met de uitgieting van de Geest op Pinksteren. Een verdere beschouwing van het Woord, in dit verband, is daarom noodzakelijk.

 Diegenen, die het ervoor houden dat Pinksteren het begin van de tegenwoordige bedeling aangeeft, zouden zorgvuldig die Schriftgedeelten moeten onderzoeken, die handelen over de Heilige Geest en Zijn werk. Een simpele vergelijking, bijvoorbeeld van Zijn werking op Pinksteren met de werking vandaag, zoals deze is opgenomen in de epistels van Paulus, kan maar tot ייn conclusie leiden: dat de doop met, of in de Geest, op Pinksteren, in alle opzichten werd vervangen door een andere doop - die, waarbij gelovigen zijn gedoopt in ייn lichaam -, en dat het Lichaam van Christus niet bestond (behalve in Gods gedachten) toen de Geest werd uitgestort op Pinksteren. Indien onze Fundamentalistische leiders dit feit zouden willen verifiכren en accepteren, zouden zij het antwoord hebben op het "Pinkster"-fanatisme, dat vandaag de dag bestaat.

                  DE WERKING VAN DE GEEST

                  OP PINKSTEREN

 Wat betreft de honderd en twintig gelovigen, die op Pinksterdag vergaderd waren in de opperzaal, lezen we: "EN ZIJ WERDEN ALLEN VERVULD MET DE HEILIGE GEEST" (Hand.2:4)

 Dit is vanzelfsprekend een andere manier van    uitdrukken, voor: de Heilige Geest nam geheel bezit van hen. Zij, die ertoe gekomen zijn om de betekenis van het Bijbelse woord doop te onderzoeken, zullen gelijk het verband zien met de belofte van de Heer, dat de Zijnen zouden worden gedoopt met de Heilige Geest (Hand.1:5). Zij werden inderdaad "vervuld" met de Geest (Hand.2:4), in vervulling van de belofte, dat zij zouden worden gedoopt met de Geest.

 En het resultaat van deze doop, deze vervulling met de Geest, was niet alleen dat zij wonderlijke krachten bezaten, maar ook dat zij het soort leven leefden, dat Gods volk vףףr die tijd ontbrak. Dit is de bijzondere zaak waarmee we hier te maken krijgen.

 Let wel: in Hand.2:4 hebben we niet een aansporing om vervuld te worden met de Geest, zoals we later hebben in de brieven van Paulus. Eerder hebben we hier een simpele vaststelling van het feit: "Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest".          

 De honderd twintig waren natuurlijk als iedere andere groep van gelovigen in de geschiedenis. Zij waren niet allen even geestelijk, of toegewijd, of trouw. Sommigen waren dat meer dan de anderen, en waar sommigen in ייn deugd uitmuntten, deden anderen dat in een andere. Toch werden "allen VERVULD" met de Geest, van de minste tot de grootste van hen.

 De aandachtige Bijbelstudent zal natuurlijk vragen, waarom werden nu al deze gelovigen vervuld met de Heilige Geest. Was het misschien, omdat zij als groep, godsdienstiger geweest waren, dan de anderen vףףr hen? Het evangelie geeft het bewijs dat dit niet zo is. Petrus roemde, Thomas twijfelde, Jakobus en Johannes zochten persoonlijk voorrecht, en toen onze Heer gevangen genomen werd, "verzaakten allen Hem en vluchtten".

 Was het dan omdat zij lang genoeg, of ernstig genoeg, gebeden hadden om de Geest, dat deze op hen zou komen en hen onder contrפle nemen? Neen; zij waren geinstrueerd om naar Jeruzalem te gaan, niet om te bidden om de Heilige Geest, dat Hij zou komen, zoals sommigen veronderstellen, maar om te "wachten op de (vervulling van de) belofte" aangaande de Geest (Hand.1:4,5) - en precies hier ligt het antwoord op onze vraag. De gelovigen op Pinksteren werden vervuld met de Heilige Geest, niet omdat zij zo lang om de komst van de Geest gebeden hadden, of ernstig genoeg, maar omdat de tijd was gekomen voor de vervulling*/[i] van de goddelijke belofte. De Oud Testamentische profeten en de Heere Jezus hadden beloofd, dat de Heilige Geest op zekere dag zou komen, om de leiding te nemen van Gods volk, en die dag was gekomen. Zij werden vervuld met de Geest, omdat God, overeenkomstig Zijn belofte, hen had gedoopt met de Geest.

                  DE WERKING VAN DE

      HEILIGE GEEST VANDAAG

 De Apostel Paulus zegt nergens, dat alle leden van het Lichaam worden vervuld met de Heilige Geest. Het is zeker duidelijk uit het verslag, dat de Corinthiers en de Galaten bijvoorbeeld, niet werden vervuld met de Geest, want de brieven van Paulus tot deze gemeenten, bevatten veel berisping en correctie. En het is ook duidelijk, dat gelovigen vandaag niet - zelfs niet de besten onder hen - volledig vervuld zijn met de Geest. De vervulling met de Geest is nu een doel, een verkrijging, die de apostel, door inspiratie, ons voorzet. Wij zijn niet allen vervuld met de Geest, als zijnde een feit, zoals de Pinkstergelovigen. Omdat de Geest inderdaad in ons woont, door Gods genade, moeten wij dagelijks Zijn hulp en zegen toe eigenen door geloof. 

  Vandaar dat de apostel, nu, gelovigen vermaant: "Wordt vervuld met de Geest" (Eph.5:18), zoals hij hen ook vermaant en voor hen bidt, dat zij mogen worden "vervuld met vruchten van gerechtigheid" (Phil.1:11); "vervuld met de kennis van Zijn wil" (Col.1:9); "vervuld tot al de volheid van God"  (Eph.3:19).              

Maar waarom zijn wij niet automatisch vervuld met de Geest, zoals de gelovigen dat werden op Pinksteren? Wij willen doorgaan met beantwoorden van deze vraag, maar laat de lezer niet nalaten om eerst het feit te erkennen, dat waar de gelovigen, vergaderd in de bovenzaal, met Pinksteren, allen vervuld werden met de Geest. De gelovigen onder Paulus, sinds die tijd, echter niet allen werden vervuld met de Geest. Omdat bovendien duidelijk, keer op keer, wordt gesteld, dat de Pinkstergelovigen werden, of behoorden te worden gedoopt met de Geest, Paulus niet ייnmaal in zijn brieven leert, dat leden van het Lichaam van Christus worden gedoopt met de Geest, zelfs niet in 1Cor.12:13. Integendeel vermaant hij hen om Gods genade door geloof toe te eigenen, zodat zij met de Geest mogen worden vervuld.

                    DE HEILIGE GEEST EN

   MENSELIJK GEDRAG

 Het geprofeteerde werk van de Heilige Geest met betrekking tot Zijn volk Israel, moet duidelijk worden verstaan, willen wij Zijn werk vandaag kunnen begrijpen in verband met de leden van het Lichaam van Christus. In Joel 2:28,29 beloofde God, dat Hij hen op bovennatuurlijke wijze zal doen profeteren, etc., maar in Ezech. 36:26,27, beloofde Hij, dat zij op bovennatuurlijke wijze Zijn wil zouden doen:

 "Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven.

 MIJN GEEST ZAL IK IN UW BINNENSTE GEVEN EN MAKEN, DAT GIJ NAAR MIJN INZETTINGEN WANDELT EN NAARSTIG MIJN VERORDENINGEN ONDERHOUDT."

 Aldus wilde God tonen, dat de enige weg waarop ook Zijn eigen volk Hem volkomen gehoorzamen kan is, wanneer Hij bezit van hen neemt en hen bewerkt om Zijn wil te doen. Metterdaad toont Hij dit nu nog. Hoewel wij vandaag alle voordelen en zegeningen van de bedeling van genade hebben, en hoewel wij ernaar verlangen, God zeer ernstig te gehoorzamen en te dienen zoals wij zouden moeten, schieten wij voortdurend tekort. Dit komt daardoor, dat niemand van ons gedoopt is met de Geest.

                HET GEDRAG VAN DE GELOVIGEN

                  OP PINKSTEREN

 Met Pinksteren was de tijd gekomen voor de vervulling van de profetische belofte met betrekking tot de Heilige Geest. "En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd....en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:1,4)

 Wij moeten acht geven op de onmiddellijke verandering, die plaats vond in het gedrag van deze gelovigen, nu de Heilige Geest bezit van hen genomen had. Niet alleen spraken zij in tongen, profeteerden en deden wonderen, maar zij allen begonnen voor elkander te leven.

 "En allen die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk,

 "en zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden ze aan allen, naardat elk nodig had." (Hand.2:44,45)

 "En de menigte van hen die geloofden, was ייn hart en ייn ziel; en niemand zei dat iets van wat hij had, zijn eigen was, maar alle dingen hadden ze gemeenschappelijk."

 "Want er was ook niemand onder hen die gebrek had; want zo velen er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen."

 "En aan een ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had." (Hand.4:32,34,35)

 Nooit tevoren hadden de discipelen van  Christus bij benadering zo een geest van duidelijke zelfloosheid en liefde voor elkander. Ondanks de Tien Geboden, de Bergrede en de herhaalde vermaningen van onze Heer om hun aardse goederen te verkopen en te verdelen, en om voor elkaar te leven, waren zij, - zelfs de twaalven -, tot dan toe even menselijk en egoןstisch als diegenen, die er vףףr hen waren.

Op een dag kwamen Jacobus en Johannes een speciale gunst vragen van Christus; dat zij zouden mogen zitten op de eerste plaatsen in het koninkrijk, ייn aan de rechterhand van Christus en de ander aan Zijn linker! (Mark.10:37). Bescheiden mannen! En de andere tien waren werkelijk niet anders van hart, want we lezen: "Toen de andere tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen" (Vers 41). Wij horen ze haast uitroepen tegen elkaar: "Wie denken Jakobus en Johannes wel dat zij zijn?!" Ook was dit niet de eerste keer dat de apostelen "onder elkaar in woorden waren op de weg, wie de meeste zou zijn." (Mark.9:34)

 Maar nu is dit alles plotseling veranderd! Nu gaat ieder opzij en laat anderen eerst zijn. En zoals Jeremia had voorzegd, dit kwam uit het hart. Let wel: we lezen dat er een menigte van meer dan vijfduizend (Hand.4:4) was, die allen ייn van hart en ziel waren, en hun land en huizen verkochten en de opbrengst bij de apostelen brachten ter verdeling onder de behoeftigen. Stellen wij ons de vrijheid en de vreugde en zegen voor, die moet hebben geheerst onder de discipelen onder deze omstandigheden! Dit waren inderdaad "de dagen van hemel op aarde"!

 Gods kinderen hebben in de tegenwoordige bedeling - de zgn. Pinkstermensen daaronder begrepen - nimmer samen geleefd zoals de gelovigen destijds met Pinksteren. Stel u voor om vandaag onder gelovigen, gemeenschap van alle goederen te suggereren! Zij die roepen: "Terug naar Pinksteren" zullen wel niet de eersten zijn, vrezen we, om op te staan en hun hard-verdiende investeringen te overhandigen, zoals Barnabas en alle gelovige eigenaren van goederen deden op Pinksteren. Inderdaad zou het verkeerd zijn als we dat vandaag zouden doen, want de richtlijn van de Geest voor deze tegenwoordige, boze tijd is:

 "Doch als iemand voor de zijnen, en vooral zijn huisgenoten, niet zorgt, die heeft het geloof verloochend en is erger dan een ongelovige" (1Tim.5:8).

VERBAND VAN PINKSTEREN MET HET KONINKRIJK, NIET MET HET LICHAAM.

Pinksteren was een voorproef van de koninkrijks-regering van Christus, wanneer vrede en voorspoed zal heersen op aarde, en de mensen niet behoeven te hamsteren voor de toekomst. Maar toen Israel de Koning en Zijn Koninkrijk afwees, en het oordeel dreigde, kwam God genadevol tussenbeide, en voegde de bedeling van genade in, waaronder wij thans leven.

Gedurende deze tegenwoordige bedeling, doet God iets, dat nimmer in de Oud-Testamentische profetie is vermeld: de vorming van een lichaam van gelovigen, samengesteld uit Joden en Heidenen, verzoend met Hemzelf door het Kruis (Eph.2:16). Dit lichaam wordt genoemd: "het Lichaam van Christus", sinds de leden eeuwig en onafscheidelijk met Christus verenigd zijn door ייn heilige doop. Deze doop, op haar beurt, is iets dat totaal gescheiden en onderscheiden is van de doop met de Geest op Pinksteren, en heeft haar vervangen. Dit is duidelijk uit de volgende feiten:

 Met Pinksteren was de Heer Jezus Christus de Doper, en Hij doopte de gelovigen met, of in, de Heilige Geest.

 "HIJ (CHRISTUS) ZAL U DOPEN MET DE HEILIGE GEEST...(Matt.3:11; Cf.Luk.3:16)    "DE TROOSTER...DIE IK U ZAL ZENDEN VAN DE VADER, NAMELIJK DE GEEST VAN DE WAARHEID...DIE ZAL VAN MIJ GETUIGEN." (Joh.15:26)

 "MAAR INDIEN IK HEENGA, ZAL IK HEM TOT U ZENDEN." (Joh.16:7)

 Vandaag, onder de bedeling van genade echter, is de Heilige Geest de Doper, die de gelovigen doopt in Christus en Zijn Lichaam.

 "WANT OOK WIJ ALLEN ZIJN DOOR ֹֹN GEEST TOT ֹֹN LICHAAM GEDOOPT...(1Cor.12:13)

 "WANT ZOVELEN GIJ IN CHRISTUS GEDOOPT ZIJT, HEBT GIJ CHRISTUS AANGEDAAN.

 "DAARIN IS NOCH JOOD NOCH GRIEK; DAARIN IS NOCH SLAAF NOCH VRIJE; DAARIN IS GEEN MAN EN VROUW; WANT GIJ ALLEN ZIJT ֹֹN IN CHRISTUS JEZUS." (Gal.3:27,28)

Hen, die het Lichaam van Christus zouden willen terugvoeren naar Pinksteren, vragen wij: Waar lezen wij in de vroege Handelingen, dat de Heilige Geest Joden en Heidenen in ייn samengevoegd lichaam doopt, het Lichaam van Christus? Tot aan Cornelius predikten de discipelen, het Woord "tot niemand dan alleen tot de Joden" (Hand.11:19) en zeker kon de verzoening van Joden en Heidenen met God in ייn lichaam, niet zijn gepredikt dan wanneer de Joden zowel als de Heidenen van God vervreemd waren. Daarom lezen we van "de verwerping van hen (Israel)" in verband met "de verzoening van de wereld" (Rom.11:15).

 "Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn" (Rom.11:32).

 Zeker had God Israel nog niet verworpen, of besloten in ongeloof met Pinksteren, want op Pinksteren, en enige tijd daarna, handelde God met Israel nog steeds als een volk, met haar pleitend om bekering, zodat haar Messias zou mogen terugkomen en de lang-beloofde tijden van verkwikking brengen (Hand.3:19-21).

 Hen die overigens Pinksteren binnen de tegenwoordige bedeling willen brengen, vragen wij: Waar is de Bijbelse bevestiging van de voortzetting van Pinkster-ervaring in deze bedeling? Het is duidelijk uit Handelingen en de brieven van Paulus, dat het Pinksterplan werd uitgesteld vanwege de afwijzing van Christus en Zijn koninkrijk. Zeker zijn de gaven van profetie, tongen en (bovennatuurlijke) kennis voorbij (1Cor.13:8). En zo is het met de gaven van genezing (Rom.8:22,23; 2Cor.4:16-5:4; 1Tim.5:23; 2Tim.4:20, etc.). Paulus zelf, die behouden werd gedurende de Pinkstertijd en wonderkrachten bezeten had, minstens zo groot als die van de twaalven, schrijft over zijn eigen ziekte:

 "HIEROVER HEB IK DE HERE DRIEMAAL GEBEDEN, DAT HIJ VAN MIJ ZOU WIJKEN.

 "EN HIJ HEEFT TOT MIJ GEZEGD: MIJN GENADE IS U GENOEG, WANT MIJN KRACHT WORDT IN ZWAKHEID VOLBRACHT..."(2Cor.12:8,9)

 En wat betreft het gedrag na Pinksteren in deze bedeling: waar vinden we dit zelfs onder "Pinkstermensen"?  De vroege hoofdstukken van Handelingen vermelden noch zonde, noch tekortschieten, in de levens van de gelovigen met Pinksteren. Wel probeerden Ananias en Saffira zich bij de gemeenschap te voegen door bedrog, maar werden ter dood geslagen. Maar niet alleen onder de "Pinkstermensen" als groep, maar in ieder "Pinkstermens" afzonderlijk, zijn deze meer dan aanwezig. En wat betreft het alles verkopen en voor elkander leven, velen van hun leiders zijn rijk en toegenomen in goederen, terwijl minderen onder hen in behoeften verkeren. Beiden, rijk en arm, getuigen daarmee dat het Pinksterplan is ingestort en voorbij. Het is inderdaad voorbij gegaan in de tijd van Paulus, want hierover lezen we in Hand.4:34: "Want er was ook niemand onder hen die gebrek had;" maar later ontdekken we dat Paulus collecteert voor de "armen onder de heiligen die te Jerusalem zijn" (Rom.15:26). Dit als oorzaak, omdat de Koning en Zijn koninkrijk werden afgewezen. Maar "waar de zonde toenam, daar is de genade veel overvloediger geweest" (Rom.5:20). En vandaag verheugen wij ons over nog groter zegeningen, de zegeningen van "de bedeling van de genade van God" (Eph.3:2). De Pinkstergelovigen leefden Gode welgevallig, omdat de Heilige Geest hen regeerde. Voor ons zijn er morele en geestelijke overwinningen te behalen, als we door geloof, ons toeeigenen, datgene waarvan God ons, door genade, voorziet.

DE HEILIGE GEEST EN  DE GELOVIGE THANS

 Genade en geloof zijn de karakteristieke kenmerken van de tegenwoordige bedeling. Niet alleen wordt redding nu verklaard te zijn uit genade, door geloof, maar de Geest werkt ook in de gelovige, door genade, door geloof. Hij neemt geen bezit van ons en bewerkt ons om te doen wat recht is, maar verblijft binnen ieder gelovige (1Cor.6:19), om de nodige leiding en kracht te verlenen om verzoeking te weerstaan. Wij mogen deze voorziening benutten door geloof.

 Wij hebben reeds gezien hoe de Geest, Die allereerst leven aan ons toedeelde, ook kracht toedeelt om verzoeking te weerstaan en om zonde te overwinnen. In onze zwakheid zelfs om te bidden zoals het behoort, "komt de Geest onze zwakheid mede te hulp" en "bidt voor ons" (Rom.8:26). In onze zwakheid worden wij "met kracht versterkt door Zijn Geest in de inwendige mens" (Eph.3:16) en God neigt Zich om "uw sterfelijke lichamen levend te maken door Zijn Geest, Die in u woont" (Rom.8:11).

 "ZO DAN, BROEDERS, WIJ ZIJN SCHULDENAARS, NIET AAN HET VLEES OM NAAR HET VLEES TE LEVEN" (Vers 12).

 De gevolgtrekking uit bovenstaande passage   is, dat hoe intens verzocht ook, wij schuldenaars blijven aan de Geest, die in ons verblijft en ons voorziet van overwinningskracht.

 De vraag in tijden van verzoeking is in het algemeen, of wij werkelijk verlangen om te overwinnen, want wij mogen overwinnen in elk gegeven geval door genade, door geloof. In de tegenwoordige bedeling is het niet waar, dat het niet mogelijk is voor de gelovige om te zondigen, maar het is, God zij dank, waar, dat in elke situatie het mogelijk is voor hem om niet te zondigen, want de Geest is altijd daar om te helpen.

 Als wij naar de Bijbel gaan en eisen, in geloof, de hulp van de Geest om onze zonden te overwinnen, gaan wij binnen in de vreugde van de volheid van geestelijk leven en zegening. Als we nalaten om dat te doen, verdorren we en sterven - voor zover het onze geestelijke ervaring betreft. Wij kunnen natuurlijk nooit onze behoudenis verliezen, want "eeuwig leven" werd verkregen door geloof in Christus, en niet door te wandelen in de Geest. Dit wordt bevestigd door het feit, dat dezelfde apostel die pleit: "Bedroef niet de Heilige Geest", direct toevoegt: "DOOR WIE GIJ VERZEGELT ZIJT TOT DE DAG VAN DE VERLOSSING." (Eph.4:30)

 Maar nalaten om Gods genadige voorziening toe te eigenen voor overwinning op de zonde, resulteert in de dood, voor zover het onze Christelijke ervaring betreft. Dit is het wat de apostel bedoelt, wanneer hij zegt, door de Geest:

 "WANT WAT HET VLEES BEDENKT IS DE DOOD, MAAR WAT DE GEEST BEDENKT IS HET LEVEN EN VREDE" (Rom.8:6)

 "WANT INDIEN GIJ NAAR HET VLEES LEEFT, DAN ZULT GIJ STERVEN; MAAR INDIEN GIJ DOOR DE GEEST DE WERKINGEN VAN HET  LICHAAM DOODT, DAN ZULT GIJ LEVEN." (Rom.8:13).

 Tot de zorgeloze Corinthiers, roept Paulus:

 "Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die gij van God hebt, en dat gij van uzelf niet zijt?

 "Want gij zijt duur gekocht: verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn." (1Cor.6:19,20)

 Deze passage beschrijft wellicht onze relatie tot de Heilige Geest beter dan elke andere. God, door Zijn Geest, woont in ons, en onze lichamen zijn bedoeld als heiligdommen, tempels, waar Hij wordt aanbeden. In de mate waarop Hem Zijn gerechte plaats wordt gegeven, en waarlijk inwendig wordt aanbeden, - naar mate onze lichamen overgegeven zijn aan Zijn glorie -, in die mate zal de zonde worden overwonnen, God verhoogd, en wij gezegend. Waarlijk, de wereld, het vlees en de duivel, roepen ook allen. Maar wij zouden God moeten danken voor de beproevingen die hierdoor verschijnen. Wij prijzen God voor het voorrecht van werken, lijden, en opoffering voor Hem nu, waar dat voorrecht voor altijd voorbij zal zijn, wanneer wij worden opgenomen met Hem.

 Laat ons Hem dan ook prijzen voor de verzoekingen die ons dagelijks overkomen, want elke overwonnen verzoeking zal ons een rijke beloning bezorgen.

 God zal niet -en kan ook niet- nu van ons zeggen: "Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest", maar Hij zet ons voor de glorieuze zaak: "Wordt vervuld met de Geest" (Eph.5:18). En als wij zoeken, door geloof, deze zaak te realiseren, zijn rijke, diepe, zegeningen nu reeds de onze, om niets   te zeggen van de beloningen die nog uitstaan. Wat een geloofs-uitdaging!

Het was een bijzondere overwinning voor de Pinkstergelovigen om te worden vervuld met de Geest, want de Geest nam eenvoudig bezit van hen, overeenkomstig Zijn eigen souvereine wil en belofte. Maar grotere geestelijke overwinningen zijn de onze, als wij, door de Geest, de werkingen van het vlees doden, opdat onze lichamen inderdaad tempels van God mogen zijn. Moge God ons veel van zulke overwinningen schenken, als wij Hem op Zijn Woord nemen!

 "Bedroef niet de Heilige Geest" (Eph.4:30)

 "Wandel in de Geest" (Gal.5:16)

 "Wordt vervuld met de Geest" (Eph.5:18)


[i].*/Voetnoot: Sommigen zien Pinksteren zuiver als een voorafschaduwing van de beloofde duizendjarige zegening, Wij geloven, dat het het begin was van de vervulling van de belofte, maar dat de volledige vervulling werd onderbroken door de bedeling van genade.

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011