"Wij
zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit
de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid
van leven wandelen zouden." (Rom.6:4)
VERGELIJKING TUSSEN DE
NIEUWE GEBOORTE EN
NIEUWHEID DES LEVENS
Terwijl het Oude Testament het beeld weergeeft van de opstanding, in
verband met de bekering en de toekomstige zegening in het land (b.v. Ezech.37:1-14),
wordt het beeld van de nieuwe geboorte, met vollere, diepere betekenis, in de
grote Paulinische openbaring m.b.t. Christus en de leden van Zijn Lichaam
gebruikt.
De leer van de opstanding
met Christus tot nieuw leven, is eveneens voorafgaand aan dat wat Paulus, door
de Geest, ons m.b.t. de nieuwe geboorte te zeggen heeft.
Geboorte
spreekt alleen van een begin; beschouwt niet het verleden. Toen
Nicodemus vroeg: "Kan een mens ook andermaal in de buik van zijn moeder
ingaan en geboren worden?", legde onze Heer onmiddellijk uit, dat het
gebruik van het woord "wedergeboren"*/[i]
niet betekent, dat men op dezelfde manier weer geboren wordt, maar opnieuw
geboren op een andere wijze. God gaat niet de oude natuur verbeteren of
de "oude mens" voortdurend beinvloeden om helemaal opnieuw te
beginnen, want zoals we gezien hebben: "Wat uit het vlees geboren is,
is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest" en "zij
die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen" (Joh.3:6;
Rom.8:8). Onverschillig hoe intellectueel, gecultiveerd, of religieus,
"het vlees" blijft steeds zo als het werd gegenereerd door de
"gevallen" verwekker, en kan daarom God niet behagen. Wij
zien dat "hetgeen uit het vlees geboren is", niet opnieuw geboren,
en een nieuwe start nodig heeft. Een nieuwe en andere aard dient te
worden ingebracht; een volkomen nieuw leven, voortgebracht door de Geest van
God. Dit nieuwe leven is afgescheiden en weggedaan van datgene, wat was
gemaakt bij de natuurlijke geboorte. Het is in feite daaraan
"tegengesteld". Het conflict wat hierdoor ontstaat, zal in een later
hoofdstuk worden besproken. Hier benadrukken we eenvoudig, dat de nieuwe
geboorte alleen slaat op een nieuw begin, en het vergane verleden komt niet in
beschouwing.
De nieuwe
geboorte is het geestelijk tegendeel van de natuurlijke geboorte. Wij spreken
niet van het "verleden" van een jonge baby. Als individu heeft het
geen verleden. Het is nauwelijks in staat de ogen te openen of rond te kijken,
niet capabel om enig object te onderscheiden. Zo spreekt hier de nieuwe
geboorte simpel van het beginnen van een nieuw leven.
Maar nu gaan
we een stap verder, en ontdekken, dat we dit nieuwe leven ontvangen door identificatie
met Christus in Zijn dood, begrafenis, en opstanding, en dat de leer van
onze opstanding met Christus, verleden tijd is. Opstanding voor-onderstelt een
vroeger leven en dood.**/[ii]
De identiteit van het individu blijft geheel bewaard. Het individu dat een
bepaalde manier van leven bezat, en stierf, wordt nu opgericht om een nieuw
leven te leven. Thans, opgestaan uit de dood, is hij dezelfde persoon en toch
niet dezelfde. De apostel Paulus zegt danook: "Ik ben met Christus
gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij..."
(Gal.2:20)
Het is waar dat Eph.2:1 ons
leert, dat wij reeds "dood waren in misdaden en zonden" voordat wij
ooit met Christus werden geןdentificeerd in Zijn dood, maar dit verandert het
beeld niet, want juist in deze passage lezen we vervolgens, dat we
"vroeger gewandeld hebben naar de tijdgeest van deze wereld,..."(Eph.2:2).
Zoals de vrouw, beschreven in 1Tim.5:6, zijn ongelovigen "levend
dood", en kunnen alleen worden opgewekt uit hun dood in misdaden en
zonden, door identificatie met Christus in Zijn dood en zijn opstanding, om de
eenvoudige reden dat Hij kwam om Zichzelf te identificeren met ons
in onze dood, om ons met Hem te brengen tot opstandingleven.
DE OPSTANDING VAN DE GELOVIGE MET CHRISTUS
Maar hoe kan iemand zo
worden geןdentificeerd met Christus, in Zijn dood worden begraven, en weer
opstaan? Hoe kan iemand sterven aan het oude leven, en worden opgewekt, om in
nieuwheid des levens te wandelen?
Het antwoord is: door genade
door geloof. Wat Christus voor ons door genade gedaan heeft, moeten wij
accepteren en toe-eigenen door geloof. Hij identificeerde Zichzelf met ons door
een oneindige genadedaad; te sterven in onze dood. Wij moeten onszelf met Hem
identificeren door een daad van eenvoudig geloof, en bekennen: "IK
ben de zondaar. Hij stierf MIJN dood. Ik wil Zijn genade aannemen, en
mijzelf aan Hem overgeven tot redding." Op het moment dat dit gedaan
wordt, worden wij ייn met de eens-gekruisigde, voor eeuwig levende,
Christus.
Let wel, Golgotha is de
ontmoetingsplaats, de plaats waar de identificatie is geeffectueerd. Niemand
is ooit ייn gemaakt met Christus, zonder ייngemaakt te zijn met Hem in
Zijn dood. "Weet gij niet," zo vraagt Paulus, "dat
zovelen wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt
zijn?" (Rom.6:3). Het is om deze reden, dat wij werden begraven
met Christus door diezelfde doop, en opgestaan met Hem, om te wandelen in
nieuwheid des levens. (v.4)
Wat een
tragedie, dat de stralende waarheid van deze passage is
verduisterd geworden, door hier de ceremonie van de waterdoop in te
lassen! Alsof waterdoop de gelovige nu in enige relatie tot
Christus zal kunnen brengen! Alsof de oude mens werkelijk daardoor wordt
begraven en dit ons helpt om de nieuwe mens aan te doen! Zij die in deze
vergissing zijn geraakt, hebben een ceremonie ondergaan, die nimmer bedoelde
te begraven, maar slechts een afwassing betekende (Hand.22:16 etc), en hebben
dit verward met onze werkelijke doop, door de Geest, in de dood, begrafenis,
en opstanding van Christus. Het verwondert dan ook niet, dat de apostel roept,
met verwijzing naar juist dit onderwerp: "Ziet toe, dat niemand u als
een prooi meevoert...Gij zijt volmaakt in Hem...in wien gij ook besneden zijt...met
Hem begraven...gij zijt met Hem opgewekt door het geloof in de werking van
God, Die Hem uit de doden opgewekt heeft." (Col.2:8-12)
Hoe volmaakt
en wonderbaar is het Goddelijk plan! In genade stierf Christus onze dood. In
geloof erkennen wij, dat het onze dood was, die Hij stierf, en geloven dat die
dood ons redt. En daar, aan het kruis, worden wij ייn. Het antwoord van
geloof op genade, heeft ons onlosmakelijk en eeuwig samen verenigd.
DE WERKELIJKHEID VAN ONZE OPSTANDING MET CHRISTUS
Het
juridische of positionele aspect van deze waarheid is natuurlijk van
het grootste belang. Wij lezen, dat onze Heer werd "overgeleverd om
onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardiging" (Rom.4:25). Met
andere woorden, Zijn dood betaalde de ganse straf voor onze zonden, en
verkreeg voor ons: totale rechtvaardiging. Daarvoor werd Hij opgewekt
uit de dood. En aangezien Zijn dood de onze was, de straf voor onze
zonde, en wij dit door geloof hebben toegeכigend, daarom is de rechtvaardiging
en het opstandingleven ook van ons. Als wij de dood van Christus erkennen als
de onze, rekent God ons te zijn, ייn met Hem, als reeds gestorven voor en
tot de zonde, en als opgestaan, om met Hem in nieuwheid des levens te
wandelen.
Nu
is dit juridische, positionele aspect van onze identificatie met Christus in
Zijn dood, begrafenis en opstanding, verre van alleen maar theorie. Het is
levende werkelijkheid. Gods terechte veroordeling van ons wegens zonde, was
werkelijk. Het lijden en de dood van Christus voor ons, was werkelijk. En wij
moesten echt geloof oefenen in het volbrachte werk van Christus, voordat God
ons rechtvaardigde en ons rechtvaardig verklaarde, ons beschouwende als reeds
voor en tot de zonde gestorven.
Het
is op grond van deze rechtshandeling, dat de apostel argumenteert dat wij niet
het recht hebben om door te gaan met zondigen. De zonden die wij zo
geneigd zijn te doen nadat wij gerechtvaardigd zijn, behoren tot het oude
leven, en niet tot het nieuwe dat wij in Christus hebben. Daarom hebben wij
geen recht om door te gaan met zonde. "Hoe," vraagt hij, "zullen
wij, die aan de zonde gestorven zijn, daarin nog leven?" (Rom.6:2).
En wijzend naar het feit, dat Christus "eens stierf voor onze
zonden", maar nu "leeft voor God", gaat hij voort
met te zeggen: "zo
ook gij, HOUDT HET DAARVOOR dat gij wel voor de zonde
dood zijt, maar voor God levend in Christus Jezus, onze Heere.
"LAAT
DAN DE ZONDE NIET HEERSEN IN UW STERFELIJK LICHAAM, OM HAAR TE GEHOORZAMEN IN
DE BEGEERTEN VAN DAT LICHAAM.
"EN
STELT UW LEDEN NIET VOOR DE ZONDE TOT WAPENEN VAN DE ONGERECHTIGHEID, MAAR
STELT UZELF VOOR GOD ALS UIT DE DODEN LEVEND GEWORDEN, EN STELT UW LEDEN VOOR
GOD TOT WAPENEN VAN DE GERECHTIGHEID.
"WANT
DE ZONDE ZAL OVER U NIET HEERSEN; WANT GIJ ZIJT NIET ONDER DE WET, MAAR ONDER
DE GENADE" (Rom.6:11-14).
Maar de
juridische of positionele waarheden die we hebben beschouwd, zijn slechts een
enkel deel van de gehele leer van onze doop in Christus, want omdat deze
stellige realiteiten onze ervaring betreffen, als we deze ons toe-eigenen door
geloof, is onze doop in Christus op zichzelf, ook een praktische en bevindelijke
zaak."
Als de
zondaar de dood van Christus erkent als zijn eigen dood, en Christus vertrouwt
voor zijn redding, ontvangt hij niet alleen een positie voor God als
gekruisigde, begravende, en met Christus opgewekte, maar de Geest verzegelt het
gebeuren, en verenigt hem in een levende levens-relatie met Christus.
Aldus wordt de gelovige daadwerkelijk een deelhebber aan het
opstandingsLEVEN van Christus. Er is hier nog meer dan alleen recht zien;
er is de noodzaak en de deelname aan het leven, en dit leven, omdat het
van nature geestelijk is, is niettemin werkelijk.
Wij vragen
nog eens: Was de dood van Christus niet werkelijk? Was Zijn dood niet
werkelijk onze dood? Dan is ook ons opstandingleven even reכel! In de
eerste plaats, als we de dood van Christus als de onze accepteren, en geןdentificeerd
worden met Hem, sterven wij aan het oude leven, in die zin,
dat we nooit meer terug kunnen naar onze verloren staat. Die conditie is
voorgoed voorbij. Veelmeer worden we deelhebbers aan het opstandingsleven van
Christus, wat wij nooit kunnen verliezen (Rom.6:9), omdat het Zijn
leven is. Als de Vader ons rechtens heeft opgewekt uit de dood, dan
heeft de Geest ons geestelijk opgewekt, in die zin, dat Hij
daadwerkelijk geestelijk leven heeft toebedeeld. Het is nu aan ons, om
toe te eigenen, en ons te verheugen in de volheid van dat leven in geloof.
In Rom.8:2
spreekt Paulus over deze deelname aan het leven door de Geest, als een wet die
in iedere gelovige werkt:
"Want
de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus, heeft mij vrijgemaakt van
de wet van de zonde en de dood" (Rom.8:2).
En
dan gaat de apostel voort en toont, dat wat de wet van Mozes "niet
vermocht" vanwege de aard van "het vlees", God ons zijn eigen
Zoon zond, om te volbrengen:
"Dat
het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees
wandelen, maar naar de Geest," (Rom.8:4).
Aldus
is er, behalve de morele reden waarom wij niet doorgaan met zondigen,
ook een zeer praktische reden: het nieuwe leven, dat wat de
Geest binnen in ons heeft gewrocht. Dit benadrukt de apostel, als hij
voortgaat met te zeggen:"EN INDIEN DE GEEST VAN HEM, DIE JEZUS UIT DE
DODEN OPGEWEKT HEEFT, IN U WOONT, ZAL
HIJ, dIE CHRISTUS UIT DE DODEN OPGEWEKT HEEFT, OOK UW STERFELIJKE
LICHAMEN LEVEND MAKEN DOOR ZIJN GEEST, DIE IN U WOONT.
"ZO
DAN, BROEDERS, WIJ ZIJN SCHULDENAARS, NIET AAN HET VLEES OM NAAR HET VLEES TE
LEVEN" (v.11-12).
Deze
passage wordt soms wel beschouwd, als te slaan op de toekomstige, lichamelijke
opstanding uit de dood, maar merk op, dat de Geest, Die in ons woont, onze sterfelijke
(niet dode) lichamen bekrachtigt. Wij zijn dus schuldenaars, -
niet t.o.v. de zonde, maar aan God. Wij kunnen onszelf niet verontschuldigen
door te zeggen: "Ik ben tenslotte slechts menselijk" of "het
vlees is zwak", want wij hebben de Heilige Geest binnen in ons, om onze
lichamen te bekrachtigen, en ons te helpen in nieuwheid des levens te
wandelen.
De gerechte
en praktische aspecten van onze opstanding met Christus, zijn echter nauw
verweven. Eph.2:4-6 schijnt te verwijzen naar beiden tegelijk:
"Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, door Zijn grote
liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft,
"ook
toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt, (samen) met Christus (door genade zijt gij zalig
geworden),
"en
heeft ons mede opgewekt, en ons mede gezet in de hemel in Christus
Jezus."
De positie
van de gelovige is dus reeds in de hemel, en door geloof, door de kracht des
Geestes, mag hij deze plaats in bezit nemen, en de zegeningen daarvan
met vreugde ervaren. Dit is het, waarom de apostel de Ephezebrief opent met de
lofprijzing:
"GEZEGEND ZIJ DE GOD EN VADER VAN ONZE HERE JEZUS
CHRISTUS, DIE ONS GEZEGEND HEEFT MET ALLE GEESTELIJKE ZEGENINGEN IN DE HEMEL
IN CHRISTUS" (Eph.1:3)
En dit is
het, waarom hij de Colossenzen uitdaagt: "INDIEN GIJ DAN MET CHRISTUS
OPGEWEKT ZIJT, ZOEKT
DAN DE DINGEN DIE BOVEN ZIJN, WAAR CHRISTUS IS, GEZETEN
AAN DE RECHTERHAND VAN GOD. "BEDENK
DE DINGEN, DIE BOVEN ZIJN, NIET DIE OP DE AARDE ZIJN,
"WANT
GIJ ZIJT GESTORVEN, EN UW LEVEN IS MET CHRISTUS VERBORGEN IN GOD" (Col.3:1-3).
[i].*/Voetnoot: Lett. "van
boven", maar gebruikt om uit te drukken: van boven af, vanaf het eerste
begin.
[ii].**/Voetnoot: Wij zijn ons bewust
van het feit, dat het Griekse woord voor daadwerkelijk wederopstaan (anastasis,
lett., opstaan) bijna uitsluitend wordt gebruikt voor lichamelijke
opstanding. De woorden, zoopoieo, opwekken of reanimeren, en egeiro,
wakker worden of opstaan, meestal gebruikt worden in verbinding met ons
onderhavig onderwerp. Dit betekent echter niet, dat hier geen opstanding in
aanmerking wordt genomen, en ook niet dat opwekken of levend maken buiten
beschouwing blijven voor wat betreft lichamelijke opstanding. Het is
eenvoudig een zaak van nadruk leggen, want in de leer die wij hier
beschouwen, is hoofdzakelijk het deelhebben aan opstandingsleven bedoeld.
Alle drie de woorden: zoopoieo, egeiro, en anastasis worden gebruikt
in 1Cor.15, onder verwijzing naar de opstanding van Christus