|
H O O F D S T U K
XIII
DE
UITINGEN VAN WARE GEESTELIJKHEID
DE VRUCHT VAN DE GEEST
Ware geestelijkheid zal zichzelf op velerlei wijzen in het leven van de
gelovige manifesteren - gedragingen die op zichzelf van de zegening van de
wandel in de Geest zullen getuigen.
Hieronder valt de combinatie van meerdere genadewerkingen, die Paulus,
door de Geest, noemt als "De vrucht van de Geest":
"Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede,
lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid;
Tegen zulke dingen is de wet niet" (Gal.5:22).
Allereerst moet worden opgemerkt dat "de Geest" hier niet
verwijst, naar "de geest van de mens die in hem is", maar naar de
Geest van God, die inwoont bij de gelovige en de oorzaak is van het voortbrengen
van goede vrucht. Dit is duidelijk, zowel uit de contekst hier in Gal.5, en uit
wat ons is verteld over de "de geest van de mens" in 1 Cor.2:11. Deze
geestelijke genadewerkingen komen dan niet voort uit enige natuurlijke goedheid
in ons, maar uit de inwonende Geest van God.
Vervolgens moet worden opgemerkt, dat in tegenstelling met "de
werken van het vlees", wij hier te doen hebben met "de vrucht
van de Geest". Deze genadewerkingen zijn niet het product van menselijke
energie, maar het natuurlijk resultaat van leven en groei.
De
lezer zal onmiddellijk het verschil herkennen tussen deze geestelijke deugden,
en die welke de wereld koestert en waarop zij roemt. Hier hebben we het delicate
en mooie sluitstuk, om zo te zeggen, van Gods vakmanschap. Hier valt niet toe te
geven dat het bijgelovig, of slechts uiterlijk is, want zoals we reeds hebben
aangetoond, is het de uitwerking van de Geest die in ons is.
Laat
ons kort deze genadewerkingen beschouwen, die de gelovigen, in de mate waarop
zij toegeven aan de leiding van de Geest, bezitten.
"Liefde".
Hiermee moeten wij beginnen, want liefde is de grote motiverende kracht achter
het ware geestelijke leven. "De liefde van Christus dringt ons"
(2Cor.5:6). Geloof "werkt door liefde" (Gal.5:6). Het is "door
liefde" dat wij "elkander zullen moeten dienen" (Gal.5:13).
Inderdaad, ook al geven we ons helemaal voor anderen, als dit niet gedaan wordt
uit zuivere liefde, zal het niet baten (1Cor.13:3). Dit is zoals het zou moeten
zijn, want Christelijke dienst wordt waarlijk alleen gezegend in die mate,
waarop het oprecht gedaan is, en ontspringt uit een "hartelijke"
liefde.
"Blijdschap".
Het ware geestelijke leven is in 't geheel niet saai of ongelukkig. Ware
geestelijkheid is de sleutel tot echt gezegend zijn. En blijdschap gaat, weet
dit wel, veel dieper dan alleen maar geluk, of die natuurlijke opgewektheid, die
vele ongeredden bezitten. Het oorspronkelijke woord (chara) is nauw
verbonden met het woord "genade" (Gr. charis). Ware blijdschap
ligt diep verankerd in God Zelf. Het stamt van, 1) kennis van wat God voor ons
heeft gedaan, en wat Hij voor ons is (1Thess.1:6), en 2) besef dat, als we in
Zijn wil zijn, wij de ontvangers zijn van het beste wat Hij geeft (2Cor.8:1,2).
Alleen dit kan de vrucht van de Geest zijn (Rom.14:17).
"Vrede". Nog een gezegende vrucht van de Geest! Het
begint met "vrede met God", toegeeigend door geloof in Christus (Rom.5:1),
wordt het gevolgd door "de vrede van God", die gelegerd is in het hart
en de gedachten, hoe donker het uur ook (Phil.4:7), en natuurlijk resulteert, in
een houding van vrede, of vreedzaamheid jegens anderen (Rom.12:18; 2Cor.13:11;
1Thess.5:13). Medelijden met die gelovigen, die het "wandelen in de
Geest" missen, die "het gezegend zijn" ontberen, en
"elkander bijten en opeten" (Gal.4:15; 5:15,16), inplaats van deze
gezegende vrucht te dragen.
"Lankmoedigheid". Hier is de grondgedachte, die van geduld,
in het bijzonder met de fouten van anderen. Deze deugd volgt natuurlijkerwijs na
liefde, blijdschap en vrede, en is opnieuw, duidelijk een vrucht van de Geest.
Meestal treffen we het aan, verbonden met genadewerkingen:
"verdraagzaamheid", "vriendelijkheid",
"zachtmoedigheid", etc., niet gespannen, zoals veelal in
wereldse omgang met elkaar.
"Goedertierenheid". De afleiding van dit woord, wordt
verschillend weergegeven, als "soepel", "beter",
"vriendelijk", "goed", "genadig". Het heeft de
sfeer van zachtmoedige vriendelijkheid tegenover elkaar. Dit zal, ondanks
de praat van de wereld over hem, een karaktertrek zijn van iedere waarlijk
geestelijke gelovige. Dit wijst niet op zwakheid; het zal eerder wijzen op
superieure kracht. Alleen sterken kunnen zich veroorloven zachtmoedig te zijn.
God is almachtig, maar toch behandelt Hij ons met zachtmoedige
vriendelijkheid, en leidt ons zo tot bekering (Rom.2:4).
"Goedheid". Opnieuw de natuurlijke volgorde volgend, is
het idee hier niet, dat van persoonlijke rechtvaardigheid, maar eerder van een
niet in staat zijn om goed te doen. Hetzelfde uitgangspunt wordt gevonden in
Gal.6:10, waar wij worden vermaand: "Zo wij tijd hebben, laat ons goed
doen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten van het geloof". Hoe
werkt dit alles mede, om objectief te zijn!
"Geloof".
Het woord geloof hier, is echter niet objectief gebruikt, maar subjectief.
Het slaat niet op wat men doet, maar eerder op een kwaliteit die hij
bezit. Het wijst niet op trouw, maar op vertrouwen, of waard om te
worden vertrouwd, zoals in Rom.3;3; Gal.2:15,16,20; 3:22, etc. "Geloof
vindt men niet bij allen", schreef Paulus, daarmee niet uitsluitend
ongelovigen bedoelend, maar "onredelijke en slechte mensen", die niet
te vertrouwen zijn (2Thes.3:2). Daarentegen zou elke gelovige het waard moeten
zijn, ten allen tijde te worden geloofd en vertrouwd door anderen. Getrouwheid
volgt, in natuurlijke volgorde, weer op de andere morele deugden, en is dus ook
een vrucht van de Geest.
"Zachtmoedigheid".
De betekenis van dit woord is duidelijk uit het gebruik in de onmiddelijke
contekst (6:1), waar wij lezen, met betrekking tot de broeder, die in een fout
gevallen is: "Gij, die geestelijk zijt, brengt zo iemand terecht met de
geest van zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook gij niet verzocht
wordt". Het wijst op die houding van mildheid en gedrag die, in ons
geval, stamt uit het besef, dat ook wij de mogelijkheid hebben voor verzoeking
te vallen. Het is de mildheid, met haar oorsprong in zuivere nederigheid, en
erkenning van eigen zwakheid. Hoe kan ik hard zijn en streng tegen een broeder,
wanneer ik zelf zo in staat ben om te struikelen en te vallen? En toch is
zachtmoedigheid niet een natuurlijke houding, waar het gaat om de zonden van anderen.
Het is een vrucht die alleen de Geest kan voortbrengen en, als zodanig,
natuurlijk volgt na geloof, of persoonlijke trouw. De moeder van de
schrijver had de gewoonte hem als kind te onderrichten, heel precies te zijn wat
betreft jezelf, maar begrijpelijk voor anderen die dit niet zijn. Dit is niet de
manier van de wereld.
"Matigheid". Matigheid, of zelfbeheersing, is het
kroonstuk van alle genade, aannemende dat de andere reeds geכigend zijn. Weinig
gelovigen realiseren zich hoe belangrijk de
plaats is, die zelf-contrפle in ons leven zou moeten hebben. Zij denken hieraan
alleen, in verband met eten, drinken en plezier, en laten na om te realiseren
welke plaats dit zou moeten hebben in ons totale gedrag en onze conversatie, als
gelovigen. Inderdaad zou zelf-contrפle zelfs in onze aanbidding moeten worden
beoefend. Hoeveel oprechte, maar niet onderwezen gelovigen zijn er, die de Heer
met hun hele hart liefhebben, die toch de majesteit van de Godheid en het wonder
van Zijn werk om onzent wille, Hem aanspreken als "lieve Jezus", en
Hem prijzen met oppervlakkige liefdesliedjes, alsof Hij een aardse geliefde zou
zijn.
Weer anderen veronderstellen, dat het de hoogste vorm van aanbidding is,
om zich te laten gaan. Een van de sterkste bewijzen dat modern Pinksteren niet
van de Geest is, is het feit dat de toegewijden zich dikwijls "laten
gaan", en zich geheel overgeven aan een meer dan menselijke kracht (die zij
denken de Geest te zijn), gedachten uitspreken die niet de hunne zijn, dikwijls
in talen die zij niet verstaan, en ondertussen komen tot grote excessen of
emotionele zelf-expressie. Zijzelf vergelijken het dikwijls met intoxicatie.*/[i]
En dit terwijl de Apostel Paulus, door inspiratie, vermaant:
"EN WORDT NIET DRONKEN VAN WIJN, WAARIN OVERDAAD IS, MAAR WORDT
VERVULD MET DE GEEST" (Eph.5:18).
De waarlijk geestelijke mens zal niet tot excessen van welke aard ook
geraken, maar zal, door de Geest, zelf-contrפle beoefenen in het eten en
drinken, in zijn conversatie en gedrag - zelfs in zijn gebed en lofprijzing.
Moge God ons helpen om aldus deze vrucht van de Geest te dragen!
Onder verwijzing naar hen, die werkelijk de vrucht van de Geest
dragen, zegt de apostel: "Tegen hen is de wet niet" (Gal.5:23).
Vanzelf niet! Zij, die door de Geest geleid worden, behoeven niet onder de wet
geplaatst te worden, noch door haar veroordeeld te worden (vers 16,18).
Maar behalve deze innerlijke deugden, die de Geest werkt, zijn er ook
uiterlijke manifestaties van "ware geestelijkheid", die vervolgens
zullen worden beschouwd.
DE UITERLIJKE VERSCHIJNSELEN
Getrouw getuigen
Geen
waarlijk geestelijke gelovige zal gemakkelijk zijn medemens in het verderf laten
lopen, of zijn broeder in Christus doen struikelen en vallen. Zelfs los van zijn
verlangen ten goede van anderen, verlangt hij ernaar Zijn Heer geכerd te zien in
de redding van de verlorenen, en het opbouwen van de geredden. Daarom schrijft
de geןnspireerde apostel, gelet op zijn eigen getuigenis:
"Want
de liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen: dat indien Eיn voor
allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En HIJ IS VOOR ALLEN
GESTORVEN, OPDAT ZIJ DIE LEVEN, NIET MEER VOOR ZICHZELF LEVEN, MAAR VOOR HEM,
DIE VOOR HEN GESTORVEN EN OPGEWEKT IS" (2Cor.5:14,15)
Wat
een voorbeeld was hierin de apostel zelf! Hij ging overal "betuigende
groot en klein" (Hand.26:22). Toen hij de oudsten van Ephese opdroeg
"aan God en Zijn genade", kon hij zeggen: "....herinner, dat
ik drie jaar lang, nacht en dag, niet opgehouden heb een ieder met tranen te
vermanen" (Hand.20:31,32) en hen kon uitdagen: "Daarom betuig
ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van allen"
(v.26). Inderdaad kon hij, ondanks voorspellingen van toekomstige vervolgingen,
toch zeggen:
"Maar
ik acht op geen ding, noch houd mijn leven
dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen,
en de dienst die ik van de Here Jezus ontvangen heb, OM TE BETUIGEN HET
EVANGELIE VAN DE GENADE VAN GOD" (Hand.20:24).
Laten
wij, die echt geestelijk willen zijn, in dit alles de vermaning van de apostel
bewaren:
"Broeders, weest mede mijn navolgers, en merkt op hen die zo
wandelen als gij ons tot voorbeeld hebt" (Phil.3:17).
DIENOVEREENKOMSTIG GEDRAG
Maar, zoals we gezien hebben in onze bespreking van het
conflict tussen de oude en de nieuwe naturen, komt er voor de Christelijke
wandel meer bij, dan het getuigen aan anderen. De muziek van een Goddelijk
leven, moet het getuigenis van onze lippen begeleiden.
Niet alleen voor ons eigen geestelijk goed, maar terwille van anderen, en
voor de glorie van de Christus, Die voor ons stierf, moeten wij wegvluchten van
de lusten van het vlees, en onszelf "onbesmet van de wereld" bewaren.
Zie hoe de Apostel Paulus dit benadrukt: "Wandelt in nieuwheid
des levens" (Rom.6:4) - "Wandelt niet naar het vlees"
(Rom.8:4) - "Wandelt in de Geest" (Gal.5:16) - "Wandelt
waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt" (Eph.4:1) - "Wandelt
niet gelijk de heidenen wandelen" (Eph.4:17) - "Wandelt in de
liefde" (Eph.5:2) - "Wandelt als kinderen des lichts"
(Eph.5:8) - "Wandelt voorzichtig" (Eph.5:15) - "Wandelt
waardig de Here" (Col.1:10) - "Wandelt in wijsheid"
(Col.4:5).
IJVERIG
WERKEND
Een van de Christen inboorlingen in een kamp in de Congo had de
anderen verlaten, die de missie-tuinen schoffelden, en werd gemist, toen de
zendeling verscheen. Naar hem op zoek, vond de zendeling hem in zijn hut, bezig
met het lezen van het Nieuwe Testament. "Wat doe je hier terwijl de anderen
aan het werk zijn?", vroeg de zendeling. "Ik probeer de overwinning te
behalen", antwoordde de inboorling.
Het
schijnt dat veel Christenen veronderstellen, dat
waarlijk geestelijk leven bestaat uit alleen maar Bijbel-studie, gebed,
en het zingen van geestelijke liederen. Daadwerkelijk zal echte Bijbel-studie,
gebed en dankzegging ons opwekken, om ons zelf te geven in een leven van hard
werken en zelfverloochening, voor Christus en voor anderen.
Onze
apostel was ook hierin een voorbeeld voor ons. Schrijvend aan de Colossenzen,
zegt hij, wat betreft zijn pogingen hen tot geestelijke volwassenheid te leiden:
"Waartoe ik ook arbeid onder strijd naar Zijn werking die in mij werkt
met kracht" (Col.1:29). En zijn pogingen om de verlorenen te winnen, en
de geredden te verstevigen, bracht ook hard werk in de wereld met zich, want hij
schrijft aan de Thessalonicenzen: "Want gij gedenkt, broeders, onze
arbeid en moeite. Terwijl wij nacht en dag werkten om niemand van u tot last te
zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt" (1Thes.2:9).
Dit betekent inderdaad dikwijls, lichamelijk werk met de handen, want tot de
Ephezische oudsten zei hij: "En gijzelf weet, dat deze handen tot mijn
behoeften en van hen die met mij waren, gediend hebben" (Hand.20:34).
Met andere woorden, hij werkte met zijn handen om zowel zichzelf, als anderen te
verzorgen. En omdat hij dit niet zag als ideaal, voelde hij zich niet te
belangrijk om het te doen als het nodig was, zelfs ondanks dat hij "in geen
ding minder geweest is dan de uitnemendste apostelen". Aan de Corinthische
gelovigen schrijft hij: "Tot op dit ogenblik....arbeiden wij, door met
onze eigen handen te werken" (1Cor.4:11,12).
Dit is een belangrijke fase van het ware geestelijke leven,
die dikwijls wordt over 't hoofd gezien. Zij die zo hartelijk kunnen zingen,
bidden, en getuigen, zijn dikwijls traag om hun diensten aan te bieden als er
werk moet worden gedaan. Ja, zelfs dienaars van het evangelie en leiders in
Christelijk werk, zijn dikwijls schuldig in het niet volbrengen van de taken,
die eigenlijk tot hun bediening behoren. Zij schijnen te denken dat de Heilige
Geest hun werk bevordert, als zij uitsluitend het Woord bestuderen, en bidden.
De Apostel Paulus was niet te lui of te trots om, indien nodig, met zijn
handen te werken, en onvermoeibaar bij elk gelegenheid, om grote
aantallen te bereiken met de hem toevertrouwde boodschap. In vergelijking met
andere "dienaars van Christus" kon hij eerlijk zeggen: "in
werken overvloediger" (2Cor.11:23).
Indien wij werkelijk geestelijk wilden zijn, dan zouden wij zijn
vermaning tot de Corinthiers, en tot ons, ter harte dienen te nemen, om te zijn:
"ALTIJD OVERVLOEDIG IN HET WERK DES HEREN, DAAR U WEET, DAT UW ARBEID
NIET IJDEL IS IN DE HERE" (1Cor.15:58).
BRENGEN VAN OFFERS
Nog een blijk
van ware geestelijkheid is, offers brengen voor de zaak van de Heer. Het is
waar, dat vleselijke Christenen, en zelfs ongelovigen, soms grootmoedig zijn met
hun geldmiddelen. Het is ook waar dat we 1Tim.5:8 moeten gehoorzamen, en voor
onze huishoudens moeten zorgen, maar het is niet waar, dat een ware
geestelijk gelovige, gierig zal zijn met de rijkdom, die God hem heeft
toevertrouwd. De geestelijk meest gezonde kerken, zijn steevast de meest gulle
ondersteuners van het werk van de Heer. Maar helaas, hoe weinigen van Gods volk
zijn, naar verhouding, gekomen tot kennis van de vreugde van het doen van
financiele "offers" voor de zaak van de Heer?
De
Philippenzen kenden deze vreugde. Arm als dit volk van God ook was in goederen
van deze wereld, trachtten zij telkens weer Paulus, te voorzien in zijn noden,
en te helpen in het werk van de Heer, soms hem dringend om datgene aan te nemen,
wat zij nauwelijks konden geven (Phil.4:15,16; 2Cor.8:3). En dit deden zij op
een uitbundiger wijze dan Paulus had gehoopt, en gaven zichzelven, eerst
aan Paulus, en aan de Heer (2Cor.8:5).
Bij
de vleselijke Christenen was dit niet zo. Waarschijnlijk de grootste van alle
door Paulus gestichte gemeenten, droeg zelfs niet eens bij tot de magere
levenskosten van de apostel (2Cor.11:9). De apostel werd inderdaad, gedurende
zijn verblijf te Corinthe, ondersteund door de arme Macedoniers!
Paulus
moest de Corinthiers herinneren aan de edelmoedigheid van de Macedoniers
(speciaal de Philippenzen), om hen uit te dagen tot wedijver, daar anders de
Macedoniers hen tot schande zouden brengen (2Cor.8:8; 9:4), als alle andere
gemeenten hun bijdragen voor de "arme heiligen" in Judea gaven. Hij
moest Titus zenden om de genade van het geven onder hen op te wekken (2Cor.8:6).
Hij moest hen eraan herinneren, hoe de Zoon van God alles had gegeven en arm
geworden was om hen rijk te maken (2Cor.8:9). Hij moest hen eraan
herinneren, dat zij een jaar tevoren hun deelname beloofd hadden, en hen
vermanen: "Nu daarvoor het doen ervan te verwezenlijken"
(2Cor.8:10,11). Hij moest hen uitdagen: "beproef de ernst van uw
liefde" (2Cor.8:8).
Deze Corinthiers hadden de Pinkstergaven, en toch waren zij ver van
geestelijk. De apostel noemt hen "vleselijk" en "babies"
(1Cor.3:1). Zij hadden niet de verschuldigde waardering getoond voor God en Zijn
goedheid aan hen. Zij hadden hun verantwoordelijkheid tegenover Christus en hun
broeders niet aanvaard. Hoe konden zij dan geestelijk genoemd worden? Het is
waar dat zij veel enthousiasme hadden, maar ook wanorde, in hun diensten
(1Cor.14:26-28,33,40). Kan echter iemand geestelijk genoemd worden, die weet
dat God de wereld zo lief had, dat Hij gaf,- gaf Zijn allerbeste, Zijn
geliefde Zoon, om hem te redden van de zonde, die niet op zijn beurt
zichzelf en zijn goederen aan God offert? Kan iemand als geestelijk beschouwd
worden, die weet dat de Heer der Glorie arm werd - zo arm -, opdat
wij rijk zouden zijn, en toch niet bewogen is om offers voor Hem te brengen, en
voor hen voor wie Hij gestorven is?
Wij hebben Christelijke mensen gekend die bedrijvig gewerkt hebben, als
een soort vervanging voor offeren, maar dit is het niet. God is een edelmoedig
en offerend Gever. "Hij...spaarde Zijn eigen Zoon niet, maar
heeft Hem voor ons allen overgegeven" en zelfs nu, "ons met Hem
alle dingen schenkt" (Rom.8:32). En zullen dan zij, die waarlijk
geestelijk zijn, niet aan Zijn natuur deelhebben? Zo gaan dan, ijverig werken,
en brengen van offers, beiden samen, met ware geestelijkheid. Want de Geest
Zelf, die ons vermaant om "altijd overvloedig in het werk des Heren te
zijn", vermaant ons ook met betrekking tot het geven: "Zie, dat
gij ook in deze gave (deze genade) overvloedig zijt" (2Cor.8:7) en:
"Dit zeg ik: Wie
spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien, en wie in zegeningen zaait, zal ook
in zegeningen maaien" (2Cor.9:6).
Laten zij,die die nog niet ingegaan zijn in de vreugde en gemeenschap van
offers brengen, nu beginnen, wetende dat "God de blijmoedige
gever liefheeft" (2Cor.9:7).
AANBIDDING VANUIT HET HART
Aanbidding is daadwerkelijk beide, een innerlijke en een
uiterlijke manifestatie, van ware geestelijkheid.
Opmerkelijk, dat in de brieven van Paulus zelden het woord aanbidding
zelf, gebezigd wordt, en er toch zoveel over zegt, en menig voorbeeld ervan
geeft. Ware aanbidding gaat altijd hand in hand met ware geestelijkheid. De
apostel vermaant dit aldus:
"...wordt
vervuld met de Geest, en spreekt onder elkaar
met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingend en psalmend
de Heer in uw hart" (Eph.5:18,19).
Wij
kunnen hier niet ingaan op de vele lofprijzingen - alle uitingen van aanbidding
- die worden gevonden in de brieven, of de vele andere uitroepen van
bewondering, dankzegging en lofprijs. Hoe gevarieerd zij ook zijn, zijn zij alle
een uiting van ware geestelijkheid. We citeren een paar voorbeelden:
"Gezegend
zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met
alle geestelijke zegening in de hemel (hemelse gewesten) in Christus" (Eph.1:3).
"...de
Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven
heeft" (Gal.2:20)
"Ik
dank mijn God, zo dikwijls ik u gedenk" (Phil.1:3).
Zeker
is het ijdele praat, te spreken van geestelijk zijn, wanneer we nalaten om voor
Christus te getuigen, of te leven, te werken, of Hem offers te brengen, en onze
harten onbewogen blijven om Hem te aanbidden. Laat ieder van ons, bij het
beeindigen van deze studie, God vragen, of wij door Zijn genade, de vrucht van
de Geest mogen dragen, en dat de resultaten van Zijn aanwezigheid in ons,
kenbaar worden.
/Voetnoot: Wij bezochten, enige
tijd geleden, een nationale conferentie van de "Assemblies of
God", waarbij de dienst eindigde in duidelijke verwarring. Mensen
baden, zongen, schreeuwden, spraken in tongen, strekten hun handen uit, en
gedroegen zich als totaal zonder contrפle. Vףףr ons knielde iemand neer,
die tien minuten tevoren een zinnige zakenman geleek. Nu sprak hij, met
onderbrekingen, in tongen, en herhaalde zo snel het gebed: "Redt toch
zielen", dat men slechts kon concluderen, dat hij buiten zichzelven
was.
|