H O O F D S T U K XII
GEESTELIJKE OPWEKKING
EEN STEEDS TERUGKERENDE BEHOEFTE
IN HET CHRISTELIJK LEVEN
Deze
regels worden geschreven in een kritieke tijd in de geschiedenis van de wereld,
wanneer er veel wordt gezegd en geschreven over opwekking. Vele Christenen
bidden om opwekking. Populaire evangelisten doen hun best om dit op gang te
brengen. Bekende periodieken, wereldse zowel als religieuze, en zelfs de
kranten, spreken er over, waarbij meestal phrasen als, "een opwekking van
religie", "een opwekking van religieuze gevoelens" of
"een opwekking van religieus geloof" worden gebezigd. Wat ook voor
menselijke fouten hierbij ook mogen zijn, elke ware gelovige zal God danken voor
de mate, waarin mensen wakker worden voor bovennatuurlijke hulp, om de ernstige
problemen op te lossen, waarmee onze generatie wordt geconfronteerd.
WAT
IS GEESTELIJKE OPWEKKING?
Maar
wat is nu precies echte geestelijke opwekking? Deze vraag is niet zo eenvoudig
te stellen, omdat er zijn die bijna elke opeenvolging van samenkomsten, een
opwekking noemen, terwijl anderen opwekking verwarren met de golven van
religieuze gevoelens, die periodiek over de massa komen, en weer anderen
veronderstellen, dat opwekking een inzameling van zielen is.
Feitelijk
is een opwekking een herstel naar vitale
gezondheid. Het is verbonden met leven, niet met de dood. De
dood kan niet worden opgewekt, maar wij dienen voedsel en medicijn toe
aan hen, die zwak en ziek zijn, teneinde hen
terug te brengen tot vitale gezondheid. Geestelijke opwekking is dus,
ziekelijke Christenen tot vitale geestelijke gezondheid brengen.
God
"kan" een serie samenkomsten gebruiken om een geestelijke opwekking te
verwekken onder Zijn volk, en zulk een opwekking resulteert dikwijls in een
oogst van zielen, maar noch de opeenvolging van de samenkomsten, noch de oogst
van de zielen op zich, is de opwekking. De opwekking is het geestelijk
herstel van gelovigen.
DE NOODZAAK VAN GEESTELIJKE OPWEKKING
Onder gelovigen persoonlijk, zowel als bij de Kerk in het
algemeen, wordt de noodzaak van geestelijke opwekking meestal niet
onderkend, totdat buitengewoon lage niveaus van geestelijkheid*/[i]
werden bereikt. Feitelijk is echter de noodzaak bijna altijd aanwezig.
Lichamelijk hebben de meesten van ons, minstens drie maal per dag, nodig
te worden opgewekt. Honger en zwakte hebben spoedig de overhand, en we voelen de
behoefte aan voedsel om onze kracht te vernieuwen. Geestelijk is het niet minder
zo, want "de mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord
dat door de mond van God uitgaat" (Matt.4:4). Jammer echter te moeten
zeggen, dat wij van nature geneigd zijn om ons geestelijk welzijn te
verwaarlozen en vervallen in zorgeloosheid en zonde, zo dat herhaaldelijk de
noodzaak van geestelijk reveil en vernieuwing, acuut wordt.
DE OORZAAK VAN GEESTELIJKE TERUGGANG
Velen gevoelen dat gebrek aan gebed, het ontbreken van afgescheiden
leven, onverschilligheid tegenover de verlorenen, etc., de werkelijke oorzaken
zijn van geestelijke neergang. Dit zijn echter de gevolgen, niet de
oorzaken. De oorzaak van geestelijke teruggang vandaag is altijd, ons
verlaten van het Woord van God in het algemeen, en van het Woord van God tot ons
in het bijzonder. Daar ligt de wortel van onze geestelijke ziekten, hoewel naar
verhouding tot nog toe weinigen dit erkennen of bevestigen.
Bij Israכl was verlaten van de wet van Mozes, dat wat haar steeds in
moeilijkheden bracht; bij ons is dat, het verlaten van Paulinische waarheid.
Want, merk op, zo zeker als de bedeling van de wet werd gegeven aan Mozes, zo
zeker werd de bedeling van genade aan Paulus toevertrouwd (Eph.3:1-3), en
diegenen die teruggevallen of gegleden zijn, in zijn dagen tot nu toe, zijn dat
door verlating van die waarheden, die hem voor ons waren toevertrouwd.
In
de brieven van Paulus vinden we beide, het voorkomen en de neiging aan de kant
van de gelovigen om het pad van de zegen te verlaten, en Gods vaststelling van
de bijzondere oorzaak van de moeilijkheid. In elk geval is de oorzaak, opstand
tegen de door God aan de apostel gegeven autoriteit, en verlating van zijn door
God gegeven boodschap en programma.
Het
was slechts enkele jaren nadat Paulus uitgezonden was met "het evangelie
van de genade van God", dat de opstand tegen zijn autoriteit begon. De
Galaten rebelleerden. Zij volgden de Judaisten, en vielen in de slavernij van
wettisisme. In zijn brief aan hen, gebruikt Paulus twee hele hoofdstukken, om
zijn autoriteit weer te bewijzen als "de apostel van de heidenen", om
hen op te roepen om zorgvuldig zijn apostelschap te onderzoeken, en hen te
waarschuwen voor de gevaren van verlating van zijn door God gegeven boodschap.
Verbijsterd
door hun plotselinge afwijking, roept hij uit:
"Ik
verwonder mij, dat gij zo haastig afwijkt van hem, die u in de genade van Jezus
Christus geroepen heeft, door over te gaan naar een ander evangelie"
(Gal.1:6).
En
hij voegt er aan toe:
"Doch
al was het ook, dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigden,
buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt" (V.8).
Hen
uitdagend als gevolg van hun rebellie, vraagt hij:
"WAARIN
ACHTTET GIJ UZELF DAN GELUKKIG? Want ik geef u getuigenis, dat gij zo mogelijk
uw ogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben" (Gal.4:15).
"Maar
indien gij elkaar bijt en opeet, zie toe, dat gij door elkaar niet verteerd
wordt" (Gal.5:15).
Let
wel: de Galatische gelovigen hadden hun gezegend zijn verloren, vanwege hun
verlating van God's aangewezen boodschapper en God's aangewezen boodschap aan
hen.
Tweemaal beschuldigt de apostel de Galaten van ongehoorzaamheid
(Gal.3:1; 5:7). Maar waarom? Zij hadden geprobeerd om meer gehoorzaam te
zijn, dan Paulus hen had bevolen. Zij waren bereid zich te onderwerpen aan
besnijdenis, door toevoeging aan het programma, dat hij, door openbaring,
hen had voorgeschreven. En zij hadden ook de Schrift achter zich voor hun
standpunt. Ja, maar niet de Schriften, recht gesneden. Hun
terugkeer tot Mozes en de wet, was een verachting van de verdere, door
Paulus gegeven, openbaring: "de prediking van het kruis", die juist
toen, de Mozaןsche bedeling ten einde bracht. Zelfs de apostelen en oudsten van
de Jeruzalem-Gemeente hadden de vrijheid van de wet voor de heidenen erkend, en
hadden "geschreven en geconcludeerd dat zij zulke dingen niet zouden
nakomen" (Hand.21:25). Daardoor werd gehoorzaamheid aan de wet, ongehoorzaamheid
aan de waarheid, en kostte de Galaten hun gezegend zijn, doordat zij
teruggebracht werden in een staat, waarin zij elkander bijten en opeten.
De Corinthiכrs rebelleerden ook, en begonnen concurrerende
sekten onder
elkaar, alsof het een kwestie was van wie er gelijk had: Paulus, Apollos, Cephas
of Christus. Op die manier verlieten zij de glorierijke openbaring aan Paulus,
en vervielen in vele andere ernstige fouten en zonden. De apostel, in zijn
geestelijke autoriteit, daagt hen dan ook uit, en waarschuwt hen voor de gevaren
van hun ketterij.
In Klein Aziכ, waar de apostel "gedurende twee jaren" had
gewerkt, was het punt ook weer: Paulus en zijn boodschap. In zijn tweede brief aan Timotheus moest Paulus schrijven:
"Gij weet dit, dat allen die in Aziכ zijn, zich van mij afgewend
hebben..." (2Tim.1:15).
Dit betekent niet, dat al de geredden in de provincie van Aziכ - en daar
waren er velen - nu verloren waren, of dat
zij de Heer niet echt liefhadden. Het betekent eenvoudig, dat zij zich tegen Paulus
gekeerd hadden, als degene aan wie de nieuwe bedeling was toevertrouwd, "de
bedeling van de genade van God".
Dit
zijn maar een paar voorbeelden. Het Bijbels verslag bevat veel meer voorbeelden
van geestelijke terugval sinds de opwekking van Paulus. En altijd werd de
terugval veroorzaakt, door het verlaten van een of meer van de bijzondere
waarheden, door hem geopenbaard: de waarheid van het "ene lichaam" en
de sympathie voor elkaar die hiermee verbonden is, of de waarheid van de
"ene doop" met zijn dood aan het vlees, en zijn identificatie met
Christus in de hemelse gewesten, of, misschien, de waarheid van ons staan in de
genade, met het daaruit voortkomende leven voor God, geleefd uit pure
dankbaarheid.
HOE ONS TE VERHEUGEN IN GEESTELIJKE OPWEKKING
Wanneer
we het feit erkennen dat de oude Adamitische natuur nog bij ons is, is het
eenvoudig te zien waarom de meest godsdienstige onder ons, haast voortdurend
geestelijke opwekking nodig heeft. Want juist door die natuur zijn wij
altijd geneigd de gezegende onderwijzingen uit de geschriften van Paulus te
vergeten.
Daarom
schreef Paulus, door de Geest, aan Timotheus en aan ons:
"Houd
tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en
liefde, die in Christus Jezus is" (2Tim.1:13)
Het
Woord van God is dan ook van het hoogste belang voor het geestelijk welzijn van
iedere gelovige; niet alleen als een verzameling van mooie en hartverwarmende
gedachten, maar als de openbaring van Gods plan voor de eeuwen, en speciaal voor
ons vandaag, om te bestuderen, te verstaan en te gehoorzamen. Zoals voedsel en
medicijn wijselijk aan de zwakke en zieke moet worden bediend, zo moet ook het
Woord "recht worden gesneden" worden, om de nodige baat te schenken
aan hen, die geestelijk herstel nodig hebben.
Hoe kunnen wij ons verheugen in echte geestelijke opwekking? Kan het
worden verkregen door meer gebed of zelfverloochening of belijdenis van zonden?
Neen, deze zijn weer de producten, de resultaten, van ware
geestelijke opwekking, die begint bij God, niet bij mensen. Zowel bij
geestelijke opwekking als bij heropvoeding, gebruikt de Geest het Woord.
Daar is het voedsel en de medicijn die God heeft gegeven, om ons op te bouwen
tot vitale geestelijke gezondheid.
Misschien zal de lezer zich de geschiedenis herinneren van de opwekking
onder Ezra; hoe het Boek werd terug gevonden voor het volk, en hoe Ezra
en zijn helpers "lazen...duidelijk, en de zin verklarende, zo
maakten zij, dat men het verstond bij het lezen" (Neh.8:8). Welk een
geestelijke opwekking kwam daardoor! Hoe weende het volk (Neh.8:9) en verheugde
zich (Neh.8:9-11), "want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had
bekend gemaakt"! (Neh.8:12).
Het verstaan van Gods Woord doet altijd Zijn volk geestelijk herleven.
Hoor naar de twee te Emmaus, van welke onze Heer juist was heengegaan:
"Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij tot ons sprak op de
weg, en toen HIJ ONS DE SCHRIFTEN OPENDE?" (Luk.24:32)
En als dit waar was in andere bedelingen, dan toch zeker in deze
tegenwoordige bedeling van genade, toen het heerlijke geheim van Gods plan en
genade werd geopenbaard. Geen wonder dat Paulus zo ernstig bidt voor de
Colossenzen en voor ons allen:
"...DAT GIJ MOOGT VERVULD WORDEN MET DE KENNIS VAN ZIJN WIL, IN
ALLE WIJSHEID EN GEESTELIJK VERSTAND;
"OPDAT GIJ DE HEERE WAARDIG MOOGT WANDELEN, OM HEM IN ALLES TE
BEHAGEN, TERWIJL GIJ IN ALLE GOEDE WERKEN VRUCHT DRAAGT EN OPGROEIT IN DE KENNIS
VAN GOD" (Col.1:9,10).
Geen
wonder, dat hij hen herinnert aan zijn waarschuwingen en onderwijzingen, aan
zijn werk en strijd en conflict (Col.1:28,29):
"OPDAT
HUN HARTEN VERTROOST WORDEN EN ZIJ SAMENGEVOEGD ZIJN IN DE LIEFDE, EN DAT TOT
ALLE RIJKDOM VAN DE VOLLE ZEKERHEID VAN HET VERSTAND, TOT KENNIS VAN DE
VERBORGENHEID VAN GOD DE VADER, EN VAN CHRISTUS;
"IN WIE AL DE SCHATTEN VAN DE WIJSHEID EN DE KENNIS VERBORGEN
ZIJN" (Col.2:2,3).
Als
wij inderdaad geestelijk herleefd zouden zijn, en ons zouden verheugen in vitale
geestelijke gezondheid. Als het inderdaad ons verlangen is om de Here waardig te
wandelen, om vruchtbaar te zijn in alle goed werk. Om toe te nemen in de kennis
van God. Dan zouden wij met niet minder tevreden zijn, dan met een duidelijk
verstaan van "Zijn wil", en een gedegen kennis van "het
geheimenis" zoals dit ons aangeboden wordt in de brieven van Paulus. En als
wij de levende en wonderbare waarheden, verbonden aan "het geheimenis"
begrijpen, zal het gehele Woord van God, geestelijk rijker, en voedzamer, voor
ons zijn.
In
deze dagen van geestelijke teruggang, moge God ons een honger naar het
Woord geven! Moge het ons sterk verlangen zijn, om Gods Woord te kennen, "zo
dat wij het zullen gehoorzamen", want er is blijkbaar geen vreugde zo
groot als deze, die in de gelovige komt, door de wetenschap, dat hij in de
wil van God is.
[i].*/Voetnoot: Hier zeggen wij niet "moreel",
want gelovigen, die gewetensvol consentieus zijn in morele zaken, en zelfs
in hun Christelijke plichten, kunnen niettemin verre van geestelijk zijn.
|