H O
O F D S T U K X
WARE GEESTELIJKHEID EN GEBED
HET GEBEDSLEVEN VAN DE CHRISTEN
Gebed tot God moet, zonder meer, grote betekenis houden
voor hen die waarlijk geestelijk willen zijn. Omdat Gods Woord tot ons, altijd
op de eerste plaats komt, moet gebed zeker de twede plaats hebben; wij dienen
zeer zeker Gods Woord te onderzoeken, onder gebed om verstand en bereidheid om
te gehoorzamen.
DE BELANGRIJKHEID VAN GEBED
De Schriften sporen Gods volk aan om te bidden, en in de
brieven van Paulus vinden we meer oorzaak, meer reden, en groter aansporing dan
ooit, om te bidden - te bidden "altijd", "in alles",
"zonder ophouden". Het voorbeeld van onze Heer en van Zijn apostelen -
in het bijzonder van Paulus - is een oproep tot gebed. Elke nood, elk verlangen,
elk harteleed, is een roep tot gebed. Elke verzoeking, elke nederlaag - ja, elke
overwinning is een roep tot gebed.
En
toch is zelfs bidden, of zelfs veel tijd in gebed besteden, op zichzelf geen
blijk van ware geestelijkheid. Vele vleselijke Christenen, nog "babies in
Christus", en zelfs vele geredde mensen, besteden veel tijd in gebed. Maar
de ware geestelijke gelovige zal de Apostel Paulus beamen, als hij zegt: "Ik
zal met de geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden"
(1Cor.14:15). "Met de geest", ernstig, vurig, voor God
uitgieten, mijn aanbidding, mijn smekingen, en mijn danken. En "ook met
het verstand", intelligent, met duidelijk verstaan wat de Schriften,
recht gesneden, zeggen omtrent Gods wil en Zijn voorzieningen voor mijn
gebedsleven in deze bedeling van genade.
VERKEERD GEBRUIK VAN GEBED
Het grote misbruik van gebed in onze dagen, is een klare
aanwijzing dat bij velen het bidden "met verstand" ontbreekt.
GEBEDEN VAN ONGEREDDEN
Duizenden ongeredde mensen denken dat gebed een kracht op
zichzelf is. Zij zeggen: "Ik geloof in gebed" of "Ik geloof niet
in gebed". Zij proberen het. Als zij krijgen waarvoor zij baden, zeggen ze;
"Het werkt. Ik heb het geprobeerd". Als het niet lukt om te krijgen
wat zij vragen, zeggen ze: "Het is allemaal nonsens, ik heb nooit gekregen
waarvoor ik gebeden heb". Andere duizenden, die nooit in Christus vertrouwd
hebben voor hun redding, gaan maar door met bidden, in sommige gevallen dikwijls
en ernstig, met het idee, dat het op de een of andere manier, te eniger tijd,
zou mogen helpen. Maar dit is alles puur bijgeloof, geen echt geloof. Het berust
niet op heilige openbaring, maar op menselijke verbeelding. Het ontspringt niet
uit Gods Woord, maar uit de wil van de mens.
De
Schriften maken het overvloedig duidelijk, dat zij die Christus afwijzen, geen
enkele aanspraak op God hebben. Hij is op geen enkele manier verplicht hun
gebeden te horen.*/[i]
Onze
Heer zei tot Zijn discipelen:
"...Ik
ben de Weg, de Waarheid, en het Leven; NIEMAND KOMT TOT DE VADER DAN DOOR
MIJ" (Joh.14:6)
In
Heb.10:19,20, wordt ons bericht, dat "broeders" hebben:
"...vrijmoedigheid
om in te gaan in het heiligdom DOOR HET BLOED VAN JEZUS,
"OP EEN VERSE EN LEVENDE WEG, DIE HIJ ONS INGEWIJD HEEFT DOOR HET
VOORHANGSEL, DAT IS DOOR ZIJN VLEES."
En het is in het bijzonder tot "het volk van God", dat
kan rusten in het volbrachte werk van Christus (Hebr.4:9,10), dat de apostel
zegt:
"LATEN WIJ DAN MET VRIJMOEDIGHEID TOEGAAN TOT DE TROON VAN DE
GENADE..." (Hebr.4:16).
Overeenkomstig zowel Rom.5:2 als Eph.2:18 is het door Christus,
dat wij toegang hebben tot de Vader. Hoe kan degene die Christus afwijst,
verwachten te worden gehoord?
Het is verder o m d a t gelovigen zonen van God zijn, dat zij een
rechtmatige aanspraak hebben op Hem als Vader.
"...gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen
(zoonschap), door Wie wij roepen: Abba, Vader!" (Rom.8:15).
"EN AANGEZIEN GIJ KINDEREN (ZONEN) ZIJT, HEEFT GOD DE GEEST VAN
ZIJN ZOON UITGEZONDEN IN UW HARTEN, DIE ROEPT: ABBA, VADER!" (Gal.4:6).
Los van dit alles, zijn de gebeden van de ongeredden onwezenlijk, want
het is zeker onwezenlijk om God aan te spreken in gebed, terwijl Hij nog
onbekend is, en Zijn Woord betwijfeld wordt. Het is alleen als Hij bekend is,
geliefd wordt, en vertrouwd, dat gebed wezenlijk wordt.
Waar gebed is een blijk van redding. Saulus van Tarsus had veel
gebeden tot God geofferd als religieuze Jood, maar het was niet eerder dan na
zijn bekering, dat de Heer zei: "Zie, hij bidt" (Hand.9:11).
MISBRUIK VAN GEBED DOOR DE GEREDDE
Maar onzuiver gebruik van gebed is niet beperkt tot
ongeredden alleen. Bij velen van Gods volk ontbreekt het acceptabel bidden. Zij
brengen hun wensen naar voren, en bidden ernstig, dat God hen zal leiden; doch
hierbij steeds bepalend, dat Hij zal leiden, overeenkomstig hun verlangens,
zelfs wanneer het tegengesteld is aan Zijn geopenbaarde wil. Als zij dan met het
geschreven Woord worden geconfronteerd, zeggen zij: "Maar ik heb er veel
over gebeden". Zij dagen zelfs God uit, zoals de jonge vrouw, die
zichzelf rechtvaardigde om een ongerechte huwelijksverbintenis aan te gaan, door
te zeggen: "Ik vroeg de Heer, dat als dit niet Zijn wil was, het op een of
andere wijze te verhinderen" Zulk misbruik van gebed is erger dan
bijgeloof; het is heiligschennis, want de jonge vrouw had moeten weten - en
"wist" klaarblijkelijk - dat het geschreven Woord reeds had
veroordeeld wat zij wilde, waarover zij bad, en zij verkreeg.
Dan
is er ook veel bijgeloof onder Gods volk wat betreft het bidden. Hoe spoedig
voelen veel gelovigen "zich geleid" om te zoeken naar "innerlijke
beweegredenen" of luisteren naar die "stille kleine stem" in
antwoord op hun gebeden! Zij zeggen: "De Heer vertelde mij" dit of
dat, of "De Geest fluisterde mij in", of "ik hoorde Hem
zeggen". Wanneer zulke opmerkingen worden gemaakt aan deze schrijver,
informeert hij gewoonlijk verder naar details en ervaart dan onveranderlijk, dat
er in't geheel geen stem werd gehoord, maar dat de spreker alleen een gevoel of
indruk had, op een of andere mystieke wijze, en dat dan een aanwijzing van de
Heer zou zijn.
God spreekt werkelijk tot ons door Zijn Woord, juist wanneer een
incident of omstandigheid de nadruk legt op de waarheid van Zijn Woord. Maar met
het volledige Woord in ons bezit, spreekt Hij niet langer tot ons door visioenen
of door stille zachte stemmen. De onderwezen gelovige dient ervoor op te passen,
niet te steunen op "innerlijke aanmoedigingen", wel wetende dat van
nature "het hart arglistig is boven alles" (Jer.17:9).
Ook worden dikwijls door echte gelovigen, verkeerde aanspraken op gebed
gemaakt. Door teksten uit hun verband te halen, en toe te passen op willekeurige
mensen, in de onjuiste bedeling, zullen sommige predikers zeggen: "Vraag,
en het zal u gegeven worden....want ieder die vraagt, ontvangt" (Matth.7:7,8).
En dan volgen kwalificaties, die het gezicht redden: Als je vraagt in
geloof, overeenkomstig Gods wil, voor Zijn glorie, en zonde niet verbergt in uw
hart! "Al wat gij in het gebed zult begeren in het geloof, zult gij
ontvangen" (Matth.21:22). Maar - !" Wij zullen het verder over
deze misbruiken hebben, bij het probleem van het onbeantwoorde gebed.
HERHALEN VAN GEBEDEN
Een van de meest onbijbelse en ongeestelijke misbruiken van gebed, is het
herhalen van door anderen opgestelde gebeden. Vele leden van zowel Protestantse
als Katholieke kerken, ja, vele ernstige gelovigen, herhalen telkens weer
gebeden, die voor hen zijn voorbereid om te reciteren. De meesten van hen hebben
er een praktijk van gemaakt, om het zogenaamde "Gebed des Heren",
genomen uit de Evangelie-verslagen, te herhalen.
Klaarblijkelijk hebben al deze millioenen Christenen het feit over het
hoofd gezien, dat het was in die tijd, toen de discipelen onze Heer vroegen om
hen te leren, hoe te bidden (Luc.11:1), dat Hij zei: "Gij dan
bidt ALDUS (op deze wijze, a.v.) Matt.6:9). Bovendien sprak Hij,
voorafgaand aan deze woorden, de specifieke invoeging:
"EN
ALS GIJ BIDT, GEBRUIKT DAN GEEN OMHAAL VAN WOORDEN ZOALS DE HEIDENEN, WANT ZIJ
MENEN DAT ZIJ DOOR HUN VEELHEID VAN WOORDEN ZULLEN VERHOORD WORDEN. WORDT HUN
DAN NIET GELIJK..." (Matth.6:7,8).
Niettemin
wordt Rooms Katholieken werkelijk geleerd om "tien Ave Marias"
"drie Onze Vaders", etc. te zeggen, alsof alleen al het herhalen van
een gebed, dit meer effectief maakt, met het resultaat, dat de meeste
Katholieken en zelfs hun priesters, hun gebeden op zangerige wijze, of
afgeraffeld herhalen, alsof ze in 't geheel geen betekenis hadden. Op dezelfde
wijze wordt aan leden van verschillende Protestante denominaties geleerd, om
gebeden uit gebedenboeken te lezen, - niet om ze te bestuderen als voorbeelden
van acceptabel gebed, of om te reciteren zoals men een gedicht of een stuk proza
reciteert, maar om ze aan te bieden als hun eigen gebeden. Zo worden
dezelfde gebeden, telkens en telkens herhaald.
Zowel
Protestanten als Katholieken doen veel aan herhaling van "het gebed des
Heren". Zij herhalen het persoonlijk en allen tegelijk, in moeiten en
verdriet, bij ziekte en dood, in storm en droogte, in oorlog en rampen, bij de
maaltijd, met weinig of geen gedachte aan de eigenlijke inhoud.
Stel
u voor het gebed: "Geef ons heden ons dagelijks brood" bij een
begrafenisdienst! Stel u voor het gebed: "Uw Koninkrijk kome" aan een
ziekbed, of in een storm op zee! En toch wordt dit telkens weer plechtig
gesproken binnen het Christendom. In grote kerkdiensten wordt geregeld het gebed
gemeenschappelijk gebeden - en dit terwijl het een feit is, dat onze Heer juist
bij dit gebed, de herhaling van gebeden "ijdel" noemde en Zijn
discipelen voorschreef de heidenen in deze praktijken niet te volgen.*/[ii]
Welk
een verschil bestaat er tussen bidden en opzeggen van gebeden!
Geen echt geestelijk mens zal dit laatste doen.
HET
DOEL VAN GEBED
Soms wordt de vraag gesteld: Indien Gods wil en doel
onveranderlijk zijn, waarom dan gebed? Het antwoord is heel eenvoudig: Omdat het
heilig doel, wat elk antwoord op gebed moet bereiken , het gebed zelf is. Het is
genoeg dat Hij, "Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil"
(Eph.1:11), Zijn volk uitnodigt en bemoedigt, om te "komen met
vrijmoedigheid tot de troon van genade", en om "hun begeerten
bekend te laten worden bij God" (Hebr.4:16; Phil.4:6).
Maar gebed is niet zomaar een verzoek, zoals velen menen. Het is
ייn aspect van actieve gemeenschap met God, (meditatie over het Woord
is een andere), en bevat aanbidding, dankzegging en belijden,
zowel als smeking. Hyde schrijft in zijn boek Gods opvoeding van de mens, Pp.154,155):
"Gebed is de communicatie van twee willen, waarin de eindige in verbinding
komt met de Oneindige, en net als een trolleybus, zich zijn kracht en doel
toeeigent"
Wij hebben een voorbeeld hiervan in het verslag van het gebed van onze
Here in Gethsemane, want omdat Hij niet is te
classificeren met eindige mensen, legde Hij Zijn Heerlijkheid af, werd
"een dienstknecht" (Phil.2:7), en "leerde gehoorzaamheid" (Hebr.5:8;
Phil.2:8). Op deze plaats van onderwerping, bad Hij uiteindelijke en ernstige
gebeden tot Zijn Vader, maar sloot Zijn gebed met de woorden: "Doch niet
Mijn wil, maar de Uwe geschiede" (Luk.22:42), met het resultaat, dat
Hij werd "gesterkt" voor het gericht dat Hij tegemoet zag (vers 43).
Het gebed is dus niet slechts een middel om "dingen van God te
bekomen", maar een God-bepaald middel van gemeenschap met Hem, en
elk acceptabel gebed zal de smeking bevatten - even ernstig verlangd als de rest
- : "Doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede".
Maar dit roept een probleem op, met betrekking tot zekere passages in de
Bijbel, die schijnen aan te tonen, dat wat gij ook bidt in waar geloof,
zal worden verhoord.
HET PROBLEEM VAN ONVERHOORD GEBED
Wat
nu met zulke duidelijke passages als de volgende:
"EN
AL WAT GIJ IN HET GEBED ZULT BEGEREN IN HET GELOOF, ZULT GIJ ONTVANGEN"
(Matt.21:22).
"NOGMAALS
ZEG IK U: INDIEN ER TWEE VAN U OVEREENSTEMMEN OP DE AARDE OVER ENIGE ZAAK DIE
ZIJ ZOUDEN BEGEREN, HET HUN GEBEUREN ZAL VAN MIJN VADER DIE IN DE HEMELEN
IS" (Matt.18:19).
Dit
zijn merkwaardige beloften. Denk er eens goed over na. "Alle dingen -
wat ook, ge in gebed gelovig zult vragen"! "Als twee van u
overeenstemmen op aarde over enige zaak (wat ook) die zij begeren, het
zal hun gebeuren..."!
Hoeveel
oprechte Christenen zijn bemoedigd door deze verzen, om lichamelijke genezing te
verwachten, dagelijks werk, bevrijding van verzoeking, en oplossingen van
problemen, in antwoord op hun gebeden! Maar wie kan ontkennen dat vele
godsdienstige mensen, die deze beloften hebben geclaimd in eenvoudig geloof, ook
diep teleurgesteld zijn bij de ontdekking, dat hun gebeden onbeantwoord bleven?
Zulke ervaringen hebben dikwijls diepere lidtekens achtergelaten in de levens
van ernstige gelovigen, dan hun medemensen waarnemen.
Hoe
kunnen we dit schijnbaar falen van Gods zijde om Zijn Woord te houden,
verklaren?
Het
antwoord is fundamenteel een zaak van bedeling. Want omdat het waar is, dat
zonde door de vingers zien, zelfzuchtige motieven, ongeloof, etc. meestal tellen
bij onverhoorde gebeden, is het ook waar, dat zulke beloften als die eerder
werden aangehaald, niet in de eerste plaats voor ons werden gegeven, en
wij geen recht hebben ze te claimen.
Voordat de lezer nu dit boek geergerd terzijde legt, zouden wij willen
aandringen om ייn simpel feit in aanmerking te nemen: dat de "wat
ook"-beloften slechts in een klein deel van de Bijbel zijn te vinden: n.l.
dat gedeelte, wat handelt over de aardse bediening van onze Here (hoewel er in
de Hebreeuws-Christelijke epistels op wordt gezinspeeld). Nimmer in het Oude
Testament, noch in de brieven van Paulus, zullen we vinden, dat "alle
dingen, welke gij ook in gebed, gelovend zult vragen, gij ontvangen zult".
Waarom is dit zo? Eenvoudig omdat deze beloften te maken hadden met de
vestiging van Christus' Koninkrijk op aarde. In de dagen, waarin dat koninkrijk
zal aanbreken, zullen de gelovigen, net als met Pinksteren, op
bovennatuurlijke wijze worden begeleid door de Heilige Geest,*/[iii]
Die zal hen leiden om Zijn wil te doen (Jer.31:31-34; Ezech.36:26,27; Ps.110:3).
Dan zullen hun gebeden door de Geest worden geinspireerd. De evenementen die er
dan zullen zijn, zijn verbonden met de regering van onze Heer. Hij verkondigde
deze, als deeluitmakend van "het evangelie van het koninkrijk".
Verder moeten wij er aan denken, dat de inbreng van de huidige bedeling, toen
"een geheimenis was...verborgen in God", en dat het koninkrijk toen
werd geproclameerd als "nabij" (Matt.4:17).*/[iv]
Voordat we dit onderwerp beeindigen, moeten we de andere redenen
voor onverhoord gebed, waar reeds naar verwezen werd, behandelen. Hier zijn
bepaalde grondprincipes bij, die noodzakelijk blijven, in elke bedeling.
De Psalmist zegt terecht: "Had ik naar ongerechtigheid met mijn
hart gezien, de Here zou niet gehoord hebben" (Ps.66:18). Zonde bewaard
in het hart, kan niet anders, dan de gemeenschap tussen God en de gelovige,
verhinderen. Het is daarom altijd waar, dat "het...gebed van de
rechtvaardige veel vermag" (Jac.5:16).
Op
dezelfde wijze verhindert een geest van ongeloof, in welke bedeling ook,
antwoord op gebed (Jac.1:5-7). Alsook zelfzuchtige motieven: "Gij bidt,
en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten
(eigen verlangens) doorbrengen zoudt" (Jac.4:3).
Een
effectief gebedsleven moet danook gebaseerd zijn op een verstandelijk begrijpen
van Gods Woord, en een leven in gemeenschap met Hem.
HET BIDDEN IN DE BRIEVEN VAN PAULUS
Het
goddelijk gebedsprogramma heeft tot aan Paulus, door de eeuwen heen, meerdere,
belangrijke, historische, of door
bedelingen bepaalde, veranderingen ondergaan. Bij voorbeeld, de dood,
opstanding, en hemelvaart van Christus, beinvloedden het beduidend. Het was met
het oog op Zijn hemelvaart, dat Hij zei:
"Tot
nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt,
en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zal zijn"
(Joh.16:24).
Omdat
deze verklaring juist werd gegeven met het oog op het komende koninkrijk, was
het vanaf deze tijd, dat zij begonnen met te bidden tot de Vader, in
Christus' naam. Het huidige gebed dient te worden gericht tot de Vader, in
de naam van de Zoon en "in de Heilige Geest" (Joh.16:24; Eph.3:14;
6:18).
Het
gebed in Israel, was veelmeer gebaseerd op een verbondsbetrekking met God,
terwijl gebed in het Lichaam van Christus, uitsluitend is gebaseerd op Gods
genade door het werk en de verdiensten van Christus.
Door
genade hebben wij, leden van het Lichaam van Christus, een inniger relatie tot
God, dan Israel van ouds had. Terwijl het Israels roeping was om Gods naam groot
te maken op aarde, is onze positie in de hemelse gewesten, aan de rechterhand
van God (Eph.1:3; 2:4-6; Phil.3:20). Terwijl Satan en zijn boze geesten willen
voorkomen dat wij deze positie bevindelijk (Eph.6:10-17) zouden innemen,
hebben wij het recht deze te bezetten, en worden we vermaand dat ook te
doen (Col.3:1,2). Wij zijn dus positioneel gezeten in de hemelse
gewesten, terwijl wij "daadwerkelijk toegang hebben, door geloof, in
deze genade waarin wij staan" (Rom.5:2).
"Want
door Hem hebben wij beiden de toegang door ייn Geest tot de Vader" (Eph.2:18).
Verder
was voor Israel, het "gouden altaar" voor de "troon van
genade", waar God in barmhartigheid Zijn falend volk ontmoette, maar voor
ons, de leden van Christus' Lichaam, zegt Paulus, door de Geest:
"Laten
wij dan met vrijmoedigheid toegaan tot de TROON VAN DE GENADE, opdat wij
barmhartigheid mogen verkrijgen, en GENADE VINDEN OM GEHOLPEN TE WORDEN OP DE
JUISTE TIJD" (Hebr.4:16).
Zou,
wat betreft het ontvangen van wat wij ook vragen, zelfs in geloof, dit goed voor
ons zijn in "deze tegenwoordige boze eeuw"?
Het wonderbare feit is echter, dat we veel meer dan dit hebben, onder
genade.
In
Rom.8:26 lezen wij, wat wij in onze harten dikwijls moeten bekennen waar te
zijn:
"...WIJ
WETEN NIET WAT WIJ BIDDEN ZULLEN ZOALS HET BEHOORT...."
Maar
de apostel haast zich om uit te leggen, dat de Geest voor ons tussenbeide komt,
overeenkomstig Gods wil, en voegt dan toe:
"EN
WIJ WETEN DAT HUN DIE GOD LIEFHEBBEN, ALLE DINGEN MEEWERKEN TEN GOEDE, NAMELIJK
HUN DIE NAAR ZIJN VOORNEMEN GEROEPEN ZIJN" (Rom.8:28).
Ja, "want wij weten dat de hele schepping tesamen zucht, en
tesamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen zij, maar ook wijzelf,
die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in
onszelf, in de verwachting van...de verlossing van ons lichaam" (Rom.8:22,23).
Maar weinig gelovigen schatten dit feit naar waarde, dat de Heilige Geest met
ons mee zucht in onze huidige staat. Hij sympathiseert ten diepste, en "bidt
voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Rom.8:26). Zo komt God
ons te hulp, door Zijn Geest.
Gelovigen mogen, in de duisternis van deze tijd, niet ontvangen wat ze
ook maar vragen, maar:
"GOD IS MACHTIG ALLE GENADE OVERVLOEDIG TE DOEN ZIJN IN U; OPDAT
GIJ IN ALLES TE ALLEN TIJDE, VAN ALLES VOLDOENDE VOORZIEN, TOT ALLE GOED WERK
OVERVLOEDIG MOOGT ZIJN" (2Cor.8:9).
Al mogen wij dan niet alles ontvangen wat wij vragen, toch mogen we, door
Zijn genade, zoveel meer hebben dan dit, dat de apostel, bij het opsommen ervan,
uitbreekt in een lofprijzing:
"HEM NU, DIE MACHTIG IS MEER DAN OVERVLOEDIG TE DOEN, BOVEN AL
WAT WIJ BIDDEN OF DENKEN, NAAR DE KRACHT DIE IN ONS WERKT,
"HEM, ZIJ DE HEERLIJKHEID IN DE GEMEENTE, DOOR CHRISTUS JEZUS, IN
ALLE GESLACHTEN, TOT ALLE EEUWIGHEID. AMEN"
(Eph.3:20,21).
In het licht van dit alles wordt de hoogste uiting van geloof vandaag,
gevonden in de woorden van Paulus in Phil.4:6,7:
"WEEST IN GEEN DING BEZORGD;
"MAAR LAAT UW BEGEERTEN BIJ ALLES,
"DOOR BIDDEN EN SMEKEN,
"MET DANKZEGGING,
"BEKEND WORDEN BIJ GOD,
"EN...."
En wat?
En
"wat gij ook, gelovend, vraagt in gebed, zult gij ontvangen"?
NEEN!!
"...EN
DE VREDE VAN GOD, DIE ALLE VERSTAND TE BOVEN GAAT, ZAL UW HARTEN EN UW GEDACHTEN
BEWAREN IN CHRISTUS JEZUS."
Hier
is overvloedig bewijs, dat God niet doof is voor de roep van Zijn kinderen in
deze tijd. Hij dringt er bij hen op aan, om hun gehele hart voor Hem uit te
storten. "Vertel Mij alles, zegt Hij, "en weest in
geen ding bezorgd, want Ik zal het alles voor je ten goede
uitwerken."
Tenslotte
bemoedigen de brieven van Paulus aan de leden van Christus Lichaam ons om:
1.
Oprecht te bidden, "met een waarachtig hart" (Heb.10:22).
2.
Vurig te bidden, "in de geest" (1Cor.14:15).
3.
Intelligent te bidden, "ook met verstand" (1Cor.14:15).
4.
Onze gebeden te ondersteunen met toegewijd leven, "met opheffing van
heilige handen" (1Tim.2:8).
5.
Te bidden met vertrouwen, "vrijmoedig" (Heb.4:16).
6. Te bidden met "volle verzekering des geloofs",
wetende dat Hij alles ten goede zal uitwerken (Heb.10:22).
7.
Te bidden voor alle nood, "in alles" (Phil.4:6).
8.
Te bidden onmiddellijk, als de nood ontstaat, "instantelijk in
gebed" (Rom.12:12, K.J.V.).
9.
Te bidden "met dankzegging" (Phil.4:6).
10.
Volhardend te bidden "zonder ophouden",
"altijd" (Eph.6:18; 1Thes.5:17).
[i].*/Voetnoot: Hiermee wordt niet
ontkend, dat God in Zijn souvereiniteit zal antwoorden op de gebeden van de
ongeredde, wanneer Hij dat verkiest. Schrijver betuigt slechts, dat de
ongeredde geen aanspraak heeft op Gods horen.
[ii].*/Voetnoot: Wij erkennen
uiteraard dat dit gebed in alle opzichten subliem en perfect is. Maar als
geheel, kan het niet juist worden toegepast in de veranderde omstandigheden
van de huidige bedeling. Zie het boekje van de schrijver: The Lord's
Prayer and the Lord's People Today.
[iii].*/Voetnoot: Zie Hand.2:4, en het
boek van de auteur: The Believer's Walk in This Present Age.
[iv].*/Voetnoot: Het is niet de
bedoeling om hier het gebed, uitsluitend vanuit het standpunt van de
bedelingen, ter discussie te stellen. Een uitgebreider beschouwing van dit
onderwerp, kan worden gevonden in de brochure: Onverhoord Gebed.
|