H O O F D S T U K I
DE MENSELIJKE NATUUR.
Jaren geleden hadden wij
thuis een leuke, kleine, man van
ongeveer vier jaren. Een echte vraagal! Aan zijn vragen kwam geen einde. Wij
probeerden hem zoveel mogelijk opheldering te verschaffen vanaf: "Waarom
waggelen eenden als ze lopen?" tot "Op wat voor troon zit Jezus
nu?" Maar er waren soms ook vragen bij waarop wij moesten antwoorden: "Dat
weet ik niet!". Op een keer zuchtte hij, en zei: "Er zijn heel
wat dingen die u niet weet, is het wel?" En daarna, nogal peinzend: "Mijn
vader weet alles!"
Wij, gelovigen, zouden
dankbaar moeten zijn, dat onze hemelse Vader alles weet, en dat door Zijn
genade, er veel zaken zijn, - de aller-belangrijkste -, die Hij ons heel zeker
te kennen geeft. Niettemin weten wij toch veel dingen niet, en dat is in het
bijzonder zo m.b.t. onze eigen natuur, en ons bestaan. Deze vraag is zo
complex, dat wij nooit de studie daarover, hier op aarde, zullen kunnen
afsluiten. Over dit onderwerp zegt David terecht:"Ik zal U prijzen; want
ik ben op vreselijke wijze, wonderlijk gemaakt: wonderlijk zijn Uw werken; en
mijn ziel weet dat zeer wel." (Ps. 139:14)
Er zijn echter enige zaken
die God ons gezegd heeft m.b.t. onze natuur en bestaan, en juist hierover dienen
wij een fundamentele kennis te hebben, als we willen leren wat het is, om
waarlijk geestelijk te zijn, geestelijk in de Bijbelse zin van het woord.
Laat ons dan beginnen, om in het kort de menselijke natuur te beschouwen.
LICHAAM, ZIEL EN GEEST
De mens is, of heeft, een lichaam met ogen,
oren, neus, een tong, vingers en andere leden. Maar hij is meer dan een
lichaam. Binnen in hem, is dat wat aan zijn leden leven geeft, en zorgt dat hij
kan zien, horen, proeven, ruiken en voelen. Dit wordt genoemd de
"ziel" (Hebreeuws: nephesh, Grieks: psycha). Lexicons
verklaren het, als de adem des levens; de vitale kracht die het lichaam
aandrijft en zichtbaar
wordt, door ademhaling; dat waardoor het lichaam leeft en gevoelt. Het
lichaam van de mens werd gemaakt van het stof der aarde, maar om dan het lichaam
leven te geven, was het nodig voor God, de levensadem erin te blazen.
" En de
Heer vormde de mens uit het stof der aarde, en blies in zijn neusgaten de adem
des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel"
(Gen.2:7).
Aldus bestaat
het menselijk schepsel uit twee delen, het ene materieel, het twede immaterieel.
Maar er is ook nog een ander deel, ook immaterieel, genaamd, de geest (Hebr.: ruach,
Gr.: pneuma).
Aan de ziel
en de geest, samen immaterieel, worden enkele funkties toegeschreven in
de Bijbel, die soms als onveranderlijk worden gezien, maar hieruit volgt niet
dat deze eender zijn, want we vinden uiteindelijke verschillen tussen beiden, in
menig bijbelgedeelte.
In de brief
aan de Hebreeכrs, lezen we:
"Want het Woord Gods is levend en krachtig, en
scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van
de ziel en de geest..." (Heb. 4:12). Aan de Corintiכrs schreef Paulus m.b.t. het lichaam van de
gelovige:
"Een natuurlijk lichaam
(Lett. een zielig lichaam) wordt er gezaaid', een
geestelijk lichaam wordt er opgewekt" (1 Cor. 15:44).
In de brief
van Judas staat ook duidelijk, dat ziel en geest niet hetzelfde
zijn, want daar lezen we: "Dezen zijn het, die zichzelf afscheiden,
natuurlijke (Gr. psuchikoi, zielige) mensen die de Geest NIET
hebben." (Jud.1)
De lexicons definieren de pneuma,
als het rationeel deel van de mens, waardoor hij goddelijke en eeuwige zaken
opmerkt en begrijpt, en waarop de Geest van God Zijn invloed uitoefent.
Bovengenoemde passages maken
een einde aan de strijd, dat de geest in het lichaam, de ziel is, - of dat geest
en lichaam samengevoegd, de ziel zou zijn. En eveneens, dat de mens een ziel is,
maar geen ziel heeft, en dat wanneer de geest het lichaam verlaat, er
geen ziel meer is.
Toch, hoewel de mens
"een levende ziel werd", wordt niettemin in de Schrift gesproken van
de ziel, gescheiden van het lichaam, zowel als van de geest. Want niet alleen
dringt het Woord in "ter verdeling des ziels en des geestes"
(Hebr. 4:12), maar het brengt ook scheiding tussen de ziel en het lichaam, want
in Matth. 10:28 spreekt de Heer Jezus Christus:"En vreest niet voor
degenen die het LICHAAM doden, doch de ZIEL niet kunnen doden; maar vreest veel
meer Hem, Die BEIDE ZIEL EN LICHAAM kan verderven in de hel."
Zoals we zullen zien, is de
ziel de behuizing van het menselijk wezen, en daarom wordt deze ook een ziel
genoemd (Gen. 2:7; Hand. 2:41). Maar omdat hij
geest is, lezen we ook in de Schrift, dat hij een ziel heeft:
Job 14:22: "Maar
zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en ZIJN ZIEL, IN HEM ZIJNDE, heeft
rouw."
Jes.53:12 "...omdat Hij ZIJN ZIEL uitgestort heeft in den
dood..." Hand.2:31, "...dat
Zijn ZIEL NIET IS VERLATEN IN DE HEL, noch zijn vlees verderving heeft
gezien."
Aldus schrijft Apostel
Paulus aan de Thessalonicenzen: "Ik bid God dat GEHEEL UW OPRECHTE
GEEST, ZIEL, EN LICHAAM, moge onberispelijk wordenbewaard bij de komst van onze
Heere Jezus Christus" (1 Thess.5;23).
Wij zouden de
bekende stelling willen onderschrijven, dat wereld-bewustheid tot het
lichaam behoort (Matt. 6:22; 1 Cor. 12:14-17), zelfbewustheid tot de
ziel( 1 Petr. 1:9), en Godsbewustheid tot de geest (Rom. 1:9; 8:16), er
vanuit gaande, dat deze drie zo eng verbonden zijn, dat het lichaam b.v. alleen
wereldbewust is, voor zover de ziel bewustheid schenkt, en dat de ziel en de
geest op dezelfde wijze gerelateerd zijn. Het is zeker waar, dat het lichaam,
zijnde physiek, het meest nauw verbonden is aan de aarde en de materiele dingen
(Gen.3:19). Maar ook, dat de geest vףףr de val, het innigst met God in relatie
stond, en nog steeds datgene is, waarop de Heilige Geest Zijn invloed uitoefent
(Eph.1:17;4:23). De ziel is het medium tussen de twee; de plaats van de
gevoelens, emoties, beslissingen. Zij verbindt lichaam en geest, conform
Gen.2:7; Joh.11:33; Mark.14:34.
DE ZIEL, ZETEL VAN HET MENSELIJK WEZEN
Terwijl het
duidelijk schijnt uit Gen.2:7, dat de ziel, reeds sinds de schepping, de zetel
van het menselijk wezen is geweest, is het ook duidelijk dat vףףr de val, de
ziel ondergeschikt was aan zijn geest, die op zijn beurt, in volkomen harmonie
was met Gods Geest. Bij de zondeval echter, werd dit veranderd. De verleider
overtuigde de mens, dat als hij zijn eigen "rechten" aanvaarde, hij
"als God" kon zijn. De mens geloofde de leugen, en als resultaat, werd
hij er door overheerst. Zelfkennis leidde tot eigen-belang, eigen-wil en
eigen-zin. Elk menselijk wezen werd van nature een god voor zichzelf. Bij de val
werd de mens een gevallen, zielig, wezen, waarbij zijn gevallen ziel,
zijn eigendunk en eigenbelang, zowel zijn lichaam, als zijn geest beinvloedt en
domineert. Dit dreef vanzelf tot vijandschap tegen God en vervreemding van
God - in ייn woord: d o o d.
Het is de
bedoeling van dit boek om aan te tonen hoe God, door genade, verlossing aanbiedt
uit deze toestand, zף dat dode en stervende zondaars mogen worden: levende en
geestelijke heiligen.
BIJBELSE
GEESTELIJKHEID
Wat wordt er in de Bijbel
bedoeld met uitdrukkingen zoals: "hij die geestelijk is" en "gij
die geestelijk zijt"? Bij het beantwoorden van deze vraag, moeten we
eerst opmerken, dat ware geestelijkheid niet bestaat uit de beheersing
van het mensenleven door zijn geest, meer dan door zijn ziel of zijn lichaam.
Want met de komst van de zonde, werd het gehele wezen van de mens
"vervreemd van het leven van God" (Eph.4:17-19), en hij werd met
geest, ziel, en lichaam, een gevallen schepping. Bovendien werd, zoals we hebben
gezien, omdat 'smensen bedorven
ziel nu, inplaats van eenvoudig de zetel van zelfbewustheid, nu de zetel van
eigendunk en eigenbelang. Dit had
een verwoestend effect op zijn geest. De gehele inwendige mens, was in
vijandschap gezet tegen God.(Rom.8:7;Col.1:21).
Een beschouwing van het
gebruik in de Bijbel van het woord pneuma, zal snel het begrip dat de
aard van de geest op zichzelf wel goed is, doen verdwijnen. Telkens lezen we in
de Schriften, over "onreine" en "boze" geesten (Mark.1:23;
Luc. 7:21, etc.). In 1 Petr.3:19,20, lezen we over "geesten in de
gevangenis", die daarin geworpen werden vanwege hun ongehoorzaamheid in de
dagen van Noach. Zoals wij weten, is satan zelf "de
geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid" (Eph.2:2),
en gelovigen worden uitdrukkelijk gewaarschuwd, dat hun strijd niet tegen vlees
en bloed is, maar tegen boze geesten in de hemelse gewesten (Eph.6:12). Het feit
dat wij worden opgeroepen om ons te reinigen van alle besmetting van "het
vlees*/[i]
en de geest" (2Cor.7:1), en dat sommigen zoeken om "heilig te
zijn naar lichaam en in geest" (1Cor.7:34), wijst er
duidelijk op, dat de geest van de mens niet onbesmet bleef in de zondeval.
Het is daarom niet genoeg,
dat ons leven door onze geest wordt beheerst. De gehele mens, geest, ziel
en lichaam, moet onder de heerschappij komen van Gods Geest. Geestelijke
mensen, zoals de Bijbel bedoelt, zijn diegenen, die "De Geest,die uit God
is" (1Cor.2:11) bezitten, waarderen, en reageren op "de dingen van de
Geest van God" (1Cor.2:14). Zij worden "geleid door de Geest van
God"(Rom.8:14), en dragen aldus "de vrucht van de Geest"
(Gal.5:22).
Dat bijbelse
geestelijkheid te doen heeft met het werk van de Geest van God in de
gelovige, is duidelijk uit 1Cor.2:11, waar apostel Paulus aanwijst, dat zoals
niemand kan begrijpen "wat in een mens is", ware het niet
vanwege "de geest van de mens die in hem is", dan kan niemand
"de dingen van God" onderkennen, dan door "de Geest van
God".
Het feit
alleen al, dat de gevallen mens zelf geest is, of heeft, helpt hem niet, om God
te verstaan, of om meer Godgelijk te zijn. Dit feit dient wel te worden
vastgesteld door hen, die proberen God te behagen door constant -en tevergeefs-
te trachten om een "edeler" en "hogere" stand voor zichzelf
te bereiken.
DE GEEST EN HET VLEES.
In dit
verband hebben de brieven van Paulus veel te zeggen over het vlees (Gr. Sarx)
in ethische zin, als kennisgeving, niet alleen in de zin van het physieke
lichaam, ook niet lichaam en ziel, maar over de gevallen Adamitische natuur in
de mens. Deze doordringt zijn gehele wezen, met inbegrip zelfs van zijn
geest.
In het vlees,
zo zegt de apostel, "woont geen goeds" (Rom.7;18). Hij noemt het
"zondig vlees" (Rom.8:3). Hij vertelt ons dat "het vlees begeert
tegen de Geest" (Gal.5:17), dat het "gelegenheid" zoekt om
verkeerd te doen (Gal.5:13), en dat "de werken van het vlees" allen
boos zijn (Gal.5:19-21).
Het is
belangrijk, dat we begrijpen dat met het woord "vlees", in dergelijke
passages meer wordt bedoeld dan het physieke lichaam, of ook lichaam en ziel. De
apostel verwijst naar de oude natuur zoals deze werkt in de gehele mens.
Dikwijls, om zeker te zijn,
uit de gevallen ziel van de mens zich in de ongedwongen toelating van sensuele
hartstochten, maar aan de andere kant, uit zij zich in een poging om deze
hartstochten onder contrפle te krijgen. De "oude mens" kan uiterlijk
zedig en oprecht, en tamelijk religieus zijn. Hij kan getrouw vasten en
religieuse feesten in acht nemen. Hij kan streven om zijn lichaam onder contrפle
te houden, zichzelf disciplineren door deelname aan ascetische, vrome praktijken
in "gewilde nederigheid", terwijl hij echter in werkelijkheid meer dan
onwelgevallig voor God is, omdat hij "opgeblazen is in vleeselijk
denken", veronderstellende dat hij iets "van zichzelf aan het
maken is. En ondertussen kunnen de "inzettingen" waaraan hij zichzelf
"onderwerpt", en zelfs zijn "niet (of wel) sparen van zijn
lichaam" blijken niets uit te richten, dan "bevrediging van het
vlees" (Col.2:18-23), om de eenvoudige reden, dat al deze pogingen slechts
pogingen zijn van het vlees om zichzelf te verbeteren.
Het is dan ook niet verwonderlijk, dat we lezen, niet alleen dat
"hij die in het vlees zaait, in het vlees verderf zal oogsten"
(Gal.6:8), maar dat zelfs "het denken van het vlees dood is....omdat
vleeselijk denken vijandschap tegen God is; want het onderwerpt zich niet aan
Gods wet, want het kan dat ook niet "(Rom.8:6,7)
"Zij dan, die in het
vlees zijn (a.v. leven in de oude natuur) kunnen God niet behagen" (Rom.8:8).
Dit is belangrijk om vast te houden. Het doet er niet toe hoe welopgevoed, of
gecultiveerd, of religieus, de natuurlijke mens ook moge zijn, hij KAN GOD
NIET WELGEVALLIG ZIJN.
Wij hebben ons met dit onderwerp wat langer bezig gehouden, opdat de
lezer niet zal worden misleid door te veronderstellen, dat indien slechts zijn
geest enigszins controle over zijn lichaam zou krijgen, hij een beter mens zou
zijn. Zijn geest, ziel, en lichaam, zijn immers van kindsheid af onder controle
van de gevallen, Adamitische natuur, - " het vlees".
Wat de zondaar nodig heeft
is: een nieuwe natuur, ontvangen van de Geest van God, zodat God Zelf controle
heeft.
VORMEN VAN
PSEUDO - GEESTELIJKHEID
Voordat
we uitleggen, vanuit de Schriften, hoe zondaars "deelgenoten van de
Goddelijke natuur" kunnen worden, moet er iets meer gezegd worden over wat
geestelijkheid niet is.
Tengevolge
van ernstige, ofschoon vergeefse, pogingen door de ongeredden om de oude natuur
te verbeteren, zijn er verscheidene vormen van pseudo-geestelijkheid, die
menigeen, zelfs onder Godskinderen, hebben opgevat als zijnde echt,
veronderstellende dat zij met een inwendige werking van Gods Geest te doen
hebben.
Bij sommigen
wordt puur emotie gezien als geestelijkheid. Natuurlijke, emotionele
reakties op boeiende verhalen, hartstochtelijke oproepen, of schone gewijde
muziek, wordt verondersteld te zijn, de inwendige werking van de Geest, en zij
die klaar staan om op deze dingen te reageren, worden geacht zeer geestelijk te
zijn.
Bij anderen
wordt plechtigheid voor geestelijk gehouden. Zij vinden, dat echte
gelovigen altijd ernstig moeten zijn, en dus lopen zij rond met gebogen hoofd,
een lang gezicht, en over `t algemeen een zuinig gedrag, of wellicht, proberen
zij meer geestelijkheid aan te trekken door zo te doen, opdat anderen,
-die hen niet zo goed kennen- hun vroomheid opmerken.
Met weer
anderen is het tegenovergestelde aan de hand. Zij houden vrolijkheid voor
geestelijkheid, en kijken naar hen, die het vlugst, of hard roepen: " Prijs
de Heer!", of die altijd gelukkig schijnen te zijn, als zijnde zeer
geestelijk.
Heel veel
wordt plechtige vormelijkheid met geestelijkheid verward. Het deelnemen
aan een "sacrament", staren naar een " heilige" plaat of
beeld, knielen voor een altaar, kunnen en worden dikwijs voor geestelijk
gehouden.
Wellicht is
het meest voorkomende tegendeel van ware geestelijkheid, datgene, wat gelovigen
het minst geneigd zijn te veronderstellen dat zij er ooit door zullen worden
bedrogen: bijgeloof, dat zo massaal inspeelt op de verbeelding. Een jonge
man zoekt te ontdekken wat Gods wil is voor zijn leven, door zijn bijbel
willekeurig te openen, en zijn vinger te laten glijden, op goed geluk, tot op
een passage waarvan wordt verondersteld een aanwijzing te zijn naar de leiding
van God.
Een
huisvrouw zoekt leiding voor de dag, door op goed geluk een belofte uit een
doosje met belofte-teksten te trekken, een belofte die wellicht helemaal niet op
haar slaat en die zij zal moeten "vergeestelijken" op de een of andere
manier, om deze passend te maken. Weer een ander zegt: "Ik heb er met de
Heer over gesproken en Hij zei:...." Dikwijls worden de meest onbijbelse
praktijken of handelingen op deze manier gerechtvaardigd. Wanneer mensen ons dit
vertellen, gaan wij in `t algemeen verder op deze zaak in. We vragen dan: "Wat
precies heeft de Heer tot je gezegd?" "Hoe heeft Hij dat
gezegd?" "Heb je Zijn stem gehoord?"
Wij
geloven dat God inderdaad tot Zijn kinderen spreekt, direct in Zijn Woord en
indirect door omstandigheden, maar zelfs in de bijbelse tijden was het
vergelijkbaar zelden, dat men de stem van God ooit "hoorde". Over het
algemeen was " wat de Heer zeide" in zulke gevallen als bovenstaande,
niets anders dan een volledig menselijk gevoelde emotie of meningsuiting, - en
als geheel onbetrouwbaar. Indien "Wat de Heer zeide" een echte
overtuiging was, gebaseerd op de geopenbaarde wil van God, dan kan gezegd
worden, dat God tot de persoon "door Zijn Woord" sprak, ongetwijfeld
in "antwoord" op gebed, maar de indruk moet niet worden gewekt dat de
Heer iets "sprak" of "fluisterde" terwijl de persoon bezig
was in gebed.
Diegenen die voorgeven dat zij zulke ervaringen hebben en
veronderstellen dat dit een zekere graad van geestelijkheid weerspiegelt, moeten
op hun beurt, de Schriften onderzoeken en leren dat in de dagen dat God tot
mensen sprak, of door engelverschijningen, Hij dit zowel tot de goddelozen als
tot de heiligen deed. Ongetwijfeld zal onze tegenstander ons gaarne bezig houden
met ingebeelde "stemmen" en "openbaringen" en, op die
manier, de thans volkomen openbaring van de Heilige Schriften ontgaan.
Wil ons niet
misverstaan. We zeggen niet dat emotionele reacties, of oprechte ernst, of
blijheid, verkeerd zou zijn. We zeggen eenvoudig dat ze niet moeten worden
verward met echte geestelijkheid. De ongeredde kan schijnbaar emotionele
reacties ervaren die overeenkomen met die, welke door geredden worden gevoeld.
De ongeredde kan ook vrolijk of ernstig zijn. Zeker hebben plechtige handelingen
en bijgeloof, een ruime plaats gekregen onder ongeredden. Ondanks dit, zijn de
ongeredden, wat ook hun emotionele ervaringen zijn, hoe ernstig of blij, hoe
overgegeven aan liturgie of bijgeloof, verre van geestelijk.
[i].*/Voetnoot: Dit slaat op de
physieke mens, aldus verbonden met de geest.
|