De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

De Ware geestelijkheid 

H O O F D S T U K  I

   DE MENSELIJKE NATUUR.

  Jaren geleden hadden wij thuis een leuke, kleine,  man van ongeveer vier jaren. Een echte vraagal! Aan zijn vragen kwam geen einde. Wij probeerden hem zoveel mogelijk opheldering te verschaffen vanaf: "Waarom waggelen eenden als ze lopen?" tot "Op wat voor troon zit Jezus nu?" Maar er waren soms ook vragen bij waarop wij moesten antwoorden: "Dat weet ik niet!". Op een keer zuchtte hij, en zei: "Er zijn heel wat dingen die u niet weet, is het wel?" En daarna, nogal peinzend: "Mijn vader weet alles!"

  Wij, gelovigen, zouden dankbaar moeten zijn, dat onze hemelse Vader alles weet, en dat door Zijn genade, er veel zaken zijn, - de aller-belangrijkste -, die Hij ons heel zeker te kennen geeft. Niettemin weten wij toch veel dingen niet, en dat is in het bijzonder zo m.b.t. onze eigen natuur, en ons bestaan. Deze vraag is zo complex, dat wij nooit de studie daarover, hier op aarde, zullen kunnen afsluiten. Over dit onderwerp zegt David terecht:"Ik zal U prijzen; want ik ben op vreselijke wijze, wonderlijk gemaakt: wonderlijk zijn Uw werken; en mijn ziel weet dat zeer wel." (Ps. 139:14)    

  Er zijn echter enige zaken die God ons gezegd heeft m.b.t. onze natuur en bestaan, en juist hierover dienen wij een fundamentele kennis te hebben, als we willen leren wat het is, om waarlijk geestelijk te zijn, geestelijk in de Bijbelse zin van het woord. Laat ons dan beginnen, om in het kort de menselijke natuur te beschouwen.

   LICHAAM, ZIEL EN GEEST

De mens is, of heeft, een lichaam met ogen,  oren, neus, een tong, vingers en andere leden. Maar hij is meer dan een lichaam. Binnen in hem, is dat wat aan zijn leden leven geeft, en zorgt dat hij kan zien, horen,  proeven, ruiken en voelen. Dit wordt genoemd de "ziel" (Hebreeuws: nephesh, Grieks: psycha). Lexicons verklaren het, als de adem des levens; de vitale kracht die het lichaam aandrijft en zichtbaar        wordt, door ademhaling; dat waardoor het lichaam leeft en gevoelt. Het lichaam van de mens werd gemaakt van het stof der aarde, maar om dan het lichaam leven te geven, was het nodig voor God, de levensadem erin te blazen.

 " En de Heer vormde de mens uit het stof der aarde, en blies in zijn neusgaten de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel" (Gen.2:7).

 Aldus bestaat het menselijk schepsel uit twee delen, het ene materieel, het twede immaterieel. Maar er is ook nog een ander deel, ook immaterieel, genaamd, de geest (Hebr.: ruach, Gr.: pneuma). 

 Aan de ziel en de geest, samen immaterieel, worden enkele funkties toegeschreven in de Bijbel, die soms als onveranderlijk worden gezien, maar hieruit volgt niet dat deze eender zijn, want we vinden uiteindelijke verschillen tussen beiden, in menig bijbelgedeelte.  In de brief aan de Hebreeכrs, lezen we:  

"Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel en de geest..." (Heb. 4:12). Aan de Corintiכrs schreef Paulus m.b.t. het lichaam van de gelovige:

  "Een natuurlijk lichaam (Lett. een zielig lichaam) wordt er gezaaid', een geestelijk lichaam wordt er opgewekt" (1 Cor. 15:44).

   In de brief van Judas staat ook duidelijk, dat ziel en geest niet hetzelfde zijn, want daar lezen we: "Dezen zijn het, die zichzelf afscheiden, natuurlijke (Gr. psuchikoi, zielige) mensen die de Geest NIET hebben." (Jud.1)

    De lexicons definieren de pneuma, als het rationeel deel van de mens, waardoor hij goddelijke en eeuwige zaken opmerkt en begrijpt, en waarop de Geest van God Zijn invloed uitoefent.

   Bovengenoemde passages maken een einde aan de strijd, dat de geest in het lichaam, de ziel is, - of dat geest en lichaam samengevoegd, de ziel zou zijn. En eveneens, dat de mens een ziel is, maar geen ziel heeft, en dat wanneer de geest het lichaam verlaat, er geen ziel meer is.

   Toch, hoewel de mens "een levende ziel werd", wordt niettemin in de Schrift gesproken van de ziel, gescheiden van het lichaam, zowel als van de geest. Want niet alleen dringt het Woord in "ter verdeling des ziels en des geestes" (Hebr. 4:12), maar het brengt ook scheiding tussen de ziel en het lichaam, want in Matth. 10:28 spreekt de Heer Jezus Christus:"En vreest niet voor degenen die het LICHAAM doden, doch de ZIEL niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die BEIDE ZIEL EN LICHAAM kan verderven in de hel."

  Zoals we zullen zien, is de ziel de behuizing van het menselijk wezen, en daarom wordt deze ook een ziel genoemd (Gen. 2:7; Hand. 2:41). Maar omdat hij  geest is, lezen we ook in de Schrift, dat hij een ziel heeft:

  Job 14:22: "Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en ZIJN ZIEL, IN HEM ZIJNDE, heeft rouw." Jes.53:12 "...omdat Hij ZIJN ZIEL uitgestort heeft in den dood..." Hand.2:31, "...dat Zijn ZIEL NIET IS VERLATEN IN DE HEL, noch zijn vlees verderving heeft gezien."    

 Aldus schrijft Apostel Paulus aan de Thessalonicenzen: "Ik bid God dat GEHEEL UW OPRECHTE GEEST, ZIEL, EN LICHAAM, moge onberispelijk wordenbewaard bij de komst van onze Heere Jezus Christus" (1 Thess.5;23).

 Wij zouden de bekende stelling willen onderschrijven, dat wereld-bewustheid tot het lichaam behoort (Matt. 6:22; 1 Cor. 12:14-17), zelfbewustheid tot de ziel( 1 Petr. 1:9), en Godsbewustheid tot de geest (Rom. 1:9; 8:16), er vanuit gaande, dat deze drie zo eng verbonden zijn, dat het lichaam b.v. alleen wereldbewust is, voor zover de ziel bewustheid schenkt, en dat de ziel en de geest op dezelfde wijze gerelateerd zijn. Het is zeker waar, dat het lichaam, zijnde physiek, het meest nauw verbonden is aan de aarde en de materiele dingen (Gen.3:19). Maar ook, dat de geest vףףr de val, het innigst met God in relatie stond, en nog steeds datgene is, waarop de Heilige Geest Zijn invloed uitoefent (Eph.1:17;4:23). De ziel is het medium tussen de twee; de plaats van de gevoelens, emoties, beslissingen. Zij verbindt lichaam en geest, conform Gen.2:7; Joh.11:33; Mark.14:34.

DE ZIEL, ZETEL VAN HET MENSELIJK WEZEN

   Terwijl het duidelijk schijnt uit Gen.2:7, dat de ziel, reeds sinds de schepping, de zetel van het menselijk wezen is geweest, is het ook duidelijk dat vףףr de val, de ziel ondergeschikt was aan zijn geest, die op zijn beurt, in volkomen harmonie was met Gods Geest. Bij de zondeval echter, werd dit veranderd. De verleider overtuigde de mens, dat als hij zijn eigen "rechten" aanvaarde, hij "als God" kon zijn. De mens geloofde de leugen, en als resultaat, werd hij er door overheerst. Zelfkennis leidde tot eigen-belang, eigen-wil en eigen-zin. Elk menselijk wezen werd van nature een god voor zichzelf. Bij de val werd de mens een gevallen, zielig, wezen, waarbij zijn gevallen ziel, zijn eigendunk en eigenbelang, zowel zijn lichaam, als zijn geest beinvloedt en domineert. Dit dreef vanzelf tot vijandschap tegen God en vervreemding van God - in ייn woord: d o o d.  

 Het is de bedoeling van dit boek om aan te tonen hoe God, door genade, verlossing aanbiedt uit deze toestand, zף dat dode en stervende zondaars mogen worden: levende en geestelijke heiligen.

    BIJBELSE GEESTELIJKHEID

   Wat wordt er in de Bijbel bedoeld met uitdrukkingen zoals: "hij die geestelijk is" en "gij die geestelijk zijt"? Bij het beantwoorden van deze vraag, moeten we eerst opmerken, dat ware geestelijkheid niet bestaat uit de beheersing van het mensenleven door zijn geest, meer dan door zijn ziel of zijn lichaam. Want met de komst van de zonde, werd het gehele wezen van de mens "vervreemd van het leven van God" (Eph.4:17-19), en hij werd met geest, ziel, en lichaam, een gevallen schepping. Bovendien werd, zoals we hebben gezien, omdat  'smensen bedorven ziel nu, inplaats van eenvoudig de zetel van zelfbewustheid, nu de zetel van eigendunk en eigenbelang.  Dit had een verwoestend effect op zijn geest. De gehele inwendige mens, was in vijandschap gezet tegen God.(Rom.8:7;Col.1:21).  

 Een beschouwing van het gebruik in de Bijbel van het woord pneuma, zal snel het begrip dat de aard van de geest op zichzelf wel goed is, doen verdwijnen. Telkens lezen we in de Schriften, over "onreine" en "boze" geesten (Mark.1:23; Luc. 7:21, etc.). In 1 Petr.3:19,20, lezen we over "geesten in de gevangenis", die daarin geworpen werden vanwege hun ongehoorzaamheid in de dagen van Noach. Zoals wij weten, is satan zelf "de  geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid" (Eph.2:2), en gelovigen worden uitdrukkelijk gewaarschuwd, dat hun strijd niet tegen vlees en bloed is, maar tegen boze geesten in de hemelse gewesten (Eph.6:12). Het feit dat wij worden opgeroepen om ons te reinigen van alle besmetting van "het vlees*/[i] en de geest" (2Cor.7:1), en dat sommigen zoeken om "heilig te zijn naar lichaam en in geest" (1Cor.7:34), wijst er duidelijk op, dat de geest van de mens niet onbesmet bleef in de zondeval.

   Het is daarom niet genoeg, dat ons leven door onze geest wordt beheerst. De gehele mens, geest, ziel en lichaam, moet onder de heerschappij komen van Gods Geest. Geestelijke mensen, zoals de Bijbel bedoelt, zijn diegenen, die "De Geest,die uit God is" (1Cor.2:11) bezitten, waarderen, en reageren op "de dingen van de Geest van God" (1Cor.2:14). Zij worden "geleid door de Geest van God"(Rom.8:14), en dragen aldus "de vrucht van de Geest" (Gal.5:22).

   Dat bijbelse geestelijkheid te doen heeft met het werk van de Geest van God in de gelovige, is duidelijk uit 1Cor.2:11, waar apostel Paulus aanwijst, dat zoals niemand kan begrijpen "wat in een mens is", ware het niet vanwege "de geest van de mens die in hem is", dan kan niemand "de dingen van God" onderkennen, dan door "de Geest van God".

   Het feit alleen al, dat de gevallen mens zelf geest is, of heeft, helpt hem niet, om God te verstaan, of om meer Godgelijk te zijn. Dit feit dient wel te worden vastgesteld door hen, die proberen God te behagen door constant -en tevergeefs- te trachten om een "edeler" en "hogere" stand voor zichzelf te bereiken.

    DE GEEST EN HET VLEES.

   In dit verband hebben de brieven van Paulus veel te zeggen over het vlees (Gr. Sarx) in ethische zin, als kennisgeving, niet alleen in de zin van het physieke lichaam, ook niet lichaam en ziel, maar over de gevallen Adamitische natuur in de mens. Deze doordringt zijn gehele wezen, met inbegrip zelfs van zijn geest.

   In het vlees, zo zegt de apostel, "woont geen goeds" (Rom.7;18). Hij noemt het "zondig vlees" (Rom.8:3). Hij vertelt ons dat "het vlees begeert tegen de Geest" (Gal.5:17), dat het "gelegenheid" zoekt om verkeerd te doen (Gal.5:13), en dat "de werken van het vlees" allen boos zijn (Gal.5:19-21).

   Het is belangrijk, dat we begrijpen dat met het woord "vlees", in dergelijke passages meer wordt bedoeld dan het physieke lichaam, of ook lichaam en ziel. De apostel verwijst naar de oude natuur zoals deze werkt in de gehele mens.

   Dikwijls, om zeker te zijn, uit de gevallen ziel van de mens zich in de ongedwongen toelating van sensuele hartstochten, maar aan de andere kant, uit zij zich in een poging om deze hartstochten onder contrפle te krijgen. De "oude mens" kan uiterlijk zedig en oprecht, en tamelijk religieus zijn. Hij kan getrouw vasten en religieuse feesten in acht nemen. Hij kan streven om zijn lichaam onder contrפle te houden, zichzelf disciplineren door deelname aan ascetische, vrome praktijken in "gewilde nederigheid", terwijl hij echter in werkelijkheid meer dan onwelgevallig voor God is, omdat hij "opgeblazen is in vleeselijk denken", veronderstellende dat hij iets "van zichzelf aan het maken is. En ondertussen kunnen de "inzettingen" waaraan hij zichzelf "onderwerpt", en zelfs zijn "niet (of wel) sparen van zijn lichaam" blijken niets uit te richten, dan "bevrediging van het vlees" (Col.2:18-23), om de eenvoudige reden, dat al deze pogingen slechts pogingen zijn van het vlees om zichzelf te verbeteren.                                                                    Het is dan ook niet verwonderlijk, dat we lezen, niet alleen dat "hij die in het vlees zaait, in het vlees verderf zal oogsten" (Gal.6:8), maar dat zelfs "het denken van het vlees dood is....omdat vleeselijk denken vijandschap tegen God is; want het onderwerpt zich niet aan Gods wet, want het kan dat ook niet "(Rom.8:6,7)

   "Zij dan, die in het vlees zijn (a.v. leven in de oude natuur) kunnen God niet behagen" (Rom.8:8). Dit is belangrijk om vast te houden. Het doet er niet toe hoe welopgevoed, of gecultiveerd, of religieus, de natuurlijke mens ook moge zijn, hij KAN GOD NIET WELGEVALLIG ZIJN.

Wij hebben ons met dit onderwerp wat langer bezig gehouden, opdat de lezer niet zal worden misleid door te veronderstellen, dat indien slechts zijn geest enigszins controle over zijn lichaam zou krijgen, hij een beter mens zou zijn. Zijn geest, ziel, en lichaam, zijn immers van kindsheid af onder controle van de gevallen, Adamitische natuur, - " het vlees".

   Wat de zondaar nodig heeft is: een nieuwe natuur, ontvangen van de Geest van God, zodat God Zelf controle heeft.

       VORMEN VAN PSEUDO  - GEESTELIJKHEID

   Voordat we uitleggen, vanuit de Schriften, hoe zondaars "deelgenoten van de Goddelijke natuur" kunnen worden, moet er iets meer gezegd worden over wat geestelijkheid niet is.

   Tengevolge van ernstige, ofschoon vergeefse, pogingen door de ongeredden om de oude natuur te verbeteren, zijn er verscheidene vormen van pseudo-geestelijkheid, die menigeen, zelfs onder Godskinderen, hebben opgevat als zijnde echt, veronderstellende dat zij met een inwendige werking van Gods Geest te doen hebben.

   Bij sommigen wordt puur emotie gezien als geestelijkheid. Natuurlijke, emotionele reakties op boeiende verhalen, hartstochtelijke oproepen, of schone gewijde muziek, wordt verondersteld te zijn, de inwendige werking van de Geest, en zij die klaar staan om op deze dingen te reageren, worden geacht zeer geestelijk te zijn.

   Bij anderen wordt plechtigheid voor geestelijk gehouden. Zij vinden, dat echte gelovigen altijd ernstig moeten zijn, en dus lopen zij rond met gebogen hoofd, een lang gezicht, en over `t algemeen een zuinig gedrag, of wellicht, proberen zij meer geestelijkheid aan te trekken door zo te doen, opdat anderen, -die hen niet zo goed kennen- hun vroomheid opmerken.

   Met weer anderen is het tegenovergestelde aan de hand. Zij houden vrolijkheid voor geestelijkheid, en kijken naar hen, die het vlugst, of hard roepen: " Prijs de Heer!", of die altijd gelukkig schijnen te zijn, als zijnde zeer geestelijk.

   Heel veel wordt plechtige vormelijkheid met geestelijkheid verward. Het deelnemen aan een "sacrament", staren naar een " heilige" plaat of beeld, knielen voor een altaar, kunnen en worden dikwijs voor geestelijk gehouden.

   Wellicht is het meest voorkomende tegendeel van ware geestelijkheid, datgene, wat gelovigen het minst geneigd zijn te veronderstellen dat zij er ooit door zullen worden bedrogen: bijgeloof, dat zo massaal inspeelt op de verbeelding. Een jonge man zoekt te ontdekken wat Gods wil is voor zijn leven, door zijn bijbel willekeurig te openen, en zijn vinger te laten glijden, op goed geluk, tot op een passage waarvan wordt verondersteld een aanwijzing te zijn naar de leiding van God.

   Een huisvrouw zoekt leiding voor de dag, door op goed geluk een belofte uit een doosje met belofte-teksten te trekken, een belofte die wellicht helemaal niet op haar slaat en die zij zal moeten "vergeestelijken" op de een of andere manier, om deze passend te maken. Weer een ander zegt: "Ik heb er met de Heer over gesproken en Hij zei:...." Dikwijls worden de meest onbijbelse praktijken of handelingen op deze manier gerechtvaardigd. Wanneer mensen ons dit vertellen, gaan wij in `t algemeen verder op deze zaak in. We vragen dan: "Wat precies heeft de Heer tot je gezegd?" "Hoe heeft Hij dat gezegd?" "Heb je Zijn stem gehoord?"

   Wij geloven dat God inderdaad tot Zijn kinderen spreekt, direct in Zijn Woord en indirect door omstandigheden, maar zelfs in de bijbelse tijden was het vergelijkbaar zelden, dat men de stem van God ooit "hoorde". Over het algemeen was " wat de Heer zeide" in zulke gevallen als bovenstaande, niets anders dan een volledig menselijk gevoelde emotie of meningsuiting, - en als geheel onbetrouwbaar. Indien "Wat de Heer zeide" een echte overtuiging was, gebaseerd op de geopenbaarde wil van God, dan kan gezegd worden, dat God tot de persoon "door Zijn Woord" sprak, ongetwijfeld in "antwoord" op gebed, maar de indruk moet niet worden gewekt dat de Heer iets "sprak" of "fluisterde" terwijl de persoon bezig was in gebed.

Diegenen die voorgeven dat zij zulke ervaringen hebben en veronderstellen dat dit een zekere graad van geestelijkheid weerspiegelt, moeten op hun beurt, de Schriften onderzoeken en leren dat in de dagen dat God tot mensen sprak, of door engelverschijningen, Hij dit zowel tot de goddelozen als tot de heiligen deed. Ongetwijfeld zal onze tegenstander ons gaarne bezig houden met ingebeelde "stemmen" en "openbaringen" en, op die manier, de thans volkomen openbaring van de Heilige Schriften ontgaan.

  Wil ons niet misverstaan. We zeggen niet dat emotionele reacties, of oprechte ernst, of blijheid, verkeerd zou zijn. We zeggen eenvoudig dat ze niet moeten worden verward met echte geestelijkheid. De ongeredde kan schijnbaar emotionele reacties ervaren die overeenkomen met die, welke door geredden worden gevoeld. De ongeredde kan ook vrolijk of ernstig zijn. Zeker hebben plechtige handelingen en bijgeloof, een ruime plaats gekregen onder ongeredden. Ondanks dit, zijn de ongeredden, wat ook hun emotionele ervaringen zijn, hoe ernstig of blij, hoe overgegeven aan liturgie of bijgeloof, verre van geestelijk.  

 

[i].*/Voetnoot: Dit slaat op de physieke mens, aldus verbonden met de geest.

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011