|
13) Moeten wij
de Grote Opdracht niet uitvoeren?
Laten wij om deze
vraag te beantwoorden een geestelijke wandeling maken door de
Bijbel. Vanaf de val van Adam en Eva tot nu toe heeft God altijd de
redding van de mensheid gezocht. Hij heeft altijd voorzien in een
manier voor de mens om tot Hem te kunnen naderen. Door de eeuwen
heen heeft God er altijd voor gezorgd dat er personen of groepen
waren die de opdracht kregen om Zijn boodschap over te brengen naar
de mensen op deze aarde zodat ze duidelijk begrepen wat God van hen
verwachtte. Voor de zondvloed had Noach de opdracht om een prediker
van de gerechtigheid te zijn. Gedurende 120 jaar, terwijl hij de ark
bouwde, verkondigde hij Gods gerechtigheid aan een zondige en
slechte wereld.
Na de zondvloed keerde
de wereld zich al snel weer opnieuw van God af. De mensheid toonde
zijn opstand tegen God door een toren en een stad te bouwen om een
naam voor zichzelf te bouwen. Tot op vandaag weten wij de naam van
die toren – de toren van Babel, de stad Babylon. Vanaf dat punt gaf
God iemand anders de opdracht om een apart volk te worden waardoor
Hij deze ongelovige heidense volkeren kon bereiken. Die persoon was
Abram, die al snel Abraham zou worden. Dit volk, uiteindelijk bekend
als het volk Israël, kreeg de opdracht om een licht te zijn voor de
andere volkeren, om hen naar de ware en levende God te leiden. Het
was de bedoeling dat het zo in zijn werk zou gaan: God beloofde het
volk Israël dat als zij gehoorzaam zouden zijn aan Zijn verbond, dat
Hij hun God zou zijn en zij Zijn volk. Als de volkeren rondom Israël
God’s zegen zouden zien op dit éne volk zouden zij zichzelf afvragen
waarom zij zo gezegend werden? Dan zouden zij komen en hen
ondervragen en Israël zou naar zijn God wijzen en zeggen: “Wij zijn
zo gezegend omdat wij de levende en ware God dienen”.
Laat mij u een Oud
Testamentisch gedeelte geven om te illustreren hoe dit zou moeten
werken.
Dit was Gods manier om de volkeren van de aarde door Israël tot
Zichzelf te brengen. Wij noemen dit ook wel het Koninkrijksprogramma
of het profetische programma. Wij noemen dit het profetische
programma omdat het was geopenbaard aan de profeten. Daarvan was
gesproken door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw
(Hand 3:21).
Jesaja 60:1-3 : “Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en
de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Want zie, de duisternis
zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de
HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden”.
Over wie spreekt Hij hier? In deze context verwijst Hij naar Sion.
Sion is een andere naam voor Jeruzalem, de hoofdstad van het land
Israël. In vers 3 lezen wij: “En de heidenen zullen tot uw licht
gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan”. Het is
God’s bedoeling en plan dat Israël een licht zou zijn voor de
volkeren, dat Hij haar hoog op zou heffen zodat de volkeren dat
licht zouden zien zodat de koningen zouden komen en Gods
heerlijkheid zoeken door Israël. Zo zou het moeten werken. Maar
jammer genoeg, werkte het vaak niet zo. Door de eeuwen heen faalde
Israël om dat licht te zijn zoals God het van haar wilde. Israël
werd afvallig. Ze week af van de waarheid van Gods Woord en God’s
openbaring aan haar. Dit is de conditie waarin Christus haar vond
toen Hij naar deze aarde kwam als een baby in een kribbe. De eerste
opdracht voor de discipelen was niet om de wereld in te gaan.Om de
wereld te kunnen redden overéénkomstig dat koninkrijks of
profetische programma moest Israël eerst opgaan als een groot licht.
Israël zelf was in grote duisternis toen Christus kwam.
Let op hoe Hij sprak tot Zijn apostelen: Mattheus 10:1-4 “En
Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun
macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en
om alle ziekte en alle kwale te genezen. De namen nu der twaalf
apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas,
zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn
broeder; Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar;
Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus; Simon
Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.”.
Vers 5, “Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel
gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen,
en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen.” Wij
zouden kunnen vragen: Waarom niet? Hield God niet van de heiden
volkeren in die tijd? Wilde Christus hen niet allemaal redden?
Jazeker. Maar Hij handelde overéénkomstig de kennis dat God Zijn
licht naar de volkeren wilde brengen door het volk Israël. Als
Israël zelf verloren was, dan moest zij eerst tot de Heere komen, en
dan kon zij een licht voor de volkeren zijn. Daarom zegt Hij in vers
6,7, “Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het
huis Israels. En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der
hemelen is nabij gekomen.” In Mattheüs 15 lezen we deze
opdracht ook van toepassing was op onze Heere. Matthüs 15:21 zegt,
“En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en
Sidon.” En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep
tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn
dochter is deerlijk van den duivel bezeten.” Ziet u dat de
Heilige Geest de schrijver inspireert om ons te laten zien dat dit
een heidense vrouw is, een vrouw uit Kanaan. Waarom is dat zo
belangrijk? De Heere wil daar iets mee zeggen. Zij komt met een
vraag in vers 22: “En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen
komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U
mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Doch Hij
antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem
komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons
na. Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de
verloren schapen van het huis Israels.” Lijkt dat op onze
liefhebbende, zorgende Heere? Hij sprak niet eens met haar. Waarom
doet Hij dat?
Vers 25, “En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der
kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.” Het
lijkt van kwaad tot erger te worden. De Heere wist wat Zijn opdracht
was, Hij wist dat Hij was gezonden tot de verloren schapen van het
huis Israëls. Hij wist dat de volkeren niet gezegend konden worden
voordat de kinderen verzadigd waren. Welke kinderen? De kinderen
Israëls. Laat de kinderen eerst verzadigd worden. Maar let op haar
geloof in vers 27, “En zij zeide: Ja, Heere!” Haar antwoord
laat zien dat zij het programma begreep waaronder zij leefde. Zij
begreep dat zij niet direct aanspraak kon maken op Gods zegeningen.
Zij begreep dat zij geen toegang had tot de zegeningen die God
beloofd had aan Israël. Maar let op haar geloofsverklaring, “..
doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de
tafel van hun heren”. Zij zegt eigenlijk, Heere ik verwacht
geen directe zegen die u beloofd heeft aan Uw kinderen. Dat verwacht
ik niet. Ik wil alleen wat restjes. Ik wil alleen een paar kruimels.
De Heere zag op dat punt haar grote geloof en Hij zegende haar. Vers
28, “Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is
uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd
gezond van diezelfde ure.”
Hier ziet u duidelijk het principe dat de volkeren niet gezegend
worden onder dit koninkrijks en profetische programma voordat Israël
eerst is gezegend. Als Israël weer op orde zou zijn, dan en alleen
dan zou de boodschap uitgaan tot de volkeren. Christus maakte dit
duidelijk toen Hij de twaalf discipelen opdroeg:
Lukas 24:46,47 “En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo
moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.
En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der
zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.”
Hier vinden we hetzelfde principe. Laat de kinderen eerst verzadigd
worden. Handelingen 1:8
“Maar gij zult ontvangen de kracht des
Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen
zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan
het uiterste der aarde.” Toen
Israël verzadigd was kon de boodschap uitgaan naar de volkeren. Het
enige probleem was dat Israël het aanbod van het Koninkrijk afwees.
Dit was een probleem vanuit ons gezichtspunt. Maar was het een
probleem voor God? Nee. God had een plan in gedachten waarmee Hij de
volkeren kon bereiken ondanks de halsstarrigheid van Israël. Hij had
een plan waarbij de volkeren Zijn Woord konden horen zonder het
licht van Israëls opgang. Herinnert u zich Jesaja 60:3 waar God zegt
dat de volkeren zullen komen tot het licht van Israëls opgang. Let
nu op het verschil met Romeinen 11:11. Hier schetst de apostel
Paulus het contrast hoe God nu de volkeren bereikt en hoe de
profeten spraken over Israël’s opgang. In Romeinen 11:11 lezen we,
“Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden?
(verwijzend naar Israël) Dat zij verre; maar door hun val is de
zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te
verwekken.” Ziet u het verschil? In Jesaja komen de volkeren
door de opgang van Israël. In Romeinen worden de volkeren gezegend
door de val van Israël. Hoe kan dat? En wat heeft dat te maken met
de Grote Opdracht?
God openbaarde Zijn plan om de volkeren te bereiken ondanks Israël
door de apostel Paulus. God was vastbesloten als Israël niet naar
de volkeren wilde gaan dat Hij dat volk dan tijdelijk opzij zou
zetten en direct naar de heidenen zou gaan. Hij koos een man met de
naam Saulus van Tarsen om de grote apostel van de heidenen te
worden. Toen Hij dat deed stelde Hij de Grote Opdracht die gegeven
was aan de twaalf tijdelijk buiten werking. Dat brengt ons bij de
volgende vragen: |