De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

13)  Moeten wij de Grote Opdracht niet uitvoeren?

Laten wij om deze vraag te beantwoorden een geestelijke wandeling maken door de Bijbel. Vanaf de val van Adam en Eva tot nu toe heeft God altijd de redding van de mensheid gezocht. Hij heeft altijd voorzien in een manier voor de mens om tot Hem te kunnen naderen. Door de eeuwen heen heeft God er altijd voor gezorgd dat er personen of groepen waren die de opdracht kregen om Zijn boodschap over te brengen naar de mensen op deze aarde zodat ze duidelijk begrepen wat God van hen verwachtte. Voor de zondvloed had Noach de opdracht om een prediker van de gerechtigheid te zijn. Gedurende 120 jaar, terwijl hij de ark bouwde, verkondigde hij Gods gerechtigheid aan een zondige en slechte wereld.

Na de zondvloed keerde de wereld zich al snel weer opnieuw van God af. De mensheid toonde zijn opstand tegen God door een toren en een stad te bouwen om een naam voor zichzelf te bouwen. Tot op vandaag weten wij de naam van die toren – de toren van Babel, de stad Babylon. Vanaf dat punt gaf God iemand anders de opdracht om een apart volk te worden waardoor Hij deze ongelovige heidense volkeren kon bereiken. Die persoon was Abram, die al snel Abraham zou worden. Dit volk, uiteindelijk bekend als het volk Israël, kreeg de opdracht om een licht te zijn voor de andere volkeren, om hen naar de ware en levende God te leiden. Het was de bedoeling dat het zo in zijn werk zou gaan: God beloofde het volk Israël dat als zij gehoorzaam zouden zijn aan Zijn verbond, dat Hij hun God zou zijn en zij Zijn volk. Als de volkeren rondom Israël God’s zegen zouden zien op dit éne volk zouden zij zichzelf afvragen waarom zij zo gezegend werden? Dan zouden zij komen en hen ondervragen en Israël zou naar zijn God wijzen en zeggen: “Wij zijn zo gezegend omdat wij de levende en ware God dienen”.

Laat mij u een Oud Testamentisch gedeelte geven om te illustreren hoe dit zou moeten werken.

Dit was Gods manier om de volkeren van de aarde door Israël tot Zichzelf te brengen. Wij noemen dit ook wel het Koninkrijksprogramma of het profetische programma. Wij noemen dit het profetische programma omdat het was geopenbaard aan de profeten. Daarvan was gesproken door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw (Hand 3:21).

Jesaja 60:1-3 : “Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des  HEEREN gaat over u op. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken;  doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien  worden”. Over wie spreekt Hij hier? In deze context verwijst Hij naar Sion. Sion is een andere naam voor Jeruzalem, de hoofdstad van het land Israël. In vers 3 lezen wij: “En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan”. Het is God’s bedoeling en plan dat Israël een licht zou zijn voor de volkeren, dat Hij haar hoog op zou heffen zodat de volkeren dat licht zouden zien zodat de koningen zouden komen en Gods heerlijkheid zoeken door Israël. Zo zou het moeten werken. Maar jammer genoeg, werkte het vaak niet zo. Door de eeuwen heen faalde Israël om dat licht te zijn zoals God het van haar wilde. Israël werd afvallig. Ze week af van de waarheid van Gods Woord en God’s openbaring aan haar. Dit is de conditie waarin Christus haar vond toen Hij naar deze aarde kwam als een baby in een kribbe. De eerste opdracht voor de discipelen was niet om de wereld in te gaan.Om de wereld te kunnen redden  overéénkomstig dat koninkrijks of profetische programma moest Israël eerst opgaan als een groot licht. Israël zelf was in grote duisternis toen Christus kwam.

Let op hoe Hij sprak tot Zijn apostelen: Mattheus 10:1-4  “En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht  gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle  ziekte en alle kwale te genezen. De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd  Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en  Johannes, zijn broeder; Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus; Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.”.

Vers 5, “Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij  zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen.” Wij zouden kunnen vragen: Waarom niet? Hield God niet van de heiden volkeren in die tijd? Wilde Christus hen niet allemaal redden? Jazeker. Maar Hij handelde overéénkomstig de kennis dat God Zijn licht naar de volkeren wilde brengen door het volk Israël. Als Israël zelf verloren was, dan moest zij eerst tot de Heere komen, en dan kon zij een licht voor de volkeren zijn. Daarom zegt Hij in vers 6,7,  “Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels. En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij  gekomen.” In Mattheüs 15 lezen we deze opdracht ook van toepassing was op onze Heere. Matthüs 15:21 zegt, “En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.” En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem,  zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is  deerlijk van den duivel bezeten.” Ziet u dat de Heilige Geest de schrijver inspireert om ons te laten zien dat dit een heidense vrouw is, een vrouw uit Kanaan. Waarom is dat zo belangrijk? De Heere wil daar iets mee zeggen. Zij komt met een vraag in vers 22: “En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is  deerlijk van den duivel bezeten. Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem  komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na. Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren  schapen van het huis Israels.” Lijkt dat op onze liefhebbende, zorgende Heere? Hij sprak niet eens met haar. Waarom doet Hij dat?

Vers 25, “En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen  te nemen, en den hondekens voor te werpen.” Het lijkt van kwaad tot erger te worden. De Heere wist wat Zijn opdracht was, Hij wist dat Hij was gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Hij wist dat de volkeren niet gezegend konden worden voordat de kinderen verzadigd waren. Welke kinderen? De kinderen Israëls. Laat de kinderen eerst verzadigd worden. Maar let op haar geloof in vers 27, “En zij zeide: Ja, Heere!” Haar antwoord laat zien dat zij het programma begreep waaronder zij leefde. Zij begreep dat zij niet direct aanspraak kon maken op Gods zegeningen. Zij begreep dat zij geen toegang had tot de zegeningen die God beloofd had aan Israël. Maar let op haar geloofsverklaring, “.. doch de hondekens eten ook van de brokjes die  er vallen van de tafel van hun heren”.  Zij zegt eigenlijk, Heere ik verwacht geen directe zegen die u beloofd heeft aan Uw kinderen. Dat verwacht ik niet. Ik wil alleen wat restjes. Ik wil alleen een paar kruimels. De Heere zag op dat punt haar grote geloof en Hij zegende haar. Vers 28, “Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof;  u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde  ure.”

Hier ziet u duidelijk het principe dat de volkeren niet gezegend worden onder dit koninkrijks en profetische programma voordat Israël eerst is gezegend. Als Israël weer op orde zou zijn, dan en alleen dan zou de boodschap uitgaan tot de volkeren. Christus maakte dit duidelijk toen Hij de twaalf discipelen opdroeg:

Lukas 24:46,47  “En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden,  en van de doden opstaan ten derden dage. En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder  alle volken, beginnende van Jeruzalem.”

Hier vinden we hetzelfde principe. Laat de kinderen eerst verzadigd worden. Handelingen 1:8

“Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen  zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel  Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.” Toen Israël verzadigd was kon de boodschap uitgaan naar de volkeren. Het enige probleem was dat Israël het aanbod van het Koninkrijk afwees.

Dit was een probleem vanuit ons gezichtspunt. Maar was het een probleem voor God? Nee. God had een plan in gedachten waarmee Hij de volkeren kon bereiken ondanks de halsstarrigheid van Israël. Hij had een plan waarbij de volkeren Zijn Woord konden horen zonder het licht van Israëls opgang. Herinnert u zich Jesaja 60:3 waar God zegt dat de volkeren zullen komen tot het licht van Israëls opgang. Let nu op het verschil met Romeinen 11:11. Hier schetst de apostel Paulus het contrast hoe God nu de volkeren bereikt en hoe de profeten spraken over Israël’s opgang. In Romeinen 11:11 lezen we, “Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? (verwijzend naar Israël) Dat zij  verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om  hen tot jaloersheid te verwekken.” Ziet u het verschil? In Jesaja komen de volkeren door de opgang van Israël. In Romeinen worden de volkeren gezegend door de val van Israël. Hoe kan dat? En wat heeft dat te maken met de Grote Opdracht?

God openbaarde Zijn plan om de volkeren te bereiken ondanks Israël door de apostel Paulus.  God was vastbesloten als Israël niet naar de volkeren wilde gaan dat Hij dat volk dan tijdelijk opzij zou zetten en direct naar de heidenen zou gaan. Hij koos een man met de naam Saulus van Tarsen om de grote apostel van de heidenen te worden. Toen Hij dat deed stelde Hij de Grote Opdracht die gegeven was aan de twaalf tijdelijk buiten werking. Dat brengt ons bij de volgende vragen:

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011