|
HOOFDSTUK III
HET
TWEELEDIG DOEL
VAN
DE OPSTANDING
Is het niet vreemd dat de waarheden, die God in het
bijzonder aan ons heeft gegeven om er over te denken, juist de waarheden zijn
waar wij doorgaans de minste tijd aan besteden? Dit betreft ook hetgeen
Paulus schrijft over de
opstanding van Christus. (2 Tim. 2:7-9) "MERK WAT
IK ZEG; DOCH DE HERE GEVE U VERSTAND IN ALLE DINGEN. "HOUD IN HERINNERING,
DAT JEZUS CHRISTUS UIT DE DODEN IS OPGEWEKT, DIE UIT HET ZAAD VAN DAVID IS, NAAR
MIJN EVANGELIE, "WAARIN IK VERDRUKKINGEN LIJD TOT DE BANDEN TOE, ALS EEN
KWAADDOENER; MAAR HET WOORD VAN GOD IS NIET GEBONDEN."
DE
EIGENLIJKE OPSTANDING
Toen Paulus deze woorden had opgeschreven, was de
opstanding in het Oude Testament niet alleen geprofeteerd en voorzegd door de
Here Zelf, maar het was een bewezen historisch feit. De Heer had
"Zichzelf levend vertoond na Zijn lijden met vele duidelijke tekenen"
(Hand. 1:3). Hij is gezien door Petrus en de twaalven en anderen. (1 Kor.15:5;
Joh. 20:18-29). "Daarna werd Hij gezien door meer dan vijfhonderd
broeders tegelijk." (1 Kor.15:6).
Getuigen van overal hadden getuigd van persoonlijk
contact met de opgestane Christus. Bovendien had de Heilige Geest ook getuigd,
want grote tekenen en wonderen werden gedaan door de discipelen. (Hebr. 2:3,4).
Aan Paulus' verklaring over vijf honderd die de
opgestane Heer tegelijk hadden gezien, had hij toegevoegd: "Van wie het
merendeel nog in leven is." Wij kunnen er zeker van zijn, als er geen
overvloedig getuigenis van de opstanding van Christus in die tijd geweest zou
zijn, deze verklaring door de schrijvers uit die tijd zou zijn uitgedaagd en aan
hem zou zijn gevraagd om in ieder geval enkele van deze vijfhonderd getuigen te
vragen.
En bij al deze getuigenissen uit de eerste hand had
Paulus ook die van hemzelf gegeven. (1 Kor.15:8) "En het allerlaatst is Hij
door mij, als een ontijdig geborene, gezien." Het zou hoogst onredelijk
zijn om deze persoonlijke getuigenis van Paulus in twijfel te trekken. Eenmaal
had hij de opstanding van Christus ontkend en had hij de prediking tegen
gewerkt, als zijnde een infame leugen. Hij was de aartsvijand geweest van hen
die Israël trachtten te overtuigen om in de "opgestane Messias" te
geloven.
Maar nu was hij zelf overtuigd en zijn getuigenis
werd toegevoegd. Zijn reputatie en invloed als farizeër terzijde stellend, had
hij grote ontberingen geleden voor de Christus die hij had leren kennen en
liefhebben.
Hij was geslagen, beroofd en gestenigd. Hij
had kou en honger geleden en naaktheid. Hij was gescholden en gegeseld en
gevangen gezet vanwege zijn overtuiging. Kan een dergelijke getuigenis,
volhardend gedragen door een man, tegen een zeer hoge prijs, verzonnen zijn?
Integendeel, dit kwam voort uit een diepe overtuiging! e opstanding van Jezus
Christus, uit het zaad van David, is een historisch feit, ondersteund door
overstelpend bewijs. Maar is dit alles wat de apostel ons wil doen overwegen en
herinneren alleen het feit van de opstanding? Nee, er is meer, veel meer!
EEN
TWEELEDIG DOEL
In zijn vermaning aan Timothes lijkt het of de apostel
toestaat dat het feit van de opstanding van Christus niet langer wordt
besproken. Het is iets over de opstanding dat hij hem wil laten
begrijpen, om nimmer uit het oog te verliezen.
Terwijl hij speciale attentie vraagt voor zijn
woorden en gebed dat God de bekwaamheid tot begrip zal schenken, zegt hij:
"Houd in herinnering, dat JEZUS CHRISTUS UIT DE
DODEN IS OPGEWEKT, Die uit het zaad van David is (Dit is het wat hij had
gepredikt), naar mijn evangelie." (2
Tim.2:8).
Het is hier duidelijk, dat er geen belangrijke
boodschap was betreffende de opstanding, die uitsluitend aan Paulus was gegeven.
Om te zeggen dat wat Paulus noemde "mijn evangelie" alleen over de
opstanding ging, is de zin van deze tekst beroven van de waarheid die Paulus
benadrukt, Want zeker tot een man van God als Timothes zou de vermaning
"op te merken" en het gebed om door God gegeven wijsheid niet alleen
bedoeld zijn als een herinnering aan het feit van de opstanding.
Deze passage wijst aan, dat in de opstanding van
Christus, zowel als in Zijn incarnatie (= vleeswording) en Zijn kruisiging,
God een tweevoudig doel had. Er was de prediking van Jezus Christus, "het
zaad van David" door de twaalven en de prediking van Dezelfde Persoon
overeenkomstig een speciale openbaring aan Paulus gegeven. Er waren dus een
geprofeteerd doel en een geheim doel!
DE
OPSTANDING EN PROFETIE
Jezus Christus, de Zoon van David, is het centrale punt
in Gods profetisch doel. Was onze Heer niet de Zoon van David geweest, dan
zouden zijn aanspraken op het Messiasschap hol en leeg zijn geweest. Het is
met David dat God het grote verbond maakte van het glorieuze Koninkrijk, dat
komen zou. Het was uit Davids zaad dat de grote Koning zou opkomen. (2 Sam.7:12-16;
Ps. 89:35-37).
De profeten hadden eensgezind ingestemd in profetiën.(
o.a Jer.23:5)
"Ziet, de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik aan
David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en
voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde."
Het was als: De "Zoon van David" dat het
Nieuwe Testament Hem introduceerde (Matt.1:1), dat engelen en mensen Hem
aanspraken (Luk. 1:32,68,69), dat Zijn volgelingen zich tot Hem wendden (Matt.15:22,21:9,15).
Het was als de Zoon van David dat Hij Zijn aanspraken op het Messiasschap stelde
(Matt. 22:42-45) en het was als de Zoon van David dat Hij werd erkend als
Messias door de Zijnen. (Matt. 12:23).
Waarlijk, ondanks dit alles werd Hij gekruisigd en
Pilatus liet boven Zijn hoofd Zijn "beschuldiging" aanbrengen:
"DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN." (Mat. 27:37). Maar dit was geen
breuk in het profetisch programma, want de profeten hadden duidelijk voorzegd: "het
lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid die DAARNA VOLGT."
(1 Petr.1:11). Dat het inderdaad de opgestane Christus was, Die zou regeren over
Israël en de volken was een feit, dat de profeten, met inbegrip van David zelf,
in veel van hun geschriften hadden opgenomen. Dat is ook de reden waarom Petrus
op Pinksteren Psalm 16 aanhaalt, aantonend, dat David niet op zichzelf wees,
maar sprak als profeet. Hij zei: "Want Gij zult mijn ziel in de hel niet
verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven om verderving te zien." (Hand.22:27).
En het is met dit argument dat Hij dringend
herinnert aan de aanspraken van de verrezen Christus op de troon van Israël.
(Hand.2:29-31)
"Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit
te spreken over de patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en
zijn graf is onder ons tot op deze dag. "Daar hij dan een profeet was, en
wist dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lendenen,
wat het vlees aangaat, de CHRISTUS VERWEKKEN ZOU, OM HEM OP ZIJN TROON TE
ZETTEN;
"heeft hij dit vooruitgezien en gesproken van de
opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch zijn
vlees verderving heeft gezien."
Dit was Gods grote profetische doel met de opstanding van
Christus, zoals Petrus het predikte. Hij werd opgewekt uit de dood om te
zitten op de troon van Zijn vader David. En het was op deze grond, dat
Petrus het volk oproept tot bekering.
"Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen
uitgewist worden, opdat de tijden van de verkwikking mogen komen van het
aangezicht van de Here, "en Hij zal zenden Jezus Christus, Die u tevoren
gepredikt is." (Hand.3:19,20).
Zoals we weten bekeerde Israël zich niet en de tijden
van verkwikking zijn niet, althans nog niet gekomen van het aangezicht van de
Here. God heeft Jezus niet, althans nog niet teruggezonden.
Maar hier is het punt dat de openbaring van het geheimenis een feit
wordt. Toen de zonden van de mens tot haar hoogtepunt was gerezen, was God klaar
om de grootste der zondaars te redden. En
Hij zond hem heen met het meest glorieuze nieuws met betrekking tot de
opstanding van Christus.
DE
OPSTANDING EN HET GEHEIMENIS
Was de prediking van Paulus over de opstanding inderdaad
verschillend van die van de twaalven? De traditie mag weliswaar ontkennen dat
dit zo was, maar toch zou een zakelijk herzien van het verslag de eerlijke
onderzoeker bewijzen, dat er een reusachtig verschil is.
RECHTVAARDIGING
Allereerst leren we voor het eerst, met het geleidelijk
ontvouwen van het geheimenis door Paulus dat "(Jezus onze Here) werd
overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardiging." (Rom.4:25).
Had Petrus op Pinksteren, of iemand vóór Paulus, deze glorieuze waarheid
verkondigd? Zij die de Schriften onderzoeken zullen ontdekken dat dit niet het
geval is. Dit was deel van "het geheim van het goede nieuws" door
middel van Goddelijke openbaring aan Paulus gegeven.
Rechtvaardiging op zich was natuurlijk geen geheim,
maar het geheim van de rechtvaardiging van de zondaar is te vinden in de
opstanding van Christus en dit werd voor het eerst door Paulus verkondigd.
Dit feit is zo belangrijk, dat het geloof in de
opstanding van Christus nu een Geïntegreerd deel van het reddend geloof is. In
Romeinen 4:24 staat, dat gerechtigheid ons toegerekend zal worden "INDIEN
WIJ GELOVEN IN HEM, DIE JEZUS, ONZE HERE, UIT DE DODEN OPGEWEKT HEEFT." In
Romeinen 10:9 staat het weergegeven als
"het woord van geloof dat wij
prediken.""Dat indien gij met uw mond zult belijden de Here
Jezus, en MET UW HART GELOVEN DAT GOD HEM UIT DE DODEN OPGEWEKT HEEFT, dan
zult gij zalig worden.
IDENTIFICATIE
Dan is er de grote waarheid van identificatie met de Here
in Zijn opstanding. Wanneer heeft iemand, vóór Paulus, ooit een doop gepredikt
waarin gelovigen zijn "opgestaan (met Christus) door het geloof
van Gods handeling?" Toch is dit precies wat de apostel Paulus
leert in Kolossensen 2:12.
In Efeze 2:5,6 gaat hij in detail hierop in
"ook toen wij dood waren door de misdaden,
heeft (God) ons levend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig
geworden), "en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel
in Christus Jezus." En in Efeze 1:3 breekt de
apostel uit in een lofprijzing: "Gezegend zij de God en Vader van onze
Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de
hemel in Christus," Opnieuw staat in Kolossensen 3:1: "Indien
gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar
Christus is, gezeten aan de rechterhand van God."
Hoe veel hoger en groter zijn onze zegeningen dan
hetgeen ooit aan Israël werd beloofd of aangeboden! En aldus heeft God de
"uitnemende rijkdommen van Zijn genade" getoond. Want het was door de afwijzing
van de Zoon van David, dat God Paulus riep om deze glorieuze waarheden te
gaan verkondigen, aan hen, die hun vertrouwen stellen in de Koninklijke
Banneling in "deze boze tijd", onder aanbieding van een hemelse plaats
en hemelse zegeningen. Werkelijk, "waar de zonde toenam, daar is de
genade veel overvloediger geweest."
OVERWINNING
OVER DE ZONDE
Deze identificatie met Christus in Zijn opstanding
beinvloedt ook ons dagelijks leven. Want naarmate wij onze positie innemen
en onze zegeningen in Christus toeëigenen, zullen wij in diezelfde mate
ook de zonde van onze oude natuur kunnen overwinnen. De apostel benadrukt dit
punt telkens weer. (Rom. 8:11,12)
"EN INDIEN DE GEEST VAN HEM, DIE JEZUS CHRISTUS UIT
DE DODEN OPGEWEKT HEEFT, IN U WOONT, ZO ZAL HIJ, DIE CHRISTUS UIT DE DODEN
OPGEWEKT HEEFT, OOK UW STERFELIJKE LICHAMEN LEVEND MAKEN DOOR ZIJN GEEST, DIE IN
U WOONT. "ZO DAN, BROEDERS, WIJ ZIJN SCHULDENAARS, NIET AAN HET VLEES OM
NAAR HET VLEES TE LEVEN."
Dit gedeelte gaat niet over de toekomstige
opstanding uit de dood, maar over de verkwikkende kracht van de Geest; de kracht
die ons hier en nu kan helpen om "te wandelen in nieuwheid des
levens". Dit is hetgeen de apostel bedoelt als hij uitdrukking geeft
aan zijn hartsverlangen:
"OPDAT IK HEM ZOU KENNEN, EN DE KRACHT VAN
ZIJN OPSTANDING,...OPDAT IK ENIGSZINS MAG KOMEN TOT DE OPSTANDING UIT DE
DODEN." (Fil. 3:10,11).
Hier wijst de apostel opnieuw, niet naar een
toekomstige opstanding van het lichaam, maar op de opstandingvan de gelovige
met Christus, om te wandelen in de nieuwheid des levens. Dit is duidelijk uit
het feit dat het zijn verlangen is nu te kennen "de kracht van
Zijn opstanding", dat het iets is om "ertoe te geraken"
en dat hij belijdt: "Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds
volmaakt ben." (Fil. 3:10-12).
Niettemin is dit wat hij reeds heeft verkregen en
in zekere mate ook heeft ervaren. Door
Gods genade en door de kracht van de Geest, die Christus verkwikte en deed
opstaan uit de dood, mogen wij dit eveneens ervaren. Want "de wet van de
Geest" en van het leven in Christus Jezus" heeft ons vrijgemaakt van
de wet van de zonde en de dood." (Rom.8:2).
BEMERKEN
- HERINNEREN
Dit en nog veel meer is wat Paulus meende te moeten
benadrukken, toen hij zei: "Merk, wat ik zeg; doch de Here geve u
verstand in alle dingen."Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de
doden is opgewekt, Die uit het zaad van David
is, naar mijn evangelie,"waarin ik verdrukkingen lijd tot de banden toe,
als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden."
(2 Tim. 2:7-9).
Moeten wij nu lichtvaardig voorbijgaan aan een waarheid,
die zo genadig geopenbaard en overgeleverd is aan ons, tegen zo een hoge prijs;
een waarheid die heel specifiek voor ons bedoeld is? Of, als we deze
aangenomen hebben, zullen wij het dan weer vergeten of opgeven voor een weinig
aardse winst of een paar aardse vriendschappen?
Nee, laat ons oprechte Bereërs (Hand. 17:10,11)
zijn en zorgvuldig onderzoeken, onder gebed, wat God ons te zeggen heeft. Laat
ons dit dierbaar blijven en gelovig er voor staan, wat het ook moge kosten!
|