HOOFDSTUK
IV
HET
TWEELEDIG DOEL VAN DE HEMELVAART
De Schrift heeft veel te zeggen over de Hemelvaart van
onze Heer in glorie, en het is niet onze bedoeling om hier zelfs maar
te pogen om het onderwerp uitvoerig te behandelen.
Het is slechts onze bedoeling in dit hoofdstuk aan te
tonen hoe dit onderwerp moet worden bestudeerd; dat net als met de
incarnatie, de kruisiging en de opstanding van Christus, zo ook met Zijn
Hemelvaart, God een tweevoudig doel had - één bekend gemaakt in profetie,
het ander geheim gehouden totdat de ten hemel gevaren Heer Zelf, het
openbaarde door de Apostel Paulus.
Wij weten nu, bijvoorbeeld, dat onze Heer ten
hemel voer om het glorieuze Hoofd te worden van de Gemeente, die Zijn
Lichaam is. Dit is inderdaad hoogst belangrijk voor ons als leden van dat
Lichaam. Maar waar vinden wij deze bestemming geopenbaard vóór Paulus?
Waar lezen wij eigenlijk, vóór Paulus, over het Lichaam
van Christus? Laten wij dan de les leren om niet vooruit te grijpen op
openbaring; onze studies in de Schriften niet te laten beinvloeden door een
onduidelijke bewering dat heiligen die vóór de openbaring van een bijzondere
waarheid leefden, niettemin alles daarover "begrepen moeten hebben".
DE
HEMELVAART EN PROFETIE
Wat betekende dan de hemelvaart van Christus voor hen die
leefden vóór de openbaring van het geheimenis? Welke betekenis verbonden de profeten
eraan en hoe was dat met de Heer Zelf en Zijn twaalf apostelen? Gaven zij
hieraan dezelfde betekenis?
ZIT GIJ
AAN MIJN RECHTERHAND
Een van de meest veelomvattende profetiën in het hele
Woord van God betreft de hemelvaart van Christus. Het is Psalm 110:1, waar de
Vader de Zoon uitnodigt plaats te nemen aan Zijn rechter hand:
"DE HEER HEEFT TOT MIJN HEER GESPROKEN: ZIT AAN MIJN
RECHTERHAND, TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET ZAL HEBBEN TOT EEN VOETBANK UWER
VOETEN."
In dit eene vers vinden we dat:
1. Onze Heer zou
worden afgewezen door Zijn vijanden op aarde.
2. Dat
Hij zou worden geeerd en verhoogd door Zijn Vader in de hemel.
3. Dat
Zijn vijanden gestraft zullen worden
4. Dat
deze straf zou beginnen tijdens Zijn afwezigheid.
5. Dat
het zou eindigen met Zijn vijanden onder Zijn voeten.
Dit is wellicht de meest klare Oud Testamentische
profetie van de hemelvaart en de daarachter liggende beweegreden. Psalm
68:19 is nogmaals een welbekende verwijzing, maar veel tegenspraak is er
steeds over dat vers. Er is niet zoveel moeilijkheid bij Ps.110:1. Daar wijst
de psalmist in klare taal op het ongenoegen van de Vader over de afwijzing van
Zijn Zoon en Zijn beslissing om Zijn vijanden te straffen. (Cf. Psalm 2). Het
is alsof de Vader tot de Zoon gezegd heeft, "Zij willen U niet op aarde
hebben. Kom dan, en zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik hen straf voor het
afwijzen van U."
"Maar Deze, na een slachtoffer voor de zonden
geofferd te hebben, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God;
"EN VOORTS WACHTEND, TOTDAT ZIJN VIJANDEN GESTELD WORDEN TOT EEN VOETBANK
VOOR ZIJN VOETEN." (Hebr.10:12,13).
IK ZAL MIJN GEEST ZENDEN
In de lijn van het profetisch doel was er echter nog een
reden waarom onze Heer opvoer ten hemel. Het was opdat Hij de Heilige Geest
zou zenden, ter voorbereiding van Zijn wederkomst in glorie.
Wij moeten niet vergeten dat in de profetie de uitgieting
van de Heilige Geest voorafgaat aan de bestraffing van de vijanden van
Christus en de invoeging van de dag des Heren (Zie Joel 2:28-31).
Onze Heer zou Zijn Geest zenden om het zwakke
overblijfsel,
die getuigenis zouden geven van Zijn Messiasschap, te bekrachtigen gedurende
deze belangrijke dagen.
"Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nuttig dat Ik
wegga; want indien Ik niet wegga, zal de Trooster tot u niet komen; maar
indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden." (Joh.16:7).
"Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige
Geest, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zowel te
Jeruzalem, als in heel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de
aarde." (Hand.1:8).
IK GA HEEN OM U PLAATS TE BEREIDEN
Er is een passage in het Nieuwe Testament, waaraan een
groot deel onschriftuurlijk sentiment reeds sinds lang werd verbonden. Dat is
Joh.14:2,3.
"In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen, als
het anders was zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.
"En als Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weer en zal u
tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben."
Deze woorden worden nog steeds door velen vertaald met de
betekenis dat op een of andere manier de opgevaren Heer nu woningen toebereidt
in de hemel voor Zijn volk om in te verblijven, en dat wanneer deze woningen
klaar zijn, Hij zal terugkeren om de Zijnen op te nemen en hen naar de hemel
te brengen, naar de plaatsen voor hen bereid. En dit wordt geloofd door
duizenden van fundamentalisten, gelovende in Premillenium.
Maar hebben onze in Premillenium gelovende broeders dan
vergeten dat de opname van het Lichaam een geheim was dat jaren later werd
geopenbaard door Paulus? (1Cor.15:51,52). Onze Heer vertelde Zijn discipelen
niets over deze tegenwoordige tijd van genade of over de opname van de
Gemeente van deze tijd. Hij bereidde hen voor op de grote verdrukking en Zijn
wederkomst naar de aarde om met Hem te regeren. Hij zei:
"Zie Ik zend
u als schapen te midden van de wolven; weest dan voorzichtig als de slangen en
oprecht als de duiven."Maar wacht u voor de mensen, want zij zullen u
overleveren aan de raadsvergaderingen en in hun synagogen zullen zij u
geselen; "en gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden om
Mijnentwil, hun en de heidenen tot een getuigenis.
"Doch wanneer zij u overleveren, weest niet bezorgd
hoe of wat gij spreken zult, want het zal u op dat uur gegeven worden wat gij
spreken zult. "Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest
van Uw Vader Die in u spreekt. "En de éne broeder zal de andere broeder
tot de dood overleveren, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan
tegen de ouders en hen doden;
"en gij zult door allen gehaat worden om Mijn Naam;
maar die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
"Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht in
de andere; want voorwaar, Ik zeg u: GIJ ZULT UW REIS DOOR DE STEDEN VAN ISRAEL
NIET GEEINDIGD HEBBEN VOORDAT DE ZOON DES MENSEN ZAL KOMEN." (Matt.10:16-22).
"Want zoals de bliksem uitgaat van het oosten en
schijnt tot het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen
zijn."Want waar het dode lichaam is, daar zullen de arenden vergaderd
worden. "En terstond na de verdrukking van die dagen zal de zon
verduisterd worden en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen
van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen wankelen. "En
dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen in de hemel; en dan
zullen alle geslachten van de aarde wenen, en zij zullen de Zoon des mensen
zien komen op de wolken van de hemel met grote kracht en heerlijkheid." (Matt.24:27-30).
Een vergelijking van deze woorden met de toespraak van
Petrus op Pinksteren zou het zeer duidelijk maken dat de apostelen niet
uitzagen naar de opname, maar naar de wederkomst van Christus om te regeren.
Zij wisten alleen het profetisch plan: Pinksteren, de grote verdrukking en
de wederkomst van Christus.
Zij begonnen hun bediening in Jeruzalem zoals hen was
opgedragen, maar slaagden er nimmer in de steden van wederspannig Israel te
overtuigen. In onvergelijkbare liefde onderbrak God het plan, stelde het
gericht uit, en voegde de tijd van genade in.
Nadat deze tussentijdse bedeling voorbij is, zal
God Zijn werk met Zijn uitverkoren volk weer opnemen en wanneer de steden van
Israel de boodschap hebben ontvangen, zal Messias terugkeren om over hen te
regeren. Maar dit is profetie met betrekking tot Israel en de volkeren,
niet het geheim van het Lichaam van Christus.
Als we zouden geloven, zoals zo velen doen, dat het
Lichaam van Christus begon op Pinksteren bij de zogenaamde "grote
opdracht", zouden we geen enkele rechtvaardiging vinden voor de leer van
de opname. Deze gezegende leer steunt vierkant op het aan Paulus
geopenbaarde geheimenis.
Onze Heer beloofde aan de twaalven een koninkrijk op
aarde, niet een woning in de hemel, noch hebben de heiligen van voor die tijd
uitgezien naar een hemelvaart. Dit is een hoop, voorbestemd voor leden van het
Lichaam van Christus.
Dit is eenvoudig een Schriftuurlijk feit, dat nog
duizenden gelovigen dienen te leren. Onderzoek het Oude Testament of het
evangelie naar een aanwijzing dat de heiligen van die dagen een tehuis in de
hemel beloofd werd; gij zult tevergeefs zoeken. De zegeningen van de
hemel op de aarde waren het waar zij naar uitzagen.
Job verwachtte zijn Verlosser OP DE AARDE. (Job 19:25,26).
David zong in veel van zijn psalmen over Israel en de
verloste volken, die zich verheugen OP AARDE. (Ps.96,etc.).
Jeremia voorzegde de regering van Messias OP DE AARDE. (Jer.23:5)
Onze Heer beloofde de zachtmoedigen dat zij HET AARDRIJK
zullen beerven. (Matt.5:5).
Hij leerde Zijn discipelen om te bidden voor het komende
koninkrijk OP AARDE. (Matt.6:10).
Hij beloofde de twaalven dat zij met Hem zouden regeren
OP AARDE. (Matt.19:28).
Het is waar, dat Hij hen aanspoorde schatten in de hemel
te vergaren, Hij vermaande hen om hun Vader in de hemel te vertrouwen, Hij
beloofde de Heilige Geest uit de hemel te zenden, Hij ging naar de hemel om
"een koninkrijk te ontvangen" voor Hemzelf en voor hen, maar Hij
deed geen enkele belofte hen daarheen te brengen.
"Het huis Mijns Vaders" in Joh.14 is niet de hemel; het is de tempel in het
Duizendjarig Rijk.
Zij die de betekenis van deze zienswijze vanuit de
Schriften willen kennen, behoeven niet ver te zoeken, want in hetzelfde boek
vinden we dat onze Heer zegt, "Maak niet MIJNS VADERS HUIS tot een
huis van koophandel," (Joh.2:16), en vele malen noemt God in het Oude
Testament de tempel "Mijn huis". (Zie Jes.56:7, Ezech.44:7,etc.).
Het woord "woningen" zou kunnen worden
weergegeven met "verblijven" of "verblijfplaatsen", zoals
Darby en verschillende andere goede vertalers deden, want in de muren van de
tempel waren verblijven gebouwd voor hen die daar dienden.
De zin "Ik ga heen om u plaats te bereiden" heeft
eerder een morele en geestelijke betekenis, dan een physieke bijbetekenis.
Onze Heer moest gaan om "voor Zichzelf een koninkrijk te ontvangen"
(Luk.19:11,12), en ook een plaats voor hen te bereiden. (verzen 16-19,cf.Matt.19:28).
Wat betreft Zijn wederkomst om hen voor Zichzelf te
ontvangen, zegt deze passage niets over hun opname, en kunnen wij het niet
scheiden van de engelbelofte die later aan de zelfde apostelen werd gedaan:
"DEZE JEZUS, DIE VAN U OPGENOMEN IS IN DE HEMEL, ZAL
ALZO KOMEN, GELIJKERWIJS GIJ HEM NAAR DE HEMEL HEBT ZIEN HEENVAREN." (Hand.1:11).
Dit wijst natuurlijk niet naar de opname, maar naar de
openbaring, wanneer Hij zal wederkomen op dezelfde wijze als Hij is opgevaren
en ook op dezelfde plaats. "En Zijn voeten zullen te dien dage staan
op de Olijfberg..." (Zach.14:4).
Wanneer onze Heer in glorie wederkomt, zal Hij Zijn
belofte aan de twaalf apostelen niet vergeten. Zoals Hij gezegd heeft zal Hij
hen tot Zich ontvangen in opstandingsglorie en samen met hen regeren.
DE HEMELVAART EN HET GEHEIMENIS
Niet eerder dan bij Paulus, lezen we van "DE HOOP
DIE VOOR
U WEGGELEGD IS IN DE HEMELEN." (Kol.1:5).
Deze hoop is bestemd voor hen die op Christus vertrouwen
in deze tegenwoordige tijd van Zijn verwerping. Het is omdat de Koning en Zijn
koninkrijk werden verworpen, dat God in genade de gelovigen van vandaag iets
veel beters gegeven heeft - een hemelse positie en vooruitzicht.
En hierin beginnen we te geraken, als we Gods eenvoudige,
wondervolle boodschap van redding door genade, door geloof aannemen.
"DOCH HEM DIE NIET WERKT, MAAR GELOOFT IN HEM, DIE
DE GODDELOZE RECHTVAARDIGT, WORDT ZIJN GELOOF GEREKEND TOT RECHTVAARDIGHEID." (Rom.4:5).
"TOT LOF VAN DE HEERLIJKHEID VAN ZIJN GENADE,
WAARMEE HIJ ONS BEGENADIGD HEEFT IN DE GELIEFDE." (Eph.1:6).
BINNENGAAN IN ZIJN RUST
Onder de overvloedige bewijzen van Paulus' auteurschap
van de brief aan de Hebreën, is de klare roep om op te varen in de hemelse
gewesten en te rusten in de rust met Christus in Zijn volbrachte werk.
In Hebr.1:3 lezen we met betrekking tot Christus dat:
"NADAT HIJ DE REINIGING VAN ONZE ZONDEN DOOR
ZICHZELF TEWEEG GEBRACHT HEEFT, IS GEZETEN AAN DE RECHTERHAND VAN DE MAJESTEIT
IN DE HOOGSTE HEMELEN."
Hebr.10:11-14 vertelt ons waarom Hij gezeten
is, in tegenstelling van Zijn glorieus volbrachte werk met het
nooit-voleindigde werk van de Oud-Testamentische priesters.
"EN IEDERE PRIESTER STOND WEL ELKE DAG TE DIENEN, EN
DEZELFDE SLACHTOFFERS DIKWIJLS TE OFFEREN, DIE DE ZONDEN NOOIT KUNNEN
WEGNEMEN. "MAAR DEZE, NA EEN SLACHTOFFER VOOR DE ZONDEN GEOFFERD TE
HEBBEN, IS IN EEUWIGHEID GEZETEN AAN DE RECHTERHAND VAN GOD... "WANT MET
ÉÉN OFFERANDE HEEFT HIJ IN EEUWIGHEID VOLMAAKT HEN DIE GEHEILIGD
WORDEN."
Nadat het werk van de verzoening volbracht was,
zetten Vader en Zoon Zich en keerden in, in een Sabbathsrust. Er blijft voor ons,
nu het werk is gedaan, niets anders te doen over, dan te geloven en te
verheugen.
"ER BLIJFT DAN EEN RUST OVER VOOR HET VOLK VAN
GOD." "WANT WIE INGEGAAN IS IN ZIJN RUST, HEEFT OOK ZELF VAN ZIJN
WERKEN GERUST, ZOALS GOD VAN DE ZIJNE." (Hebr.4:9,10).
Wonderbare waarheid! De schuld van de zonde volledig
betaald, de Zoon opgevaren ten hemel om te zitten aan Vaders rechterhand. En
nu wil God, volledig bevredigd, dat wij ingaan in die rust en ook onze
plaatsen innemen in geloof aan Zijn rechterhand.
Aldus rustend in het volbrachte werk van Christus, zijn
alle hemelse zegeningen reeds de onze. Dit is het waarom de gelovigen van Hebr.3:1,
en alle gelovigen van deze bedeling van Gods genade, genoemd worden:
"DEELGENOTEN VAN DE HEMELSE ROEPING".
ONZE POSITIE IN CHRISTUS
Hoe ernstig bidt de apostel dat wij de kracht zouden
mogen kennen die ons kan verheffen in de hoogste plaats van aanbidding in
Christus! Hoor hem bidden "dat gij moogt kennen",
"WAT IS DE UITNEMENDE GROOTHEID VAN ZIJN KRACHT AAN
ONS DIE GELOVEN, NAAR DE WERKING VAN DE STERKTE VAN ZIJN MACHT, DIE HIJ
GEWERKT HEEFT IN CHRISTUS, TOEN HIJ HEM UIT DE DODEN HEEFT OPGEWEKT; EN HEEFT
HEM GEZET AAN ZIJN RECHTERHAND IN DE HEMEL.
"VER BOVEN ALLE OVERHEID, EN MACHT, EN KRACHT, EN
HEERSCHAPPIJ, EN ALLE NAAM DIE GENOEMD WORDT, NIET ALLEEN IN DEZE WERELD, MAAR
OOK IN DE TOEKOMENDE, "EN HEEFT ALLE DINGEN AAN ZIJN VOETEN ONDERWORPEN,
EN HEEFT HEM ALS HOOFD BOVEN ALLE DINGEN GEGEVEN AAN DE GEMEENTE,
"DIE ZIJN LICHAAM IS, EN DE VERVULLING VAN HEM DIE
ALLES IN ALLEN VERVULT. (Eph.1:19-23).
Leden van Christus' Lichaam! Reeds gezeten aan Gods
rechterhand in Christus! Wij waren de "kinderen der
ongehoorzaamheid" en daarvoor "van nature kinderen van de toorn,
zoals ook de anderen,
" "MAAR GOD, DIE RIJK IS AAN BARMHARTIGHEID,
DOOR ZIJN GROTE LIEFDE, WAARMEE HIJ ONS HEEFT LIEFGEHAD, "OOK TOEN WIJ
DOOD WAREN DOOR DE MISDADEN, HEEFT ONS LEVEND GEMAAKT MET CHRISTUS, (UIT
GENADE ZIJT GIJ ZALIG GEWORDEN),
"EN HEEFT ONS MEE OPGEWEKT, EN HEEFT ONS MEE GEZET
IN DE HEMEL IN CHRISTUS JEZUS, "OPDAT HIJ ZOU BETONEN IN DE TOEKOMENDE
EEUWEN DE UITNEMENDE RIJKDOM VAN ZIJN GENADE, DOOR DE GOEDERTIERENHEID OVER
ONS IN CHRISTUS JEZUS." (Eph.2:4-7).
Aldus zijn wij één gemaakt met Christus in Zijn dood,
begrafenis, opstanding en hemelvaart.
CHRISTUS' BEDIENING VOOR ONS
Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat, hoewel wij
positioneel gezeten zijn met Christus in de hemelse gewesten, gezegend met
alle geestelijke zegeningen, we niettemin nog hier in het vlees zijn, omringd
door moeiten en verzoeking en zonden.
Welk een zegen dan, te weten dat onze Heer is opgevaren
in de hemelen om ons te vertegenwoordigen en aldaar voor ons voorbede te doen!
"Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met
handen gemaakt is, dat een tegenbeeld is van het ware, maar in de hemel zelf,
OM NU TE VERSCHIJNEN VOOR HET AANGEZICHT VAN GOD VOOR ONS." (Hebr.9:24).
"Voor
ons". Gezegende woorden! Kunnen wij nog meer volkomen veilig zijn?
Het spijt ons dat zij die scheiding maken waar
niets te scheiden valt, geleerd hebben dat gelovigen vóór Hand.28 nog steeds
voorbede van onze Heer nodig hadden, terwijl wij als leden van Zijn Lichaam
dat niet behoeven, daar wij reeds gezeten zijn in de hemelse gewesten in Hem.
Maar waren de gelovigen onder de vroege bediening van
Paulus dan geen leden van het Lichaam van Christus? Hij zegt dat zij
het waren, want in zijn vroege brieven schrijft hij: "EN GIJ ZIJT HET
LICHAAM VAN CHRISTUS, EN LEDEN IN HET BIJZONDER." (1Cor.12:27 en cf.
1Cor.12:12,13 en Rom.12:5).
Deze geliefde broeders schijnen het onderscheid tussen de
stand en de staat van de gelovige te vergeten. Indien de
waarheid over onze positie in Christus alle waarheid is, waarom dan
alle vermaningen tot heiligheid in de latere brieven van Paulus? Ware
het niet door Christus' voorbede aan Vaders rechterhand, wij zouden ook nu
niet alleen uiterlijk falen om ons enige zegening
toe te eigenen, - wij zouden verloren zijn! Maar Gode zij dank,
Hij is daar, ons ten goede.
"Five bleeding wounds He bears, received on Calvary.
They pour effectual prayers. They strongly plead for me.
'Forgive him. O, forgive,' they cry,
'Nor let that ransomed sinner die.'"
Het is vanwege deze praktische bediening van Christus,
ons ten goede, dat wij ons de positie en de zegeningen die God heeft verklaard
de onze te zijn, door de verdiensten van Christus, ook nu, mogen toeeigenen.
En welke vijand kan ons hiervan beroven als Hij aan Vaders rechterhand gezeten
is?
"WIE IS HET DIE VERDOEMT?
"CHRISTUS IS HET, DIE GESTORVEN IS,
'JA, WAT MEER IS, DIE OOK OPGEWEKT IS,
"DIE OOK AAN GODS RECHTERHAND IS,
"DIE OOK VOOR ONS BIDT!"(Rom.8:34)
H A L L E L U J A H !