De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

12-02-2012

 

De talen-tongen van mensen of van Engelen?

    Door Pastor Ricky Kurth

 Niet lang na het begin van de twintigste eeuw begon het religieuze experiment, bekend als “het spreken in tongen” populair te worden in vele gemeenten. Dit fenomeen spoorde vele aspirant zendelingen aan om zich te haasten naar buitenlandse zendingsvelden, zonder opgeleid te zijn in de lokale taal, want ze waren er van overtuigd dat hun pas gevonden geestelijke gave hen in staat zou stellen om vloeiend te spreken in de moedertaal van hun gekozen zendingsveld. Ze kwamen er echter spoedig achter dat dit niet het geval was en werden, met tegenzin, gedwongen om terug te keren om opleiding te ontvangen in die bewuste taal. (1).

        De talen/tongen van mensen.

 Het is waar dat, toen de gaven van talen/tongen met Pinksteren werd geïntroduceerd, het de mensen de bovennatuurlijke bevoegdheid gaf om in een bekende, en herkenbare, menselijke taal  te spreken waarmee ze niet vertrouwd waren. We weten dat omdat de specifieke talen die ze spraken voor ons zijn samengevat in Hand.2:4-11:

 “4 En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere  talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. 5- En er waren Joden, te Jeruzalem wonende,  godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. 6- En als deze  stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde  hen in zijn eigen taal spreken. 7- En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende  tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers? 8- En hoe horen wij hen  een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn? 9- Parthers, en Meders, en  Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie.  10- En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en   uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten; 11- Kretenzen en Arabieren, wij horen  hen in onze talen de grote werken Gods spreken.

 We weten eveneens dat God deze gave aan de Joden heeft gegeven omdat Hij van plan was van het volk Israël een “koninkrijk van priesters” te maken Ex.19:6:

 “En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij  tot de kinderen Israels spreken zult”.  om Zijn woord te bedienen aan de Heidenen, Jes.61:6:

 “Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij  zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen”. 

En wat heeft u aan een priester die uw taal niet spreekt? Denk aan hetgeen Zacharia heeft voorzegd:

“Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen  zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden  gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is” (Zach.8:23).

Met Pinksteren was de vervulling van deze profetie in zicht, en dus gaf God de gave van tongen/talen aan de apostelen zodat ze met Pinksteren konden communiceren met Joden die een andere taal spraken, en later ook met Heidenen die een andere taal spraken.

Maar zoals we weten verwierp het volk Israël het aanbod van God, om hen tot een koninkrijk van priesters te maken, toen ze Stefanus stenigden, en God er toe dwongen om Israëls koninkrijk in de wachtkamer te zetten, en veroorzaakten daardoor dat de gave van talen/tongen verdween zodra het Woord van God voltooid was, 1Kor.13:8-10:

“8- De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden;  hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. 9- Want wij  kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 10- Doch wanneer het volmaakte zal gekomen  zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden”. 

Vanwege dit alles is er in de afgelopen 2000 jaar niemand geweest die in staat was om in talen/tongen te spreken. Oprechte Pinkster gelovigen die proberen deze gave na te bootsen mogen dan van goede wil zijn, maar ze zijn niet in staat om te spreken in bekende, herkenbare, talen zoals men dat deed met Pinksteren.  

De tongen/talen van Engelen

 Maar als we dit proberen uit te leggen aan onze Pinkster vrienden, betogen ze vaak dat, jaren na Pinksteren, de Korinthiërs verschillende gaven van talen/tongen zijn gegeven. Ze beweren, toen Paulus aan de Korinthiërs sprak over “de talen der mensen en der engelen” (1Kor.13:1), dat dit een heenwijzing was naar “een vreemde taal” (1Kor.14:2), gesproken door engelen, en dat dát de gave is die God aan de Korinthiërs gaf,  en dat die gave voortduurt tot vandaag de dag.

En omdat niemand van ons een “engelen taal” spreekt is het onmogelijk om na te gaan of degenen die vandaag de dag in tongen/talen spreken, een echte bestaande taal spreken, zoals de buitenlandse bezoekers in Jeruzalem daartoe wel in staat waren, zij hoorden hetgeen werd gezegd (Hand.2:11).

 Met dit artikel hopen we deze bewering het hoofd te bieden door te laten zien dat de gave van tongen/talen, aan de Korinthiërs, dezelfde was als de gave die werd gegeven op de Pinksterdag, en dat deze bekwaamheid, om in bestaande, herkenbare, talen te spreken zou verdwijnen zoals God dat heeft gezegd dat het zou gebeuren, en dat het niet is vervangen door de mogelijkheid om een taal/tong te spreken in een exclusieve engelentaal.  Onze primaire bedoeling is om nieuwe genade gelovigen te verzekeren niet te denken dat ze een zogenaamde “tweede zegening” missen die God wel zou hebben gegeven aan andere gelovigen. Maar we hopen eveneens dat deze gedachten zullen helpen om anderen te overtuigen dat hun Pinkster vrienden helemaal geen door God gegeven gave van tongen/talen  hebben ontvangen.

 De tongen/talen van mensen of van Engelen

 Om mee te beginnen, het woord voor “tongen/talen”, in de brief aan de Korinthiërs, is hetzelfde woord, in zowel het Grieks als in het Engels, als het woord dat wordt gebruikt voor de bekwaamheid om in herkenbare menselijke tongen/talen te spreken in Handelingen 2. Met dit in gedachten is het onwaarschijnlijk dat God hetzelfde woord gebruikt om een andere gave te beschrijven. Bovendien wordt er in de Schrift van geen enkele geestelijke gave melding gemaakt dat het zich heeft ontwikkeld in een andere vorm. Een ieder die 1Kor.12:9 leest zou niet de conclusie trekken dat de gave van genezing onder de Korinthiërs verschilde van de gave van genezing onder de apostelen van Pinksteren, Hand.3:1-9.

 “En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der  gezondmakingen, door denzelfden Geest” (1Kor.12:9).

 1- Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds,  zijnde de negende ure; 2- En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd  gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om een  aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen; 3- Welke, Petrus en Johannes  ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen. 4-  En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons. 5- En hij hield de ogen op  hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen. 6- En Petrus zeide: Zilver en goud  heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den  Nazarener, sta op en wandel! 7- En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en  terstond werden zijn voeten en enkelen vast.  En hij, opspringende, stond en wandelde, en  ging met hen in den tempel, wandelende en springende, en lovende God.  En al het volk zag  hem wandelen en God loven” (Hand.3:1-9).

Dus waarom zouden we denken dat de gave van tongen/talen in Korinthe anders was dan ten tijde van Pinksteren?

Verder is er geen aanwijzing in de Schrift dat engelen een eigen privé taal hebben. Wanneer ze tot mensen spreken, spreken ze in de taal van mensen zonder de tussenkomst van een vertolker. Dit is ook waar als engelen spreken tot dieren (Op.19:17), en tot God (Op.7:11-12; 16:5), of tot andere engelen (Op.7:2-3). In al deze gevallen gebruikten de engelen, die spraken, woorden die Johannes verstond terwijl hij hun woorden opschreef zonder gebruik te maken van een vertolker.

Verder vinden we het bewijs dat de tongen/talen die de Korinthiërs spraken bekende en herkenbare talen/tongen waren omdat Paulus degen die in tongen/talen sprak aanmoedigde om hun woorden te vertalen, 1Kor.14:13:

“Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen”. betogende:

 “Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij  zegt?”(1Kor.14:16).

Als Paulus zegt dat “ongeleerden” de Korinthiërs niet konden verstaan, houdt dat duidelijk in dat “geleerde” (of onderwezen) mensen hun taal/tong wel konden verstaan. In die dagen spraken onderwezen mensen, net als Paulus, vaak meer dan één taal/tong zoals dat vandaag de dag ook veel voor komt. Maar al leerde iemand ook nog zoveel talen/tongen, toch zou het dan voor zo iemand  onmogelijk zijn om de Korinthiërs te verstaan als ze een taal/tong spraken die alleen bekend was bij de engelen.

Dit alles helpt ons om tot de conclusie te komen dat,  als Paulus spreekt van “de talen der mensen en der engelen”,  de talen/tongen van mensen en engelen één en dezelfde zijn. Deze verwoording mag dan vreemd klinken voor ons, maar het is gelijk aan Op.21:17, waar Johannes de afmetingen van de muur van het Nieuwe Jeruzalem opgeeft in ellen, hij haast zich dan om er aan toe te voegen dat de ellen, waarvan hij sprak, waren: “naar de maat eens mensen, welke des engels was”.  Johannes zegt dat de ellen van de engelen dezelfde ellen waren als die der mensen, Paulus, dezelfde manier van uitdrukken gebruikende, zegt dat de tongen/talen van engelen dezelfde zijn als de tongen/talen van mensen. (2).

Het doel van de tongen/talen in Korinthe

Nu moeten we het doel, van de gave van tongen/talen, aan de Korinthiërs overwegen. We citeren de apostel Paulus: “Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den  ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die geloven”  (1Kor.14:22).

Natuurlijk waren, in het algemeen, de tongen/talen geen teken voor ongelovigen, maar speciaal voor de ongelovigen in Israël, want:“Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken” (1Kor.1:22). 

En de gemeente van Korinthe “paalde” (grensde) aan de synagoge te Korinthe: “1- En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe; 2- En vond een zekeren  Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italie gekomen was, en   Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken  zouden), en hij ging tot hen; 3- En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk. 4- En hij handelde op elken sabbat   in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken. 5- En als Silas en Timotheus van  Macedonie afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den  Joden, dat Jezus is de Christus. 6- Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn   klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal  ik tot de heidenen heengaan. 7- En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een  man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge”    (Hand.18:1-7).

En zodoende was de aanwezigheid van de gave van tongen/talen, in de gemeente te Korinthe, een teken voor de ongelovige Joden in de aangrenzende synagoge. 

Maar een teken waarvoor? We hoeven er niet naar te gissen, want even voordat wordt ons verteld dat de tongen/talen een teken waren, citeert Paulus de profeet Jesaja, 1Kor.14:21:

“In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit  volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere”.

In de dagen van Jesaja was Israël in opstand tegen God, en God had geprobeerd om tot hen te spreken in het Hebreeuws (door de profeten) over hun opstandigheid. Toen ze bleven volharden in hun opstandigheid, beloofde God om tot hen te spreken in een taal die ze zeer zeker zouden verstaan, de taal van tuchtiging, Jes.28:11:

“Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken”.

Wanneer onze kinderen volharden in opstandigheid, nadat we ze in klare taal de consequenties duidelijk hebben gemaakt, moeten we de consequenties praktiseren door ze in een taal toe te spreken die ze wel verstaan, die van billenkoek of lichamelijke kastijding.

En zo was het ook met de kinderen Israëls toen ze bleven volharden in opstand tegen hun God en Vader, en ondanks Zijn waarschuwingen van de consequenties, in het Hebreeuws, deed God de belofte om tot hen te spreken in een “andere taal/tong” (Jes.28:11), dat wil zeggen de taal van hun vijanden.

God vervulde deze belofte door toe te staan dat Israël gevangkelijk werd weggevoerd door Assyrië, en toen Juda Israël volgde in hun opstand, stond Hij Nebucadnezar toe om hen eveneens gevangkelijk weg te voeren. En toen dat gebeurde was dat een teken van oordeel voor het volk van God.

Het was een teken dat God de zegeningen, die Israël tot hoofd der volken zou maken, wanneer ze gehoorzaam waren, had weggenomen, vergelijk Deut.28:1,13:  

“1 En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult  gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de  HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.  13 En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven  zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die  ik u heden gebiede te houden en te doen; en de zegeningen heeft gegeven aan “de vreemdeling”, Deut.28:15, 43,44:

 “15- Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet zult  gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u  heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.“43- De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij  zult laag, laag nederdalen. 44- Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een  hoofd  zijn, en gij zult tot een staart zijn”.

een vreemdeling, genaamd Nebucadnezar, en hem tot hoofd van de volken heeft gemaakt, vergelijk Dan.2:38b:

 “Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd”.

Het is belangrijk om te begrijpen dat dit de reden is waarom Paulus Jes.28:11 citeert om uit te leggen waarom de gave van tongen/talen aan de Korinthiërs was gegeven.

Nadat Israël de Zoon van God had gekruisigd en volhardde in hun opstand tegen God door Stéfanus te stenigen, nam God de zegen weg van Israël en gaf hem aan de Heidenen, Hand.13:46; 28:27-28:

“Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot  u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven  des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen” (Hand.13:46).

“27- Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord,  en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en  met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze. 28- Het  zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen”   (Hand.28:27-28).

en zo kwam het, dat, toen de Joden zich in de Korinthische synagoge bevonden om te aanbidden, naast hen, de gelovigen uit de Heidenen in een andere taal spraken, dat een teken was voor hen, een teken van oordeel.

Toen God één van de wonderbare tekenen nam, waarvan de Joden dachten dat het “hun teken”  was, Psalm 74:9, en het aan de Heidenen gaf, was dat een teken voor Israël dat ze door God geoordeeld werden. 

“Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang”  (Psalm 74:9).

 Dit alles geeft verder bewijs dat de tongen/talen, die te Korinthe werden gesproken, tongen/talen van mensen waren, niet een taal/tong van engelen die bij de mensen niet bekend was. Als de uitdrukking “een andere tong”, in Jes.28:11, spreekt van een menselijke taal en niet een exclusieve taal van engelen, en Paulus citeert deze passage om de gave van tongen, te Korinthe, uit te leggen, moeten we de conclusie trekken dat de talen waarin de Korinthiërs spraken ook talen/tongen van mensen waren, want anders is de vergelijking van Paulus niet analoog. 

 Sommigen kunnen daartegen bezwaar maken, als Paulus zegt:

 “Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand   verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden” (1Kor.14:2). 

en zeggen dat dit het bewijs is dat de vreemde tong/taal te Korinthe geen menselijke taal was. Maar als ik Duits spreek in een kamer waar niemand anders Duits spreekt dan “verstaat niemand” mij. Maar God uiteraard wel, dan kun je met recht zeggen dat ik spreek “niet den mensen, maar Gode”.

Het doel van dit artikel

 Afsluitende zeggen we dat de lezer de Schriften na zou moet gaan of deze dingen zo zijn, we hopen dat deze informatie , die de beweringen van de moderne Pinkstermensen weerleggen, niet worden gebruikt om hen aan te vallen, maar eerder om hen op een zachtmoedige wijze te helpen en anderen te laten zien dat de gave van tongen/talen heeft opgehouden te bestaan. Als u op deze wijze in staat bent om iemand te leiden tot het begrip van het “recht snijden” van Gods Woord  (2Tim.2:15), en al de zegeningen die met dat begrip gepaard gaan, wat zal dat dan een dag van vreugde zijn! 

(1)  : Een ooggetuige verslag dat Pastor C. R. Stam. De stichter van de Berean Bible Society met ons heeft gedeeld.

(2)  : Als engelen een inheemse taal zouden hebben dan zou dat misschien Hebreeuws zijn,  welke wel eens de natuurlijke taal van God Zelf zou kunnen zijn. De Hebreeuwse taal heeft geen verleden of toekomstige tijd, waardoor het een geschikte taal is voor de  grote “IK BEN” die woont in de eeuwigheid,  samen met degenen die met Hem wonen  in de Hemel, vergelijk Hand.26:14: “En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard,  tegen de prikkels de verzenen te slaan”.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011