|
De talen-tongen van mensen of van Engelen?
Door
Pastor Ricky Kurth
Niet lang na het begin van de
twintigste eeuw begon het religieuze experiment, bekend als “het
spreken in tongen” populair te worden in vele gemeenten. Dit
fenomeen spoorde vele aspirant zendelingen aan om zich te haasten
naar buitenlandse zendingsvelden, zonder opgeleid te zijn in de
lokale taal, want ze waren er van overtuigd dat hun pas gevonden
geestelijke gave hen in staat zou stellen om vloeiend te spreken in
de moedertaal van hun gekozen zendingsveld. Ze kwamen er echter
spoedig achter dat dit niet het geval was en werden, met tegenzin,
gedwongen om terug te keren om opleiding te ontvangen in die bewuste
taal. (1).
De talen/tongen
van mensen.
Het is waar dat, toen de gaven van
talen/tongen met Pinksteren werd geïntroduceerd, het de mensen de
bovennatuurlijke bevoegdheid gaf om in een bekende, en herkenbare,
menselijke taal te spreken waarmee ze niet vertrouwd waren. We
weten dat omdat de specifieke talen die ze spraken voor ons zijn
samengevat in Hand.2:4-11:
“4 En zij werden allen vervuld met
den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals
de Geest hun gaf uit te spreken. 5- En er waren Joden, te Jeruzalem
wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder
den hemel zijn. 6- En als deze stem geschied was, kwam de menigte
samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen
taal spreken. 7- En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich,
zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar
spreken, Galileers? 8- En hoe horen wij hen een iegelijk in onze
eigen taal, in welke wij geboren zijn? 9- Parthers, en Meders, en Elamieten,
en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus
en Azie. 10- En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye,
hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en
Jodengenoten; 11- Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze
talen de grote werken Gods spreken.
We weten eveneens dat God deze gave
aan de Joden heeft gegeven omdat Hij van plan was van het volk
Israël een “koninkrijk van priesters” te maken Ex.19:6:
“En
gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn.
Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult”.
om Zijn woord te bedienen aan de Heidenen, Jes.61:6:
“Doch
gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes
Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun
heerlijkheid zult gij u roemen”.
En wat heeft u aan een priester die
uw taal niet spreekt? Denk aan hetgeen Zacharia heeft voorzegd:
“Het zal in die dagen geschieden,
dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen,
ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen
met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is”
(Zach.8:23).
Met Pinksteren was de vervulling van
deze profetie in zicht, en dus gaf God de gave van tongen/talen aan
de apostelen zodat ze met Pinksteren konden communiceren met Joden
die een andere taal spraken, en later ook met Heidenen die een
andere taal spraken.
Maar zoals we weten verwierp het
volk Israël het aanbod van God, om hen tot een koninkrijk van
priesters te maken, toen ze Stefanus stenigden, en God er toe
dwongen om Israëls koninkrijk in de wachtkamer te zetten, en
veroorzaakten daardoor dat de gave van talen/tongen verdween zodra
het Woord van God voltooid was, 1Kor.13:8-10:
“8- De liefde vergaat nimmermeer;
maar hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij
talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan
worden. 9- Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
10- Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen
ten dele is, te niet
gedaan worden”.
Vanwege dit alles is er in de
afgelopen 2000 jaar niemand geweest die in staat was om in
talen/tongen te spreken. Oprechte Pinkster gelovigen die proberen
deze gave na te bootsen mogen dan van goede wil zijn, maar ze zijn
niet in staat om te spreken in bekende, herkenbare, talen zoals men
dat deed met Pinksteren.
De
tongen/talen van Engelen
Maar als we dit proberen uit te
leggen aan onze Pinkster vrienden, betogen ze vaak dat, jaren na
Pinksteren, de Korinthiërs verschillende gaven van talen/tongen zijn
gegeven. Ze beweren, toen Paulus aan de Korinthiërs sprak over “de
talen der mensen en der engelen” (1Kor.13:1), dat dit een
heenwijzing was naar “een vreemde taal” (1Kor.14:2),
gesproken door engelen, en dat dát de gave is die God aan de
Korinthiërs gaf, en dat die gave voortduurt tot vandaag de dag.
En omdat niemand van ons een
“engelen taal” spreekt is het onmogelijk om na te gaan of degenen
die vandaag de dag in tongen/talen spreken, een echte bestaande taal
spreken, zoals de buitenlandse bezoekers in Jeruzalem daartoe wel in
staat waren, zij hoorden hetgeen werd gezegd (Hand.2:11).
Met dit artikel hopen we deze
bewering het hoofd te bieden door te laten zien dat de gave van
tongen/talen, aan de Korinthiërs, dezelfde was als de gave die werd
gegeven op de Pinksterdag, en dat deze bekwaamheid, om in bestaande,
herkenbare, talen te spreken zou verdwijnen zoals God dat heeft
gezegd dat het zou gebeuren, en dat het niet is vervangen door de
mogelijkheid om een taal/tong te spreken in een exclusieve
engelentaal. Onze primaire bedoeling is om nieuwe genade gelovigen
te verzekeren niet te denken dat ze een zogenaamde “tweede zegening”
missen die God wel zou hebben gegeven aan andere gelovigen. Maar we
hopen eveneens dat deze gedachten zullen helpen om anderen te
overtuigen dat hun Pinkster vrienden helemaal geen door God gegeven
gave van tongen/talen hebben ontvangen.
De tongen/talen van
mensen of van Engelen
Om mee te beginnen, het woord voor
“tongen/talen”, in de brief aan de Korinthiërs, is hetzelfde woord,
in zowel het Grieks als in het Engels, als het woord dat wordt
gebruikt voor de bekwaamheid om in herkenbare menselijke
tongen/talen te spreken in Handelingen 2. Met dit in gedachten is
het onwaarschijnlijk dat God hetzelfde woord gebruikt om een andere
gave te beschrijven. Bovendien wordt er in de Schrift van geen
enkele geestelijke gave melding gemaakt dat het zich heeft
ontwikkeld in een andere vorm. Een ieder die 1Kor.12:9 leest zou
niet de conclusie trekken dat de gave van genezing onder de
Korinthiërs verschilde van de gave van genezing onder de apostelen
van Pinksteren, Hand.3:1-9.
“En
een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven
der gezondmakingen, door denzelfden Geest” (1Kor.12:9).
“1-
Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de
ure des gebeds, zijnde de negende ure; 2- En een zeker man, die
kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij
dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om
een aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen; 3-
Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden
ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen. 4- En Petrus,
sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons. 5- En hij
hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou
ontvangen. 6- En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar
hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den Nazarener,
sta op en wandel! 7- En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij
hem op, en terstond werden zijn voeten en enkelen vast. En hij,
opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den tempel,
wandelende en springende, en lovende God. En al het volk zag hem
wandelen en God loven” (Hand.3:1-9).
Dus waarom zouden we denken dat de
gave van tongen/talen in Korinthe anders was dan ten tijde van
Pinksteren?
Verder is er geen aanwijzing in de
Schrift dat engelen een eigen privé taal hebben. Wanneer ze tot
mensen spreken, spreken ze in de taal van mensen zonder de
tussenkomst van een vertolker. Dit is ook waar als engelen spreken
tot dieren (Op.19:17), en tot God (Op.7:11-12; 16:5), of tot andere
engelen (Op.7:2-3). In al deze gevallen gebruikten de engelen, die
spraken, woorden die Johannes verstond terwijl hij hun woorden
opschreef zonder gebruik te maken van een vertolker.
Verder vinden we het bewijs dat de
tongen/talen die de Korinthiërs spraken bekende en herkenbare
talen/tongen waren omdat Paulus degen die in tongen/talen sprak
aanmoedigde om hun woorden te vertalen, 1Kor.14:13:
“Daarom, die in een vreemde taal
spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen”.
betogende:
“Anderszins,
indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats
eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij
niet weet, wat gij zegt?”(1Kor.14:16).
Als Paulus zegt dat “ongeleerden” de
Korinthiërs niet konden verstaan, houdt dat duidelijk in dat
“geleerde” (of onderwezen) mensen hun taal/tong wel konden verstaan.
In die dagen spraken onderwezen mensen, net als Paulus, vaak meer
dan één taal/tong zoals dat vandaag de dag ook veel voor komt. Maar
al leerde iemand ook nog zoveel talen/tongen, toch zou het dan voor
zo iemand onmogelijk zijn om de Korinthiërs te verstaan als ze een
taal/tong spraken die alleen bekend was bij de engelen.
Dit alles helpt ons om tot de
conclusie te komen dat, als Paulus spreekt van “de talen der
mensen en der engelen”, de talen/tongen van mensen en engelen
één en dezelfde zijn. Deze verwoording mag dan vreemd klinken voor
ons, maar het is gelijk aan Op.21:17, waar Johannes de afmetingen
van de muur van het Nieuwe Jeruzalem opgeeft in ellen, hij haast
zich dan om er aan toe te voegen dat de ellen, waarvan hij sprak,
waren: “naar de maat eens mensen, welke des engels was”.
Johannes zegt dat de ellen van de engelen dezelfde ellen waren als
die der mensen, Paulus, dezelfde manier van uitdrukken gebruikende,
zegt dat de tongen/talen van engelen dezelfde zijn als de
tongen/talen van mensen. (2).
Het
doel van de tongen/talen in Korinthe
Nu moeten we het doel, van de gave
van tongen/talen, aan de Korinthiërs overwegen. We citeren de
apostel Paulus: “Zo dan,
de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar
den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar
dengenen, die geloven” (1Kor.14:22).
Natuurlijk waren, in het algemeen,
de tongen/talen geen teken voor ongelovigen, maar speciaal voor de
ongelovigen in Israël, want:“Overmits
de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken”
(1Kor.1:22).
En de gemeente van Korinthe “paalde”
(grensde) aan de synagoge te Korinthe: “1-
En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe; 2- En
vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus,
die onlangs van Italie gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw,
(omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome
vertrekken zouden), en hij ging tot hen; 3- En omdat hij van
hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren
tentenmakers van handwerk. 4- En hij handelde op elken sabbat in
de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken. 5- En als
Silas en Timotheus van Macedonie afgekomen waren, werd Paulus door
den Geest gedrongen, betuigende den Joden, dat Jezus is de
Christus. 6- Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij
zijn klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik
ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan. 7-
En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een
man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de
synagoge”
(Hand.18:1-7).
En zodoende was de aanwezigheid van
de gave van tongen/talen, in de gemeente te Korinthe, een teken voor
de ongelovige Joden in de aangrenzende synagoge.
Maar een teken waarvoor? We hoeven
er niet naar te gissen, want even voordat wordt ons verteld dat de
tongen/talen een teken waren, citeert Paulus de profeet Jesaja,
1Kor.14:21:
“In de wet is geschreven: Ik zal
door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk
spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere”.
In de dagen van Jesaja was Israël in
opstand tegen God, en God had geprobeerd om tot hen te spreken in
het Hebreeuws (door de profeten) over hun opstandigheid. Toen ze
bleven volharden in hun opstandigheid, beloofde God om tot hen te
spreken in een taal die ze zeer zeker zouden verstaan, de taal van
tuchtiging, Jes.28:11:
“Daarom zal Hij door belachelijke
lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken”.
Wanneer onze kinderen volharden in
opstandigheid, nadat we ze in klare taal de consequenties duidelijk
hebben gemaakt, moeten we de consequenties praktiseren door ze in
een taal toe te spreken die ze wel verstaan, die van billenkoek of
lichamelijke kastijding.
En zo was het ook met de kinderen
Israëls toen ze bleven volharden in opstand tegen hun God en Vader,
en ondanks Zijn waarschuwingen van de consequenties, in het
Hebreeuws, deed God de belofte om tot hen te spreken in een “andere
taal/tong” (Jes.28:11), dat wil zeggen de taal van hun vijanden.
God vervulde deze belofte door toe
te staan dat Israël gevangkelijk werd weggevoerd door Assyrië, en
toen Juda Israël volgde in hun opstand, stond Hij Nebucadnezar toe
om hen eveneens gevangkelijk weg te voeren. En toen dat gebeurde was
dat een teken van oordeel voor het volk van God.
Het was een teken dat God de
zegeningen, die Israël tot hoofd der volken zou maken, wanneer ze
gehoorzaam waren, had weggenomen, vergelijk Deut.28:1,13:
“1 En het zal geschieden, indien gij
der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen,
waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal
de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde. 13 En
de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij
zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen
zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede
te houden en te doen; en
de zegeningen heeft gegeven aan “de vreemdeling”, Deut.28:15, 43,44:
“15-
Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws
Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al
Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen
al deze vloeken over u komen, en u treffen.“43- De vreemdeling, die
in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij
zult laag, laag nederdalen. 44- Hij zal u lenen, maar gij zult hem
niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart
zijn”.
een vreemdeling, genaamd
Nebucadnezar, en hem tot hoofd van de volken heeft gemaakt,
vergelijk Dan.2:38b:
“Hij heeft u gesteld tot een
heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd”.
Het is belangrijk om te begrijpen
dat dit de reden is waarom Paulus Jes.28:11 citeert om uit te leggen
waarom de gave van tongen/talen aan de Korinthiërs was gegeven.
Nadat Israël de Zoon van God had
gekruisigd en volhardde in hun opstand tegen God door Stéfanus te
stenigen, nam God de zegen weg van Israël en gaf hem aan de
Heidenen, Hand.13:46; 28:27-28:
“Maar Paulus en Barnabas,
vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u
het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve
verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt,
ziet, wij keren ons tot de heidenen” (Hand.13:46).
“27- Want het hart
dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk
gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger
tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart
verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze. 28- Het zij u dan
bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve
zullen horen” (Hand.28:27-28).
en zo kwam het, dat, toen de Joden
zich in de Korinthische synagoge bevonden om te aanbidden, naast
hen, de gelovigen uit de Heidenen in een andere taal spraken, dat
een teken was voor hen, een teken van oordeel.
Toen God één van de wonderbare
tekenen nam, waarvan de Joden dachten dat het “hun teken” was,
Psalm 74:9, en het aan de Heidenen gaf, was dat een teken voor
Israël dat ze door God geoordeeld werden.
“Wij zien onze tekenen niet; er is
geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang” (Psalm
74:9).
Dit alles geeft verder bewijs dat
de tongen/talen, die te Korinthe werden gesproken, tongen/talen van
mensen waren, niet een taal/tong van engelen die bij de mensen niet
bekend was. Als de uitdrukking “een andere tong”, in Jes.28:11,
spreekt van een menselijke taal en niet een exclusieve taal van
engelen, en Paulus citeert deze passage om de gave van tongen, te
Korinthe, uit te leggen, moeten we de conclusie trekken dat de talen
waarin de Korinthiërs spraken ook talen/tongen van mensen waren,
want anders is de vergelijking van Paulus niet analoog.
Sommigen kunnen daartegen bezwaar
maken, als Paulus zegt:
“Want
die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode;
want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij
verborgenheden” (1Kor.14:2).
en zeggen dat dit het bewijs is dat
de vreemde tong/taal te Korinthe geen menselijke taal was. Maar als
ik Duits spreek in een kamer waar niemand anders Duits spreekt dan
“verstaat niemand” mij. Maar God uiteraard wel, dan kun je met recht
zeggen dat ik spreek “niet den mensen, maar Gode”.
Het
doel van dit artikel
Afsluitende zeggen we dat de lezer
de Schriften na zou moet gaan of deze dingen zo zijn, we hopen dat
deze informatie , die de beweringen van de moderne Pinkstermensen
weerleggen, niet worden gebruikt om hen aan te vallen, maar eerder
om hen op een zachtmoedige wijze te helpen en anderen te laten zien
dat de gave van tongen/talen heeft opgehouden te bestaan. Als u op
deze wijze in staat bent om iemand te leiden tot het begrip van het
“recht snijden” van Gods Woord (2Tim.2:15), en al de zegeningen die
met dat begrip gepaard gaan, wat zal dat dan een dag van vreugde
zijn!
(1)
: Een ooggetuige verslag dat Pastor C. R. Stam. De stichter van de
Berean Bible Society met ons heeft gedeeld.
(2)
: Als engelen een inheemse taal zouden hebben dan zou dat misschien
Hebreeuws zijn, welke wel eens de natuurlijke taal van God
Zelf zou kunnen zijn. De Hebreeuwse taal heeft geen verleden of
toekomstige tijd, waardoor het een geschikte taal is voor de
grote “IK BEN” die woont in de eeuwigheid, samen met degenen die
met Hem wonen in de Hemel, vergelijk Hand.26:14:
“En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem,
tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul,
wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen
te slaan”. |