De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XIII  -  R O M . 13:1-14

                   DE CHRISTEN,  DE OVERHEDEN,   ZIJN NAASTE EN

 ZIJN HEERE

           ONDERWORPENHEID AAN DE

                   GESTELDE MACHTEN

"Alle ziel zij aan de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, zijn door God ingesteld. "Zodat hij die zich tegen de macht stelt, de instelling van God weerstaat; en die ze weerstaat, zullen over zichzelf een oordeel halen. "Want de oversten zijn niet te vrezen voor de goede werken, maar voor de kwade. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben. "Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die kwaad doet. "Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten. "Want waarom betaalt gij ook belasting; want zij zijn dienaars van God, die hierin voortdurend bezig zijn. "Geeft dan een ieder wat gij schuldig zijt: belasting, aan wie gij de belasting; tol, aan wie gij de tol; vrees, aan wie gij de vrees; eer, aan wie gij de eer schuldig zijt." - Rom.13:1-7.

  Onze studies in Romeinen hebben ons nu gebracht tot het onderwerp van de Christen en zijn regering.

Het is verbazend dat zoveel Christenen zich niet bewust zijn van de waarheid van boven­staand V.1. Zij weten niet

dat "de machten door God zijn ingesteld", zodat er uiteindelijk "geen macht is dan van God".

Het is waar dat we leven onder de bedeling van Gods genade" (Eph.3:1-4), maar we leven ook onder de bedeling van Menselijke Regering. Deze bedeling, begonnen in de dagen van Noach (Gen.9:5,6), is nooit tot een einde ge­bracht. God verordineerde menselijk regiem, en houdt de mens verantwoordelijk voor het leven van zijn broeder. De uitspraak: "Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden" (Gen.9:6), stelt de mens verantwoorde­lijk ook om de doodstraf uit te voeren, en dit sluit uiteraard alle mindere straffen in.

Nog meer dan dit: het bijzondere "machten die er zijn" zijn door God geordineerd. In het algemeen geeft God de volken precies die soort regeerders welke zij verdienen. Sommigen van hen zijn slecht en immoreel, "de slechtste mensen", en toch zijn zij "door God geordineerd" (Dan.4:17) en tegenover Hem verantwoordelijk. Tot de heidense en arrogante koning Nebukadnezar zei Daniel: "...de God des hemels heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken" (Dan.2:37).

  En tot deze koning in al zijn trots, kwam later een stem uit de hemel die hem veroordeelde tot waanzin totdat hij de les zou geleerd hebben, dat "...de Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wil" (Dan.4:32).

  Onze Here zei tegen Pilatus: "...Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven was..."(Joh.19:11).

  Inderdaad verklaart de Apostel in deze korte passage in Romeinen (13:1-7) zesmaal dat de regeringen boven ons door God verordineerd zijn.

  Zo mogen aardse regeerders partijdig of despo­tisch of corrupt zijn, maar God zegt: "Wees onderworpen", evenals Hij de vrouw aanwijst om onderworpen te zijn aan haar man, het kind aan zijn ouders, de knecht aan zijn meester. Misbruik van gezag, in welk geval ook, verandert de gevestigde orde van God niet, want zonder orde zou er chaos zijn. Dit is niet de populaire filosofie van vandaag, maar het is de weg naar harmonie en naar 's mensen grootste geluk.  Volhouden dat wij gehouden zijn alleen "redelijke" wetten te gehoorzamen, laat de vraag van onderwerping open voor ieders uitleg. Deze filosofie heeft menig volk tot anarchie gedreven.

Petrus bevestigt Paulus in deze dingen en beiden verkondigen Gods Woord aan ons: "Weest dan aan alle menselij­ke ordening onderdanig om des Heren wil; hetzij de koning, als de opperste macht, "hetzij de stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van de kwaaddoeners, maar tot prijs van hen die goed doen" (1 Petr.2:13,14).

Maar de Apostel Paulus stelt dit princi­pe zowel negatief als positief: "Zodat hij die zich tegen de macht stelt, de instelling van God weer­staat; en die ze weerstaat, zullen over zichzelf een oordeel halen" (V.2).

  Zeker is dat deze wereld rechtstreeks naar de komende "Grote Verdruk­king" op weg is, want in steeds grotere mate "werkt de verborgenheid van de ongerechtig­heid [of wetteloosheid] reeds" (2 Thess.2:7), en het lijkt wel of wetteloosheid alles toelaat. Maar wij zeggen, dit zal niet eindigen in de vrijheid die mensen menen na te streven, maar in de anarchie en de verschrikking van de "Grote Verdrukking".

In de verzen 3,4 stelt de apostel een belangrijk feit dat blijk geeft van wetsverkrachting in het algemeen, zij het onder een dictatorschap of een democratie. Regeerders, zegt hij, zijn geen verschrikking voor goede werken, maar voor kwade. Zij hebben weinig zorg over de wetsgetrouwe inwoners, maar de wetovertreder moet altijd achterom kijken. Daarom, zo gaat hij verder, als gij niet wenst bevreesd te zijn, doe wat goed is, maar als ge doet wat kwaad is "wees bevreesd", want de overheid draagt "het zwaard" niet tevergeefs. Inderdaad is zij "Gods dienares", zonder het te weten, "een wreekster tot straf voor hem die kwaad doet" (V.4). Vergeet niet, geliefde lezer, dat ge onder God snachts rustig kunt slapen door de politiemacht die God verordineerd heeft. Zelfs in deze dagen van politieke en sociale beroering zijn, net als in de dagen van Paulus, deze fundamentele vaststellingen waar.

Als gehoorzaam Christen zijt ge niet, en zeker behoeft ge ook niet, bang te zijn voor een politie­agent, maar iemand is dat wel, en diegene zou u willen beroven of kwaad doen, ware het niet vanwege de door Godverordende politiemacht.

  Maar hij drukt het argument nog verder door in V.5-7, waar hij aanwijst dat we onderworpen moeten zijn aan de regering, niet alleen uit vrees voor straf maar "om het geweten" (V.5), d.i., uit gehoorzaamheid aan God. Zoals we boven hebben gezien, zegt Petrus, "Wees dan alle aan alle mense­lijke ordening onderdanig om des Heren wil" (1 Petr.2:13). Wij dienen ons te onderwerpen aan "de machten die gesteld zijn", niet alleen uit vrees, of omdat we goede burgers willen zijn, maar om goede Christenen te zijn. Dit is inderdaad waarom onder Gods voorziening, "gij eveneens belasting betaalt", want uw regeerders, van hoog tot laag, "zijn hierin [hiertoe] voortdu­rend bezig" d.i. tot uw veiligheid. "Geef dan ook" zegt de Apostel, "ieder wat gij schuldig zijt: belasting, aan wie gij de belasting schuldig zijt..." etc. (V.7).

  Zij die in onze dagen klagen over cor­rupte regering en zich het recht aanmatigen om te beslissen of zij wel dan niet belasting betalen, dienen te beden­ken dat Paulus leefde onder de slechte Nero en zijn corrupte regering en hij vraagt ons om onze belastingen te betalen (V.6,7), en onze Here, die ook leefde onder heidens Rome, leerde Zijn discipelen om hun belastingen te beta­len (Matt. 22:16-21; 17:24-27). Dit is Gods Woord in deze zaak.

God is geen God van wanorde, iedereen toela­tend te doen wat recht is in eigen ogen; Hij is een God van orde, en onder de tegenwoordige omstandigheden, lettend op de gevallen staat van de mens, is het beste dat de massa "onderworpen is aan de overheden" en deze verantwoordelijkheid slaat in het bijzonder op Gods eigen volk.

                    MOETEN CHRISTENEN

                  IN DE OORLOG GAAN?

Met het bovenstaande als achtergrond zijn we nu misschien beter in staat  om de vraag te behandelen die zo veel ernstige kinderen van God reeds gesteld hebben: Moeten Christenen in de oorlog gaan?

  Gelovigen in Christus staat oorlog nog meer tegen dan anderen, maar toch, meer dan alle mensen, weten wij dat we moeten buigen in gehoorzaamheid aan Gods Woord, zodat voor ons de vraag waar het om gaat luidt:

  Leert de Bijbel dat Christenen ten oorlog dienen te gaan wanneer zij door hun regeringen daartoe worden opgeroepen?

  Gelukkig heeft God ons niet zonder licht op dit onderwerp achtergelaten, want Paulus, door goddelijke inspiratie, onderricht ons voor wat betreft de verhouding die er moet bestaan tussen man en vrouw, ouders en kinderen, heren en knechten. Zoals we reeds zagen leert hij ons over de juiste verhouding tussen de Christen en zijn overheid.

In de dagen van Paulus solliciteerden of gingen de mensen niet vrijwillig bij de politie of bij de krijgsmacht. Zij wer­den allen ingelijfd, en het is tegen deze achtergrond dat de Apostel zegt; "Zij aan alle machten over u gesteld onderworpen", want zij zijn "door God ingesteld" (Rom.13:1). En herinner u, hij verklaart van de ambtsdienaar dat hij "Gods dienaar is voor u...die het zwaard niet tevergeefs draagt" (V.4). Het zwaard was uiteraard het middel tot de doodstraf, die God "de machten die er zijn" had toegestaan te voltrekken.

  Maar, zal iemand vragen: Is oorlog verenigbaar met "de bedeling van genade"? In antwoord hierop herinne­ren wij onze lezers eraan dat nu de bedeling van Menselijke Heerschappij bestaat, zoals we eerder gezien hebben, en dat Paulus het is, de Apostel der genade, die door goddelijke inspiratie verklaart dat God "de machten die er zijn" heeft ingesteld, en dat wij aan hen "onderworpen" zijn.

Maar zegt Gods Woord dan niet, "Gij zult niet doodslaan"? Ja, maar het woord "doodslaan" in Ex.20:13 heeft de betekenis van moord. Dit is duidelijk uit het feit dat God Zelf, in dezelfde Wet het volk Israel aanwees om de moor­denaar te doden (Num.35:16,17,18,19,21,30,31),[i] in overeenstemming met Zijn gebod waar­bij de Menselijke Heerschappij werd ingesteld: "Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergo­ten worden" (Gen.9:6).

___________

1* Het woord vertaald met "doodslaan" in Ex.20:13 is de wortel van het woord "doodsla­ger" dat in Num.35 achtmaal wordt gebruikt.

Dit is geen moord, zoals sommigen redeneren; het is Gods bevel. Als onze regeer­ders dit gebod trouw zouden toepassen zou ons land niet zo vervuld zijn met geweld­pleging en moord zoals het nu is.

Zeker zullen de meesten die vandaag weigeren wapens te dragen, er snel bij zijn om de politie te hulp te roepen als zij zouden worden beroofd! En is het niet heel waarschijn­lijk dat de meesten van hen die krijgsdienst weigeren, dat in de eerste plaats doen, niet omdat zij elkander niet willen doden - niemand van ons zou dat willen - maar omdat zij dodelijk beangst zijn dat zij zouden kunnen worden gewond of gedood? In zulke gevallen is het geen overtuiging maar vrees die hen tot pacifis­ten maakt.

Sommigen hebben natuurlijk geredeneerd dat een bepaalde oorlog niet kon worden toegelaten of immoreel zou zijn. Maar zijn wij het die dit werkelijk weten? De gemiddelde mens, zelfs de gemiddelde politicus, weet inderdaad weinig over alle feiten die bij een oorlog meespreken. Klaarblijkelijk weten onze hoogste en militaire leiders daarvan het meest. Zo ligt dus de verantwoordelijkheid voor elke oorlog die zij verklaren op hun schouders, niet op de onze, want God heeft ons bevolen hen te gehoorzamen.

Wist Paulus niet, toen hij Rom.13 schreef, dat de koninkrij­ken van deze wereld worden ondersteund door legers; dat het Babylonisch Rijk werd over­wonnen door de Perzen, en Perziכ te zwaard door de Grieken, en Griekenland door het zwaard van Rome, en dat Rome op een dag door een ander zwaard zou worden omverge­wor­pen?[ii] Toch is hij het - ja, het is God sprekend door hem - die zegt: "Wees onderwor­pen".

Maar misschien is de tegenwerping: Hoe kan een God van liefde oorlog toelaten? de meest indringende. Hierop antwoorden wij dat Gods liefde onbeperkt is, maar ook Zijn gerechtigheid. Is het niet vreemd dat mensen willen dat God onbeperkt in barmhartigheid en liefde is, maar niet in gerechtigheid of in Zijn toorn over zonde.

  __________

2* Onze Here wist het klaarblijkelijk. Hij zei tegen Pilatus" "...indien Mijn konink­rijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestre­den hebben..."(Joh.18:36).

  Maar God is onbeperkt in al Zijn handelen, omdat Hij onbeperkt, onein­dig, is. Het was daarom in volmaakte en oneindige gerechtigheid dat Hij alle mensen ter dood veroordeelde als straf op de zonde. Dus zij die het voor onrechtvaardig van God houden om een jongeman te bevelen in de oorlog te gaan en, misschien, door een kogel te wor­den gedood, dienen zichzelf  af te vragen of het niet onrechtvaardig van Hem zou zijn om diezelfde persoon te laten sterven aan kanker, hartverlamming of wat ook, "want het is de mensen gezet eenmaal te sterven" (Hebr.9:27).

De auteur sympathiseert met mensen die alleen de verschrikkingen van de oorlog zien, speciaal wanneer zij voor ons op de hedendaagse televisie en in de kranten en tijdschriften worden voorgeschoteld. Maar hij wordt ook aan­gesproken als hij door de gangen van onze grote hospita­len loopt en getuige is van het lijden, de wanhoop, de hartverscheurende dingen die veroorzaakt zijn door zonde.

Maar wacht! Wij hebben niet de volledige verklaring door Paulus in Hebr.9:27,28 aangehaald. Het is waar, "het is de mens gezet eenmaal te sterven", maar dit is niet alles wat hij zegt. Lees de gehele passage nauwkeurig : "En ZOALS het de mensen gezet is, ייnmaal te sterven en daarna het oordeel;  "ZO ZAL OOK CHRIS­TUS, EENMAAL GEOFFERD OM VELE ZONDEN WEG TE NEMEN, TEN ANDE­REN MALE ZONDER [LOS VAN] ZONDE GEZIEN WORDEN DOOR HEN DIE HEM VERWACHTEN TOT ZALIGHEID."

God biedt aan allen die thans lijden onder de gevolgen van zonde, met inbegrip van oorlog, de zekerheid en vreugde van eeuwig leven in Chris­tus aan. "In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade" (Eph.1:7).

Het is geloof in Christus, die stierf voor onze zonden, dat ons waarlijk voorbereidt voor ziekte, lijden en dood - en zelfs zonodig voor oorlog, want gedurende "deze tegenwoordige boze wereld" (Gal.1:4), leven we eveneens onder "de bedeling van Gods genade" (Eph.3:2).

                     EEN UITZONDERING

  Hoewel God de overheden gezag geschonken heeft over de burgers, blijft de verantwoordelijkheid van ieder mens in de eerste plaats aan God. De gelovige moet dus de overheid ongehoorzaam zijn wanneer de overheid hem gebiedt God ongehoorzaam te zijn. Wij hebben een voor­beeld van deze gehoorzaamheid aan hoger gezag in het gedrag van Petrus en de andere apostelen in het eerste deel van Handelingen. De apostelen waren uitgezonden om Christus en de opstanding te prediken. Toen hun overheid gelastte ermee op te houden, antwoordden Petrus en Johannes terecht: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, naar u meer te horen dan naar God? "Want wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben" (Hand.4:19,20).

Zelfs na gedreigd te zijn en gevangen genomen, antwoord­den Petrus en de andere apostelen: "Men moet God meer gehoorzaam zijn dan de mensen" (Hand.5:29).

Men zou natuurlijk kunnen redeneren dat de politieke auto­riteit van de bestuurders van Israel reeds begon te verzwakken (Cf. Matt.21:43), maar zeer zeker beschouwde het volk hen als het bevoegd gezag. Bovendien hebben we in Hand.23:5 Paulus die zich verontschuldigt wegens oneerbiedig spreken tegen de Hogepriester (V.3).

Maar aanvullend hebben we nog het geval van Paulus in Damaskus. Liever dan in handen te vallen van de stadhouder, "ontvluchtte hij zijn handen" en ging voort met Christus te prediken.

Maar het gedrag van de twaalf apostelen en dat van Paulus in de bovengenoemde gevallen is een verre roep van de wetteloosheid die ook nu in de wereld opgeld doet, en die Paulus en Petrus zo categorisch tegenstaan.

               DE CHRISTEN, ZIJN NAASTE

                          EN ZIJN HERE

  "Weest niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. "Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. "De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet. "En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij uit de slaap ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. "De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts. "Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdig­heid; "Maar doet aan de Here Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden."  Rom.13:8-14

           DE CHRISTEN EN ZIJN NAASTE

  De Apostel gaat hier van het onderwerp van de verhouding van de gelovige ten opzichte van de overheden voort naar die tot zijn naaste. Toch bestaat er een overeenkomst. In V.7. zegt hij, "Geeft dan aan een ieder wat gij schuldig zijt," en in V.8. "Weest niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben".

Sommigen hebben de woorden "Wees niemand iets schuldig" zo uit­gelegd, dat Christenen niet naar de bank behoren te gaan om geld te lenen of uit te lenen om in zaken te steken. Dit is niet de bedoeling, want indien iemand van een bank, zeg fl.1.000,- leent, is hij niet eerder schuldig dan nadat de bank terugvordert. Een Christen moet niet verstrikt raken in onbetaalde schulden, want er is geen zekerder weg om vriendschappen te vernielen dan te ontdekken dat men zijn crediteuren ontloopt en de Here te onteren, dan door in gebreke te blijven om financiכle verplichtingen na te komen.

Er bestaat echter een schuld die we nooit geheel kunnen inlossen. Het is de de verplichting elkander lief te hebben. Indien de Here Jezus Christus uit liefde voor ons, de hemelse heerlijkheid verliet om de schande en de straf te dragen voor onze zonden en die van anderen, zijn wij dan niet schuldig de anderen lief te hebben waarvoor Hij stierf? Paulus beschouwde zichzelf een "schuldenaar" van anderen (Rom.1:14).

  Maar laat ons het vers besluiten: "want wie de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld". Zoals we weten waren de Tien Geboden in twee delen verdeeld, een had te doen met Israels verhouding tot God, de andere met de verhou­ding tot de mens. Onze Here zei van het eerste, "Dit is het eerste en grote gebod" (Matt.22:38), maar Paulus spreekt hier in Romeinen over de verhouding van de mens tot zijn naaste, dus haalt hij het tweede aan (V.9).

Maar waarom haalt hij de Wet aan? Verklaart Gal.3:13 niet dat "Christus ons verlost heeft van de vloek der wet, door voor ons een vloek te worden"? Ja, maar Rom.8:4 legt uit dat Hij dit gedaan heeft "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." In Gal.5:14, als hij opnieuw verwijst naar de menselijke kant van de Wet, zegt de Apostel: "De gehele wet wordt in ייn woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefheb­ben als uzelf." Zo concludeert hij tenslotte in Rom.13:10: "De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling van de wet."

Hoe waar is dit! De Wet is een getuigenis van menselijke verdorvenheid (1 Tim.1:9,10). Als alle mensen elkander zouden liefhebben waartoe hebben we dan nog wetten nodig? Het is dan een gezegende werkelijkheid dat we gered en geor­dend zijn door genade: "...de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is" (Rom.5:5). Hoewel de gelo­vige dan niet onder het verbond van de Wet is, zal hij niette­min onder genade al de instellingen van de Wet volbrengen die betrekking hebben op het gedrag tegenover zijn naaste, door zich eenvoudig door de liefde van God te laten motive­ren.

                TIJD OM TE ONTWAKEN

  Verzen 11 en 12 verdienen bijzondere aandacht. Sommige bekwame Bijbel-leraren houden het er­voor dat de "dag" en de "nacht" in deze passa­ge gezien moet worden vanuit het licht op bedelingen. De duisternis in de wereld, zo veronderstellen zij, kwam door de val van de mens. Toen onze Here op aarde verscheen begon het te

da­gen, want Hij was "het Licht der wereld" (Joh.8:12). Maar de wereld en "de Zijnen" verwierpen Hem, zodat de duisternis weer op aarde viel toen Hij ten hemel opsteeg. De wereld zal, zo zeggen zij, het daglicht niet zien totdat Hij weer terugkomt om te regeren.

Deze uitleg schijnt op het eerste gezicht zinnig, maar zij doorstaat niet de Bereaanse toets. Als we de Schriften onder zoeken vinden we inderdaad het gezegde van onze Here, "Ik ben het Licht der Wereld", maar vervolgt, "hij die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar het licht des levens hebben" (Joh.8:12). Het waren toen alleen Zijn ware volgelingen die niet in duisternis wandelden. Zij hadden "het licht des levens". Dit strookt met het door de Geest geןnspireerde getuigenis van de Apostel Johannes: "In Hem was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen" (Joh.1:4). Wat betreft de massa die geen deel nam aan dit leven gaat Johannes voort met te beschrijven hoe diep de duisternis van hun nacht was: "En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen" (V.5).

Het licht scheen wel, maar drong niet door de dikke duisternis; de duisternis werd er niet door gespleten. De nacht was toen onze Here op aarde was inderdaad zo diep dat God Johannes de Doper zond om de mensen op Christus, het Licht, te wijzen.

"Er was een mens, door God gezonden, wiens naam was Johannes. "Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden" (V.6,7).

Het is daarom duidelijk, dat onze Here de wereldse duisternis bij Zijn eerste komst niet ophief, en dat het, gezien binnen de bedelingen, toen op aarde geen dag was. Wij geloven eerder, dat de nacht in de wereld begon met de val van de mens, en dat de duisternis niet eerder zal worden weggenomen dan bij de tweede komst van Christus om te oordelen en te regeren. Dan zullen de kwaden worden geoordeeld en "ver­brand" worden als stoppels (Mal.4:1), maar voor hen die Zijn naam vre­zen:

  "...de Zon der ge­rechtigheid zal opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen..." (V.2).

Hierom wordt Hij "de Morgenster" genoemd, in die Geschriften die allereerst verwijzen naar de Grote Verdrukking (Openb.22:16; 2 Petr.1:19).

Maar wat bedoelt de Apostel Paulus dan in Rom.13:12, waar hij zegt dat "de nacht ver gevorderd is" en "de dag nabij gekomen"?

                  ONZE NACHT EN DAG

Wij geloven dat het antwoord op deze vraag is, dat de Apostel in Rom. 13:11,12 niet spreekt binnen de bedelingen. Zeker, als de "nacht" van deze tegen­woordige bedeling werd gevolgd door de veronderstelde "dag" van de aardse bediening van onze Here, kon Paulus niet geschreven heb­ben dat de nacht "ver gevorderd" was. Toen hij schreef was zij nauwelijks begonnen.

Rom.13:11,12 zou moeten worden vergeleken met passages als 2 Cor. 4:6: "Want God Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus." Goddank, is de dag is voor de gelovige in Christus aangebroken, hoe­wel de nacht om hem heen donker is. En omdat de dag aangebroken is, "is het nu het uur om uit de slaap te ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd heb­ben" (Rom.13:11). Onze redding als gelovigen in Christus, is na­tuurlijk zeker, maar is nog niet volkomen, en op een dag zal het aanbreken van het licht dat ons zo zoveel zegen en vreugde gebracht heeft, plotseling doorbreken in de volle hemelse dag als onze Geliefde komt om ons tot Zich op te trek­ken.

                  LAAT ONS NIET SLAPEN

  Let wel, het is niet het morgenlicht waar wij op wachten. Want voor ons is de nacht "ver gevor­derd"; de dag is aangebroken en de volle hemelse dag is nabij gekomen. Kon de Apostel een betere aansporing laten horen waarom wij "uit de slaap zouden ontwaken"?

We vinden dezelfde oproep krachtdadig gebracht in 1 Thess.5. Na uitgelegd te hebben in 1 Thess.4:16-18 hoe we zullen worden opgenomen om de Here te ontmoe­ten om voor altijd met Hem te zijn, gaat de Apostel voort in Hoofdstuk 5 met te zeggen dat "de dag van de Here" over de wereld zal komen als "een dief in de nacht".

"Want wanneer ZIJ zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een plotseling verderf hun overkomen, zoals de barensnood over een zwangere vrouw; en zij zullen geenszins ontkomen" (V.3).

  Maar de Apostel haast zich om te verklaren: "Maar GIJ, broeders! gij zijt niet in duister­nis, zodat die dag U als een dief zou overvallen. "GIJ zijt allen kinderen des lichts, en kinderen van de dag; WIJ zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. "Laten wij dus niet slapen zoals de anderen, maar laten wij waken en nuchter zijn" (V.4-6). Dit is het enige argument waarop hij zijn oproep om wakker en attent te blijven baseert. Hij dringt ons niet om wakker te zijn om onszelf te verde­digen tegen dieven, want voordat onze Here komt als een dief, zullen wij weggenomen zijn. Eerder zegt hij: De dief zal in de nacht komen, maar "gij zijt allen kinderen van... de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. Laten wij dus [DAAROM ] niet slapen zoals de anderen, maar laten wij waken en nuch­ter zijn" (V.5,6).

             HOOG TIJD OM TE ONTWAKEN

  Wij moeten niet nalaten om de drang op te merken van de oproep van de Apostel in Rom.13:11,12. "het is HOOG TIJD om nu uit de slaap te ontwaken...De nacht is VER GEVORDERD; de [grote] dag is nabij gekomen."

Wat een schande om zo laat nog te slapen, speciaal wanneer er strijd gevochten wordt en over­winningen geboekt! Vandaar zijn dringende oproep om nachtkle­ren van lauwheid en onver­schilligheid "af te leggen", en "de wapenrusting des lichts aan te doen".

  Wat is de "wapenrusting van het licht"? Het is een persoon, de Here Jezus Christus. In Eph.5:8 zegt de Apostel van de gelovigen: "Want gij waart vroeger duisternis, maar nu zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen van het licht."[iii]

  De mens in Christus is een licht voor hen rond­om hem als hij in het licht wandelt, en dit licht is een wapen tegen zonde, Satan en de verleidin­gen van de wereld. Zo is het zoals V.12 zegt, "doe aan de wapenen des lichts", V.14 voegt hier aan toe, "doet aan de Here Jezus Christus".[iv]

                    ONTWAAK EN STA OP

  Zoals Rom.13:11 ons roept om "uit de slaap te ontwaken", smeekt ons Eph.5:14 "ontwaak... staat op  uit de doden." Gelovigen zijn reeds met Christus door genade opgestaan uit de

do­den (Eph.2:4-6), maar helaas zijn velen vast in slaap - slapend voor hun verantwoorde­lijkheden en mogelijkheden, slapend voor het feit dat een oorlog aan de gang is! Diegenen zijn niet meer bruikbaar voor God net als zij die "dood zijn in hun overtredingen en zonden". Daarom zegt hij in Rom.13:11,12, "uit de slaap te ontwaken...wapens aan te doen", en in Eph. 5:14-17: 

"Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op [van]uit de doden; en Chris­tus zal over u lichten. "ZIET DAN, HOE GIJ VOORZICH­TIG WANDELT, NIET ALS ONWIJZEN, MAAR ALS WIJZEN, "TERWIJL GIJ DE TIJD UITKOOPT, DAAR DE DAGEN BOOS ZIJN."DAAROM WEEST NIET ONVERSTANDIG, MAAR VERSTAAT WAT DE WIL VAN DE HERE IS." 

De Apostel doelt hier niet op de wil van God voor onze levens, maar op het plan en einddoel van God zoals geopenbaard in de Brieven van Paulus. God heeft ons bekend gemaakt de verborgenheid van Zijn wil (Eph.1:9), en Hij wil dat wij "vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand" (Col.1:9).

Paulus besluit deze belangrijke passage in zijn Brief aan de Romeinen met de woorden: "Laat ons, als in de dag, eerbaar wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid. "Maar doet aan de Here Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerten" (V.13,14). 

"Eerbaar" heeft hier de zin van 'betamelijk", als op klaar­lichte dag, en "slaapkamers en ontuchtigeden" doelt op de verschillende vormen van sexuele zonde en bandeloze zinnelijkheid. De gelovige dient "de Here Jezus Christus aan te doen", en niet tot vleselijke begeerten aanleiding te geven.

-------

3* Wat is een echt geheiligd Christenleven toch een licht in de wereld! Dit is is een innigste blijk van Christus' tegen­woordigheid hier. 2 Cor.5:20 zegt dat wij, gelovigen, hier "in Christus' plaats" zijn om mensen te smeken zich met God te laten verzoenen. 4* Naar Col.3:10 "hebben we de nieuwe mens aangedaan", en God ziet ons als in Christus. Niettemin vermaant ons de Apostel uit ervaring, "de nieuwe mens aan te doen" (Eph.4:24), net zoals hij hier doet in Rom.13:14.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011