H O O F D S T U K
XIII - R O M . 13:1-14
DE CHRISTEN, DE OVERHEDEN,
ZIJN NAASTE EN
ZIJN
HEERE
ONDERWORPENHEID AAN DE
GESTELDE MACHTEN
"Alle
ziel zij aan de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen
macht dan van God, en de machten die er zijn, zijn door God ingesteld.
"Zodat hij die zich tegen de macht stelt, de instelling van God weerstaat;
en die ze weerstaat, zullen over zichzelf een oordeel halen. "Want de
oversten zijn niet te vrezen voor de goede werken, maar voor de kwade. Wilt
gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben.
"Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet,
vrees dan; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares,
een wreekster tot straf voor hem die kwaad doet. "Daarom is het nodig
onderworpen te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.
"Want waarom betaalt gij ook belasting; want zij zijn dienaars van God,
die hierin voortdurend bezig zijn. "Geeft dan een ieder wat gij schuldig
zijt: belasting, aan wie gij de belasting; tol, aan wie gij de tol; vrees, aan
wie gij de vrees; eer, aan wie gij de eer schuldig zijt." - Rom.13:1-7.
Onze
studies in Romeinen hebben ons nu gebracht tot het onderwerp van de Christen
en zijn regering.
Het
is verbazend dat zoveel Christenen zich niet bewust zijn van de waarheid van
bovenstaand V.1. Zij weten niet
dat
"de machten door God zijn ingesteld", zodat er uiteindelijk
"geen macht is dan van God".
Het
is waar dat we leven onder de bedeling van Gods genade" (Eph.3:1-4), maar
we leven ook onder de bedeling van Menselijke Regering. Deze bedeling,
begonnen in de dagen van Noach (Gen.9:5,6), is nooit tot een einde gebracht.
God verordineerde menselijk regiem, en houdt de
mens
verantwoordelijk voor het leven van zijn broeder. De uitspraak: "Wie
des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten
worden" (Gen.9:6), stelt de mens verantwoordelijk ook om de
doodstraf uit te voeren, en dit sluit uiteraard alle mindere straffen in.
Nog
meer dan dit: het bijzondere "machten die er zijn" zijn door God
geordineerd. In het algemeen geeft God de volken precies die soort
regeerders welke zij verdienen. Sommigen van hen zijn slecht en
immoreel, "de slechtste mensen", en toch zijn zij "door God
geordineerd" (Dan.4:17) en tegenover Hem verantwoordelijk. Tot de
heidense en arrogante koning Nebukadnezar zei Daniel: "...de God des
hemels heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken"
(Dan.2:37).
En
tot deze koning in al zijn trots, kwam later een stem uit de hemel die hem
veroordeelde tot waanzin totdat hij de les zou geleerd hebben, dat "...de
Allerhoogste macht heeft over het koningschap der mensen en dat geeft aan
wie Hij wil" (Dan.4:32).
Onze
Here zei tegen Pilatus: "...Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij,
indien het u niet van boven gegeven was..."(Joh.19:11).
Inderdaad
verklaart de Apostel in deze korte passage in Romeinen (13:1-7) zesmaal
dat de regeringen boven ons door God verordineerd zijn.
Zo
mogen aardse regeerders partijdig of despotisch of corrupt zijn, maar God
zegt: "Wees onderworpen", evenals Hij de vrouw aanwijst om
onderworpen te zijn aan haar man, het kind aan zijn ouders, de knecht aan
zijn meester. Misbruik van gezag, in welk geval ook, verandert de gevestigde
orde van God niet, want zonder orde zou er chaos zijn. Dit is niet de
populaire filosofie van vandaag, maar het is de weg naar harmonie en naar 's
mensen grootste geluk. Volhouden
dat wij gehouden zijn alleen "redelijke" wetten te gehoorzamen,
laat de vraag van onderwerping open voor ieders uitleg. Deze filosofie heeft
menig volk tot anarchie gedreven.
Petrus
bevestigt Paulus in deze dingen en beiden verkondigen Gods Woord aan ons: "Weest
dan aan alle menselijke ordening onderdanig om des Heren wil; hetzij de
koning, als de opperste macht, "hetzij de stadhouders, als door hem
gezonden tot bestraffing van de kwaaddoeners, maar tot prijs van hen die
goed doen" (1 Petr.2:13,14).
Maar
de Apostel Paulus stelt dit principe zowel negatief als positief: "Zodat
hij die zich tegen de macht stelt, de instelling van God weerstaat; en die
ze weerstaat, zullen over zichzelf een oordeel halen" (V.2).
Zeker
is dat deze wereld rechtstreeks naar de komende "Grote Verdrukking"
op weg is, want in steeds grotere mate "werkt de verborgenheid van de
ongerechtigheid [of wetteloosheid] reeds" (2 Thess.2:7),
en het lijkt wel of wetteloosheid alles toelaat. Maar wij zeggen, dit zal
niet eindigen in de vrijheid die mensen menen na te streven, maar in de
anarchie en de verschrikking van de "Grote Verdrukking".
In
de verzen 3,4 stelt de apostel een belangrijk feit dat blijk geeft van wetsverkrachting
in het algemeen, zij het onder een dictatorschap of een democratie.
Regeerders, zegt hij, zijn geen verschrikking voor goede werken, maar voor
kwade. Zij hebben weinig zorg over de wetsgetrouwe inwoners, maar de
wetovertreder moet altijd achterom kijken. Daarom, zo gaat hij verder, als
gij niet wenst bevreesd te zijn, doe wat goed is, maar als ge doet wat kwaad
is "wees bevreesd", want de overheid draagt "het
zwaard" niet tevergeefs. Inderdaad is zij "Gods dienares",
zonder het te weten, "een wreekster tot straf voor hem die kwaad
doet" (V.4). Vergeet niet, geliefde lezer, dat ge onder God snachts
rustig kunt slapen door de politiemacht die God verordineerd heeft. Zelfs
in deze dagen van politieke en sociale beroering zijn, net als in de dagen
van Paulus, deze fundamentele vaststellingen waar.
Als
gehoorzaam Christen zijt ge niet, en zeker behoeft ge ook niet, bang te zijn
voor een politieagent, maar iemand is dat wel, en diegene zou u
willen beroven of kwaad doen, ware het niet vanwege de door Godverordende
politiemacht.
Maar
hij drukt het argument nog verder door in V.5-7, waar hij aanwijst dat we
onderworpen moeten zijn aan de regering, niet alleen uit vrees voor straf maar
"om het geweten" (V.5), d.i., uit gehoorzaamheid aan God.
Zoals we boven hebben gezien, zegt Petrus, "Wees dan alle aan alle
menselijke ordening onderdanig om des Heren wil" (1 Petr.2:13).
Wij dienen ons te onderwerpen aan "de machten die gesteld zijn",
niet alleen uit vrees, of omdat we goede burgers willen zijn, maar om goede
Christenen te zijn. Dit is inderdaad waarom onder Gods voorziening,
"gij eveneens belasting betaalt", want uw regeerders, van hoog tot
laag, "zijn hierin [hiertoe] voortdurend bezig" d.i. tot uw veiligheid.
"Geef dan ook" zegt de Apostel, "ieder wat gij
schuldig zijt: belasting, aan wie gij de belasting schuldig zijt..."
etc. (V.7).
Zij
die in onze dagen klagen over corrupte regering en zich het recht aanmatigen
om te beslissen of zij wel dan niet belasting betalen, dienen te bedenken
dat Paulus leefde onder de slechte Nero en zijn corrupte regering en hij vraagt
ons om onze belastingen te betalen (V.6,7), en onze Here, die ook leefde onder
heidens Rome, leerde Zijn discipelen om hun belastingen te betalen (Matt.
22:16-21; 17:24-27). Dit is Gods Woord in deze zaak.
God
is geen God van wanorde, iedereen toelatend te doen wat recht is in eigen
ogen; Hij is een God van orde, en onder de tegenwoordige omstandigheden,
lettend op de gevallen staat van de mens, is het beste dat de massa
"onderworpen is aan de overheden" en deze verantwoordelijkheid
slaat in het bijzonder op Gods eigen volk.
MOETEN CHRISTENEN
IN DE OORLOG GAAN?
Met
het bovenstaande als achtergrond zijn we nu misschien beter in staat
om de vraag te behandelen die zo veel ernstige kinderen van God reeds
gesteld hebben: Moeten Christenen in de oorlog gaan?
Gelovigen
in Christus staat oorlog nog meer tegen dan anderen, maar toch, meer dan alle
mensen, weten wij dat we moeten buigen in gehoorzaamheid aan Gods Woord,
zodat voor ons de vraag waar het om gaat luidt:
Leert
de Bijbel dat Christenen ten oorlog dienen te gaan wanneer zij door hun
regeringen daartoe worden opgeroepen?
Gelukkig
heeft God ons niet zonder licht op dit onderwerp achtergelaten, want Paulus,
door goddelijke inspiratie, onderricht ons voor wat betreft de verhouding
die er moet bestaan tussen man en vrouw, ouders en kinderen, heren en
knechten. Zoals we reeds zagen leert hij ons over de juiste verhouding
tussen de Christen en zijn overheid.
In
de dagen van Paulus solliciteerden of gingen de mensen niet vrijwillig bij de
politie of bij de krijgsmacht. Zij werden allen ingelijfd, en het is
tegen deze achtergrond dat de Apostel zegt; "Zij aan alle machten over
u gesteld onderworpen", want zij zijn "door God
ingesteld" (Rom.13:1). En herinner u, hij verklaart van de
ambtsdienaar dat hij "Gods dienaar is voor u...die het zwaard niet
tevergeefs draagt" (V.4). Het zwaard was uiteraard het middel tot de
doodstraf, die God "de machten die er zijn" had toegestaan te voltrekken.
Maar,
zal iemand vragen: Is oorlog verenigbaar met "de bedeling van
genade"? In antwoord hierop herinneren wij onze lezers eraan dat nu de
bedeling van Menselijke Heerschappij bestaat, zoals we eerder gezien hebben,
en dat Paulus het is, de Apostel der genade, die door goddelijke inspiratie
verklaart dat God "de machten die er zijn" heeft ingesteld, en dat
wij aan hen "onderworpen" zijn.
Maar
zegt Gods Woord dan niet, "Gij zult niet doodslaan"? Ja, maar
het woord "doodslaan" in Ex.20:13 heeft de betekenis van moord.
Dit is duidelijk uit het feit dat God Zelf, in dezelfde Wet het volk Israel
aanwees om de moordenaar te doden
(Num.35:16,17,18,19,21,30,31),[i]
in overeenstemming met Zijn gebod waarbij de Menselijke Heerschappij werd
ingesteld: "Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de
mens vergoten worden" (Gen.9:6).
___________
1*
Het woord vertaald met "doodslaan" in Ex.20:13 is de wortel van het
woord "doodslager" dat in Num.35 achtmaal wordt gebruikt.
Dit
is geen moord, zoals sommigen redeneren; het is Gods bevel. Als onze regeerders
dit gebod trouw zouden toepassen zou ons land niet zo vervuld zijn met geweldpleging
en moord zoals het nu is.
Zeker
zullen de meesten die vandaag weigeren wapens te dragen, er snel bij zijn om
de politie te hulp te roepen als zij zouden worden beroofd! En is het niet
heel waarschijnlijk dat de meesten van hen die krijgsdienst weigeren, dat in
de eerste plaats doen, niet omdat zij elkander niet willen doden - niemand van
ons zou dat willen - maar omdat zij dodelijk beangst zijn dat zij zouden
kunnen worden gewond of gedood? In zulke gevallen is het geen
overtuiging maar vrees die hen tot pacifisten maakt.
Sommigen
hebben natuurlijk geredeneerd dat een bepaalde oorlog niet kon worden
toegelaten of immoreel zou zijn. Maar zijn wij het die dit werkelijk weten?
De gemiddelde mens, zelfs de gemiddelde politicus, weet inderdaad weinig over
alle feiten die bij een oorlog meespreken. Klaarblijkelijk weten
onze hoogste en militaire leiders daarvan het meest. Zo ligt dus de
verantwoordelijkheid voor elke oorlog die zij verklaren op hun schouders,
niet op de onze, want God heeft ons bevolen hen te gehoorzamen.
Wist
Paulus niet, toen hij Rom.13 schreef, dat de koninkrijken van deze wereld
worden ondersteund door legers; dat het Babylonisch Rijk werd overwonnen
door de Perzen, en Perziכ te zwaard door de Grieken, en Griekenland door
het zwaard van Rome, en dat Rome op een dag door een ander zwaard zou worden
omvergeworpen?[ii]
Toch is hij het - ja, het is God sprekend door hem - die zegt: "Wees
onderworpen".
Maar
misschien is de tegenwerping: Hoe kan een God van liefde oorlog toelaten? de
meest indringende. Hierop antwoorden wij dat Gods liefde onbeperkt is,
maar ook Zijn gerechtigheid. Is het niet vreemd dat mensen willen dat
God onbeperkt in barmhartigheid en liefde is, maar niet in gerechtigheid of
in Zijn toorn over zonde.
__________
2*
Onze Here wist het klaarblijkelijk. Hij zei tegen Pilatus" "...indien
Mijn koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden
hebben..."(Joh.18:36).
Maar
God is onbeperkt in al Zijn handelen, omdat Hij onbeperkt,
oneindig, is. Het was daarom in volmaakte en oneindige gerechtigheid dat
Hij alle mensen ter dood veroordeelde als straf op de zonde. Dus zij
die het voor onrechtvaardig van God houden om een jongeman te bevelen in
de oorlog te gaan en, misschien, door een kogel te worden gedood, dienen
zichzelf af te vragen of het niet
onrechtvaardig van Hem zou zijn om diezelfde persoon te laten sterven aan
kanker, hartverlamming of wat ook, "want het is de mensen gezet eenmaal
te sterven" (Hebr.9:27).
De
auteur sympathiseert met mensen die alleen de verschrikkingen van de oorlog
zien, speciaal wanneer zij voor ons op de hedendaagse televisie en in de
kranten en tijdschriften worden voorgeschoteld. Maar hij wordt ook aangesproken
als hij door de gangen van onze grote hospitalen loopt en getuige is van het
lijden, de wanhoop, de hartverscheurende dingen die veroorzaakt zijn door
zonde.
Maar
wacht! Wij hebben niet de volledige verklaring door Paulus in Hebr.9:27,28
aangehaald. Het is waar, "het is de mens gezet eenmaal te
sterven", maar dit is niet alles wat hij zegt. Lees de gehele passage
nauwkeurig : "En ZOALS het de mensen gezet is, ייnmaal te sterven en
daarna het oordeel; "ZO ZAL
OOK CHRISTUS, EENMAAL GEOFFERD OM VELE ZONDEN WEG TE NEMEN, TEN ANDEREN
MALE ZONDER [LOS VAN] ZONDE GEZIEN WORDEN DOOR HEN DIE HEM VERWACHTEN TOT
ZALIGHEID."
God
biedt aan allen die thans lijden onder de gevolgen van zonde, met
inbegrip van oorlog, de zekerheid en vreugde van eeuwig leven in Christus
aan. "In Wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de
vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade" (Eph.1:7).
Het
is geloof in Christus, die stierf voor onze zonden, dat ons waarlijk
voorbereidt voor ziekte, lijden en dood - en zelfs zonodig voor oorlog, want
gedurende "deze tegenwoordige boze wereld" (Gal.1:4), leven we
eveneens onder "de bedeling van Gods genade" (Eph.3:2).
EEN UITZONDERING
Hoewel
God de overheden gezag geschonken heeft over de burgers, blijft de
verantwoordelijkheid van ieder mens in de eerste plaats aan God. De
gelovige moet dus de overheid ongehoorzaam zijn wanneer de overheid
hem gebiedt God ongehoorzaam te zijn. Wij hebben een voorbeeld van
deze gehoorzaamheid aan hoger gezag in het gedrag van Petrus en de
andere apostelen in het eerste deel van Handelingen. De apostelen waren
uitgezonden om Christus en de opstanding te prediken. Toen hun overheid
gelastte ermee op te houden, antwoordden Petrus en Johannes terecht: "Oordeelt
gij, of het recht is voor God, naar u meer te horen dan naar God? "Want
wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben"
(Hand.4:19,20).
Zelfs
na gedreigd te zijn en gevangen genomen, antwoordden Petrus en de andere
apostelen: "Men moet God meer gehoorzaam zijn dan de mensen" (Hand.5:29).
Men
zou natuurlijk kunnen redeneren dat de politieke autoriteit van de
bestuurders van Israel reeds begon te verzwakken (Cf. Matt.21:43), maar zeer
zeker beschouwde het volk hen als het bevoegd gezag. Bovendien hebben we in
Hand.23:5 Paulus die zich verontschuldigt wegens oneerbiedig spreken tegen
de Hogepriester (V.3).
Maar
aanvullend hebben we nog het geval van Paulus in Damaskus. Liever dan in
handen te vallen van de stadhouder, "ontvluchtte hij zijn handen"
en ging voort met Christus te prediken.
Maar
het gedrag van de twaalf apostelen en dat van Paulus in de bovengenoemde
gevallen is een verre roep van de wetteloosheid die ook nu in de wereld opgeld
doet, en die Paulus en Petrus zo categorisch tegenstaan.
DE CHRISTEN, ZIJN NAASTE
EN ZIJN HERE
"Weest
niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft,
die heeft de wet vervuld. "Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij
zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven,
gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is,
wordt
in dit woord als in een hoofdsom
begrepen,
namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven. "De
liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.
"En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het
de ure is, dat wij uit de slaap ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader,
dan toen wij eerst geloofd hebben. "De nacht is voorbijgegaan, en de dag
is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen
de wapenen des lichts. "Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet
in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden,
niet in twist en nijdigheid; "Maar doet aan de Here Jezus Christus, en
verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden." Rom.13:8-14
DE CHRISTEN EN ZIJN NAASTE
De
Apostel gaat hier van het onderwerp van de verhouding van de gelovige ten
opzichte van de overheden voort naar die tot zijn naaste. Toch bestaat er een
overeenkomst. In V.7. zegt hij, "Geeft dan aan een ieder wat gij
schuldig zijt," en in V.8. "Weest niemand iets schuldig dan
elkaar lief te hebben".
Sommigen
hebben de woorden "Wees niemand iets schuldig" zo uitgelegd, dat
Christenen niet naar de bank behoren te gaan om geld te lenen of uit te lenen om
in zaken te steken. Dit is niet de bedoeling, want indien iemand van een bank,
zeg fl.1.000,- leent, is hij niet eerder schuldig dan nadat de bank terugvordert.
Een Christen moet niet verstrikt raken in onbetaalde schulden, want er is geen
zekerder weg om vriendschappen te vernielen dan te ontdekken dat men zijn
crediteuren ontloopt en de Here te onteren, dan door in gebreke te blijven om
financiכle verplichtingen na te komen.
Er
bestaat echter een schuld die we nooit geheel kunnen inlossen. Het is de de
verplichting elkander lief te hebben. Indien de Here Jezus Christus uit liefde
voor ons, de hemelse heerlijkheid verliet om de schande en de straf te dragen
voor onze zonden en die van anderen, zijn wij dan niet schuldig de
anderen lief te hebben waarvoor Hij stierf? Paulus beschouwde zichzelf een
"schuldenaar" van anderen (Rom.1:14).
Maar
laat ons het vers besluiten: "want wie de ander liefheeft, die heeft de
wet vervuld". Zoals we weten waren de Tien Geboden in twee delen
verdeeld, een had te doen met Israels verhouding tot God, de andere met de
verhouding tot de mens. Onze Here zei van het eerste, "Dit is het
eerste en grote gebod" (Matt.22:38), maar Paulus spreekt hier in
Romeinen over de verhouding van de mens tot zijn naaste, dus haalt hij het
tweede aan (V.9).
Maar
waarom haalt hij de Wet aan? Verklaart Gal.3:13 niet dat "Christus ons
verlost heeft van de vloek der wet, door voor ons een vloek te worden"?
Ja, maar Rom.8:4 legt uit dat Hij dit gedaan heeft "opdat het recht van
de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de
Geest." In Gal.5:14, als hij opnieuw verwijst naar de menselijke kant
van de Wet, zegt de Apostel: "De gehele wet wordt in ייn woord
vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf."
Zo concludeert hij tenslotte in Rom.13:10: "De liefde doet de naaste
geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling van de wet."
Hoe
waar is dit! De Wet is een getuigenis van menselijke verdorvenheid (1
Tim.1:9,10). Als alle mensen elkander zouden liefhebben waartoe hebben we dan
nog wetten nodig? Het is dan een gezegende werkelijkheid dat we gered en geordend
zijn door genade: "...de liefde van God in onze harten uitgestort is
door de Heilige Geest, Die ons gegeven is" (Rom.5:5). Hoewel de gelovige
dan niet onder het verbond van de Wet is, zal hij niettemin onder genade al de
instellingen van de Wet volbrengen die betrekking hebben op het gedrag
tegenover zijn naaste, door zich eenvoudig door de liefde van God te laten
motiveren.
TIJD OM TE ONTWAKEN
Verzen
11 en 12 verdienen bijzondere aandacht. Sommige bekwame Bijbel-leraren houden
het ervoor dat de "dag" en de "nacht" in deze passage
gezien moet worden vanuit het licht op bedelingen. De duisternis in de wereld,
zo veronderstellen zij, kwam door de val van de mens. Toen onze Here op
aarde verscheen begon het te
dagen,
want Hij was "het Licht der wereld" (Joh.8:12). Maar de wereld en
"de Zijnen" verwierpen Hem, zodat de duisternis weer op aarde viel
toen Hij ten hemel opsteeg. De wereld zal, zo zeggen zij, het daglicht niet zien
totdat Hij weer terugkomt om te regeren.
Deze
uitleg schijnt op het eerste gezicht zinnig, maar zij doorstaat niet de
Bereaanse toets. Als we de Schriften onder zoeken vinden we inderdaad het
gezegde van onze Here, "Ik ben het Licht der Wereld", maar
vervolgt, "hij die mij volgt zal in de duisternis niet wandelen, maar
het licht des levens hebben" (Joh.8:12). Het waren toen alleen Zijn
ware volgelingen die niet in duisternis wandelden. Zij hadden "het
licht des levens". Dit strookt met het door de Geest geןnspireerde
getuigenis van de Apostel Johannes: "In Hem was het Leven, en het
Leven was het Licht der mensen" (Joh.1:4). Wat betreft de massa die
geen deel nam aan dit leven gaat Johannes voort met te beschrijven hoe diep de
duisternis van hun nacht was: "En het Licht schijnt in de duisternis, en
de duisternis heeft het niet begrepen" (V.5).
Het
licht scheen wel, maar drong niet door de dikke duisternis; de duisternis werd
er niet door gespleten. De nacht was toen onze Here op aarde was inderdaad zo
diep dat God Johannes de Doper zond om de mensen op Christus, het Licht, te
wijzen.
"Er
was een mens, door God gezonden, wiens naam was Johannes. "Deze kwam tot
een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat allen door hem geloven
zouden" (V.6,7).
Het
is daarom duidelijk, dat onze Here de wereldse duisternis bij Zijn eerste
komst niet ophief, en dat het, gezien binnen de bedelingen, toen op aarde geen
dag was. Wij geloven eerder, dat de nacht in de wereld begon met de val van de
mens, en dat de duisternis niet eerder zal worden weggenomen dan bij de tweede
komst van Christus om te oordelen en te regeren. Dan zullen de kwaden worden
geoordeeld en "verbrand" worden als stoppels (Mal.4:1), maar voor
hen die Zijn naam vrezen:
"...de
Zon der gerechtigheid zal opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen..."
(V.2).
Hierom
wordt Hij "de Morgenster" genoemd, in die Geschriften die allereerst
verwijzen naar de Grote Verdrukking (Openb.22:16; 2 Petr.1:19).
Maar
wat bedoelt de Apostel Paulus dan in Rom.13:12, waar hij zegt dat "de nacht
ver gevorderd is" en "de dag nabij gekomen"?
ONZE NACHT EN DAG
Wij
geloven dat het antwoord op deze vraag is, dat de Apostel in Rom. 13:11,12 niet
spreekt binnen de bedelingen. Zeker, als de "nacht" van deze tegenwoordige
bedeling werd gevolgd door de veronderstelde "dag" van de aardse
bediening van onze Here, kon Paulus niet geschreven hebben dat de nacht
"ver gevorderd" was. Toen hij schreef was zij nauwelijks begonnen.
Rom.13:11,12
zou moeten worden vergeleken met passages als 2 Cor. 4:6: "Want God Die
gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in
onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de
heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus." Goddank,
is de dag is voor de gelovige in Christus aangebroken, hoewel de nacht om
hem heen donker is. En omdat de dag aangebroken is, "is het nu het uur
om uit de slaap te ontwaken; want de zaligheid is ons nu nader dan toen
wij eerst geloofd hebben" (Rom.13:11). Onze redding als gelovigen in
Christus, is natuurlijk zeker, maar is nog niet volkomen, en op
een dag zal het aanbreken van het licht dat ons zo zoveel zegen en vreugde
gebracht heeft, plotseling doorbreken in de volle hemelse dag als onze
Geliefde komt om ons tot Zich op te trekken.
LAAT ONS NIET SLAPEN
Let
wel, het is niet het morgenlicht waar wij op wachten. Want voor ons is de nacht
"ver gevorderd"; de dag is aangebroken en de volle hemelse
dag is nabij gekomen. Kon de Apostel een betere aansporing laten horen waarom
wij "uit de slaap zouden ontwaken"?
We
vinden dezelfde oproep krachtdadig gebracht in 1 Thess.5. Na uitgelegd te hebben
in 1 Thess.4:16-18 hoe we zullen worden opgenomen om de Here te ontmoeten om
voor altijd met Hem te zijn, gaat de Apostel voort in Hoofdstuk 5 met te zeggen
dat "de dag van de Here" over de wereld zal komen als "een dief
in de nacht".
"Want
wanneer ZIJ zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een
plotseling verderf hun overkomen, zoals de barensnood over een zwangere vrouw;
en zij zullen geenszins ontkomen" (V.3).
Maar
de Apostel haast zich om te verklaren: "Maar GIJ, broeders! gij zijt
niet in duisternis, zodat die dag U als een dief zou overvallen. "GIJ
zijt allen kinderen des lichts, en kinderen van de dag; WIJ zijn niet van de
nacht, noch van de duisternis. "Laten wij dus niet slapen zoals de anderen,
maar laten wij waken en nuchter zijn" (V.4-6). Dit is het enige
argument waarop hij zijn oproep om wakker en attent te blijven baseert.
Hij dringt ons niet om wakker te zijn om onszelf te verdedigen tegen dieven,
want voordat onze Here komt als een dief, zullen wij weggenomen zijn. Eerder
zegt hij: De dief zal in de nacht komen, maar "gij zijt allen kinderen
van... de dag; wij zijn niet van de nacht, noch van de duisternis. Laten wij
dus [DAAROM ] niet slapen zoals de anderen, maar laten wij waken en nuchter
zijn" (V.5,6).
HOOG TIJD OM TE ONTWAKEN
Wij
moeten niet nalaten om de drang op te merken van de oproep van de Apostel in
Rom.13:11,12. "het is HOOG TIJD om nu uit de slaap te ontwaken...De
nacht is VER GEVORDERD; de [grote] dag is nabij gekomen."
Wat
een schande om zo laat nog te slapen, speciaal wanneer er strijd gevochten
wordt en overwinningen geboekt! Vandaar zijn dringende oproep om nachtkleren
van lauwheid en onverschilligheid "af te leggen", en "de
wapenrusting des lichts aan te doen".
Wat
is de "wapenrusting van het licht"? Het is een persoon, de Here
Jezus Christus. In Eph.5:8 zegt de Apostel van de gelovigen: "Want gij
waart vroeger duisternis, maar nu zijt gij licht in de Here; wandelt als
kinderen van het licht."[iii]
De
mens in Christus is een licht voor hen rondom hem als hij in het licht wandelt,
en dit licht is een wapen tegen zonde, Satan en de verleidingen van de wereld.
Zo is het zoals V.12 zegt, "doe aan de wapenen des lichts",
V.14 voegt hier aan toe, "doet aan de Here Jezus Christus".[iv]
ONTWAAK EN STA OP
Zoals
Rom.13:11 ons roept om "uit de slaap te ontwaken", smeekt ons Eph.5:14
"ontwaak... staat op uit
de doden." Gelovigen zijn reeds met Christus door genade opgestaan uit
de
doden
(Eph.2:4-6),
maar helaas zijn velen vast in slaap - slapend voor hun verantwoordelijkheden
en mogelijkheden, slapend voor het feit dat een oorlog aan de gang is! Diegenen
zijn niet meer bruikbaar voor God net als zij die "dood zijn in hun
overtredingen en zonden". Daarom zegt hij in Rom.13:11,12, "uit de
slaap te ontwaken...wapens aan te doen", en in Eph. 5:14-17:
"Ontwaakt,
gij die slaapt, en staat op [van]uit de doden; en Christus zal over u lichten.
"ZIET DAN, HOE GIJ VOORZICHTIG WANDELT, NIET ALS ONWIJZEN, MAAR ALS
WIJZEN, "TERWIJL GIJ DE TIJD UITKOOPT, DAAR DE DAGEN BOOS ZIJN."DAAROM
WEEST NIET ONVERSTANDIG, MAAR VERSTAAT WAT DE WIL VAN DE HERE IS."
De
Apostel doelt hier niet op de wil van God voor onze levens, maar op het
plan en einddoel van God zoals geopenbaard in de Brieven van Paulus. God heeft ons
bekend gemaakt de verborgenheid van Zijn wil (Eph.1:9), en Hij wil dat wij "vervuld
worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand"
(Col.1:9).
Paulus
besluit deze belangrijke passage in zijn Brief aan de Romeinen met de
woorden: "Laat ons, als in de dag, eerbaar wandelen; niet in brasserijen
en dronkenschappen, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in twist
en nijdigheid. "Maar doet aan de Here Jezus Christus, en verzorgt het
vlees niet tot begeerten" (V.13,14).
"Eerbaar" heeft hier
de zin van 'betamelijk", als op klaarlichte dag, en "slaapkamers
en ontuchtigeden" doelt op de verschillende vormen van sexuele zonde
en bandeloze zinnelijkheid. De gelovige dient "de Here Jezus Christus aan
te doen", en niet tot vleselijke begeerten aanleiding te geven.
-------
3*
Wat is een echt geheiligd Christenleven toch een licht in de wereld! Dit is is
een innigste blijk van Christus' tegenwoordigheid hier. 2 Cor.5:20 zegt dat
wij, gelovigen, hier "in Christus' plaats" zijn om mensen te smeken
zich met God te laten verzoenen. 4* Naar Col.3:10 "hebben we de
nieuwe mens aangedaan", en God ziet ons als in Christus. Niettemin
vermaant ons de Apostel uit ervaring, "de nieuwe mens aan te
doen" (Eph.4:24), net zoals hij hier doet in Rom.13:14.
|