A P P E N D I X No. 2
EEN KORTE
BESCHOUWING
VAN GODDELIJKE
UITVERKIEZING
EN MENSELIJKE
VERANTWOORDELIJKHEID
Het is een interessant feit dat de drie grote punten van contact
tussen God en mens in geheimenis gehuld zijn. Wij verwijzen naar
de Here Jezus Christus, de Bijbel en Verlossing, in welke God en
mens, de Oneindige en de eindige, als ייn
samen komen.
In de onderwijzing van Gods Woord wat betreft alle drie deze
onderwerpen zijn verklaringen gesteld die elkander tegenspreken,
of op z'n minst paradoxaal. Zij schijnen tegengesteld te
zijn, en toch is in feite elke op zichzelf, - soms duidelijk
kenbaar -, juist. Het is onze bedoeling in deze Appendix de lezer er
toe te krijgen om eenvoudig te geloven wat God heeft gezegd,
zelfs wanneer Hij twee uitspraken doet die elkaar logisch
schijnen tegen te spreken, er aan denkend dat aangezien ons arm
verstand zulke uitspraken nog niet kan bevatten, daaruit niet
volgt dat zij inderdaad onbevattelijk zouden zijn.
Laten we dan de bovengenoemde onderwerpen in volgorde behandelen.
DE HERE JEZUS CHRISTUS
Sommigen veronderstellen dat Christus alleen mens was, maar
dat is onjuist.
Het hele "Evangelie naar Johannes" werd geschreven om te bewijzen
dat onze Here God was - en is -, en Zijn Godheid is bepalend
in vele andere Schriftgedeelten (Matt.1:23; Joh.1:1-5; 20:28;
Tit.2:13; Heb.1:8,10; enz.).
Anderen zijn er, die veronderstellen dat Christus alleen God
was, maar ook dat is onjuist.
Het "evangelie naar Lukas" werd geschreven om te bewijzen dat Hij
was - en is - waarlijk Mens, en Zijn menselijkheid is evenzo
bepalend in veel andere Schriftgedeelten (Matt.20:28; Luk.2:11;
Joh.1:14; Gal.4:4; 1 Tim.2:5; 1 Joh.4:2,3; 2 Joh.7; enz.).
Weer anderen beweren dat onze Here gedeeltelijk God en
gedeeltelijk mens was, maar ook dat is onjuist.
Want ייn ding, als Hij
gedeeltelijk God zou zijn, zou Hij helemaal geen God zijn, want
uit de aard der zaak kan een niet-oneindige, God niet zijn!
De Bijbel leert dat onze God geheel God is, en te zelfder
tijd geheel Mens (hoewel zonder zonde). Wij zijn
zonder twijfel niet in staat om dit thans te begrijpen, maar dit
zijn Schriftuurlijke feiten, en om daarentegen drie posities vast te
willen houden moet men duidelijke Schriftgedeelten gaan ontkennen,
of deze verdraaien om ze met eigen leerstellingen te laten kloppen.
Plaatsen we dan God en mens op hetzelfde niveau? Op geen enkele
wijze, want het menszijn van onze Here was altijd onderworpen aan
Zijn Godheid, zelfs ofschoon Hij zowel God als Mens was.
DE BIJBEL
Zoals het was met Christus, het levende Woord, zo ook met de
Bijbel, het geschreven Woord:
Sommigen blijven vasthouden dat het alleen door de mens
werd geschreven, maar dat is onjuist. Overal stroomt dit boek
over van bewijs dat God de heilige Auteur ervan is. De
vervulde profetieכn, de sublieme
harmonie, de kracht om levens te regenereren en te transformeren,
de autoriteit waarmee wordt gesproken, zich nooit verwaardigend het
heilig auteurschap te verdedigen maar dit juist te bevestigen,
dit alles stempelt het als het Boek van God. Telkens wordt
het heilig auteurschap verklaard in vele aparte passages (Rom.3:
1,2; Eph.6:17; 2 Tim.3:16; Hebr.4:12; 5:12; 2 Petr.1:21 enz.).
Anderen houden vast dat alleen de Bijbel het Woord van God
is, maar ook dat is onjuist.
Het is veel betekenend dat God Mattheus, de tollenaar, koos
om Christus als Koning; Lukas, de geneesheer, Hem als
Mens; Markus, dienaar van Paulus, Hem als Dienaar,
en Johannes, de discipel die Hem het naaste was, Hem als
God zou uitbeelden. Deze mensen, waren degenen die Hem toonden
zoals zij dit deden.
Dikwijls wordt dit menselijk auteurschap als belangrijk aangetoond.
Onze Here herinnerde Zijn toehoorders dikwijls aan wat Mozes tot hen
in de Schriften had gezegd, omdat hij hun respect voor Mozes kende
(Matt.19:8; enz.). Lukas zegt, "hebbende alles van voren aan
naarstiglijk onderzocht" (Luk.1:3), ervan uitgaande, dat hij in
staat was om over de aardse bediening van onze Here te
schrijven. Paulus zegt: "zie, Ik, Paulus zeg u..." (Gal.5:2),
ervan uitgaand dat zijn uitspraak het nodige gewicht had bij
zijn lezers. De vrijheid waarmee deze mannen schreven is in elk
opzicht duidelijk, zoals bijvoorbeeld in de slotverzen van Paulus'
laatste brief, waar hij zijn groeten zendt aan bepaalde personen met
korte opmerkingen erbij en om de mantel vraagt die hij in Troas
heeft achter gelaten, etc. Zeer zeker had hij er toen geen idee van
dat hij het Woord van God aan het schrijven was. Hij schreef
als de ene mens aan de ander.
Om het probleem op te lossen hebben nog anderen besloten dat de
Bijbel gedeeltelijk het Woord van God en gedeeltelijk
het woord van de mens is, maar ook dat is onjuist. Als zij
het aan het goede eind hadden zouden wij nog steeds zonder een
gezaghebbende openbaring van God zijn, want niemand van ons zou
kunnen verzekeren welk deel door mensen en welk deel door God
geschreven werd.
De waarheid is, dat de Bijbel in haar geheel het Woord van
God is, en toch tegelijkertijd, in haar geheel het woord van
mensen, en om vast te houden aan een van de andere drie punten moet
men duidelijke passages van de Schrift verdraaien om deze te doen
conformeren met eigen leer-opvattingen. Het is het wonder van
goddelijke inspiratie dat een mens kon gaan zitten en schrijven, in
een of andere stemming, met volledige vrijheid om zichzelf te uiten
en zie, wat hij schreef was eveneens, elk woord, het Woord van God!
Wij kunnen dit niet begrijpen -nog niet! - maar het
wedergeboren hart buigt zich in geloof voor het Boek en zegt, "Ik
geloof".
Plaatsen wij dan God en mens op hetzelfde
niveau? In geen geval, want de menselijke schrijvers waren in
ieder geval onderworpen aan de goddelijke Auteur, zelfs hoewel het
Boek geheel geschreven werd door mensen en tezelfder tijd
geheel door God.
PERSOONLIJKE REDDING
Laat ons nu het onderwerp van persoonlijke redding in dit licht
beschouwen en het voor een moment ervoor houden dat we correct
constateren:
Sommigen houden het ervoor dat redding alleen afhankelijk is
van de wil van God. Dit is onjuist, want de Schriften wijzen
al te duidelijk aan dat gelovigen "Gods uitverkorenen" zijn.
Anderen beweren dat redding alleen afhankelijk is van de wil
van God. Ook dat is onjuist, want de Schriften leren ook dat
mensen die zelf niet gered willen worden, niet gered
worden en ook niet gered kunnen worden.
Nog anderen trachten het probleem op te lossen door te redeneren dat
redding gedeeltelijk afhankelijk is van Gods wil en
gedeeltelijk van de wil van de mens; dat God een overkoepelend
plan heeft, als het ware, maar dat de mens de details beslist.
Dit is ook onjuist, zoals we zullen zien. Nu in bijzonderheden:
DE LEER DER UITVERKIEZING
De opvatting van de Arminianen is, dat er in het geheel geen
uitverkiezing is. Volgens deze leerschool wordt uitverkiezing
afhankelijk gesteld van aanwezigheid van menselijk geloof,
en is de konsekwente erkenning van dat geloof. Dienovereenkomstig
leren Arminianen dat men moet doorgaan in geloof (en haar vruchten)
om te worden gered.
Deze leer doet een groot deel van belangrijke Schriftpassages
geweld aan, waarvan enkele hierna volgen: "Er is niemand die God
zoekt" (Rom.3:11). "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de
Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt" (Joh.6:44). "...God
heeft u van het begin verkoren tot zaligheid, in heiliging van de
Geest en geloof van de waarheid" (2 Thess.2:13).
"zoals Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der
wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in
liefde,
"Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen
[zonen]..."."Tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade,
waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde...".
"In Hem, in Wie wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die tevoren
bestemd waren naar het voornemen van Hem, Die alle dingen werkt,
naar de raad van Zijn wil, "opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn
heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben"
(Eph.1:4-6,11,12).
Zo wordt van gelovigen gezegd dat zij "Gods uitverkorenen"
zijn (Rom.8:33), "uitverkorenen in de Here" (Rom.16:13),
etc.
De leer van uitverkiezing, indien juist gebracht, moet de angstige
zondaar niet ontmoedigen. 2 Thess.2:13 en andere passages
verbinden uitverkiezing onafscheidelijk met geloof. Zo kan
de verlangende zondaar ervan verzekerd zijn dat waar enigen
gered zijn, en redding ontvangen wordt door geloof, hij gered
zal zijn, als hij gelooft.
Of, om het nog anders te zeggen: Is een zondaar verlangend dat hij
zal mogen worden gerekend tot de uitverkorenen? Laat hem dan God
aanroepen om hem te redden door Christus, en dan zien dat hij wordt
afgewezen! Rom.10: 13 en veel andere passages verzekeren hem dat
hij met graagte zal worden aangenomen en glorieus gered mag zijn.
UITVERKIEZING EN VOORKENNIS
1
Petr.1:2 stelt dat gelovigen zijn "uitverkorenen naar de
voorkennis van God".
We hebben de Arminiaanse visie op de voorkennis van God besproken,
die dat brengen als tevoren bekend zijnde wie zal geloven en gered
zal zijn. Deze visie is totaal onaannemelijk omdat van de geredden
wordt gezegd dat zij "uitverkoren" zijn in Christus "voor
de grondlegging der wereld" (Eph.1:4).
Maar evenmin kunnen wij de visie aannemen die Gods voorkennis zo
brengen, als "dat wat Hij Zelf van plan is te weeg te brengen" (Dr.
Lewis Sperry Chafer in Systematic Theology, Vol.VII, P. 158,
Dallas Seminary Press). Als Gods voorkennis Zijn eeuwig doel is,
dan hebben woorden geen zin meer.
Indien 1 Petr.1:2 iets betekent, dan toch wel dat uitverkiezing is
gebaseerd op de voorkennis van God. Daarom geloven wij dat
deze passage slaat op Gods voorkennis van alle dingen - van
al dat wat is opgesloten in de redding van elke zondaar. Waarom de
voorkennis van God beperken tot Zijn alleen tevoren weten wie
zal gered zal zijn, aan de ene kant, of tot Zijn bedoeling te
redden, aan de andere kant?
Redding
is het resultaat van Gods liefde tot zondaars. Daarom wilden de
Schriften ons l;eren dat Hij niet willekeurig sommigen
uitverkoos en anderen passeerde, zonder te letten op morele
principes en alleen op grond van willen of een gril. Eerder omdat
Hij alle dingen weet (als geen aardse rechter ooit), kon Hij juist
kiezen en ook doen. Wij mogen nu niet begrijpen waarom Hij
sommigen uitverkoos en anderen voorbij ging, en wij weten zeker dat
geen van ons verdiende te worden uitverkoren, maar er komt
een dag dat wij getuige zullen zijn van de waarheid van de Schrift:
"Zal de Rechter van de hele aarde niet recht handelen?"
DE KWESTIE VAN BEPERKTE VERLOSSING
Sommigen hebben geconcludeerd uit wat de Bijbel zegt over
uitverkiezing dat God alleen de uitverkorenen lief heeft en dat
Christus alleen stierf voor de uitverkorenen. Zulken hebben
echter dit zicht als een "logische" conclusie getrokken vanuit hun
eigen zetting van passages uit de Schrift, daarbij blijkbaar
ontkennend al wat de Schrift in het tegendeel zegt. Er bestaat vast
en zeker geen Schriftwoord dat zegt dat Christus alleen
voor de uitverkorenen stierf.
Een commentator heeft geschreven: "Paulus schreef nooit dat
God de wereld liefhad". Maar wat bewijst dit? Onze Here zei
dat God de wereld liefhad en in dit geval is bedeling geen factor.
Paulus verklaart telkens en telkens dat God liefhad, en dat
Christus voor "alle mensen", "ieder mens" stierf etc. De volgende
passages zijn er enkele die ondubbelzinnig leren dat God liefheeft,
en dat Christus stierf voor alle mensen:
Joh.3:16, "Want zo LIEF HAD GOD DE
WERELD, dat Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon opdat een ieder die in Hem
gelooft, niet verderven zou, maar het eeuwig leven heeft."
Sommigen hebben het woord "wereld" hier vertaald als te slaan op "de
wereld der uitverkorenen", maar hoe kan dat wanneer het volgende
vers verwijst naar de wereld waarin Christus kwam, de wereld
der mensen, de wereld der zondaars, die Hij niet wenste te
veroordelen? In elk geval zou "wereld" een vreemd woord zijn
om te gebruiken en op de uitverkorenen toe te passen, denkt
u niet? 2 Cor.5:14,15: "Want de liefde van Christus dringt
ons, als die dit oordelen: dat indien EEN VOOR ALLEN GESTORVEN IS,
zij dan allen gestorven zijn. En HIJ IS VOOR ALLEN GESTORVEN,
opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem,
Die voor hen gestorven en opgewekt is."
Als "allen" hier alleen slaat op de uitverkorenen, zoals sommigen
leren, zou dan de passage niet beter gelezen kunnen worden, dat
Christus "stierf voor allen, opdat ALLEN voor Hem zouden leven",
inplaats van zij die leven te onderscheiden als deel
uitmakend van "allen" voor wie Christus stierf? Verder verklaart de
Apostel in V.14 dat "de liefde van Christus" hem drong om dit
evangelie te prediken. Verkondigde Paulus dan deze liefde, of dit
evangelie, alleen aan de uitverkorenen?
1 Tim.2:4-6: "Die wil dat alle mensen zalig worden, en tot kennis
der waarheid komen.
"Want er is ייn God, er is ook
ייn Middelaar tussen God en
MENSEN, de Mens Christus Jezus, "Die Zichzelf gegeven heeft tot EEN
LOSPRIJS VOOR ALLEN, volgens het getuigenis te zijner tijd."
Indien dit "alle mensen" in V.4 alleen slaat op de uitverkorenen,
waarom voegt V.5 er dan aan toe dat Christus is de "Middelaar tussen
God en mensen", eerder dan "bepaalde mensen", of de
"uitverkorenen"?
1 Tim.4:10: "...wij vertrouwen in de levende God, Die is DE
REDDER VAN ALLE
MENSEN, MAAR SPECIAAL VAN DE GELOVIGEN ".
Hier is een gekwalificeerde verklaring tegenover de
achtergrond van een niet gekwalificeerde (zoals in
Rom.3:22). Indien, zoals sommigen leren, "alle mensen" de
uitverkorenen zijn, wie zijn dan "zij die geloven"?
Hebr.2:9: "...opdat Hij door de genade van God VOOR ALLEN DE
DOOD SMAKEN ZOU." Hoe kan dat "allen" hier mogelijk alleen op de
uitverkorenen slaan? Zeker is dat de Apostel in deze passage niet
bedoeld kan hebben dat dit sloeg op iedere engel of ieder
ding, zoals de rest van Hebr.2 helder aantoont.
2 Petr.2:1: "...valse profeten...valse leraars...die
verderfelijke ketterijen bedekt invoeren zullen, die ook DE HERE DIE
HEN GEKOCHT HEEFT zullen verloochenen."
Kon de Heilige Geest duidelijker gesteld hebben dat onze Here
zelfs valse leraars "kocht", die Hem ontkenden?
2 Petr.3:9: "De Here...is lankmoedig over ons, EN WIL NIET DAT
ENIGEN VERLOREN GAAN, MAAR DAT ZIJ ALLEN TOT BEKERING KOMEN."
Hier hebben we een negatief getuigenis om aan te geven dat het
niet Gods wil is dat enigen verloren zouden gaan, en een
positief om aan te geven dat Hij wil dat allen tot bekering
komen. Wat kan nog duidelijker zijn?
1 Joh.2:2: "En Hij is een verzoening [voldoening] voor onze
zonden; en niet alleen voor de onze, maar OOK VOOR DE HELE WERELD."
Duidelijk slaat het woord "onze" hier op de uitverkorenen: "Hij is
de verzoening voor onze zonden." Hoe kan dan geredeneerd
worden dat de Woorden "ook voor (de zonden van) de hele
wereld eveneens slaan op de uitverkorenen, of tot "alle
uitverkorenen"? Blijkbaar bedoelt de passage precies wat zij zegt.
Er zouden nog meer van zulke passages kunnen worden aangehaald, maar
dit is geen boek over uitverkiezing!
MENSELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID
Extreme Calvinisten schijnen het feit over het hoofd te hebben
gezien dat God de mens oorspronkelijk niet als een machine heeft
geschapen, maar als redelijk wezen, naar Zijn eigen beeld en Zijn
gelijkenis, met verstand en een wil om te overwegen, te kiezen en te
organiseren. Dit beeld werd ontluisterd door de val, maar
niet weggedaan, want Paulus verklaart in 1 Cor.11:7 dat de
mens nog steeds "het beeld en de heerlijkheid Gods" is. Zeer
zeker is er een grote kloof tussen de mens en het hoogste schepsel
van het dierenrijk, een grotere kloof dan die tussen mensen en
engelen. Ieder die Christus vertrouwt als Zijn Redder doet dit
vrijwillig, nooit bewust van te zijn geforceerd of gedwongen. De
mens is een verantwoordelijk moreel wezen en God houdt hem
aansprakelijk voor wat hij doet - speciaal voor wat hij doet met het
evangelie en met Christus, Zijn geliefde Zoon.
Joh.3:36 verklaart dat Gods toorn rust op hen die Christus
afwijzen, en Rom.1:18 verklaart dat dat Zijn "toorn" wordt
geopenbaard over degenen die de waarheid in ongerechtigheid ten
onder houden. Hoe kan een rechtvaardig, om niet te zeggen een
genadig God, boos zijn op mensen wegens verwerping voor dat
wat in eerste instantie niet voor hen bestemd was, of wegens ten
onder houden van de waarheid wanneer zij om te beginnen,
overgegeven waren aan de leugen?
Rom. 1:24-28 stelt duidelijk dat God de heidenen "over gaf" omdat
zij Hem opgaven. Evenzo leren we uit 2 Thess.2:8-12 dat God
de wereld zal overgeven aan Antichrist "OMDAT ZIJ DE LIEFDE TOT
DE WAARHEID NIET AANGENOMEN HEBBEN OM ZALIG [GERED] TE WORDEN.
En DAAROM zal God hun zenden een kracht van dwaling..."
CONCLUSIE
Uit dit alles is het duidelijk dat Gods Woord zowel Zijn eigen
volkomen soevereiniteit om te verkiezen leert, en de
verantwoordelijkheid van de mens Zijn voorzienigheid tot redding te
accepteren of te verwerpen. Laten wij ons in geloof buigen en deze
beide leerstukken geloven, hoewel ons arme verstand
deze nog niet kan bevatten.
Vreemd genoeg echter geloven wij, ondanks ons zelf, deze beiden
toch. Alle gelovigen erkennen dat niemand in de hemel ooit in
staat zal zijn te roemen. Ieder zal openlijk erkennen: "Het was
alles van God". En toch, tezelfder tijd, zal geen mens in de hel in
staat zijn te klagen. Ieder zal hebben te erkennen: "Het was mijn
eigen schuld".
Jaren geleden won de Reformed Church (Gereformeerde Kerk) een
dispuut met de Methodisten. Zij bewezen dat God souverein was in
verkiezing. Maar door dit te doen trachtten zij het
Methodistengeloof voor wat betreft de vrije en verantwoordelijke
zedelijke macht van de mens te ontzenuwen. De Methodisten wonnen ook
het dispuut door vanuit de Schrift te bewijzen dat de mens
werkelijk een vrij en verantwoordelijk wezen is, maar door dit
te doen ontkenden zij praktisch de Schrifuurlijke leer van
uitverkiezing. Beiden dwaalden door te trachten de
Schriftuurlijke leerstukken te weerleggen die zij "logisch" hadden
besloten niet in overeenstemming te zijn met de leer die zij
prevaleerden. Het resultaat is dat beide denominaties geestelijk
verloren hadden.
In deze zaken is de ware prediker beide, zowel Gereformeerd
als Methodist! Voordat de dienst begint bidt hij: "Here, werk in
hun harten. Indien Gij niet werkt, zal er niets tot stand komen."
Niettemin zegt hij tot zijn gemeente: "U bent
verantwoordelijk. Het ligt aan U. Geloof en gij zult gered
zijn; verwerp en de toorn van God zal op u zijn". Zo'n prediker is
niet alleen Schriftuurlijk in beide standpunten, maar het is
alleen op deze manier dat hij de kracht van de Heilige Geest in zijn
bediening kan ervaren. Als wij inderdaad de ene of de andere van
deze leerstellingen weg redeneren, onteren wij God en beroven
onszelf van de kracht van de Geest.
Een huiselijke illustratie kan hier wellicht dienstig zijn.
Veronderstel een jongeman die feitelijk niets afweet van
electriciteit, begint zijn eerste werkdag in een machine werkplaats.
"Neem deze draad" zegt zijn baas, "bevestig die zo aan de motor dat
zij kan draaien." Nadat de jongen de draad heeft onderzocht ziet
hij dat zij bestaat uit twee draden, een zwarte en een
gekleurde. Op zijn vraag aan de baas hoort hij dat de gekleurde
positief is en de zwarte negatief is.
Omdat hem verteld is dat de motor moet draaien, bevestigt
hij de positieve draad het eerst aan een pool, dan aan de
andere, maar er gebeurt niets. Veronderstellend dat hij de
verkeerde heeft bevestigd, doet hij het met de andere - zonder
effect.
Terug naar zijn baas hierover wordt hem verteld beide draden vast te
maken. "Maar hoe kan de motor dan draaien? vraagt de jongen. "Een
draad is positief en de ander negatief". "Bevestig ze toch maar
beiden", antwoordt de baas. De jongen doet het en, zie, de
motor draait!
Sir Robert Anderson schreef met betrekking tot de leerstukken over
uitverkiezing en vrije zedelijke wil: "Ongetwijfeld mogen zij
schijnen onverenigbaar te zijn, maar vasthouden dat zij dat in
feite zijn, is redenering boven openbaring stellen, of met andere
woorden, de mens boven God plaatsen" (The Gospel an Its Ministry,
P.74, A.C.Gaebelein, publisher).
Deze twee grote leerstukken geven ons de twee aspecten van de
boodschap van genade aan ons overgegeven om te vertrouwen: het ene,
dat God in Zijn liefde gelovigen in Christus verkoos vףףr
het begin der wereld; het andere, dat God gaf Christus om te sterven
voor allen zonder onderscheid en een bona fide aanbod doet
aan allen om redding te verkrijgen door geloof in Hem.
De eerdere waarheid wordt verkondigd aan de geredden zodat zij zich
mogen verheugen in Gods goedheid over hen. De laatste wordt
verkondigd aan de ongeredden tot hun aanneming. Het is niet zonder
betekenis dat het Woord van God afsluit met het aanbod: "En wie
wil, laat hij het water des levens nemen om niet" (Openb.22:17).
Voor hen die staan, of proberen te staan, alleen aan
ייn kant of aan de andere kant van
dit geweldige onderwerp, zien wij echter niet de belangrijkheid
van een verklaring, gedaan door wijlen Dr.Lewis Sperry Chafer over
het hoofd, die hij in dit verband maakte:
"Het oneens zijn over dit onderwerp is niet tussen orthodoxe en
heterodoxe mensen; het is binnen de gemeenschap van hen die het
meeste gemeenschappelijk hebben en die de steun en bemoediging
nodig hebben van elkanders geloof. Er zijn weinig thema's die tot
meer ernstig en geleerd onderzoek hebben geleid" (Systematic
Theology, Vol.III, P.184, Dallas Seminary Press).
Het is in deze geest dat wij het voorgaande hebben geschreven, en
het is in deze geest dat wij bidden, dat het door onze lezers zal
worden beschouwd. |