De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

A P P E N D I X  No. 2

 

                                                    EEN KORTE BESCHOUWING

                                             VAN GODDELIJKE UITVERKIEZING

                                    EN MENSELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

Het is een interessant feit dat de drie grote pun­ten van contact tussen God en mens in geheime­nis gehuld zijn. Wij verwijzen naar de Here Jezus Christus, de Bijbel en Verlossing, in welke God en mens, de Oneindige en de eindige, als ייn samen komen.       

In de onderwijzing van Gods Woord wat betreft alle drie deze onderwer­pen zijn verklarin­gen gesteld die elkander tegenspreken, of op z'n minst parado­xaal. Zij schijnen tegengesteld te zijn, en toch is in feite elke op zich­zelf, - soms duidelijk kenbaar -, juist. Het is onze bedoeling in deze Appendix de lezer er toe te krijgen om eenvoudig te geloven wat God heeft gezegd, zelfs wanneer Hij twee uitspraken doet die elkaar logisch schijnen tegen te spreken, er aan den­kend dat aangezien ons arm verstand zulke uit­spraken nog niet kan bevat­ten, daaruit niet volgt dat zij inderdaad onbevattelijk zouden zijn.

Laten we dan de bovengenoemde onder­werpen in volgorde behandelen.

                DE HERE JEZUS CHRISTUS

 

Sommigen veronderstellen dat Christus alleen mens was, maar dat is onjuist.

 Het hele "Evangelie naar Johannes" werd ge­schreven om te bewijzen dat onze Here God was - en is -, en Zijn Godheid is bepalend in vele andere Schrift­gedeelten (Matt.1:23; Joh.1:1-5; 20:28; Tit.2:13; Heb.1:8,10; enz.).

Anderen zijn er, die veronderstellen dat Christus alleen God was, maar ook dat is on­juist.

Het "evangelie naar Lukas" werd ge­schreven om te bewijzen dat Hij was - en is - waarlijk Mens, en Zijn menselijkheid is evenzo bepalend in veel andere Schriftgedeelten (Matt.20:28; Luk.2:11; Joh.1:14; Gal.4:4; 1 Tim.2:5; 1 Joh.4:2,3; 2 Joh.7; enz.).         

Weer anderen beweren dat onze Here gedeelte­lijk God en gedeeltelijk mens was, maar ook dat is onjuist.

 Want ייn ding, als Hij gedeeltelijk God zou zijn, zou Hij helemaal geen God zijn, want uit de aard der zaak kan een niet-oneindige, God niet zijn!

  De Bijbel leert dat onze God geheel God is, en te zelfder tijd geheel Mens (hoewel zonder zon­de). Wij zijn zonder twijfel niet in staat om dit thans te begrijpen, maar dit zijn Schriftuurlijke feiten, en om daarentegen drie posities vast te willen houden moet men duidelij­ke Schriftgedeel­ten gaan ontkennen, of deze verdraaien om ze met eigen leerstellingen te laten kloppen.

 Plaatsen we dan God en mens op hetzelf­de ni­veau? Op geen enkele wijze, want het mens­zijn van onze Here was altijd onderworpen aan Zijn Godheid, zelfs ofschoon Hij zowel God als Mens was.

                             DE BIJBEL

 Zoals het was met Christus, het levende Woord, zo ook met de Bijbel, het geschreven Woord:

Sommigen blijven vasthouden dat het alleen door de mens werd geschreven, maar dat is onjuist. Overal stroomt dit boek over van bewijs dat God de heilige Auteur ervan is. De vervulde profetieכn, de sublieme harmonie, de kracht om levens te regenereren en te transfor­meren, de autoriteit waarmee wordt gesproken, zich nooit verwaardigend het heilig auteurschap te verdedi­gen maar dit juist te bevestigen, dit alles stem­pelt het als het Boek van God. Telkens wordt het heilig auteurschap verklaard in vele aparte passages (Rom.3:  ­1,2; Eph.6:17; 2 Tim.3:16; Hebr.4:12; 5:12; 2 Petr.1:21 enz.).

Anderen houden vast dat alleen de Bijbel het Woord van God is, maar ook dat is onjuist.

Het is veel betekenend dat God Mat­theus, de tollenaar, koos om Christus als Ko­ning; Lukas, de geneesheer, Hem als Mens; Markus, dienaar van Paulus, Hem als Dienaar, en Johannes, de discipel die Hem het naaste was, Hem als God zou uitbeelden. Deze mensen, waren degenen die Hem toonden zoals zij dit deden.

Dikwijls wordt dit menselijk auteurschap als belangrijk aangetoond. Onze Here herinnerde Zijn toehoorders dikwijls aan wat Mozes tot hen in de Schriften had gezegd, omdat hij hun respect voor Mozes kende (Matt.19:8; enz.). Lukas zegt, "hebbende alles van voren aan naarstiglijk onder­zocht" (Luk.1:3), ervan uitgaande, dat hij in staat was om over de aardse bediening van onze Here te schrijven. Paulus zegt: "zie, Ik, Paulus zeg u..." (Gal.5:2), ervan uitgaand dat zijn uitspraak het nodige gewicht had bij zijn lezers. De vrijheid waarmee deze mannen schreven is in elk opzicht duidelijk, zoals bijvoorbeeld in de slotverzen van Paulus' laatste brief, waar hij zijn groeten zendt aan bepaalde personen met korte opmerkingen erbij en om de mantel vraagt die hij in Troas heeft achter  gelaten, etc. Zeer zeker had hij er toen geen idee van dat hij het Woord van God aan het schrijven was. Hij schreef als de ene mens aan de ander.

Om het probleem op te lossen hebben nog ande­ren besloten dat de Bijbel gedeeltelijk het Woord van God en gedeeltelijk het woord van de mens is, maar ook dat is onjuist. Als zij het aan het goede eind hadden zouden wij nog steeds zonder een gezaghebbende openbaring van God zijn, want niemand van ons zou kunnen verzekeren welk deel door mensen en welk deel door God geschre­ven werd.

De waarheid is, dat de Bijbel in haar geheel het Woord van God is, en toch tegelijker­tijd, in haar geheel het woord van mensen, en om vast te houden aan een van de andere drie punten moet men duidelijke passages van de Schrift verdraaien om deze te doen conformeren met eigen leer-opvattin­gen. Het is het wonder van goddelijke inspiratie dat een mens kon gaan zitten en schrijven, in een of andere stemming, met volledige vrijheid om zichzelf te uiten en zie, wat hij schreef was eveneens, elk woord, het Woord van God! Wij kunnen dit niet begrijpen -nog niet! - maar het wedergeboren hart buigt zich in geloof voor het Boek en zegt, "Ik geloof".

Plaatsen wij dan God en mens op hetzelf­de

ni­veau? In geen geval, want de menselijke schrij­vers waren in ieder geval onderworpen aan de goddelijke Auteur, zelfs hoewel het Boek geheel geschreven werd door mensen en tezelf­der tijd geheel door God.

 

               PERSOONLIJKE REDDING

 

Laat ons nu het onderwerp van persoon­lijke redding in dit licht be­­schouwen en het voor een moment ervoor houden dat we correct constate­ren:

Sommigen houden het ervoor dat redding alleen afhankelijk is van de wil van God. Dit is onjuist, want de Schriften wijzen al te duidelijk aan dat gelo­vigen "Gods uitverkorenen" zijn.

Anderen beweren dat redding alleen afhankelijk is van de wil van God. Ook dat is onjuist, want de Schriften leren ook dat mensen die zelf niet gered willen worden, niet gered worden en ook niet gered kunnen worden.

Nog anderen trachten het probleem op te lossen door te redeneren dat redding gedeeltelijk afhan­kelijk is van Gods wil en gedeeltelijk van de wil van de mens; dat God een overkoepelend plan heeft, als het ware, maar dat de mens de details beslist. Dit is ook onjuist, zoals we zul­len zien. Nu in bijzonderheden:

           DE LEER DER UITVERKIEZING

De opvatting van de Arminianen is, dat er in het geheel geen uitverkiezing is. Volgens deze leer­school wordt uitverkiezing afhankelijk gesteld van aan­wezigheid van menselijk geloof, en is de konsekwente erkenning van dat geloof. Dien­overeenkomstig leren Arminianen dat men moet doorgaan in geloof (en haar vruchten) om te worden gered.

Deze leer doet een groot deel van belang­rijke Schriftpassages geweld aan, waarvan enkele hierna volgen: "Er is niemand die God zoekt" (Rom.3:11). "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt" (Joh.6:44). "...God heeft u van het begin verkoren tot zaligheid, in heiliging van de Geest en geloof van de waarheid" (2 Thess.2:13).

"zoals Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in liefde, "Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanne­ming tot kinderen [zonen]..."."Tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Ge­liefde...".

"In Hem, in Wie wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die tevoren bestemd waren naar het voornemen van Hem, Die alle dingen werkt, naar de raad van Zijn wil, "opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heer­lijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt heb­ben" (Eph.1:4-6,11,12).

 Zo wordt van gelovigen gezegd dat zij "Gods uitverkorenen" zijn (Rom.8:33), "uitver­kore­nen in de Here" (Rom.16:13), etc.

 De leer van uitverkiezing, indien juist gebracht, moet de angstige zondaar niet ontmoe­digen. 2 Thess.2:13 en andere passages verbin­den uitver­kiezing onafscheidelijk met geloof. Zo kan de verlangende zondaar ervan verzekerd zijn dat waar enigen gered zijn, en redding ontvangen wordt door geloof, hij gered zal zijn, als hij gelooft.

 Of, om het nog anders te zeggen: Is een zondaar verlangend dat hij zal mogen worden gerekend tot de uitverkorenen? Laat hem dan God aanroe­pen om hem te redden door Christus, en dan zien dat hij wordt afgewezen! Rom.10­: 13 en veel andere passages verzekeren hem dat hij met graagte zal worden aangenomen en glorieus gered mag zijn.

         UITVERKIEZING EN VOORKENNIS

 1 Petr.1:2 stelt dat gelovigen zijn "uitver­korenen naar de voorkennis van God".

 We hebben de Arminiaanse visie op de voorken­nis van God besproken, die dat brengen als tevoren bekend zijnde wie zal geloven en gered zal zijn. Deze visie is totaal onaannemelijk omdat van de geredden wordt gezegd dat zij "uitverko­ren" zijn in Christus "voor de grond­legging der wereld" (Eph.1:4).

 Maar evenmin kunnen wij de visie aanne­men die Gods voorkennis zo brengen, als "dat wat Hij Zelf van plan is te weeg te brengen" (Dr. Lewis Sperry Chafer in Systematic Theolo­gy, Vol.VII, P. 158, Dallas Seminary Press). Als Gods voor­kennis Zijn eeuwig doel is, dan hebben woorden geen zin meer.

 Indien 1 Petr.1:2 iets betekent, dan toch wel dat uitverkiezing is gebase­erd op de voor­kennis van God. Daarom geloven wij dat deze passage slaat op Gods voorkennis van alle din­gen - van al dat wat is opgesloten in de redding van elke zondaar. Waarom de voorkennis van God beperken tot Zijn alleen tevoren weten wie zal gered zal zijn, aan de ene kant, of tot Zijn bedoe­ling te redden, aan de andere kant?

 Redding is het resultaat van Gods liefde tot zondaars. Daarom wilden de Schriften ons l;eren dat Hij niet willekeurig sommigen uitver­koos en anderen passeerde, zonder te letten op morele principes en alleen op grond van willen of een gril. Eerder omdat Hij alle dingen weet (als geen aardse rechter ooit), kon Hij juist kiezen en ook doen. Wij mogen nu niet begrij­pen waarom Hij som­migen uitverkoos en anderen voorbij ging, en wij weten zeker dat geen van ons verdiende te worden uitverkoren, maar er komt een dag dat wij getuige zullen zijn van de waarheid van de Schrift: "Zal de Rechter van de hele aarde niet recht handelen?"

 DE KWESTIE VAN BEPERKTE VERLOSSING

 Sommigen hebben geconcludeerd uit wat de Bijbel zegt over uitverkiezing dat God alleen de uitverkorenen lief heeft en dat Christus alleen stierf voor de uitverkorenen. Zulken hebben echter dit zicht als een "logische" conclusie getrokken vanuit hun eigen zetting van passages uit de Schrift, daarbij blijkbaar ontkennend al wat de Schrift in het tegendeel zegt. Er bestaat vast en zeker geen Schriftwoord dat zegt dat Christus alleen voor de uitverkorenen stierf.

 Een commentator heeft geschreven: "Paulus schreef nooit dat God de wereld lief­had". Maar wat bewijst dit? Onze Here zei dat God de we­reld liefhad en in dit geval is bedeling geen factor. Paulus verklaart telkens en telkens dat God liefhad, en dat Christus voor "alle men­sen", "ieder mens" stierf etc. De volgende passa­ges zijn er enkele die ondubbelzinnig leren dat God liefheeft, en dat Christus stierf voor alle mensen:

Joh.3:16, "Want zo LIEF HAD GOD DE

WERELD, dat Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon opdat een ieder die in Hem gelooft, niet ver­derven zou, maar het eeuwig leven heeft."

Sommigen hebben het woord "wereld" hier vertaald als te slaan op "de wereld der uitverko­renen", maar hoe kan dat wanneer het volgende vers verwijst naar de wereld waarin Christus kwam, de wereld der mensen, de wereld der zondaars, die Hij niet wenste te ver­oordelen? In elk geval zou "wereld" een vreemd woord zijn om te gebruiken en op de uit­verkorenen toe te passen, denkt u niet? 2 Cor.5:14,15: "Want de liefde van Christus dringt ons, als die dit oordelen: dat indien EEN VOOR ALLEN GESTORVEN IS, zij dan allen gestor­ven zijn. En HIJ IS VOOR ALLEN GESTOR­VEN, opdat zij die leven, niet meer voor zich­zelf leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven en opgewekt is."

Als "allen" hier alleen slaat op de uitver­korenen, zoals sommigen leren, zou dan de passage niet beter gelezen kunnen worden, dat Christus "stierf voor allen, opdat ALLEN voor Hem zouden leven", inplaats van zij die leven te onderschei­den als deel uitmakend van "allen" voor wie Christus stierf? Verder verklaart de Apostel in V.14 dat "de liefde van Christus" hem drong om dit evangelie te prediken. Verkon­digde Pau­lus dan deze liefde, of dit evangelie, alleen aan de uitverkorenen?

1 Tim.2:4-6: "Die wil dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.

"Want er is ייn God, er is ook ייn Middelaar tussen God en MEN­SEN, de Mens Christus Jezus, "Die Zichzelf gegeven heeft tot EEN LOSPRIJS VOOR ALLEN, volgens het getui­genis te zijner tijd."

Indien dit "alle mensen" in V.4 alleen slaat op de uitverkorenen, waarom voegt V.5 er dan aan toe dat Christus is de "Middelaar tussen God en mensen", eerder dan "bepaalde mensen", of de "uitverkorenen"?

1 Tim.4:10: "...wij vertrouwen in de levende God, Die is DE REDDER VAN ALLE

MENSEN, MAAR SPECIAAL VAN DE GELOVIGEN ".

 Hier is een gekwalificeerde verklaring tegenover de achtergrond van een niet gekwalifi­ceerde (zoals in Rom.3:22). Indien, zoals som­migen leren, "alle mensen" de uitverkorenen zijn, wie zijn dan "zij die geloven"?

 Hebr.2:9: "...opdat Hij door de genade van God VOOR ALLEN DE DOOD SMAKEN ZOU." Hoe kan dat "allen" hier mogelijk alleen op de uitverkorenen slaan? Zeker is dat de Apos­tel in deze passage niet bedoeld kan hebben dat dit sloeg op iedere engel of ieder ding, zoals de rest van Hebr.2 helder aantoont.

 2 Petr.2:1: "...valse profeten...valse leraars...die verderfelijke ketterijen bedekt invoeren zullen, die ook DE HERE DIE HEN GEKOCHT HEEFT zullen verloochenen."

 Kon de Heilige Geest duidelijker gesteld heb­ben dat onze Here zelfs valse leraars "kocht", die Hem ontkenden?

 2 Petr.3:9: "De Here...is lankmoedig over ons, EN WIL NIET DAT ENIGEN VER­LOREN GAAN, MAAR DAT ZIJ ALLEN TOT BE­KERING KOMEN."

 Hier hebben we een negatief getuigenis om aan te geven dat het niet Gods wil is dat enigen verloren zouden gaan, en een positief om aan te geven dat Hij wil dat allen tot bekering komen. Wat kan nog duidelijker zijn?

 1 Joh.2:2: "En Hij is een verzoening [voldoe­ning] voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar OOK VOOR DE HELE WERELD."

 Duidelijk slaat het woord "onze" hier op de uitverkorenen: "Hij is de verzoening voor onze zonden." Hoe kan dan geredeneerd worden dat de Woorden "ook voor (de zonden van) de hele wereld eveneens slaan op de uitverkorenen, of tot "alle uitverkorenen"? Blijkbaar bedoelt de passage precies wat zij zegt.

Er zouden nog meer van zulke passages kunnen worden aangehaald, maar dit is geen boek over uitverkiezing!

  MENSELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID

 Extreme Calvinisten schijnen het feit over het hoofd te hebben gezien dat God de mens oor­spronkelijk niet als een machine heeft gescha­pen, maar als redelijk wezen, naar Zijn eigen beeld en Zijn gelijkenis, met verstand en een wil om te overwegen, te kiezen en te organiseren. Dit beeld werd ontluisterd door de val, maar niet weggedaan, want Paulus verklaart in 1 Cor.11:7 dat de mens nog steeds "het beeld en de heer­lijkheid Gods" is. Zeer zeker is er een grote kloof tussen de mens en het hoogste schepsel van het dieren­rijk, een grotere kloof dan die tussen mensen en engelen. Ieder die Christus vertrouwt als Zijn Redder doet dit vrijwillig, nooit bewust van te zijn geforceerd of gedwongen. De mens is een verantwoordelijk moreel wezen en God houdt hem aansprakelijk voor wat hij doet - speciaal voor wat hij doet met het evangelie en met Chris­tus, Zijn geliefde Zoon.

 Joh.3:36 verklaart dat Gods toorn rust op hen die Christus afwijzen, en Rom.1:18 verklaart dat dat Zijn "toorn" wordt geopenbaard over degenen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Hoe kan een rechtvaardig, om niet te zeggen een genadig God, boos zijn op mensen wegens verwerping voor dat wat in eerste instan­tie niet voor hen bestemd was, of wegens ten onder houden van de waarheid wan­neer zij om te beginnen, overgegeven waren aan de leugen?

 Rom. 1:24-28 stelt duidelijk dat God de heidenen "over gaf" omdat zij Hem opgaven. Evenzo leren we uit 2 Thess.2:8-12 dat God de wereld zal overgeven aan Antichrist "OMDAT ZIJ DE LIEFDE TOT DE WAARHEID NIET AAN­GENOMEN HEBBEN OM ZALIG [GERED] TE WORDEN. En DAAROM zal God hun zenden een kracht van dwaling..."

             CONCLUSIE

 Uit dit alles is het duidelijk dat Gods Woord zowel Zijn eigen volko­men soevereiniteit om te verkiezen leert, en de verantwoordelijk­heid van de mens Zijn voorzienigheid tot redding te accep­teren of te verwerpen. Laten wij ons in geloof buigen en deze beide leerstukken geloven, hoe­wel ons arme verstand deze nog niet kan bevat­ten.

Vreemd genoeg echter geloven wij, ondanks ons zelf, deze beiden toch. Alle gelovi­gen erkennen dat niemand in de hemel ooit in staat zal zijn te roemen. Ieder zal openlijk erken­nen: "Het was alles van God". En toch, tezelfder tijd, zal geen mens in de hel in staat zijn te klagen. Ieder zal hebben te erken­nen: "Het was mijn eigen schuld".

Jaren geleden won de Reformed Church (Gere­formeerde Kerk) een dispuut met de Metho­dis­ten. Zij bewezen dat God souverein was in ver­kiezing. Maar door dit te doen trachtten zij het Methodistengeloof voor wat betreft de vrije en verantwoordelijke zedelijke macht van de mens te ontzenuwen. De Methodisten wonnen ook het dispuut door vanuit de Schrift te bewij­zen dat de mens werkelijk een vrij en verant­woordelijk wezen is, maar door dit te doen ont­kenden zij praktisch de Schrifuurlijke leer van uitverkiezing. Beiden dwaalden door te trachten de Schriftuur­lijke leerstukken te weerleggen die zij "logisch" hadden besloten niet in overeen­stemming te zijn met de leer die zij prevaleer­den. Het resultaat is dat beide denominaties geestelijk verloren had­den.

In deze zaken is de ware prediker beide, zowel Gereformeerd als Metho­dist! Voordat de dienst begint bidt hij: "Here, werk in hun harten. In­dien Gij niet werkt, zal er niets tot stand ko­men." Niettemin zegt hij tot zijn gemeente: "U bent verantwoordelijk. Het ligt aan U. Geloof en gij zult gered zijn; verwerp en de toorn van God zal op u zijn". Zo'n prediker is niet alleen Schriftuurlijk in beide standpunten, maar het is alleen op deze manier dat hij de kracht van de Heilige Geest in zijn bediening kan ervaren. Als wij inderdaad de ene of de andere van deze leerstellingen weg redeneren, onteren wij God en beroven onszelf van de kracht van de Geest.

Een huiselijke illustratie kan hier wellicht dien­stig zijn. Veronderstel een jongeman die feitelijk niets afweet van electriciteit, begint zijn eerste werkdag in een machine werkplaats. "Neem deze draad" zegt zijn baas, "bevestig die zo aan de motor dat zij kan draaien." Nadat de jongen de draad heeft onder­zocht ziet hij dat zij bestaat uit twee draden, een zwarte en een gekleurde. Op zijn vraag aan de baas hoort hij dat de gekleurde positief is en de zwarte negatief is.

Omdat hem verteld is dat de motor moet draai­en, bevestigt hij de positieve draad het eerst aan een pool, dan aan de andere, maar er gebeurt niets. Veronderstellend dat hij de ver­keerde heeft bevestigd, doet hij het met de ande­re - zonder effect.

Terug naar zijn baas hierover wordt hem verteld beide draden vast te maken. "Maar hoe kan de motor dan draaien? vraagt de jongen. "Een draad is positief en de ander negatief". "Bevestig ze toch maar beiden", antwoordt de baas. De jon­gen doet het en, zie, de motor draait!

Sir Robert Anderson schreef met betrek­king tot de leerstukken over uitverkiezing en vrije zedelij­ke wil: "Ongetwijfeld mogen zij schijnen onver­enig­baar te zijn, maar vasthouden dat zij dat in feite zijn, is redenering boven open­baring stellen, of met andere woorden, de mens boven God plaatsen" (The Gospel an Its Minis­try, P.74, A.C.Gaebelein, publisher).

Deze twee grote leerstukken geven ons de twee aspecten van de bood­schap van genade aan ons overgegeven om te vertrouwen: het ene, dat God in Zijn liefde gelovigen in Christus verkoos vףףr het begin der wereld; het andere, dat God gaf Christus om te sterven voor allen zonder onder­scheid en een bona fide aanbod doet aan allen om redding te verkrijgen door geloof in Hem.

De eerdere waarheid wordt ver­kondigd aan de geredden zodat zij zich mogen verheugen in Gods goedheid over hen. De laatste wordt ver­kondigd aan de ongeredden tot hun aanneming. Het is niet zonder betekenis dat het Woord van God afsluit met het aanbod: "En wie wil, laat hij het water des levens nemen om niet" (Openb.22:17).

Voor hen die staan, of proberen te staan, alleen aan ייn kant of aan de andere kant van dit ge­weldige onderwerp, zien wij echter niet de be­langrijkheid van een verklaring, gedaan door wijlen Dr.Lewis Sperry Chafer over het hoofd, die hij in dit verband maakte:

"Het oneens zijn over dit onderwerp is niet tussen orthodoxe en hetero­doxe mensen; het is binnen de gemeenschap van hen die het meeste gemeen­schappelijk hebben en die de steun en bemoediging nodig hebben van elkanders geloof. Er zijn weinig thema's die tot meer ernstig en geleerd onderzoek hebben geleid" (Systematic Theology, Vol.III, P.184, Dallas Seminary Press).

Het is in deze geest dat wij het voorgaan­de heb­ben geschreven, en het is in deze geest dat wij bidden, dat het door onze lezers zal worden beschouwd.   

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011