"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

H O O F D S T U K  IX  -  ROM. 9:1-33

 

DE OPENING VAN HET GEDEELTE DER BEDELINGEN IN DE ROMEINENBRIEF

 

PAULUS' VERDRIET OVER ZIJN VERWANTEN

"Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet [terwijl mijn geweten meegetuigt door de Heilige Geest],"dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een onophoudelijke smart is."Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, die mijn verwanten zijn naar het vlees."- Rom.9:1-3.

Waarom verandert Paulus op eens van onderwerp ? De apostel had acht hoofdstukken nodig om ons stap voor stap, op logische wijze, naar de grote waarheden van Rom.8:33-39 te leiden.

U zou verwacht hebben dat de Apostel zou nu verder gaan met de toepassing van deze waarheden in ons dagelijks leven, zoals we het in Hoofdstuk 12 -16 terug kunnen vinden.

De reden voor de plotselinge onderbreking is omdat Paulus in deze drie hoofdstukken de val van Israël en haar tegenwoordige positie voor God behan­delt.

Er is nauwelijks een woord van gerept in de eerste acht hoofdstukken. Daar verkondigt hij genade en volstrekte rechtvaardiging door geloof in Christus zowel voor Jood als heiden, en plaatst hen op hezelfde niveau. Was hij de beloften van God vergeten dat Israël Zijn "bijzonder", Zijn "speciaal" volk zou zijn? Eens was hij een ijveraar voor Zijn volk geweest. Was hij nu een verrader geworden, onverschillig voor hun lot? Hij moet nu het wereldwijde aanbod van genade en rechtvaardiging door geloof alleen, doen stemmen met de speciale beloften aan Israël. Dit doet hij door tussenvoeging van Hoofdstukken 9-11, gezien vanuit de bedeling.

 Onverschillig? Bij een oppervlakkige kennisname van hoofdstukken 1-8 zou het zo kunnen schijnen, maar hij zweert voor God dat dit niet zo is. Als de openingsverzen van Hoofdstuk 1 zijn liefde voor de heidenen aantonen, dan brengen de openingsverzen van Hoofdstuk 9 zijn liefde voor zijn ongelovige verwanten tot uitdrukking. "Grote droefheid en onophoudelijke smart" vervulde zijn hart voor hen. Inderdaad bevestigt hij met een eed dat hijzelf wel van Christus verbannen wil zijn terwille van hen. 

Dit is niets minder dan de liefde die Mozes toonde ten opzichte van het zondige volk in zijn hartstochtelijk gebed in Ex.32:31,32:"...Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. "Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt."Lukas bevestigt in De Handelingen van de apostelen, de last van Paulus voor Israel, want daar vinden we hoe hij, terwijl hij trouw onder de heidenen werkt tot wie hij gezonden was, dat het hart van de apostel voortdurend terugkeert naar Jeruzalem en zijn verwanten daar. Let echter op de woorden "zou" en "wensen" in Rom.9:3, want zo ernstig als hij zou "wensen" dat hij hun plaats "zou" kunnen innemen, kon hij niet zijn eigen door de Geest geïnspireerde woorden in 8:35 zo snel vergeten: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?"

          ISRAELS BEVOORRECHTE PLAATS

 "Die Israelieten zijn, van hen is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloften,"van hen zijn de vaderen, en uit hen is wat het vlees betreft Chris­tus, Die is God boven alles, te prijzen tot in eeuwigheid. Amen."] - Rom.9:4,5.

De apostel begint dan met de erkenning dat Israël een speciale plaats inneemt in Gods programma - net als hij ons, gelovigen uit de heidenen er aan "herinnert" dat wij in vroegere tijd, waren "zonder Christus, vervreemd van het burgerschap van Israël, en vreemdelingen van de verbonden de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld" (Eph.2:­11,12). Uitsluitend aan Israël behoorde: "de aanneming tot kinderen en de heerlijkheid", want de tijd zal komen dat "heel Israël zalig [gered] zal zijn" en verheerlijkt, als zij openlijk verklaard worden zonen van God te zijn (Hos.1:10). "en de verbonden", de "verbonden der belofte" die alleen met Israel werden gemaakt, niet met de heidenen (Eph.2:12). "en de wetgeving, en de dienst van God", Gods Woord en aanbidding zijn ook uitsluitend aan Israël opgedragen (Ex.25:8-16,21,22). "en de beloften", al die opwindende voorspellingen van Israels toekom­stige glorie onder Christus, haar Koning (Jes.35; 60:1-3; 61:3-6)."van hen zijn de vaderen", Abraham, Izak en Jakob, ter wille van hen zou God Zijn volk immer liefhebben (Rom.11:28). "uit hen is wat het vlees betreft Christus, Die is God boven alles te prijzen tot in eeuwigheid. Amen." Dit laatste is verreweg Israels grootste eer, hoewel zij dit nu niet erkent.

HET GRONDTHEMA VAN HOOFDSTUKKEN 9-11

Voordat we verder gaan met de werkelijke tekst van Hoofdstuk 9, halen we hier een erg indringend commentaar aan van J.Sidlow Baxter: "De apostel heeft nu zijn voornaamste argument voltooid door aan te tonen hoe het evangelie de menselijke zondaar persoonlijk redt. Hoe heerlijk dit evangelie echter ook is, hij kan het daarbij niet laten en verbindt blindheid met het acute probleem wat het meebrengt in verband met het volk Israel. Als nu heidenen worden aangenomen, gerechtvaardigd, zoonschap en belofte verkrij­gen op dezelfde voet als de Joden, hoe zit het dan met Israels speciale ver­bondsrelatie met God? Brengt dit nieuwe "Evangelie" met zich, dat God nu 'Zijn volk verwerpt dat Hij tevoren heeft gekend'?

"Als het nieuwe "Evangelie" dat bedoelt, is Gods handelen met Israël dan niet het grootste hypocritisch en ironisch raadsel in de geschiedenis? Was het verbondsvolk niet een draagster van de meest wonderbare Messiaanse belof­ten? Waren de godvruchtige onder hen abuis met het verwachten van de komst van Messias als het einde van het lijden van hun volk, als de verstrooide stammen verzameld zouden zijn als één zuiver Israël, en het volk, zo lang onder heidense heerschappij, tenslotte zou worden verheven boven hen? Nu de Messias gekomen was, was er in plaats van volmaaktheid voor Israël, de meest reactionaire van alle schijnbare tegenstellingen - zij tot wie de verbondsbeloften waren gegeven waren blijkbaar uitgesloten, en al de weldaden waarnaar was uitgezien gingen naar de heidense buitenstaanders!

Wel, dat is het probleem op de achtergrond van Rom.9-11, en het is van vitaal belang dit te realiseren bij het afzonderlijk bezien van enige op de voorgrond tredende stellingen. Maar behalve dit, als we waarlijk enkele van deze Paulinische stellingen gaan uitleggen op goddelijk gezag, moeten we blijven bij het punt en de strekking van de passage. Wat betreft het eerste, het is Paulus' bedoeling te laten zien (a) het huidige voorbijgaan aan Israël als volk is niet in tegenspraak met Goddelijke beloften (Zie 9:6-13); (b) omdat Israël tegenwoordige zonde en blindheid wordt overkoepeld door zegen voor beiden, Joden en heidenen persoonlijk (Zie 11:23-25); (c) en omdat 'geheel Israël nog gered zal worden' op een uitgesteld hoogtepunt in de tijd, voor zover "de gaven en de roeping Gods onberouwelijk zijn" (Zie 11:26-36).

"Wat betreft de strekking van de passage, zal het nu wel zichtbaar worden dat het alles is het historisch en naar bedeling handelen van God met mensen en volkeren, en het niet gaat over persoonlijke redding en bestemming na het graf. Nu is dat het absoluut vitale feit wat voor ogen moet blijven bij het lezen van de problematische verzen in deze hoofdstukken, speciaal de paragraaf 9:14-22.

"Johannes Calvijn is verkeerd wanneer hij in deze verzen uitverkiezing leest tot redding dan wel tot verdoemenis in eeuwige zin. Dat is niet de strekking. Zij behoren alleen tot een Goddelijke besturing van de geschiedenis. Paulus opent de paragraaf met te vragen: 'is er onrechtvaardigheid bij God?' - en de rest van de paragraaf is bedoeld om aan te tonen dat het antwoord is 'Nee'; maar als deze verzen slaan op eeuwig leven en dood, zou er werkelijk onrechtvaardigheid bij God bestaan, en dat wat het diepst is ingeplant in onze morele aard door God Zelf, zou protesteren dat zelfs God geen eerlijk recht heeft om menselijke wezens te scheppen, bestemd tot een voorbestemde verdoemenis.

"Nee, deze passage sluit niet het eeuwigheids aspect van menselijke bestemming in: Paulus heeft hiermee reeds afgehandeld in de hoofdstukken 1-8. Het betreft (opnieuw met nadruk) de geschiedenis en de bedeling. Als dat wordt gezien, is er geen behoefte om de uitdrukkingen te 'verzwakken' of er ook maar één zin van 'weg te verklaren'. Zelfs de verschrikkelijke woorden tot Fharao (V.17) kunnen worden aangezien in hun volle betekenis - 'Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou op de hele aarde'. De woorden 'u verwekt' betekenen niet dat God hem van zijn geboorte af voor dit doel verwekt had; zij slaan op zijn verheffing tot de hoogste troon op aarde. Nee, als zij verschijnen in Ex.9:16, kunnen zij moeilijk dat betekenen, maar alleen dat God Fharao voor sterven heeft bewaard in de voorafgaande plaag, zodat dit temeer voor alle mensen een  duidelijke les zou zijn.

"Bovendien behoeven we niet te proberen het woord te verzwakken wanneer Paulus (nog steeds Fharao bedoelend) zegt: 'Hij [God] verhardt wie Hij wil'. God bracht Fharao niet van zijn eigen wil af. Het verharden was een wederkerig proces. Achttien keren wordt ons verteld dat Fharao's hart werd 'verhard' tot weigering. Ongeveer de helft van deze verhardingen is te wijten aan Fharao zelf; in de andere aan God. Maar de hele strijd tussen God en Fharao moet worden gezien vanuit wat God zei tot Mozes, zelfs voordat de strijd begon: 'De koning van Egypte zal niet...' (Ex.3:19). De wil was reeds bepaald. Het hart was reeds hard. God overheerste Fharao's wil, maar wilde die niet te niet doen. Het verhardingsproces ontwikkelde zich in zoverre als de plagen Fharao dwongen tot een handeling die zijn zonde vaste vorm gaf.

"Zo werd Fharao een directe les voor allen op aarde (Rom.9:17). Maar Fharao's eeuwige bestemming is niet in kwestie; en bovendien door het stellen van dit 'vat van de toorn', die toebereid was tot (zo'n) verderf (V.22), werkte God een vast plan uit, dat niet alleen rechtvaardig was, maar overheersend genadig ten opzichte van vele miljoenen 'vaten van barmhartigheid die Hij tevoren had bestemd tot heerlijkheid' zoals we zien in V.23!

"het is altijd belangrijk om onderscheid te maken tussen Goddelijke voorkennis en Goddelijke uitverkiezing. God weet tevoren alles wat ieder mens zal doen; maar Hij voorbestemt niet alles wat de mens doet. Nee, dat zou God maken tot de auteur van de zonde!

"God wist tevoren dat Ezau zijn eerstgeboorterecht zou verachten; dat Parao slecht zou zijn; dat Mozes in boosheid zou zondigen in Meriba; dat de Israelieten in Kades Barnea in opstand zouden komen; dat Judas onze Here zou verraden; dat de Joden hun Messias zouden kruisigen; maar niet een van deze dingen voorbestemde Hij. Door dat te zeggen zou Hij Zichzelf betrekken in de lasterlijke tegenspraak van de mens voor te bestemmen om te doen wat Hijzelf verklaard had zonde te zijn. God heeft deze zondige handelingen van de mens niet voorbestemd; maar Hij kende en verwachtte ze wel van tevoren, en overheerste deze tot vervulling van Zijn verdere doeleinden.

Wij behandelen dit omdat Ezau, Fharao, en Mozes, in Rom.9 door Paulus worden aangehaald. Laten we twee dingen uitdrukkelijk van Fharao in het bijzonder zeggen: (1) God heeft hem niet geschapen om een slecht mens te zijn; (2) God heeft hem niet geschapen om een verdoemde ziel te zijn. En laten we verstandig verder opmerken, dat God nimmer enig mens heeft geschapen om slecht of eeuwig verdoemd te zijn. 'Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre!' We moeten eenvoudig in Rom.9 niet iets lezen over na het graf, waar slechts historie wordt vermeld. Mozes werd, vanwege zijn zonde te Meriba, de toegang geweigerd tot het beloofde land; maar zouden wij durven redeneren dat deze straf op een of andere wijze bijdroeg tot de zaligheid van zijn ziel na het graf? Duizenden en duizenden Israelieten stierven in de woestijn door de ernstige zonde in Kadesh Barnea; maar waren zij allen verloren zielen na het graf? Denk eens aan enkele van de eerder gebrachte grootmoedige offers en godvruchtige handelingen door sommigen van hen!" (Uit Explore the Book, door J.Sidlow Baxter, Deel VI, Pag.87-90, Marshall, Morgan and Scott, Ltd).

                 EEN THEOLOGISCH SLAGVELD

"Doch ik zeg dit niet, alsof het woord van God vervallen zou zijn; want niet allen zijn Israel, die uit Israel zijn. "Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: in Izak zal uw zaad genoemd worden. "Dat is: Niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God; maar de kinderen van de belofte worden als zaad gerekend. "Want dit is het woord van de belofte: Omstreeks deze tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. "En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, toen zij bevrucht was van één, namelijk Izak, onze vader. "Want toen de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen van God, dat naar de verkiezing is, zou blijven, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept, "werd tot haar gezegd: De Meerdere zal de mindere dienen.  "Zoals geschreven is: Jakob heb ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat." Rom.9:6-13.

Hoofdstuk 9 is, te beginnen met deze passage, lange tijd een theologisch slagveld geweest. In werkelijkheid is er veel onnodige bitterheid ontstaan door dit hoofdstuk, grotendeels omdat sommigen erin lazen wat het niet zegt, en zelfs V.13 gebruikten om te leren dat God alleen de uitverkorenen liefheeft en alle niet-verkorenen haat.

Het is zeker, dat bovenaangehaalde passage niets te doen heeft met voorbestemming voor de hemel of voor de hel. Zij zegt niet, noch sluit in zich, dat God eeuwig leven aan Jakob schonk en Ezau naar de eeuwige verdoemenis verwees, nog minder dat God Jakob liefhad en Ezau haatte vóór zij geboren waren. Evenmin had "het voornemen van God naar de verkiezing" in V.11 te maken met eeuwige zaligheid en verwerping, maar eerder met Zijn doel om de afstammelingen van Jakob, eerder dan die van Ezau, tot Zijn uitverkoren volk te maken.

De woorden "zoals geschreven is", in V.13, zouden ware Bereaërs ertoe leiden om terug te gaan naar de beschrijving in het Oude Testament en beves­tigd vinden dat God niet zei dat Hij Jakob liefhad of Ezau persoonlijk haatte, noch dat Gen.25:23 zegt dat Ezau persoonlijk Jakob zou dienen - wat hij nimmer deed.

Beide verzen 12 en 13 slaan op Jakob en Ezau alleen als vertegenwoor­digers van de stammen waarvan zij stamvader waren. Wat betreft V.12 hebben we de woorden van God tot Rebekka in hun contekst in Gen.25:23:

"En de Here zeide tot haar: TWEE VOLKEN zijn in uw buik, en TWEE NATIEN zullen zich uit uw ingewand vaneen scheiden; en HET ENE VOLK zal sterker zijn dan HET ANDERE VOLK; en de meerdere zal de mindere dienen­."

Wat betreft de aanhaling in V.13, werden deze woorden gesproken lang nadat Jakob en Ezau gestorven waren en hun nageslacht grote volkeren geworden waren. Zoals de aanhaling in V.12 genomen is uit een passage in Genesis, het eerste boek van het "Oude Testament", zo is die in V.13 genomen uit een passage in Maleachi, het laatste boek. Deze passage (Mal.1:1-4) openbaart ook duidelijk tot wie God spreekt, tot Jakob en Ezau persoonlijk, of tot de stammen die uit hen voortkwamen:

 "De last van het woord des Heren TOT ISRAEL, door de dienst van Maleachi."IK HEB U LIEFGEHAD, zegt de Here, maar gij zegt: Waarin hebt gij ons liefgehad? "WAS NIET EZAU JAKOBS BROEDER? spreekt de Here, NOCHTANS HEB IK JAKOB

LIEFGEHAD,"EN EZAU HEB IK GEHAAT; EN IK HEB ZIJN BERGEN GESTELD TOT EEN VERW0ESTING, EN ZIJN ERVE VOOR DE DRAKEN DER WOESTIJN. "Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzo zegt de Here der heirscharen; Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen; Landpale der god­deloosheid, en een volk, op hetwelk de Here vergramd is tot in eeuwigheid." (Cf. ook Ezech.35:9,15).

Zo was het representatief en vergelijkend en ook volgens bedeling, dat God "Jakob liefhad" en "Ezau haatte[i]". Aan Israel, vertegenwoordigd door Jakob, gaf Hij een vruchtbaar land, de geschreven Wet, de tabernakel en tempeldienst en nog veel, veel meer dat aan de afstammelingen van Ezau werd onthouden. Ezau's afstammelingen zijn sinds de dagen van hun vader, bekend als kinderen van de woestijn, en zijn vandaag de nomadische stammen van Arabië, gekarakteriseerd door hun vader's onafhankelijke, wetteloze geest.

___________

1*\ Een blik in Luk.14:26; Joh.12:25, e.a. zal de onderzoeker overtuigen dat het woord "haat" (Gr. miseo), hier gebruikt in Rom.9:13, niet altijd het begrip vijandschap bevat maar soms, zoals in dit geval, een sterke voorkeur voor de een boven de ander.  

Het zou zeker niet vreemd geweest zijn als God in Maleachi gezegd zou hebben dat Hij Ezau persoonlijk had gehaat, zelfs in de aangenomen zin, want niet zoals Jakob, met al zijn fouten, had hij blijkbaar geen interesse in de dingen van God. Ezau was een man "verstandig op de jacht" (Gen.25:27), die niet thuis wenste te blijven met hen die "samen erfgenamen waren van dezelfde beloften".

Een gespierde zoon van de woestijn met haar eindeloze horizonten en wetteloze vrijheid, hij hield van zwerven in de woestijn en te gaan overal waar hij verkoos, hoewel hij dikwijls naar Izak terug kwam die ongelukkigerwijs

"Ezau liefhad, want het wildbraad was naar zijn mond" (Gen.25:28).

Maar er gebeurde meer in Ezau's leven om het karakter te vormen van hen die uit zijn lendenen sproten. Hebr.12:16 noemt hem een "onheilige,... die om één spijze het recht van zijn eerstge-boorte weggaf," en het verslag in Genesis vermeldt dat hij "zijn geboorterecht verachtte", niet alleen in zijn honger, maar nadat hij welgevoed was (Gen.25:34). Wanneer iemand alles beschouwt wat in het eerstgeboorterecht in een Hebreeuwse familie is opgenomen, dan is het duidelijk dat Ezau niet zijn geboorterecht ter plekke had verkocht. Niemand verkoopt zijn geboorterecht ter plekke. "Onheilige" man zoals hij was, had hij het in zijn hart reeds veracht lang voordat hij het verkocht voor een bord eten.

Het zou niet vreemd zijn, lijkt ons, dat God Ezau zou haten. Wat wel vreemd is, is dat Hij Jakob zou liefhebben, die ernstige fouten in zijn eigen karakter had. Het grote verschil echter tussen hen was, dat waar Ezau zijn geboorterecht en de zegeningen die daarbij behoren verachtte, Jakob deze juist sterk verlangde. De manier waarop hij dit verkreeg was ontegenzeggelijk onedel, maar God zag dit alles voorbij naar Jakobs ernstig verlangen naar Zijn zegenin­gen en Hemzelf, en maakte hem de verwekker van het uitverkoren volk en haar Messias. Dit is ongetwijfeld een reden waarom Ps.146:5 zegt: "Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn Hulp heeft..."

NIET ALLEN ZIJN ISRAEL DIE UIT ISRAEL ZIJN

 Zoals Paulus' hart bloedde vanwege zijn volk dat niet gered was van de zonde (Rom.9:1-3; 10:1-3), zo zuchtte het volk zelf onder de slavernij van Rome, en sommigen redeneerden zelfs dat als Jezus de Messias was, Gods Woord gefaald had, want in plaats van hen te bevrijden van de Romeinse slavernij, scheen het dat God hen in de steek had gelaten. Dit was niet zo, zegt de apostel, want "niet allen zijn Israel die uit Israel zijn", zoals hun eigen nationale geschiedenis en hun eigen profetische Geschriften bewezen.

De belofte aan Abraham was niet, "In al uw zaad zullen alle volkeren van de aarde gezegend zijn", maar "In uw zaad zullen alle volkeren der aarde gezegend zijn" (Gen.22:18), en dit onderscheid was reeds op een positieve manier aangetoond. Abraham had een zoon bij Hagar, zijn slavin, en later nog een bij Sara, zijn wettige vrouw, die hem een zoon baarde toen hij 100 jaar oud was en zij 90 (Gen.17:17; 21:1-5). Abraham had God gesmeekt dat Ismael zou worden aangenomen (Gen.17:18), maar Gods antwoord was: "In Izak zal uw zaad genoemd worden" (Gen.17:19; 21:12). Ismael was het product van ongeloof. Abraham en Sara hadden, als het ware, geprobeerd om God te helpen Zijn belofte te vervullen voor het "te laat" was. Maar God vervulde Zijn belofte zelfs toen het scheen alsof alle hoop vervlogen was, en beval Abraham: "Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienst­-maagd zal geenszins erven met de zoon der vrije" (Gal.4:30).

Zo werden Ismael en zijn hele nageslacht uitgesloten van het beloofde zaad (Rom.9:7-9). Maar wanneer ingebracht zou worden dat het nageslacht van Ismael nergens Abrahams wettige zaad was, gaat de apostel verder met aan te tonen dat Izak twee zonen had bij dezelfde vrouw, en dat een van hen, samen met zijn hele nageslacht, werd uitgesloten van het beloofde zaad (Rom.9:10-13).

Zo heeft, zoals we reeds gesteld hebben, "Gods doel naar de verkiezing" niets te doen met de uitverkiezing van de enkelingen tot behoud of verdoeming, maar met Zijn souverein recht om eerder Israel dan het nageslacht van Ezau te verkiezen om tot Zijn doelein­den te komen. Maar ook leren de opening­swoorden van dit vers geen

hier gebruikt in Rom.9:13, niet altijd het begrip vijandschap bevat maar soms, zoals in dit geval, een sterke voorkeur voor de een boven de ander.   willekeurige uitverkiezing, zij leren alleen dat verkiezing is, "niet uit werken, maar uit Hem Die roept".

Ongetwijfeld is hierin niet de algemene leer der uitverkiezing opges­loten, maar waarom zouden we er aan voorbijgaan? "Zou de Rechter der gehele aarde­ niet recht doen?" Zouden wij moeten toegeven dat Hij uitverkiezend of willekeurig is, nog meer, dat Hij grillig zou zijn in Zijn keuzes? Robert Shrank zegt terecht van Rom.9:11:

"Paulus bevestigt slechts de hieraan verbonden vrijheid van God, als souverein Schepper, om te handelen zonder verantwoordelijk te zijn tegenover Zijn schepselen. Maar dit moet niet zo worden opgevat dat het zou betekenen dat God niet regeert door morele principes overeenkomend met Zijn eigen heilig karakter, en dat Hij vrij is om willekeurig en onberekenbaar te zijn. God is bepaald in Zijn daden, niet door Zijn schepselen, maar door de morele integriteit van Zijn eigen Persoon" (Life is the Spirit, door Robert Shrank, P.343, West­cott Publishers). Het grondmotief van Rom.9:6-13 is natuurlijk dat "niet allen Israel zijn die uit Israel zijn", want, zoals we zullen zien, waren niet allen die lijfelijk  Jakob"s nageslacht waren en leefden in de dagen van Paulus "kinderen der belofte". Sommigen van hen waren moedwillige ongelovigen.

IS ER ONRECHTVAARDIGHEID BIJ GOD?

"Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre. "Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontferm; en zal barmhartig zijn, over wie Ik barmhartig ben. "Zo ligt het dan niet aan hem die wil, noch aan hem die loopt, maar aan de ontfermende God."Want de Schrift zegt tot Fharao: Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd wordt op de hele aarde. "Zo ontfermt Hij Zich dan over wie Hij wil, en verhardt wie Hij wil. - Rom.9:14-18.

Het feit erkennend dat God hier nog steeds vanuit het verleden spreekt van Zijn recht om met de mens te handelen zoals Hij goed acht, dient ook te worden erkend, dat er meer dan dit in besloten ligt. Aan genade zijn twee kanten, en Romeinen handelt over beide. De ene kant wordt aangetoond in Rom 10:12,13:

"Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen. "Want EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG [GERED] WORDEN."

Dit is inderdaad genade; volstrekte redding om niet, aangeboden aan allen die eenvoudig "de Naam des Heren aanroepen". Maar er is nog een kant aan genade - een kant waartegen veel mensen zich verzetten. Het is de kant die verkondigt, dat redding geheel uit God is, volstrekt gescheiden van de wil van de mens of van zijn werken.

Nadat getoond is dat God geen verantwoording schuldig is aan de mens voor Zijn verkiezend handelen, stelt de apostel de vraag en geeft antwoord op de kwestie dat dit feit bij velen de gedachte heeft doen ontstaan: "Is er onrechtvaardigheid bij God?" Zo'n conclusie verwerpt de apostel geheel door aan te tonen dat het in volstrekte rechtvaardigheid - en barmhartigheid - was, dat God zei tot Mozes:  "Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik mij ontferm, en zal barmhartig zijn, over wie Ik barmhartig ben" (V.15).

Dit is Paulus tweede verwijzing naar het incident waarin Mozes zo hartstochtelijk tussenbeide kwam voor zijn afgedwaalde volk. Zij hadden het eerste van de Tien Geboden verbroken en het gouden kalf vereerd. Zeker zou God volkomen rechtvaardig geweest zijn als Hij hen allen had vernietigd. Maar was het daarom onrechtvaardig van Hem om ontferming te hebben ­met ­diege­nen­ die Hij verkoos te sparen? vooral ziende op Golgotha? Zoals wij weten, spaarde Hij deze keer het hele volk, zodat Israël voor altijd haar zegenin­gen dankte aan de God van ontferming en medelijden.

Merk op, dat het negatieve zich hier nog niet aandient. Hij spreekt alleen van Gods soevereine recht om ontferming en medelijden te betonen - overeen­komstig Zijn wil - aan hen die veroordeeld zijn door zonde, en toont daarbij dat "het niet ligt aan hem die wil, noch aan hem die loopt", d.i. niet aan de men­selijke wil, noch aan zijn werken, "maar aan de ontfermende God" (V.16).

Maar nu, Gods soevereiniteit aanvaardend om ontferming te betonen, gaat de apostel verder met Zijn soevereiniteit te aanvaarden in het uitoefenen van oordeel en toorn. "Want de Schrift zegt tot Fharao: Hiertoe heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd wordt op de hele aarde. "Zo ontfermt Hij Zich dan over wie Hij wil, en verhardt Hij wie Hij wil." (V.17,18).

Voordat we roepen: "Dat is onrechtvaardig!" zullen we ernstig de passage en het verslag in Exodus onderzoeken. Is het mogelijk dat God willekeurig personen uitzoekt, een hier en een andere daar, die Hij verhardt en vernietigt? Is er dan geen sprake van voorkennis in Zijn handelen met mensen; zijn er geen morele overwegingen bij betrok­ken? Is God een despoot, een tiran, die mensen schept eenvoudig om hen te vernietigen? En zullen we moeten toegeven dat waar er passages zijn over uitverkiezing waarbij geen voorwaardelijke factoor genoemd wordt, er dan ook geen bestaat?

De uitdrukking "Ik heb u verwekt" wijst er zeer zeker op dat God Fharao heeft geschapen om hem tot voorbeeld te stellen, want er waren ongetwijfeld vele andere Egyptenaren net zo ongehoorzaam als Fharao en zij werden allen samen in de Rode Zee verdronken. Zijn bedoeling was ontwijfelbaar als de hoogste regeerder in de wereld zo, dat Zijn strijd met hem historische konsekwentie zou hebben. En dat was zo. Als resultaat konden de Israelieten, gered van hun onderdrukkers, zingen: "De volkenhebben het gehoord, zij zullen sidderen...de vorsten van Edom zullen verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; alle ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!" (Ex.15:14­,15). Veertig jaren later zei Rachab van Jericho tot de spionnen van Israel: "Ik weet, dat de Here u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat alle inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. "Want wij hebben gehoord, dat de Here de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft, toen gij uit Egypte ging... "Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de Here, ulieder God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde" (Joz.2:9-11). Nog later zeiden de Gibeonieten tot Jozua: "Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om de Naam des Heren, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft" (Joz.9:9). Tot op vandaag, waar ook ter wereld het verslag in Exodus wordt gelezen, wordt Gods bedoeling met het verwekken van Fharao gerealiseerd, d.i., "opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkon­digd wordt op de hele aarde".

Maar wat nu met de verklaring dat "Hij verhardt wie Hij wil"? F.L. Godet zegt hiervan terecht: "Het gaat tegen het geweten in te veronderstellen, dat God Zelf Fharao inwendig tot het kwaad zou hebben aangezet" (Commentary on the Epistle to the Romans, door F.L. Godet, Zondervan Publishing Co.). Dit is waar, want "God kan niet verzocht worden door het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand" (Jak.1:13).

Maar zeggen de Schriften dan niet dat God het hart van Fharao ver­hardde? Zei God niet tot Mozes van tevoren dat Hij dat zou doen (Ex.4:21)? Ja, maar dat sluit niet in dat deze "arme, lieve Fharao" een teder, gelovig hart had, dat toen door God verhard werd, want dit zou met zich brengen, dat God tweeslachtig zou handelen. Zij die zo redeneren laten God Mozes en Aaron tot Fharao zenden om te zeggen, "Laat Mijn volk gaan"; daarna, fluisterend in Fharao's oor, als het ware: "Niet doen, hoor!" Dit zou inderdaad zijn, God betrekken in zowel oneerlijkheid als onrechtvaardigheid, want volgens deze theorie zond God Mozes en Aaron om tot Fharao te zeggen "Laat Mijn volk gaan" om hem daarna te beïnvloeden hen niet te laten gaan, en daarna hem te veroordelen wegens het niet laten gaan!

De waarheid is, dat God Fharao's hart alleen indirect en bespelend verhardde. Hij kende van tevoren de hoogmoedige trots van degene die zou zeggen: "Wie is de Here, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken de Here niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken" (Ex.5:2), en God wilde Fharao tonen wie de God van Israel was! Omdat Fharao zijn hart verhardde tegen Gods bevel, was het God Die het bevel gaf, en de omstandigheden schikte waarin Hij wist, dat Fharao's eigenwil zou worden doorgedreven. En zo werd Fharao's hart door De harten van vele misdadigers zijn op dezelfde wijze verhard als zij werden opgeroepen door een tegenovergestelde benadering van recht en barm- hartigheid. Zouden wij dan hen beschuldigen die deze middelen hebben toegepast met het directe gevolg: verharding van de harten van de misdadigers? Er is reeds veel gezegd en gesproken over "onweerstaanbare genade". Er zou aan "weerstaanbare genade" een evengrote aandacht dienen te worden besteed. Dit alles heeft op ons, die leven in de bedeling van Gods genade, haar toepas­sing. Wij hebben gezien dat de Here "rijk is over allen die Hem aan­roepen" en "ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig [gered] worden" (Rom.10:12,13). Dit is wonderbare genade: redding, voor ons betaald door het bloed van Christus en als vrije gift geschonken over allen die dit in geloof willen ontvangen.

Maar Rom.9 handelt over de andere kant van genade, die ons onderwijst dat Hij het is Die in voorzienigheid en liefde de overtuiging in ons hart werkt en de gelovige zondaar redt. En, als Hij sommigen overtuigt en redt, verhardt Hij onvermijdelijk anderen, niet direct, maar indirect, zoals we hebben gezien in het geval van Fharao.

De Alverzoeners, die stellen dat God Fharao schiep om hem te verharden, gebruiken Rom. 9:17 op een manier die God alleen maar kan aanklagen; Hij gebruikt het om Zichzelf te handhaven, om aan te tonen dat er geen ongerech­tigheid in Hem is. Veronderstel eens dat geen in hevigheid toenemende oordelen over Fharao gezonden waren. Veronderstel dat Hij geen barmhartigheid getoond had na elk oordeel behalve het laatste. Dan zou Fharao nooit helemaal  zonder excuus geweest zijn.

De woorden "en Hij verhardt wie Hij wil" in Rom.9:18 leren ons zeer zeker een belangrijke les: Het is dwaas om met God te onderhandelen of in strijd te gaan, want daardoor zult gij steeds harder van hart worden, en meer dienstbaar in het proces wat gaande is en waarin Hij zeer zeker sterker zal blijken en gij volstrekt ten onder zult gaan. Dit gebeurde ook met het uit­verkoren volk Israel -en dat is de reden waarom de apostel dit onderwerp hier behandelt.

                   DE POTTEBAKKER EN DE KLEI

"Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? "Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel, tot hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? "Of heeft de pottebakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken, het éne vat tot eer, en het andere tot oneer? "En als God, Die Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten van de toorn, tot het verderf toebereid. "En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid, die Hij tevoren bereid heeft tot heer­lijkheid? "Die Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen." Rom.9:19-24.

Als hij het bezwaar van 9:14 behandeld heeft loopt de apostel nu vooruit en beantwoordt nog iets: "Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan?" Dit is in geen geval een veronderstellende vraag, want God vindt verkeerdheid bij ongelovigen. Hij veroordeelt hen, en zegt: "Gij wilt de liefde tot de waarheid niet ontvangen. Daarom zal Hij u overgeven dat gij de leugen zult geloven" (Zie 2 Thess.2:10-12).

Zeer zeker kon Fharao geen gegronde kritiek op God hebben, eenvoudig omdat hij er niet in slaagde Zijn wil te weerstaan. We hebben gezien dat God Fharao niet innerlijk dwong Hem te weerstaan. Dat wat hem ertoe bracht zijn hart te verharden kwam niet voort uit God, maar uit zijn eigen zondige natuur. God kon en deed ook niet verkeerd met Fharao. Hij, niet God, was de schuld van zijn ten val komen.

Het "Maar toch" in V.20 echter wijst erop dat er een nog diepere kwestie is die belangrijker is dan de vorige vraag. Hij stelt die in de vorm van een uitdaging: "Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel [ii] tot hem, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?" "Tegen antwoorden" betekent tegen spreken. De apostel zegt eigenlijk, "Wie zijt gij om God tegen te spreken?" De woorden, "o mens" in deze contekst leggen de nadruk op de volstrekte geringheid van de mens tegenover God. "O mens - arm, veroordeeld, kapot, zondig, sterfelijk mens! Wie kan God tegenspreken?" De veroordeelde misdadiger is niet in een positie om in debat te  gaan met "de Rechter van de gehele aarde".

De onwedergeboren mens veronderstelt dat als God barmhartigheid toont aan één persoon, Hij schuldig is deze aan iedereen te bewijzen, hetgeen Hij niet doet, ofschoon Hij metterdaad werkelijk redding aanbiedt aan allen die deze in geloof willen ontvangen. Wie kan daarin iets fouts vinden? 

Een van de eerste lessen die wij als zondaars moeten leren is, dat God niemand iets schuldig is. Hij heeft het volle recht om van ons te maken wat Hem behaagt, zoals de pottenbakker het recht heeft om uit een klomp klei te maken wat hij wil Zeer zeker heeft niemand van ons het recht om "Zijn hand tegen te houden, of tegen Hem te zeggen, Wat maakt Gij?" (Dan.4:35). Maar wij vragen opnieuw, kunnen wij hieruit concluderen dat Hij willekeurig en grillig is in Zijn verkiezend handelen? Zeker, de pottebakker heeft alle macht over de klei, maar God oefent deze macht uit in overeenstemming met de hoogste morele beginselen - de Zijne. In het geval van Israel gebruikte Hij dit om Zijn barmhartigheid te tonen; in Fharao's geval om Zijn toorn over de zonde te tonen, waarbij van het ene een "vat tot eer", en het ander een "vat tot oneer" werd gemaakt.

Eerder dan over de zaak te debatteren, doen we wijzer door onszelf in de handen van de Meester Pottebakker te stellen met de bede om van ons vaten tot eer te maken. Dit is speciaal geëigend voor wat betreft de gelovige in Christus, want de Pottebakker is nog niet klaar met ons. In dit verband verklaart de apostel in 2 Tim.2:20,21, dat als wij ons reinigen van geestelijke onreinheid, Hij ons zal maken tot "[vaten] tot eer, geheiligd en bekwaam tot gebruik voor de Here..."

Wat V.22 betreft, hoe klaar en duidelijk tonen de woorden "wilde" en "met veel lankmoedigheid verdragend" aan, dat God de zondaar niet tot zonde beïnvloedt. Ook dient nauwkeurig te worden opgemerkt dat de uitdruk­kingen "bereid tot het verderf" in V.22. en "bereid tot heerlijkheid", in V.23, in geen enkel geval synoniem zijn. Het woord "bereid", gebruikt in verband met Farao, staat in de middellijke vorm, en betekent zelf gemaakt, terwijl "tevoren bereid" betekent van tevoren klaar gemaakt. In dit geval "verdroeg God met grote lankmoedigheid" de hardnekkige tegenstand van Farao, opdat Hij "bekend zou maken, de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten van de barmhartigheid", die Farao had verdrukt. Wie kan daar iets fouts in vinden?

Inderdaad "verdraagt Hij nog met veel lankmoedigheid" de rebellie van een ongelovende wereld, opdat Hij "zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid". "Die Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen" (V.24)."De Here vertraagt de belofte niet [iv]* (zoals enigen dat voor traagheid achten), maar is LANKMOEDIG over ons, EN WIL NIET DAT ENIGEN VER­LOREN GAAN, maar dat zij allen tot bekering komen" (2 Petr.3:9). De lankmoedigheid waarmee onze Here Zijn wederkomst afwacht en uitstelt is in één wonderbaar en groots begrip te verwoorden: 

" REDDING tot ZALIGHEID" - "zoals ook onze geliefde broeder Paulus...u geschreven heeft" (2 Petr.3:15).

HET TOEKOMSTIG JOODSE OVERBLIJFSEL

"Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen; en die niet bemind was, Mijn beminde. "En het zal zijn, op de plaats waar tot hen gezegd was: Gij zijt Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden. "En Jesaja roept over Israel: Al was het getal van de kinderen van Israel als het zand der zee, het overblijfsel zal behouden worden. "Want Hij voleindigt een zaak en verhaast ze in rechtvaardigheid, want de Here zal een haastige zaak doem op de aarde. "En zoals Jesaja tevoren gezegd heeft: Indien de Here Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, dan waren wij als Sodom geworden, en aan Gomorra gelijk gemaakt."

- Rom.9:25-29.

_________ 

2*\Er staat "gemaakt" niet "geschapen". De bewering van de Alverzoeners dat Judas "geboren werd voor de rol die hij speelde" is onterecht en met God in tegensp­raak.  

3*\ Voor een diepere discussie over Uitverkiezing, zie Appendix Nr.II

_________

4*\ Om terug te keren naar de aarde en te regeren (2 Petr.3:3,4).


Nadat de apostel aangetoond heeft vanuit Israels eigen historie dat "zij niet allen Israel zijn die uit Israel zijn", gaat hij nu verder met dit feit aan te tonen vanuit hun profetische Geschriften. Hij haalt nu inderdaad Hosea en Jesaja aan om te bewijzen dat alleen door Gods genade er een "overblijfsel" gered zal worden wanneer Hij tenslotte Zijn koninkrijks-beloften aan Israel gaat vervullen.

Veel commentators geven aan dat de verzen 25,26 betrekking hebben op heidenen die vandaag gered worden, maar een onderzoek van de Oud Testamentische passages toont aan dat zij eerder slaan op het verloste Israel als Jehovah's verzoende vrouw. Hij had haar "een scheidbrief" gegeven (Jes. 50:1) en haar "Lo Ammi", "Niet Mijn volk" (Hos.1:9,10) genoemd vanwege haar geestelijk overspel, maar Hij was nooit opgehouden met haar lief te hebben of Zijn belofte en einddoel om haar inderdaad de Zijne te maken, opgegeven. Dit zal plaats hebben nadat God "de zaak verhaast en voleindigt in rechtvaar­digheid" (V.28), d.i. nadat Hij Israel en de volkeren in de grote verdrukking geoordeeld heeft.

Dit betreft natuurlijk allemaal Israel als volk, maar waaruit zal het uitverkoren volk bestaan? Tot allen die wij hierboven hebben beschouwd, zullen zeker niet alle lijfelijke afstammelingen van Abraham behoren, ook niet alle afstammelingen die in die tijd zullen leven. Bij het begin zal eerder een "overblijf­sel" erbij behoren, een betrekkelijk klein getal uit het gehele volk, zoals aan­gegeven in de uit Jesaja aangehaalde teksten 27,28. Dit is niet tegengesteld aan de geschiedenis van het uitverkoren volk, want Jesaja zei van Juda en Jeruzalem ook in zijn eigen dagen: "indien de Here Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, dan waren wij als Sodom geworden, en aan Gomorra gelijk gemaakt"  Zo zal het "zaad" waardoor alle volkeren gezegend zullen worden het toekomstig gelovig overblijfsel zijn - samen met Abraham en al zijn gelovig zaad, die zullen worden opgewekt om deel te hebben aan de zegen van het koninkrijk (Zie Luk.13:28,29).

Ook in de geschiedenis van de tegenwoordige bedeling heeft God altijd door gelovige overblijfsels gewerkt. Toen het modernisme kwam om de fundamenten van het geloof te ontkennen, vlak na de eeuwwisseling, was het het getrouw overblijfsel, de minderheid, die er voor zorgde om bij de afvallige denominaties weg te blijven en vrijmoedig op de waarheid te blijven staan.

Maar omdat zij in de minderheid waren, volgt daar dan uit dat zij de strijd verloren hebben? In geen geval, want de meerderheid verloor Gods aanwezig­heid en zegen uit hun midden, en de grootste kerken waren dikwijls het meest verstoken van geestelijk leven, terwijl de getrouwe minderheid zich in de kracht en de zegen van de Heilige Geest verheugde en door God gebruikt werd om duizenden zendelingen uit te zenden om de heidenen te evangeliseren - en de beschaafde heidenen om ons heen.

En het zal hetzelfde zijn met de Moderne Evangelisatie en haar compro­mis­sen met de wereld en de afvallige religie. Al hun "grote mannen"­, met al hun wel georganiseerde campagnes en ondanks al hun populariteit, zullen verliezen - en hebben dat ook reeds - Gods kracht en zegen, omdat het overblijf­sel, de getrouwe minderheid, de geestelijke overwinningen zullen behalen.

HET HUIDIGE WERKEN VAN GOD ONDER DE HEIDENEN

"Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch een rechtvaardigheid die uit het geloof is."Maar Israel, die de wet van de rechtvaardigheid zocht, is tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen."Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken van de wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,"zoals geschreven is: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden." - Rom.9:30-33.

God heeft in het geval van Zijn eigen geliefd Israël aangetoond, dat Hij geen aanzien van personen kent. Hij moet recht handhaven. Israëlieten werden niet gerekend als het beloofde zaad omdat zij de lijfelijke afstammelingen van Abraham waren. Toen het uitverkoren volk Christus afwees, werd het tijdelijk terzijde gesteld, en God zond redding aan de heidenen om Israël tot jaloersheid te verwekken (Zie 11:11). De heidenen hadden "de rechtvaardigheid niet gezocht", maar nu bood God hen Christus aan, Wiens gerechtigheid aan gelovigen wordt toegerekend, en waarvan velen deze in geloof ontvangen hebben(V.30).

Maar Israël, trachtend de rechtvaardigheid uit de wet te verkrijgen, verkreeg dit niet. Waarom niet? Omdat zij eerder trachtten deze door werken te   verkrijgen dan door geloof (V.31,32). Let wel, de apostel zegt niet dat zij faalden om gerechtigheid te verkrijgen omdat God hen niet tot redding had verkoren, maar omdat zij hadden getracht deze door werken te verkrijgen in plaats van door geloof. Belangrijk is zoals het aan het slot van een hoofdstuk als Rom.9 naar voren komt.

"Zij stootten zich aan de steen des aanstoots", zegt de apostel (V.32). Zij gingen voort met een onvruchtbare poging om Gods gunst te ver­dienen in plaats van deze te ontvangen door geloof in Christus, die in liefde en genade de volle straf voor hun zonde had betaald. Dit is tot op heden een voortdurend struikelblok voor hen geweest (Zie Hand.4:11,12; 1 Cor.1:23).