H O O F D S T U K VIII - R O M. 8:5-39
LEVEN IN DE GEEST
DE CHRISTELIJKE WANDEL
"Want die naar het vlees zijn, bedenken wat van het vlees is; maar die
naar de Geest zijn, bedenken wat van de Geest is. "Want wat het vlees
bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt is het leven en vrede.
"Omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God; want het
onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet. "En
die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. "Doch gij zijt niet in
het vlees, maar in de Geest, als tenminste de Geest van God in u woont.
Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet
toe. "En indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood om der
zonden wil, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.
"En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u
woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw
sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont. "Zo
dan, broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees om naar het
vlees te leven. "Want indien gij naar het vlees leeft, dan zult gij
sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam
doodt, dan zult gij leven."
- Rom.8:5-13
Voordat we doorgaan met Rom.8:5 dient te worden opgemerkt dat het
Griekse woord sarx, gewoonlijk vertaald met "vlees", een bredere
betekenis heeft. Soms wordt bedoeld het lichaam of de
substantie van het lichaam, zoals in Rom.1:3; 2:28; en 4:1.
In veel andere gevallen echter, en vooral in de brieven van Paulus,
slaat het op de Adamitische natuur in de mens, de menselijke natuur. In
de gelovige is het de "oude mens" of het oude ikzelf. Dat is de
betekenis van het woord "vlees" zoals we dat vinden in Rom.8:5-13, de
passage die we nu gaan beschouwen.
Zoals we gezien hebben heeft de gelovige nu de Geest van God in zich,
maar hij heeft ook nog het "vlees", de oude Adamitische natuur. Zo kan
hij, gered door Gods genade, toch "wandelen" naar het vlees, zoals
inderdaad velen doen, ook ondanks dat
Christus voor ons stierf opdat wij naar de Geest zouden wandelen.
Het verschil ligt in datgene wat onze gedachten bezig houden. Zij die
naar het vlees zijn, zegt de Apostel, "bedenken" of zetten hun gedachten
op "wat van het vlees is" (V.5), of wat het vlees behaagt: wereldse
genoegens, sensuele be-vrediging, aards gewin, ook intellectuele of
religieuze prestaties. Maar zij die wandelen naar de Geest zetten hun
gedachten op "wat van de Geest is"; behagen God , dienen Christus,
besteden tijd met het Woord en in gebed, verheugen zich in hun
"geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus",etc. Zo zegt
de Apostel in Col.3:1,2: "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt,
zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de
rechterhand van God. "Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de
aarde zijn."
In Rom.8:6,7 is het woord "vlees" afkomstig van hetzelfde woord sarx
in de betekenis van "vleselijk gezind zijn", hetgeen wil zeggen dat de
gedachten gericht zijn op dat wat van het vlees is. Dit betekent
dood, zegt de Apostel, "maar wat de Geest bedenkt is leven en vrede."
Maar werd dan de gelovige niet van de dood bevrijd? Ja, voor wat betreft
de straf op de zonde, maar zoals we gezien hebben, zullen gelovigen toch
sterven voor zover het hun Christelijke ondervinding betreft (Zie
Rom.8:12,13; Gal.6:8; Eph.5:14). De woorden "sterven" en "dood" moeten
hier worden gezien in het licht van de contekst. Als we naar de Geest
wandelen, zullen we ondervindelijk voorspoed hebben en groeien en
bloeien, maar als we naar het vlees wandelen zullen we verschrompelen en
sterven. Heeft de lezer nog nooit een dode Christen gezien? Paulus zag
er vele, gered maar zonder vrucht; vandaar zijn vermaning tot
gelovigen: "Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden..."
(Eph.5:14). Voor de ongelovige is er geen alternatief, maar de in
Christus gelovige zal er goed aan doen zich de wijze raad van de Apostel
te herinneren: "...wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de
Geest bedenkt is het leven en vrede" (Rom.8:6).
De Apostel laat deze woorden van vermaning horen, omdat het vlees, de
oude ikzelf, hoewel voor dood gerekend in Christus - en dit is van
wezenlijk belang - nog steeds actief is naar onze ervaring, en
zijn werkzaamheid strekt altijd ten dode. Daarom zal "hij die in zijn
eigen vlees zaait, uit het vlees verderf maaien" (Rom.8:6). Laten
wij dan deze vermaning ter harte nemen om altijd bezig te zijn met het
heerlijke alternatieve feit, dat "geestelijk gezind zijn, leven en
vrede is".
Vers 7 verklaart dat de "oude mens" een opstandeling tegen God
is. "Het vleselijk denken [het bedenken van het vlees] is
vijandschap tegen God; want het is niet onderworpen aan de
wet van God, want het kan dat ook niet". Hij is zijn eigen god en
wil zijn eigen weg gaan.
De Apostel zegt dan ook van degenen die "in het vlees" zijn, d.i.,
die nog onwedergeboren en zonder de nieuwe natuur zijn, "Zo kunnen
zij die in het vlees zijn, God niet behagen" (V.8).
De onwedergeboren mens mag gecultiveerd zijn, intellectueel, edelmoedig,
vriendelijk, zelfs religieus, maar hij kan God niet
behagen. Met al zijn deugden is hij nog steeds in vijandschap
tegen God, want Gods maatstaf van zijn toestand afwijzend, en Gods
reddende genade door Christus weigerend, gaat hij door in zijn
eigen gerechtigheid, en dat zal God niet verdragen. Er is
één ding, boven alles, dat God niet van
de zondaar zal accepteren, en dat is "tegenspraak". Zij die de vreugde
van zondevergeving willen ervaren en van de acceptatie door God, moeten
ophouden iets tot hun verdediging in te brengen. Eerder dienen zij zich
schuldig te pleiten en zich te werpen op de barmhartigheid van het
gericht. Het is niet de zonde die de mensen buiten de hemel houdt, maar
een verkeerde opstelling. Christus stierf om de straf voor onze zonden
te betalen, en wil de grootste die tot Hem komt in geloof, aannemen,
maar eigen-gerechtigheid verafschuwt Hij.
Dat vers 8 betrekking heeft op de ongeredden is duidelijk uit het
volgende contrast: "Doch gij zijt niet in het vlees, maar in de
Geest, als tenminste de Geest van God in u woont. Maar als iemand de
Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe (V.9).
Sommigen beweren dat "de Geest van Christus" hier niet doelt op de
Heilige Geest, maar op een houding. Dit kan niet waar zijn, want omdat
gelovigen inderdaad "de Geest van Christus" dienen te tonen, of van een
Christelijke geest in hun verhouding ten opzichte van anderen blijk
geven, kan niet gezegd worden van degenen die dit niet hebben, dat zij
"niet van Hem" zijn. Verder zegt het daarop volgende vers, "En indien
Christus in u is", niet slechts aan Christelijke geest, een juist
gedrag, maar Christus, Die, net als de Vader, in ons verblijft
door de Geest (Cf.Eph.2:22).
Maar wat bedoelt de Apostel als hij verklaart: "En indien Christus in
u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonden, maar de geest is
leven vanwege de gerechtigheid" (V.10).
Hoe
kan het lichaam "dood" zijn vanwege de zonde? Het duidelijk antwoord is,
dat God dit voor dood houdt - en dit is erg belangrijk. Het doet
er weinig toe wat wij mogen denken, of hoe wij naar de
dingen kijken, maar wat allermeest geldt is, dat God het "oude
ikzelf" van de gelovige ziet als gestorven in Christus, "vanwege de
zonde". En het is ook van betekenis, dat "de Geest is leven vanwege
de gerechtigheid", d.i., dat de Heilige Geest binnen in ons, ons
leven is, omdat met onze zonden rechtmatig is afgerekend, en Christus'
gerechtigheid ons wordt toegerekend.
Let op het verschil tussen het bijvoeglijk naamwoord "dood" en het
zelfstandig naamwoord "leven" in V.10. De Heilige Geest binnen in ons,
is niet slechts levend [als tegenovergesteld aan "dood"]; Hij is ons
leven! Herinner V.2, waar ons wordt verteld dat "de wet van de
Geest" is "leven in Christus". Wanneer we Christus als onze Redder
ontvangen, zijn wij gerechtvaardigd - en nog meer, want de Geest
deelt leven mede.
V.11, dat hierop volgt, is belangrijk als conclusie op de voorgaande
verzen. In het algemeen werd dit beschouwd als een voorspelling
van onze toekomstige opstanding, maar dat is niet juist. Lees
nauwkeurig, en constateer dat het niet gaat over onze dode
lichamen, maar over onze "sterfelijke" lichamen die de Heilige
Geest verkwikt om ons te helpen de zonde te overwinnen.
Het gaat hier om de Christelijke wandel en de hulp van de Geest daarbij.
Daarom besluit de Apostel: "En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de
doden heeft opgewekt, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden
opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend ,maken door Zijn Geest,
Die in u woont" ((V.11).
De gedachte is, dat als de Geest van God, die Christus uit de dood
oprichtte, in u woont, Hij Die Christus uit de dood heeft doen
opstaan, zeer zeker ook uw sterfelijke lichamen zal "verkwikken", dan
wel leven geven, d.i., u helpen om de begeerten van het vlees te overwinnen.
Dat dit de bedoeling is, is duidelijk uit het volgende vers: "Zo dan,
broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees om naar het vlees te
leven" (V.12).
Hoeveel Christenen leven in een gedachten-constructie van "Ik kan er niets
aan doen"! Zij leunen, als het ware, in kussens met aan de wand boven hun
hoofd geschreven: "De Geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak"
en "Hij kent ons door en door; Hij weet dat wij stof zijn". Maar deze
"maar ik ben maar een mens"-houding is een belediging voor God, Die ons in
genade de nodige hulp heeft geschonken, die wordt toegeëigend
door geloof; de Heilige Geest die van binnen deze sterfelijke lichamen
versterkt tegen zonde, juist wanneer wij, in onze zwakheid, zo erg kwetsbaar
zijn.
Daarvoor zijn wij schuldenaars, niet ten opzichte van de zonde, maar
tegenover God die ons genadig heeft voorzien van hulp in onze zwakheid. Met
deze hulp bij de hand ten allen tijde, is het verkeerd, om nu onszelf
te verontschuldigen met de woorden: "Ik kan het niet helpen".
Wij zullen hier nog meer van zien als we V.26 bezien: "de Geest komt onze
zwakheid mede te hulp". Laten we in de tussentijd beloven dat wij, door
Gods genade, de hulp van de Heilige Geest ons zullen toeëigenen,
waardoor God Christus uit de dood heeft doen opstaan, en trachten, net als
Paulus, "de kracht van Zijn opstanding" te ervaren (Phil.3:10).
"Want indien gij naar het vlees leeft, dan zult gij sterven; maar indien gij
door de Geest de werkingen des lichaams doodt, dan zult gij leven"
(V.13).
Moge God ons overtuigen van onze verantwoorde-lijkheid - "wij zijn
schuldenaars" - om groeiende en bloeiende gelovigen te zijn,
"versterkt...door Zijn Geest in de inwendige mens" (Eph.3:16), dragend
veel "vrucht van de Geest" (Gal.5:22) tot Zijn eer.
ZOONSCHAP
"Want allen die door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van
God. "Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen,
maar gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen, door Wie wij
roepen: Abba, Vader! "Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van
God zijn. "En indien wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen:
erfgenamen van God en mede-ërfgenamen van
Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt
worden."
- Rom.8:14-17.
Betekent bovenstaand V.14, dat zij die zich niet voortdurend overgeven aan
de leiding van de Heilige Geest, geen kinderen van God zijn? Nee. Hij
spreekt hier eerder van geleid worden dan van geforceerd
worden, en maakt verschil tussen hen die onder de Wet zijn, en degenen onder
genade. Het zal goed zijn hier de stand vanuit bedelingen te bezien.
Onder de Wet werd Gods volk niet uitgenodigd om in hun wandel de leiding
van de Heilige Geest te zoeken. Hun gemeenschap met God was eerder
afhankelijk van hun gehoorzaamheid aan de Wet. "Gij zult" en
"Gij zult niet" waren de karakteristieke uitspraken van Gods Woord
door Mozes.
Daar tegenover zal Gods volk gedurende de regering van Christus in het
komende millennium worden begeleid door de Geest. Hoor het Woord van
God hieromtrent:
"Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen;
en Ik zal u in uw land brengen. "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij
zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u
reinigen.
"En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik ZAL MAKEN, dat
gij in Mijn inzettingen zult wandelen, EN MIJN RECHTEN ZULT BEWAREN EN
DOEN"
(Ezech. 36:24,25,27).
God gaf Zijn volk een voorsmaak hiervan op Pinksteren toen Christus'
wederkomst en de vestiging van Zijn koninkrijk aan het volk werden
voorgehouden (Hand.2:29-31). Daar lezen we, "zij werden allen vervuld
met de Heilige Geest" (Hand.2:4) als vervulling van de belofte van
de Here: "Gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden niet lang na
deze dagen" (Hand.1:5). Zo zullen we tevergeefs zoeken naar een
enkele zonde of fout in het gedrag van de gelovigen op Pinksteren en
gedurende enige tijd daarna.
Maar dit veranderde al gauw toen de Koning en het koninkrijk werden
afgewezen en deze "tegenwoordige boze tijd" begon. De gelovigen in
Galatië waren niet allen vervuld met de
Geest; zij "beten en verslonden elkaar". En zeker waren ook de
Corinthische gelovigen niet allen vervuld met de Geest, want Paulus
moest hen op zijn minst een brief zenden met ernstige berisping. Evenmin
waren de Colossenzen allen vervuld met de Geest, want zij moesten
gewaarschuwd worden tegen gevaarlijke dwalingen die bij hen waren binnen
gekropen.
Vandaag is vervulling met de Geest een oogmerk (Eph.5:18) dat
door genade wordt verkregen door geloof, als we ons zelf toestaan om te
worden "geleid door de Geest van God" (Rom.8:14).
"Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en
deze staan tegen elkaar, zodat gij niet doet wat gij wildet.
"Maar indien gij door de Geest geleid wordt, dan zijt gij niet onder de
wet"
(Gal.5:17,18).
Om het eenvoudig te zeggen:
1. In het verleden hing gemeenschap met God af van
gehoorzaamheid aan de Wet.
2. In de tegenwoordige bedeling zijn genade en geloof
op de hoogste plaats gesteld. Genade verschaft de benodigde
hulp van de Heilige Geest, en deze hulp wordt toegeëigend
door geloof. Wij worden niet eenvoudig bevolen om God te
gehoorzamen, evenmin neemt de Heilige Geest willekeurig heerschappij
of "veroorzaakt" dat wij gehoorzamen. Eerder verheugt zich
Gods volk in gemeenschap met Hem, als zij zichzelf overgeven aan de
leiding van de Geest.
3. In de toekomst, als onze Here op aarde regeert, zal de
Heilige Geest het volk van God beheersen en zorgen dat zij
Zijn wil doen (Ezech.36:24-27).
EEN POSITIE ALS VOLWASSEN ZONEN
"Want
gij hebt niet ontvangen de Geest van dienstbaarheid om wederom te
vrezen; maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen,
door Welke
wij roepen: Abba, Vader! (V.15).
Er heerst veel misverstand over de betekenis van het woord "aanneming"
in dit vers. Bij definitie van dit woord zijn er er drie van de
Bijbelwoordenboeken in de bibliotheek van de schrijver die de betekenis
onjuist weergeven. Eén typische
definitie luidt:
"Aanneming is een daad waardoor iemand een vreemdeling in zijn
familie opneemt, hem als zijn kind erkent, en hem tot erfgenaam van
zijn bezit benoemt... In het Nieuwe Testament wijst aanneming op het
feit van Gods genade waardoor wij, gerechtvaardigd door geloof, worden
ontvangen in de familie van God, en erfgenamen gemaakt van de hemelse
erfenis."
Niemand zal ontkennen dat dit de zin is van het woord aanneming,
maar het is zeker niet de betekenis van het woord wat hier is
weergegeven met "aanneming". Er is misschien geen woord in de Schrift
dat hier meer licht werpt op de betekenis van het Griekse woord dan
Gal.4:1-7 waar in een van de grote historische uitspraken, de Apostel
zegt: "Doch ik zeg, zo lang de erfgenaam een kind is, verschilt hij in
niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles. "Maar hij
is onder voogden en verzorgers, tot de tijd door de vader tevoren
gesteld. "EVENZO waren ook wij, toen wij kinderen waren, dienstbaar
gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld. "Maar toen de volheid
van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw,
geworden onder de wet. "Opdat Hij hen die onder de wet waren, verlossen
zou, en opdat wij de aanneming tot
kinderen
verkrijgen zouden. "En aangezien gij kinderen zijt, heeft God de Geest
van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! "Zo dan,
gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een
zoon zijt, dan zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus."
Volgens deze passage is "aanneming" het "geplaatst worden als zoon" -
een volwassen zoon. Dit is de definitie van het Griekse woord
huiothesia, zoals weergegeven door Young, Robinson en anderen,
terwijl Thayer, als hij wijst op de aanneming waarop gelovigen nog
steeds wachten, haar noemt "de volmaakte stand van de zonen van God, die
duidelijk maakt dat zij zonen van God zijn".
Als we in deze tijd spreken over adoptie van kinderen, slaat dat op het
opnemen van andermans kinderen. Dit is niet de betekenis van het
Griekse huiothesia, want volgens Gal.4:1-7 slaat dit
"onderbrengen als zonen" op hen die reeds kinderen zijn. Het is
natuurlijk niet toepasselijk dat een vreemdeling niet ook opgenomen kan
worden en een plaats als volwassen zoon gegeven, maar het punt is dat
hier "aanneming" niet slaat op uitsluitend opname in de familie, maar op
een verklaring van volle zoonschap, met de bijbehorende rechten
en privileges - en verantwoordelijkheden.
In het leven van een Hebreeuwse jongen kwam de tijd, "vastgesteld door
de vader", waarop de "aanneming" als plechtigheid plaats vond, en de
jongen verklaard werd tot zoon en erfgenaam van de vader. Vóór
die tijd was hij wel inderdaad een zoon, maar "onder leraren en
tuchtmeesters". Hem was verteld wat hij wel en niet moest doen, wat hij
wel mocht en niet mocht doen. Hierin verschilde hij niets met een slaaf
of dienstknecht.
Maar tenslotte kwam de "aangewezen tijd"! Hij is nu opgegroeid. Er is
vastgesteld dat hij niet langer opzieners nodig heeft om hem onder
controle te houden. Er is een natuurlijk begrijpen en samenwerken
gekomen tussen vader en zoon. En zo vindt de "aanneming" plaats: een
verklaring in het publiek en officieel, dat de jongen nu intreedt in
al de rechten en privileges van het volle zoonschap.
Dit is de betekenis van het woord aanneming zoals gebruikt in de
brieven van Paulus. Wat openbaart dit ook de betekenis van Rom.8:15
"Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te
vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen,
door Wie wij roepen: Abba,[of] Vader!" Waarlijk, wij gelovigen uit de
heidenen, eens vreemdelingen en bijwoners, zijn genadig opgenomen in
Gods familie. Een nauwkeurig onderzoek van de bovengenoemde en
aangehaalde passages over "aanneming" zal klaar en duidelijk openbaren
dat er meer wordt bedoeld dan wat er vandaag onder aanneming wordt
verstaan.
De gelovige in deze "bedeling van Gods genade" is niet alleen gered voor
de straf van de zonde, maar is aangenomen als de volwassen zoon van
de Vader in Christus, Gods geliefde Zoon. Hem is gegeven in
Christus een positie gegeven in de hemelse gewesten [in de hemel]
aan Gods rechterhand, met vrije toegang tot alle rijkdommen van de
Vader.
Dit is wat het hart van Paulus zo bewoog toen hij uitriep: "Gezegend
zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft
met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. "Zoals Hij ons
uitverkoren heeft in Hem, vóór de
grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn
voor Hem in de liefde. "Die ons tevoren bestemd heeft tot aanneming tot
kinderen, {Gr.,huiothesion] door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het
welbehagen van Zijn wil. "Tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade,
waarmee Hij ons heeft begenadigd in de Geliefde" (Eph.1:3-6).
Maar alles wat hierboven staat is niet in strijd met het idee dat wij
Gods geboren kinderen zijn. Het tegenovergestelde is inderdaad
het geval, want de Apostel stelt speciaal dat wij, als volwassen
zonen, tot een diepere waardering komen van het feit dat we door
geboorte werkelijk Gods kinderen zijn:
"Want...gij hebt ontvangen...de Geest van aanneming", zegt hij,
"door Wie wij roepen: Abba, Vader!", en vervolgt: "Die Geest
getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn:
"En indien wij kinderen [geborenen] zijn, dan zijn wij ook erfgenamen:
erfgenamen van God en medeërfgenamen
van Christus; als wij
tenminste met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden"
(Rom.8:16,17).
Als "medeërfgenamen met Christus"
delen wij in alle rijkdommen van Christus; niet ieder een deel, maar
alles voor beiden. Alles wat Hij heeft is het onze (1
Cor.3:21-23; 2 Cor.4:15). In Hem en met Hem zijn wij
"gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel [hemelse
gewesten]" (Eph.1:3). Sommigen hebben abusievelijk dit "mededeelhebben"
gelijkgesteld met "gemeen-schappelijk deelhebben", maar in elk geval is
het een "deelhebben door copartnerschap", waarin de co-partners,
hoevelen ook, één erfgenaam zijn. Zo
kunnen wij er zeker van zijn dat "als wij tenminste met Hem lijden",
wij ook "samen verheerlijkt" worden. Met deze gedachte leidt
de Apostel het onderwerp in van ons tegenwoordig lijden en de
verheerlijking die komt
(Rom.8:18-27).
What a prospect, child of glory,
Does the future hold in store!
By the wildest flights of fancy
Thou couldst never ask for more
Heir of God, joint-heir forever,
With His own beloved Son!
God could not to you have promised
More of bliss than He has done.
- Author unknown
Welk een uitzicht, kind van glorie,
Heeft de toekomst toch in spé!
Bij de hoogste vlucht van fantasie
Kunt ge nimmer meer verlangen;
Erfgenaam van God, medeerfgenaam
Met Zijn eigen geliefde Zoon!
God kon u niet meerder zegen
Beloven dan Hij reeds gaf.
Wij dienen ons altijd te herinneren dat deze positie van zoonschap en
alles wat daarbij behoort alleen door genade voor ons is, in Christus.
Wij zouden nimmer de plaats hebben kunnen verkrijgen waar God ons
eenvoudig kon vertrouwen dat wij doen wat rechtvaardig, goed, en
wijs is. Het was eerder toen wij tot erkentenis van onze volstrekte
onwaardigheid kwamen en ons vertrouwen op Christus, Gods volmaakte
Zoon stelden, dat God ons accepteerde, en ons nu ziet in Zijn
geliefde Zoon, de Here Jezus Christus. En dit is onze positie vanaf
het ogenblik dat wij ons vertrouwen stellen op Christus, want Eph.2:5,6
stelt duidelijk: "ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft
[God] ons levend gemaakt [samen,K.J.V.] met Christus (uit genade zijt
gij zalig geworden [gered K.J.V.]), "en heeft ons mee opgewekt, en heeft
ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus." Zo plaatst Hij ons
onmiddellijk, zonder een ogenblik van twijfel, niet onder de Wet maar,
als en in Zijn Zoon, onder genade. Welk een
gezegende gedachte!
Maar zal dit niet leiden tot een onzorgvuldig leven? NEE! Zulk
een liefde zal volbrengen wat de Wet nooit kon. Het is natuurlijk, dat
degenen van wie hun harten door genade gewonnen zijn, nu zullen
verlangen God op passende wijze te dienen, zodat hun harten op Hem
een beroep doen als "Vader", want liefde verkrijgt liefde (1
Joh.4:10,19). Elk ander antwoord is onnatuurlijk en inkonsekwent.
"Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de
wet, maar onder de genade" (Rom.6:14). "Want gij hebt niet
ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt
ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen [zoonschap], door Wie wij
roepen, Abba, Vader!" (Rom.8:15).
Het spreekt vanzelf dat de Wet, met haar waarschuwingen, bevelen en
dreigingen, alleen maar vrees kon bewerken, maar de Geest regeert van
binnen uit en veroorzaakt die revolutonaire verandering die maakt dat
wij, als volwassen zonen, op God zien en Hem "Vader" noemen in
een intimiteit die de Wet verbood. Er hangt vandaag geen dreiging boven
het hoofd van Gods volk. Eerder verheugen wij ons in "deze genade
waarin wij staan" (Rom.5:2). Wat vleselijke Christenen betreft, doen
zij er goed aan om zorgvuldig al deze redenen te bezien waarom de
Apostel ons smeekt om waardig aan onze roeping te wandelen (Eph.4:1).
TEGENWOORDIG LIJDEN EN DE HEERLIJKHEID DAARNA
"Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd
niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard
worden. "Want de schepping, als met opgestoken hoofd, verwacht de
openbaring van de kinderen Gods. "Want de schepping is
schepping zelf zal vrijgemaakt worden van de slavernij van het verderf,
tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. "Want wij
weten dat de hele schepping tesamen zucht, en tesamen als in barensnood
is tot nu toe. "En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de
eerstelingen des Geestes hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in
onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de
verlossing van ons lichaam. "Want wij zijn in hoop zalig geworden. De
hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want als iemand het ziet,
waarom zal hij het ook hopen? "Maar indien wij hopen op wat wij niet
zien, dan verwachten wij het net volharding."
- Rom.8:18-25.
Velen van Gods kinderen lijden veel voor Christus boven het normale
menselijke lijden, maar toch niemand zoveel als Paulus. In de tijd dat
hij deze brief schreef aan de Romeinen had hij reeds de vele moeiten en
beproevingen doorgemaakt, beschreven in 2 Cor.11:23-28; werken zonder
ophouden, gevangenissen, geselingen, slagen, dicht bij de dood,
stenigingen, schipbreuken, lange uren op drijfhout in open zee, allerlei
soorten van gevaren, vermoeidheid, pijn, honger, koude, naaktheid - dit
en nog veel meer, boven "de zorg voor alle gemeenten" die op zijn hart
drukte en in zijn gedachten waren.
Toch is het deze zwoegende, lijdende, vervolgde Apostel van Christus
die zegt, zowel door goddelijke inspiratie als vanuit een nadere kennis
van de God die hij vertegenwoordigt: "...IK HOUD HET ERVOOR
dat het lijden van deze tegenwoordige tijd NIET IS TE WAARDEREN tegen de
heerlijkheid, die ons zal geopenbaard worden. (Rom.8:18).
In 2 Cor.4:17 wijst hij op dit lijden als "lichte verdrukking" die
"zeer spoedig voorbijgaat", en stelt deze tegenover "een uitermate
uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid" dat komt. Zo is dan het
tegenwoordige lijden een belegging in komende heerlijkheid; een
heel profijtelijke investering, het "lichte", "voorbijgaande" lijden
bewerkt voor ons "een uitermate uitnemend eeuwig gewicht van
heerlijkheid".
Welk een bemoediging moet dit toch zijn voor de lijdende Christenen
overal, en speciaal voor hen die lijden voor Christus. En let er wel op
dat deze komende heerlijkheid niet slechts geopenbaard wordt aan
ons; zij zal "in ons" openbaar worden. Wij zullen
verheerlijkt worden!
Ook staan wij niet alleen in ons lijden. Er wacht inderdaad een
lijdende schepping als "met opgestoken hoofd" [ernstig verlangen, K.J.V.]
op onze "openbaring" als "de zonen van God", want de ook de schepping
"is aan de ijdelheid [futiliteit] onderworpen", "niet vrijwillig, maar
om Hem, die haar daaraan onderworpen heeft"(V.20).
Goddank, zoals de vloek over de mens ook een vloek bracht over de
schepping om hem heen, zal deze vloek worden weggedaan wanneeer
gelovigen openbaar worden als de zonen van God: "...de schepping zelf
zal vrijgemaakt worden van de slavernij van het verderf, tot de vrijheid
van de heerlijkheid van de kinderen van God" (V.21).
Wat een bevrijding! "Van de slavernij van het verderf tot de
heerlijke vrijheid van Gods kinderen [K.J.V.]"! Toen onze Here op
aarde was erkenden de menigten Hem niet. Sommigen zeiden: "Waarom is Hij
zo belangrijk? Is Hij niet de zoon van de timmerman? En zijn Zijn moeder
en broeders en zusters niet allen hier bij ons?" Hij was de Zoon van God
maar zij erkenden dit niet. En als dit zo met Hem ging, hoeveel temeer
is dit met ons zo. Wij gaan op in de menigten en komen dagelijks met
mensen in aanraking, maar niet een zegt, "Daar gaat een kind van God!"
Maar wanneer onze Here zal zijn geopenbaard, "zullen wij met Hem
geopenbaard worden in heerlijkheid" (Col.3:4). En ons openbaar
worden met Christus bij de Opname zal slechts een voorteken zijn van
onze gezamenlijke openbaring als de zonen van God als Hij gekroond wordt
als Koning der koningen en Here der heren. Dan zal de verandering van de
schepping revolutionair zijn! Dit is werkelijk waarop de
schepping gewacht heeft.
Nu zijn de meeste geluiden die van deze arme bloedende wereld opstijgen
in mineur. De wind zucht, de oceaan treurt, het vee loeit en blaat,
wilde beesten brullen, huilen en schreeuwen, de uil krast, de duif
klaagt; slechts enkele vogels zingen, maar niet op de wijze waarop de
mens kan zingen. Ieder weet slechts één
eenvoudig geluid van niet meer dan een of twee tonen, ook zingen zij
niet werkelijk van blijdschap.
Maar wat een verschil zal het zijn wanneer de zonen van God openbaar
worden! Wat een verschil wanneer de schepping zal zijn "bevrijd van de
slavernij van het bederf tot de heerlijke vrijheid der kinderen Gods"!
Veel Oud Testamentische Schriften beschrijven deze verandering en
sommige daarvan beelden de schepping zelf uit als vrolijk! Bijvoorbeeld:
"Juicht de Here, gij ganse aarde...dat de rivieren met de handen
klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, voor het
aangezicht des Heren, want Hij komt, om de aarde te richten"
(Ps.98:4-9). "De wildernis en de dorre plaatsen zullen hierover
vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een
roos. "Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en
juichen..."(Jes.35:1,2). "Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij
aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de Here heeft Zijn
volk vertroost" (Jes.49:13). "Want in blijdschap zult gijlieden
uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen
zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle
bomen des velds zullen de handen samenklappen" (Jes.55:12).
Maar er valt voor ons een belangrijke les vanuit het zicht op de
bedelingen te leren met het oog op het lijden van de mensheid en van de
schepping. Rom.8:22,23 stelt het zo: "Want wij weten dat de hele
schepping tesamen zucht, en tesamen als in barensnood is tot nu toe. "En
niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest
hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, in de verwachting van
de aanneming, om te getuigen, de verlossing van ons lichaam" [K.J.V.].
"De hele schepping" - ja "ook wij" - "tot nu toe". Dit zijn belangrijke
woorden om te overdenken. "De volken" en "het volk" van Israel (Ps.2:1)
hebben lang gezocht om "tijden van verkwikking" te verkrijgen zonder
Christus, maar alles tevergeefs. Staatsmannen hebben gefaald om
oorlog en bloedvergieten weg te doen. Magistraten hebben gefaald bij het
uitbannen van bedrog en misdaad. De medische wetenschap heeft gefaald om
ziekten en dood te doen ophouden. De wetenschappers hebben gefaald om de
sterke krachten van de natuur te onderdrukken. Opvoedkundigen hebben
gefaald bij het wegnemen van onkunde en bijgeloof - zelfs het geloof is
een Babylonische verwarring. Er is inderdaad over de gehele linie geen
echte verbetering ingetreden. De hele schepping zucht en is
tesamen in barensnood "tot nu toe". De grote beloofde verandering
is nog niet gekomen.
Kunnen we een nog groter bewijs hebben dat het koninkrijk van Christus
niet op aarde is gekomen? Toen onze Here kwam met de prediking
van "het evangelie van het koninkrijk" genas Hij duizenden zieke mensen,
en toen Petrus, na Pinksteren, de terugkeer van de Messias aanbood
en de vestiging van Zijn koninkrijk, werden er duizenden in Zijn
naam genezen. Deze genezingen waren "tekenen" van de koninklijke rechten
van de Messias (Jes.35:5,6; Hand.2:22; Joh.20:30,31; Mark.16:17,18).
Maar toen werd de Koning en Zijn koninkrijk definitief en officieel
afgewezen, en allen die genezen waren stierven uiteindelijk. En deze
toestand is zonder onderbreking doorgegaan "tot nu toe". Dit
verklaart waarom de "genezingen" van vandaag zo dikwijls ter discussie
komen en waarom zij nooit blijven duren, omdat de genezers zelf
tenslotte onderhevig zijn aan de dood.
Wijlen J.C.O'Hair had gelijk toen hij zei dat ondanks alle genezers,
alle artsen, alle medicijnen en geneesmiddelen - en al de gebeden van
Gods volk, het dodental steeds blijft, de "een na de ander". Wij allen
zuchten en zijn in barensnood "tesamen, tot nu toe", en er zal
geen verandering komen dan bij "de heerlijke openbaarwording van de
zonen Gods". Als een lezer zou willen beweren dat het bovenstaande niet
slaat op gelovigen, laten we dan nog eens V.23 lezen: "En niet alleen
dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, ook
wijzelf, zeg ik, zuchten in ons zelf, in de verwachting van de aanneming
[tot kinderen], om te getuigen, de verlossing van ons lichaam."
Dit is niet de plaats voor een diepgaand onderzoek van de zogenaamde "genezings-kwestie",
maar voldoende om te zeggen dat veel teleurstelling voorkomen zou
worden, als de Paulinische Brieven zouden worden erkend als
bevattend Gods Woord voor vandaag voor wat betreft ziekte en
genezing, want de tegenwoordige genezers laten een lang treurig spoor
achter zich van teleurstelling en geschokt geloof. Hoevelen die
bijvoorbeeld "geloofsgenezing" leren, erkennen deze zaken waarin de
Apostel Paulus, in zijn latere bediening, geliefde broeders die ziek
waren, niet kon genezen en dit zeker ook niet deed? En hoevelen van hen
kunnen met Paulus zeggen: "...Zo zal ik dan veel liever roemen in
mijn zwakheden, OPDAT DE KRACHT VAN CHRISTUS IN MIJ WOONT. "Daarom heb
ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in
vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; WANT ALS IK ZWAK BEN,
DAN BEN IK MACHTIG (2 Cor.12:9,10).
Wat kon duidelijker zijn dan de woorden uit Rom.8:23,24, dat wij,
die "de eerstelingen des Geestes hebben, ook wijzelf, zuchten in
onszelf, VERWACHTENDE de aanneming, om te getuigen, de verlossing
van ons lichaam. Want wij zijn in hoop zalig geworden" d.i., wij
zijn gered uit wanhoop over onze zwakheden, door de gezegende "hoop" op
"de verlossing van ons lichaam", en daarom "verwachten wij het met
volharding" (V.25).
Goddank, wij wachten echter op iets wat veel beter is dan alleen
genezing van onze zieke lichamen. Wij verwachten verheerlijkte
lichamen: "Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de
Zaligmaker verwachten, namelijk de Here Jezus Christus.
"Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig wordt
aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen
aan Zichzelf kan onderwerpen"
(Phil.3:20,21).
Voordat wij dit gedeelte loslaten, zullen we drie fundamentele dingen
opmerken waarop de welingelichte gelovige wacht:
1.Wij verwachten Gods Zoon uit de hemel
(1 Thess.1:9), om ons uit deze wereld te nemen en met Hem te zijn (1
Thess.4:16-18; Tit.2:13).
2.Wij "verwachten de verlossing van het lichaam" (1
Cor.15:51-53; Phil.3:20,21).
3. Wij "verwachten door de Geest de hoop van rechtvaardiging
door geloof" (Gal.5:5).
Zo"roemen wij [verheugen ons, K.J.V.] in de hoop op de
heerlijkheid Gods!" (Rom.5:2),
ons bij voorbaat verblijdend op de vervulling van Gods genadige beloften
aan hen die in "deze tegenwoordige boze wereld" (Gal.1:4) op Hem
vertrouwen.
DE HULP VAN DE GEEST
"En
evenzo komt ook de Geest onze zwakheid mede te hulp;
want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort, maar de
Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. "En Die de
harten doorzoekt, weet wat de mening des Geestes is, omdat Hij naar God
voor de heiligen bidt. "En wij weten dat hun die God liefhebben, alle
dingen meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn voornemen
geroepen zijn." - Rom.8:26-28.
Hier dient opgemerkt te worden dat waar er "een Middelaar tussen
God en mensen" is (1 Tim.2:5), de gelovige twee goddelijke
Voorsprekers heeft; één in de
hemel en één op aarde; De Here Jezus
Christus aan de rechterhand van de Vader, en de Heilige Geest vanbinnen.
De Here Jezus bemiddelt waar het onze redding betreft:
"Wie
is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is,
Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons
bidt"
(Rom.8:34). "Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken [redden] hen die
door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te bidden"
(Hebr.7:25).
De Heilige Geest echter komt voor ons tussenbeide met betrekking tot
onze ondervinding. Dit is de prediking van Rom.8:26. "De
Heilige Geest [Zelf] immers getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods
zijn" (V.16), dus "evenzo komt ook de Geest onze zwakheid mede te hulp;
want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort, maar de
Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen [Lett.door
ons onuitspreekbaar]" (V.26).
Zij die het er voor houden dat gelovigen alles ontvangen waarom zij in
geloof bidden, dienen deze passage goed te lezen, want de Apostel
verklaart hier duidelijk, dat "wij niet weten wat wij bidden zoals
het behoort". Inderdaad is dit het waarom de Heilige Geest voor ons
bemiddelt [pleit]. Hoe goed is het voor ons, "in deze boze wereld", dat
wij niet alles verkrijgen waarom wij vragen, zelfs in geloof! Wat een
problemen zouden wij voor onszelf scheppen als we alles verkrijgen
waarom wij vragen, zelfs in gelovig gebed!
De "wat ook" beloften in Matt.21:22, en derg. werden gedaan in
het vooruitzicht op het vestigen van het koninkrijk, wanneer allen
zullen zijn vervuld met de Geest en zullen weten waarvoor te
bidden, maar in deze wereld van duisternis (Eph.6:12) vragen we onszelf
dikwijls af, "ik weet zelfs niet hoe te bidden of waar ik om moet
vragen". Vandaar dat God ons Zijn Geest gegeven heeft Die in ons
woont, Die "voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen
[die niet zijn uit te drukken]" (V.26).
We hebben aangetoond dat het "evenzo" in V.26 terugverwijst naar V.16;
dat indien de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn,
Hij "evenzo" voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen.
Sommigen echter voelen het zo aan, dat het "evenzo" slaat op het zuchten
van de Geest, en nemen ons dan mee terug naar V.22,23. Indien de "hele
schepping zucht", en "ook wijzelf... zuchten in onszelf",
doet dat "de Geest evenzo", onze zwakheid helpend, "voor ons biddend met
onuitsprekelijke verzuchtingen".
In elk geval toont Zijn tussenkomst "voor ons" met
"verzuchtingen [die niet zijn uit te drukken]", Zijn
oneindige liefde voor ons aan. Het beste van alles is, "Hij Die
de harten doorzoekt" (d.i. God, 1 Sam. 16:7) "weet wat de mening
van de Geest is, omdat Hij [de Geest] naar God voor de
heiligen bidt" (V.27). Dat is, God, Die het hart doorzoekt, weet wat
in onze gebeden alleen maar een uitdrukking van ons vergankelijk, falend
verstand is, en wat de bedoeling van de Geest is, die altijd voor ons
bidt "naar [de wil] van God".
Hoe belangrijk is het om het Woord der waarheid op dit punt recht te
snijden! Wij dienen nu te bidden, niet zoals de opdringerige
weduwe (Luk.18:2-7), noch overeenkomstig Matt.21:22 of Matt.18:19,
verwachtend dat wat wij in het geloof vragen, maar vanuit erkende
onwetendheid, zwakte en nood, altijd afhankelijk van de wil van onze
wijze en liefhebbende Vader.
Er is nog een reden om op deze manier te bidden in "deze tegenwoordige
boze wereld", want de Apostel vervolgt: "En wij weten dat hun die God
liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn
voornemen geroepen zijn" (V.28).
Er zijn twee dingen in Rom.8 die "wij weten". (1) "wij weten dat de
hele schepping tesamen zucht, en tesamen in barensnood is tot nu toe"
(V.22). De grote geprofeteerde verandering heeft nog niet plaats
gevonden. Op Pinksteren scheen er heldere hoop dat het geliefde volk zou
bekeren en dat Messias terug zou keren om vrede, voorspoed en zegen te
brengen, maar "Zijn burgers haatten Hem, en zonden hem, en zonden hem
gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij"
(Luk.19:14; cf.Hand.7:51-59). Zo gaat "de hele schepping" voort met
zuchten en in barensnood tesamen "tot nu toe", met geen uitzicht
op verandering dan totdat de Here komt in kracht en heerlijkheid
om de troon in te nemen die rechtens de Zijne is. Maar (2) in de
tussentijd, "weten we dat hun die God liefhebben, alle dingen
meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn voornemen
geroepen zijn" (V.28).
Wij dienen nog twee passages in dit hoofdstuk met elkaar te vergelijken,
die aangeven wat "we niet weten" en wat "we weten".
"Wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort" maar
Goddank, "we weten dat alle dingen meewerken ten goede, namelijk
hun die die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (V.26,28).
Welk
een krachtige bondgenoot hebben we in de Heilige Geest, die voor ons
pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen! Welk een bondgenoot in de Here
Jezus Christus, Die ook voor ons pleit aan de rechterhand van de Vader!
En welk een liefhebbende trouwe hemelse Vader, Die alle dingen doet
meewerken ten goede!
Maar wijst dit pleiten erop dat Vader uit Zichzelf ons niet veilig zou
willen stellen, of alle dingen niet ons ten goede zou doen meewerken? In
geen geval, de taal is zo verzachtend dat een vergankelijk mens deze kan
verstaan, want in werkelijkheid is juist de aanwezigheid van de
gekruisigde, opgestane Here aan Vaders rechterhand, op zichzelf een
echte pleitgrond ons ten goede:
Five bleeding wounds He bears,
Received at Calvary;
They pour effectual prayers;
They strongly plead for me.
"Forgive him, oh, forgive," they cry,
"Nor let that ransomed sinner die".
- Charles Wesley
Vijf bloedende wonden draagt Hij,
Op Golgotha ontvangen;
Zij zijn een effectief gebed;
Zij pleiten krachtig voor mij.
"Vergeef hem, Oh, vergeef," roepen zij,
"Laat deze gekochte zondaar niet sterven".
- Charles Wesley
Zo is het met de tussenkomst van de Heilige Geest ons ten goede. Dit
toont eerder het feit dat God Zelf, -de Geest als deel van de Drieëenheid
- diep en persoonlijk geinteresseerd is in onze zwakheid, erop toeziend
dat we recht bidden, met verzoeken die Hij ons ten goede kan verhoren.
Dit verklaart Phil.4:6,7, waar we de meest verheven vorm van gebed
vinden van de tegenwoordige bedeling: "Weest in geen ding bezorgd,
maar LAAT UW BEGEERTEN IN ALLES, door bidden en smeken, met dankzegging
BEKEND WORDEN BIJ GOD, EN..."
"En" wat? "En wat gij in het gebed zult vragen in geloof, zult ge
ontvangen"? NEEN! Dit zou vandaag zeer tragisch zijn. De
passage zegt het zo:"...laat uw begeerten bekend worden bij God, "EN
DE VREDE GODS, DIE ALLE VERSTAND TE BOVEN GAAT, ZAL UW HARTEN EN UW
GEDACHTEN BEWAREN IN CHRISTUS JEZUS."
Hier is een duidelijk bewijs dat God niet doof is voor het roepen van
Zijn volk in deze tegenwoordige boze wereld. Hij dringt aan om hun hele
harten voor Hem uit te storten. Er is niets bij dat Hij niet zou willen
horen. Hij zegt, "Vertel Mij alles en wees nergens bezorgd
over, want Ik zal alle dingen doen meewerken u ten goede."
Wijlen Pastor Edward Drew vertelde eens van een jongeman die een
belangrijke positie had bij een grote firma met een agentschap in het
koude hoge Noorden. Op een dag werd hij uitgenodigd op het hoofdkantoor
en hem verteld dat hij een reis zou gaan maken naar het verre Noorden
per vliegtuig, trein, schip en zelfs hondenslede naar hun noordelijke
post. "Wanneer?" vroeg hij, "Wel, wij willen dat u morgen vertrekt," was
het antwoord. "Maar, heren," weerlegde hij, "Ik ben niet klaar. Ik heb
niet het minste idee wat voor zo'n reis nodig is." "Wij weten dat u dat
niet weet." antwoordde de dienstdoende chef, "maar wij wel. Wij
hebben alles voorbereid en in elk detail voorzien tot op het eind van uw
reis." Zo ook heeft God genadevol voorzien voor ons - tot het eind van
onze reis hier.
"Wat
gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen"?
Wij hebben nu iets veel beter dan dat! In de duisternis van deze "boze
wereld", worden wij geinstrueerd om al onze lasten naar de Here te
dragen "onder dankzegging", om voor niets bezorgd te zijn, omdat Hij
beloofd heeft dat alle dingen zullen medewerken ten goede. Wat zouden
wij nog meer vragen! Geen wonder dat de Apostel uitbreekt in de
lofprijzing van Eph.3:20,21: "Hem nu, Die machtig is meer dan
overvloedig te doen, BOVEN AL WAT WIJ BIDDEN OF DENKEN, naar de kracht
die in ons werkt, "Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door
Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen."
DE
NAAR ZIJN VOORNEMEN GEROEPENEN
"Want
die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan
Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn
onder vele broeders. "En die hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij
ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook
gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook
verheerlijkt."
- Rom.8:29,30.
De bovenstaande passage is een goede inleiding tot de grote waarheden
van Rom.9. Iedereen die Rom.8:29,30 aandachtig leest, moet getroffen
worden door de belangrijkheid van het niet meer lezen in de
Schriften dan zij zeggen of duidelijk omvatten. Deze passage zal helpen
uit te leggen wat bedoeld is met de uitdrukking, "de geroepenen naar
Zijn voornemen", in V.28.
Ten eerste, zegt V.28 niet dat Gods volk "geroepen is om naar
Zijn voornemen te worden geroepen", evenmin geloven wij
dat dit is bedoeld. Eerder geloven wij dat Zijn voornemen hier slaat op
"het eeuwige voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze
Here," het grote onderwerp van de brieven van Paulus (Zie
Eph.1:3-11; 3:1-11). Bij dit voornemen zijn uiteraard individuele
gelovigen ingesloten.
Zo zegt dan de Apostel, terwijl hij het geheel overspant van voorkennis
tot verheerlijking: "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij
ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn,
opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders" (V.29).
Maar waarop slaat de "voorkennis" die hier wordt genoemd? Dit is
belangrijk, want "die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook
tevoren bestemd om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn."
Slaat deze voorkennis hier alleen op het feit dat Hij tevoren wist
wie gered zouden worden? Nauwelijks, want dan kon God alleen
voorbestemmen op basis van wat Hij wist - alleen maar wist - wat mensen
zouden doen. Dan zouden de handelingen van de mens Gods bestuur
beheersen!
Het is waar dat God alle dingen vooruit wist en daardoor met
reden kon uitkiezen, eerder dan willekeurig of grillig (1 Petr.1:2),
maar dat heeft hier geen grond, want Rom.8:29 stelt niet dat God
iets wist - of alle dingen - over ons; het zegt dat Hij ons
van tevoren kende: "Want die Hij tevoren gekend heeft, die
heeft Hij ook tevoren bestemd..."
Om deze stelling te begrijpen moeten we bedenken dat in de Schrift, net
als in onze tijd, een persoon of een groep kennen betekent
erkennen, er rekening mee houden, of erin geïnteresseerd zijn, of er een
nauwe relatie mee hebben. De volgende Schriftgedeelten geven hiervan
blijk: "Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik ulieden alleen
gekend..." (Amos 3:2 m.b.t. Israel).
"En dan zal ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg
van Mij, gij die ongerechtigheid werkt"
(Matt.97:23). "En nu gij God kent, ja veel meer, door God gekend zijt..."
(Gal.4:9). Van iemand voorkennis hebben is, hem tevoren kennen,
d.i., hem herkennen of tevoren met hem relatie gehad hebben.
Het veel gehoorde argument dat "God iedereen van tevoren kent", ontkent
de bovengenoemde feiten en in feite deze passage die we behandelen, want
"die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan
het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn" en zeer zeker zullen niet
alle mensen gelijkvormig aan het beeld van Gods Zoon zijn.
Voorbestemming dient hier te worden gescheiden van voorkennis daarin,
dat Gods voorbestemming eerder verwijst naar dat waarvoor de
tevoren gekende is voorbestemd.
Voordat we V.29 afsluiten, dienen we het feit onder ogen te zien, dat
God gelovigen gelijkvormig zal maken naar het beeld van Zijn Zoon,
"opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broeders". In
één opzicht is onze Here "de eniggeboren
Zoon" van God (1 Joh.4:9), maar in ander opzicht - dank zij Zijn
verlossingswerk op Golgotha - is Hij "de eerstgeborene onder vele
broeders" (Zie 8:16,17, waar het woord "kinderen" is tekna -
"geborenen").
Oppassend dat we niet in een passage lezen wat er niet staat, kunnen we
opmerken dat V.29,30 de methode laat zien waarop God Zijn volk,
stap voor stap, vanuit voorkennis tot heerlijkheid leidt. "Want die Hij
tevoren gekend heeft, die heeft ook tevoren bestemd... Bovendien
heeft Hij hen die Hij tevoren bestemd had, ook geroepen; en die
Hij riep, heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij
rechtvaardigde, heeft Hij ook verheerlijkt.
Let wel dat V.29 en 30 beiden in de verleden tijd staan, want zo ver
het God aangaat ziet Hij ons reeds als verheerlijkt in Christus. De
Brief aan de Efeziërs heeft hier
veel over te zeggen, zoals in 2:4-6: "Maar God, Die rijk is aan
barmhar-tigheid, door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad
heeft, "ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend
gemaakt met Christus [uit genade zijt gij zalig geworden], "en heeft ons
mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus."
Zo ziet God ons in genade, en wij mogen nu deze door God gegeven
plaats innemen door geloof en ons "al de geestelijke
zegeningen" toeëigenen die daarbij
horen, tot die gezegende dag, wanneer onze Here Zelf komt voor
ons en ons lichamelijk meeneemt, met verheerlijkte lichamen, om met Hem
te zijn (1 Cor.15:51-54; 1 Thess.4:16-18).
Er bestaat een neiging onder gelovigen om de werkelijkheid van onze
positie in Christus te verkleinen. Daadwerkelijk moet dit zwakke,
twijfelende Christenen geweldig bemoedigen, dat God hen reeds in
de hemel ziet, en aanmoedigt om werkelijk in het geloof op te staan,
boven deze door zonde vervloekte wereld en "te zoeken de dingen die boven
zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God" (Col.3:1).
WIE ZAL TEGEN ONS ZIJN?
"Wat
zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen
ons zijn? "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor
ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen
schenken?
"Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die
recht-vaardig maakt. "Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die
gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods
rechterhand is, Die ook voor ons bidt."
- Rom.8:31-34.
Wij komen nu tot de grote climax van het leergedeelte van Romeinen. "Als
God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?"!
Dit
doet ons denken aan de kleine jongen die voortdurend geplaagd werd door
buurtjongens. Het leek er wel op dat hij elke dag naar huis kwam met een
bloedneus, een blauw oog, of kapotte ellebogen of kniëen,
totdat hij op een dag vertrouwelijk midden tussen hen doorwandelde - hand in
hand met zijn vader. Deze keer troken zijn plaaggeesten zich terug en
spraken onder elkaar, "We kunnen hem beter met rust laten; zijn vader is bij
hem."
Maar Rom.8:31 is veel grootser dan dit! Het is veel krachtiger omdat
het in de vorm van een uitdaging staat. Het ademt verdediging en vertrouwen,
en brengt ons een van de grote liederen van John Newton te binnen: "Gij
moogt glimlachen naar al uw vijanden".
Hoe wonderbaar om God voor ons te hebben! Hij nam deze stand ten opzichte
van ons in door de grootste gave ooit aan de mensheid gegeven, de Here
Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon, overgeleverd aan schande en dood,
zodat zelfs de slechtste zondaar verlost en gerechtvaardigd mag zijn voor de
rechterstoel. En het geven van deze oneindige gave bewijst, dat er geen
goed iets is, dat Hij voor ons terughoudt: het is "de gave waarin
alle andere zijn opgesloten."
Om de schenking van deze grootste gave in beginsel te kunnen
waarderen, moeten we in ogenschouw nemen, (1) de liefde die aandreef
(Joh.3:16), (2) haar onschatbare waarde (2 Cor.9:15), (3) onze
grote behoefte eraan (Rom.6:23), en (4) hoe genadig het offer is
(Rom.4:5; 10:13).
In deze korte passage van Gods Woord staan zeven korte begrippen, waarvan
elk stof geeft tot vele uren Bijbelstudie. Dat zijn:
1. "niet gespaard" 4. "voor ons allen"
2. "eigen zoon" 5. "met Hem"
3. "overgegeven"6. "om niet" (K.J.V.)
7. "alle dingen"
Twee hiervan vragen speciale aandacht in dit boek: "niet gespaard"
en "overgegeven". In Zijn liefde en erbarmen voor verdoemde zondaars,
heeft God Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen
"overgegeven".
De woorden "niet gespaard" hebben een ruwe, strenge klank. Ondanks de
oorspronkelijke en goddelijke majesteit, ondanks Zijn eindeloze en
volmaakte heiligheid, ondanks de vernedering die Hij reeds verduurd had
voor zondaren, ondanks Zijn smartelijk gebed, "Vader, indien
mogelijk, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan", ondanks het
"vreselijk verdriet", het bloedige zweet, het "sterk geroep en de tranen",
ondanks de eindeloze schande en de smart daarbij - ondanks dit alles spaarde
de Vader Hem niet, maar leverde Hem over om een last te dragen die de wereld
naar de hel zou doen zinken.
Wij kunnen begrijpen hoe zelfs een barmhartig God "de engelen niet spaarde
die gezondigd hadden" (2 Petr.2:4) in de dagen van boosheid in de voortijd.
Wij kunnen begrijpen hoe Hij "de oude wereld niet heeft gespaard" (V.5) met
haar boze opstandigheid en goddeloosheid. Wij kunnen begrijpen hoe Hij
Israel "niet spaarde", "de natuurlijke takken" van Zijn olijfboom
(Rom.11:21), toen zij toezagen bij de verschrikkelijke daad begaan op
Golgotha. Maar het uiteindelijk doel en de genade die Hem er toe zette Zijn
eigen zondeloze, vlekkeloze Zoon niet te sparen, maar Hem over
te geven voor ons allen, opdat wij zouden worden gespaard - dit gaat ons
begrip volstrekt teboven. "Geworteld en gegrond in de liefde" zouden wij
altijd kunnen blijven meten, "de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte"
van dit grote doel van God in Christus (Eph.3:17,18).
De woorden "overgegeven" in onze tekst geven het idee van opgeven, of aan
een ander uitleveren, of in de macht van een ander - als een laatste
noodzaak. Konden een milioen werelden betalen voor de schuld van de
mens? God zou graag de hemelen leeggehaald hebben, of een milioen meerdere
in het heelal hebben ingesproken, maar materiële
transacties kunnen dat wat moreel krom is, niet recht maken, nog minder
kunnen zij geestelijk leven mededelen. De prijs voor verlossing van de mens
kon niets anders zijn dan het lijden en sterven van Christus, Gods geliefde
Zoon.
Als we ons dit alles afvragen beginnen we de kracht van het argument
te zien, waarmee de Apostel het uiteindelijk karakter van Gods liefde voor
ons wil tonen. "Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem
voor ons allen overgegeven, HOE ZAL HIJ ONS OOK MET HEM NIET ALLE DINGEN
SCHENKEN?" (Rom.8:32).
Zo heeft God "ons zalig gemaakt [gered], en geroepen met een heilige
roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade,
die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór
de tijden van de eeuwen [vóór de wereld
begon]" (2 Tim.1:9).
Het is omdat zij die God liefhebben "de geroepenen naar Zijn voornemen"
zijn, dat Hij alles uitwerkt hun ten goede. Het is op deze basis alleen dat
wij in vertrouwen kunnen zeggen: "Als God voor ons is, wie kan tegen ons
zijn?" Wat nu met diegenen die tot eenzijdige en onschriftuurlijke
uitersten in deze zaak gekomen zijn? Dit mag ons hart niet verharden boven
wat God hierover gezegd heeft. Eerder dan ons deze waarheden af te vragen en
"de heerlijkheid van Zijn genade" te verkleinen, staan wij verbaasd en
dankbaar dat Hij ons gered heeft.
Maar als V.31,32 de teksten zijn, dan zijn V.33,34 de prediking - met een
viervoudige zekerstelling voor wankelende gelovigen in onze eeuwige
zekerheid in Christus. Bekijk de vier punten nauwgezet:
1. "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God?"
Het antwoord is: "Het is God, Die rechtvaardig maakt"
(V.33), en dit is waar het werkelijk op aan komt.
2. "Wie is het [Hij] Die verdoemt?" Weer is het antwoord:
"Christus is het, Die gestorven is" (V.34). Hij betaalde de straf voor
onze zonden opdat wij niet verdoemd zouden worden. Maar nog meer:
3. "Die ook opgewekt is" (V.34). Wij hebben in Rom.4:25 gezien dat
toen onze Here stierf om de schuld van onze zonden te betalen, Hij weer
opstond om te bewijzen dat de schuld volledig is voldaan. Wie kan ons dan
veroordelen?
4. "Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt" (V.34).
Hoe kunnen wij verdoemd zijn terwijl Gods kostelijke Zoon, onze Redder, in
Zijn tegenwoordigheid verschijnt, ons ten goede? (Cf.Hebr.7:25;
9:24).
Wat een gezegende zekerheid voor de wankelende gelovige! Het is waar,
Satan klaagt aan, de Wet veroordeelt, en onze harten erkennen dat wij
dagelijks in gedachten, woorden, en daden, zondigen. Maar onze heerlijke
Here versloeg Satan op het Kruis, en stelde hem openlijk ten toon
(Col.2:14), en wat de Wet betreft, die nam Hij weg, "door haar aan het kruis
te nagelen" (Col.2:14). Wat betreft de zonden die onze harten voortdurend
moeten erkennen, heeft God ons niet gerechtvaardigd, stierf Christus niet om
onze schuld te betalen, en stond Hij niet op tot bewijs dat zij betaald
waren - en komt Hij op dit moment niet biddend tussenbeide? Laten wij dan
onze twijfels en angsten terzijde stellen, en ons verheugen dat "als God
voor ons is" wij voor eeuwig beveiligd zijn.
Bewerkt dit laksheid in de gelovige? Uiteraard niet. In feite biedt Gods
grenzeloze genade de grootst mogelijke aanleiding tot heilig leven, een
aansporing die de Wet onmogelijk kon brengen. Laten we God niet vertellen
wat wij denken dat een meerder goddelijk of meer zorgeloos gedrag bij
Zijn volk verwekt! Hij zegt dat het Zijn genade is die
"onderwijst", of gehoorzaam maakt tot "matig, rechtvaardig, godzalig leven
in deze tegenwoordige wereld" (Tit.2:11,12).
Maar de Apostel is nog niet klaar met de zekerheid van de gelovige in
Christus te benadrukken. Bij het afsluiten van dit belangrijke gedeelte van
zijn Brief aan de Romeinen neemt hij ons vanuit de ontvangkamer mee
naar Vaders huis, als het ware, waar we de laatste les leren over deze
kostbare waarheid.
WIE ZAL ONS SCHEIDEN?
"Wie
zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of
vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? "Zoals geschreven
is: Want om uwentwil worden wij de hele dag gedood, wij zijn geacht als
schapen ter slachting. "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars
door Hem Die ons liefgehad heeft. "Want ik ben verzekerd, dat noch dood,
noch leven, noch engelen, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomstige
dingen, "noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen
scheiden van de liefde van God, die is in Christus
Jezus, onze Here." - Rom.8:35-39.
"Wie
zal ons scheiden van de liefde van Christus?"
Zou de gelovige misschien een grotere zekerheid van zijn eeuwige
geborgenheid kunnen hebben dan deze? De schrijver heeft bij ervaring
verschillende personen gekend die dachten dat de leer van de eeuwige
geborgenheid in Christus een gevaarlijke dwaalleer zou zijn. Zij haalden de
ene na de andere Schriftplaats over het onderwerp erbij om het te
weerleggen. Maar in elk van de gevallen was dit de grote waarheid, "Wie
zal ons scheiden van de liefde van Christus", die hen uiteindelijk
overtuigden.
Het is van belang dat de Apostel Paulus ons nooit vertelt over zijn liefde
tot Christus, maar hij vertelt ons steeds over Christus' grote liefde voor
hem en anderen! De Wet gebiedt: "Gij zult de Here uw God liefhebben",
maar genade stelt het op een andere manier hoe God ons liefheeft - en
dit verwekt wederliefde. "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst
liefhad" (1 Joh.4:19).
De Apostel beleefde veel ontmoedigingen die hem het werk van de Here wel
duizend keren zou hebben kunnen doen opgeven, maar hij kon niet.
Waarom niet? Hij zegt, "de liefde van Christus dringt ons" (2
Cor.5:14); zij dreef hem voort op een sterke stroom. Geen wonder dat hij
juist dit op het oog had, toen hij in Rom.8 vervolgde met schrijven: "Om
Uwentwil worden wij de hele dag gedood...geacht als schapen ter slachting"
(V.36). "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem
Die ons liefgehad heeft" (V.37).
Niet alleen winnen wij de strijd; wij zijn "meer dan overwinnaars", want
deze tegenspoeden dienen om ons in nog inniger gemeenschap met Hem te
brengen, en zo onze Christelijke ervaring te verrijken.
Dit geweldige hoofdstuk begint dus met "geen verdoemenis" en eindigt
met "geen scheiding", en de Apostel, alle krachten der schepping
erbij halend, of het is tijd, heelal of wat ook, verklaart dat niets
daarvan ons kan scheiden van "de liefde van God, die is [geopenbaard] in
Christus Jezus" (V.38,39). Of het is de dood of het leven, hemelse machten,
tegenwoordige dingen of toekomstige, hoogte of diepte of welk creatuur ook,
niets daarvan, noch alle tezamen, kunnen onze geborgenheid bedreigen of
scheiden van de liefde van God, die Hij ons heeft geopenbaard in Christus
Jezus.