De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  VIII  -  R O M. 8:5-39

 

   LEVEN IN DE GEEST

 

        DE CHRISTELIJKE WANDEL

"Want die naar het vlees zijn, bedenken wat van het vlees is; maar die naar de Geest zijn, bedenken wat van de Geest is. "Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt is het leven en vrede. "Omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet. "En die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. "Doch gij zijt niet in het vlees, maar in de Geest, als tenminste de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe. "En indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood om der zonden wil, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.

"En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont. "Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees om naar het vlees te leven. "Want indien gij naar het vlees leeft, dan zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, dan zult gij leven." - Rom.8:5-13

Voordat we doorgaan met Rom.8:5 dient te worden opgemerkt dat het Griekse woord sarx, gewoonlijk vertaald met "vlees", een bredere betekenis heeft. Soms wordt bedoeld het lichaam of de substantie van het lichaam, zoals in Rom.1:3; 2:28; en 4:1.  In veel andere gevallen echter, en vooral in de brieven van Paulus, slaat het op de Adamitische natuur in de mens, de menselijke natuur. In de gelovige is het de "oude mens" of het oude ikzelf. Dat is de betekenis van het woord "vlees" zoals we dat vinden in Rom.8:5-13, de passage die we nu gaan beschouwen.

Zoals we gezien hebben heeft de gelovige nu de Geest van God in zich, maar hij heeft ook nog het "vlees", de oude Adamitische natuur. Zo kan hij, gered door Gods genade, toch "wandelen" naar het vlees, zoals inderdaad velen doen, ook ondanks dat

Christus voor ons stierf opdat wij naar de Geest zouden wandelen.

Het verschil ligt in datgene wat onze gedachten bezig houden. Zij die naar het vlees zijn, zegt de Apostel, "bedenken" of zetten hun gedachten op "wat van het vlees is" (V.5), of wat het vlees behaagt: wereldse genoegens, sensuele be-vrediging, aards gewin, ook intellectuele of religieuze prestaties. Maar zij die wandelen naar de Geest zetten hun gedachten op "wat van de Geest is"; behagen God , dienen Christus, besteden tijd met het Woord en in gebed, verheugen zich in hun "geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus",etc. Zo zegt de Apostel in Col.3:1,2: "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. "Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn."

In Rom.8:6,7 is het woord "vlees" afkomstig van hetzelfde woord sarx in de betekenis van "vleselijk gezind zijn", hetgeen wil zeggen dat de gedachten gericht zijn op dat wat van het vlees is. Dit betekent dood, zegt de Apostel, "maar wat de Geest bedenkt is leven en vrede."

Maar werd dan de gelovige niet van de dood bevrijd? Ja, voor wat betreft de straf op de zonde, maar zoals we gezien hebben, zullen gelovigen toch sterven voor zover het hun Christelijke ondervinding betreft (Zie Rom.8:12,13; Gal.6:8; Eph.5:14). De woorden "sterven" en "dood" moeten hier worden gezien in het licht van de contekst. Als we naar de Geest wandelen, zullen we ondervindelijk voorspoed hebben en groeien en bloeien, maar als we naar het vlees wandelen zullen we verschrompelen en sterven. Heeft de lezer nog nooit een dode Christen gezien? Paulus zag er vele, gered maar zonder vrucht; vandaar zijn vermaning tot gelovigen: "Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de doden..." (Eph.5:14). Voor de ongelovige is er geen alternatief, maar de in Christus gelovige zal er goed aan doen zich de wijze raad van de Apostel te herinneren: "...wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt is het leven en vrede" (Rom.8:6).

De Apostel laat deze woorden van vermaning horen, omdat het vlees, de oude ikzelf, hoewel voor dood gerekend in Christus - en dit is van wezenlijk belang - nog steeds actief is naar onze ervaring, en zijn werkzaamheid strekt altijd ten dode. Daarom zal "hij die in zijn eigen vlees zaait, uit het vlees verderf maaien" (Rom.8:6). Laten wij dan deze vermaning ter harte nemen om altijd bezig te zijn met het heerlijke alternatieve feit, dat "geestelijk gezind zijn, leven en vrede is".

Vers 7 verklaart dat de "oude mens" een opstandeling tegen God is. "Het vleselijk denken [het bedenken van het vlees] is vijandschap tegen God; want het is niet onderworpen aan de wet van God, want het kan dat ook niet". Hij is zijn eigen god en wil zijn eigen weg gaan.

De Apostel zegt dan ook van degenen die "in het vlees" zijn, d.i., die nog onwedergeboren en zonder de nieuwe natuur zijn, "Zo kunnen zij die in het vlees zijn, God niet behagen" (V.8).

De onwedergeboren mens mag gecultiveerd zijn, intellectueel, edelmoedig, vriendelijk, zelfs religieus, maar hij kan God niet behagen. Met al zijn deugden is hij nog steeds in vijandschap tegen God, want Gods maatstaf van zijn toestand afwijzend, en Gods reddende genade door Christus weigerend, gaat hij door in zijn eigen gerechtigheid, en dat zal God niet verdragen. Er is één ding, boven alles, dat God niet van de zondaar zal accepteren, en dat is "tegenspraak". Zij die de vreugde van zondevergeving willen ervaren en van de acceptatie door God, moeten ophouden iets tot hun verdediging in te brengen. Eerder dienen zij zich schuldig te pleiten en zich te werpen op de barmhartigheid van het gericht. Het is niet de zonde die de mensen buiten de hemel houdt, maar een verkeerde opstelling. Christus stierf om de straf voor onze zonden te betalen, en wil de grootste die tot Hem komt in geloof, aannemen, maar eigen-gerechtigheid verafschuwt Hij.

Dat vers 8 betrekking heeft op de ongeredden is duidelijk uit het volgende contrast:  "Doch gij zijt niet in het vlees, maar in de Geest, als tenminste de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe (V.9).

Sommigen beweren dat "de Geest van Christus" hier niet doelt op de Heilige Geest, maar op een houding. Dit kan niet waar zijn, want omdat gelovigen inderdaad "de Geest van Christus" dienen te tonen, of van een Christelijke geest in hun verhouding ten opzichte van anderen blijk geven, kan niet gezegd worden van degenen die dit niet hebben, dat zij "niet van Hem" zijn. Verder zegt het daarop volgende vers, "En indien Christus in u is", niet slechts aan Christelijke geest, een juist gedrag, maar Christus, Die, net als de Vader, in ons verblijft door de Geest (Cf.Eph.2:22).

Maar wat bedoelt de Apostel als hij verklaart: "En indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonden, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid" (V.10).

Hoe kan het lichaam "dood" zijn vanwege de zonde? Het duidelijk antwoord is, dat God dit voor dood houdt - en dit is erg belangrijk. Het doet er weinig toe wat wij mogen denken, of hoe wij naar de dingen kijken, maar wat allermeest geldt is, dat God het "oude ikzelf" van de gelovige ziet als gestorven in Christus, "vanwege de zonde". En het is ook van betekenis, dat "de Geest is leven vanwege de gerechtigheid", d.i., dat de Heilige Geest binnen in ons, ons leven is, omdat met onze zonden rechtmatig is afgerekend, en Christus' gerechtigheid ons wordt toegerekend.

Let op het verschil tussen het bijvoeglijk naamwoord "dood" en het zelfstandig naamwoord "leven" in V.10. De Heilige Geest binnen in ons, is niet slechts levend [als tegenovergesteld aan "dood"]; Hij is ons leven! Herinner V.2, waar ons wordt verteld dat "de wet van de Geest" is "leven in Christus". Wanneer we Christus als onze Redder ontvangen, zijn wij gerechtvaardigd - en nog meer, want de Geest deelt leven mede.

V.11, dat hierop volgt, is belangrijk als conclusie op de voorgaande verzen. In het algemeen werd dit beschouwd als een voorspelling van onze toekomstige opstanding, maar dat is niet juist. Lees nauwkeurig, en constateer dat het niet gaat over onze dode lichamen, maar over onze "sterfelijke" lichamen die de Heilige Geest verkwikt om ons te helpen de zonde te overwinnen.


 

Het gaat hier om de Christelijke wandel en de hulp van de Geest daarbij. Daarom besluit de Apostel: "En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend ,maken door Zijn Geest, Die in u woont" ((V.11).

De gedachte is, dat als de Geest van God, die Christus uit de dood oprichtte, in u woont, Hij Die Christus uit de dood heeft doen opstaan, zeer zeker ook uw sterfelijke lichamen zal "verkwikken", dan wel leven geven, d.i., u helpen om de begeerten van het vlees te overwinnen.

Dat dit de bedoeling is, is duidelijk uit het volgende vers:  "Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees om naar het vlees te leven" (V.12).

Hoeveel Christenen leven in een gedachten-constructie van "Ik kan er niets aan doen"! Zij leunen, als het ware, in kussens met aan de wand boven hun hoofd geschreven: "De Geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak" en "Hij kent ons door en door; Hij weet dat wij stof zijn". Maar deze "maar ik ben maar een mens"-houding is een belediging voor God, Die ons in genade de nodige hulp heeft geschonken, die wordt toegeëigend door geloof; de Heilige Geest die van binnen deze sterfelijke lichamen versterkt tegen zonde, juist wanneer wij, in onze zwakheid, zo erg kwetsbaar zijn.

Daarvoor zijn wij schuldenaars, niet ten opzichte van de zonde, maar tegenover God die ons genadig heeft voorzien van hulp in onze zwakheid. Met deze hulp bij de hand ten allen tijde, is het verkeerd, om nu onszelf te verontschuldigen met de woorden: "Ik kan het niet helpen".

Wij zullen hier nog meer van zien als we V.26 bezien: "de Geest komt onze zwakheid mede te hulp". Laten we in de tussentijd beloven dat wij, door Gods genade, de hulp van de Heilige Geest ons zullen toeëigenen, waardoor God Christus uit de dood heeft doen opstaan, en trachten, net als Paulus, "de kracht van Zijn opstanding" te ervaren (Phil.3:10). "Want indien gij naar het vlees leeft, dan zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, dan zult gij leven" (V.13).

Moge God ons overtuigen van onze verantwoorde-lijkheid - "wij zijn schuldenaars" - om groeiende en bloeiende gelovigen te zijn, "versterkt...door Zijn Geest in de inwendige mens" (Eph.3:16), dragend veel "vrucht van de Geest" (Gal.5:22) tot Zijn eer.

                           ZOONSCHAP

"Want allen die door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. "Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba, Vader! "Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. "En indien wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-ërfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden." - Rom.8:14-17.

 Betekent bovenstaand V.14, dat zij die zich niet voortdurend overgeven aan de leiding van de Heilige Geest, geen kinderen van God zijn? Nee. Hij spreekt hier eerder van geleid worden dan van geforceerd worden, en maakt verschil tussen hen die onder de Wet zijn, en degenen onder genade. Het zal goed zijn hier de stand vanuit bedelingen te bezien.

 Onder de Wet werd Gods volk niet uitgenodigd om in hun wandel de leiding van de Heilige Geest te zoeken. Hun gemeenschap met God was eerder afhankelijk van hun gehoorzaamheid aan de Wet. "Gij zult" en "Gij zult niet" waren de karakteristieke uitspraken van Gods Woord door Mozes.

 Daar tegenover zal Gods volk gedurende de regering van Christus in het komende millennium worden begeleid door de Geest. Hoor het Woord van God hieromtrent:

 "Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. "Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.

"En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik ZAL MAKEN, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, EN MIJN RECHTEN ZULT BEWAREN EN DOEN" (Ezech. 36:24,25,27).

God gaf Zijn volk een voorsmaak hiervan op Pinksteren toen Christus' wederkomst en de vestiging van Zijn koninkrijk aan het volk werden voorgehouden (Hand.2:29-31). Daar lezen we, "zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4) als vervulling van de belofte van de Here: "Gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen" (Hand.1:5). Zo zullen we tevergeefs zoeken naar een enkele zonde of fout in het gedrag van de gelovigen op Pinksteren en gedurende enige tijd daarna.

Maar dit veranderde al gauw toen de Koning en het koninkrijk werden afgewezen en deze "tegenwoordige boze tijd" begon. De gelovigen in Galatië waren niet allen vervuld met de Geest; zij "beten en verslonden elkaar". En zeker waren ook de Corinthische gelovigen niet allen vervuld met de Geest, want Paulus moest hen op zijn minst een brief zenden met ernstige berisping. Evenmin waren de Colossenzen allen vervuld met de Geest, want zij moesten gewaarschuwd worden tegen gevaarlijke dwalingen die bij hen waren binnen gekropen.

Vandaag is vervulling met de Geest een oogmerk (Eph.5:18) dat door genade wordt verkregen door geloof, als we ons zelf toestaan om te worden "geleid door de Geest van God" (Rom.8:14).

"Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, zodat gij niet doet wat gij wildet.

"Maar indien gij door de Geest geleid wordt, dan zijt gij niet onder de wet" (Gal.5:17,18).

Om het eenvoudig te zeggen:

1. In het verleden hing gemeenschap met God af van gehoorzaamheid aan de Wet.

 2. In de tegenwoordige bedeling zijn genade en geloof op de hoogste plaats gesteld. Genade verschaft de benodigde hulp van de Heilige Geest, en deze hulp wordt toegeëigend door geloof. Wij worden niet eenvoudig bevolen om God te gehoorzamen, evenmin neemt de Heilige Geest willekeurig heerschappij of "veroorzaakt" dat wij gehoorzamen. Eerder verheugt zich Gods volk in gemeenschap met Hem, als zij zichzelf overgeven aan de leiding van de Geest.

 3. In de toekomst, als onze Here op aarde regeert, zal de Heilige Geest het volk van God beheersen en zorgen dat zij Zijn wil doen (Ezech.36:24-27).

 EEN POSITIE ALS VOLWASSEN ZONEN

 "Want gij hebt niet ontvangen de Geest van dienstbaarheid om wederom te vrezen; maar gij hebt ontvangen de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! (V.15).

 Er heerst veel misverstand over de betekenis van het woord "aanneming" in dit vers. Bij definitie van dit woord zijn er er drie van de Bijbelwoordenboeken in de bibliotheek van de schrijver die de betekenis onjuist weergeven. Eén typische definitie luidt:

 "Aanneming is een daad waardoor iemand een vreemdeling in zijn familie opneemt, hem als zijn kind erkent, en hem tot erfgenaam van zijn bezit benoemt... In het Nieuwe Testament wijst aanneming op het feit van Gods genade waardoor wij, gerechtvaardigd door geloof, worden ontvangen in de familie van God, en erfgenamen gemaakt van de hemelse erfenis."

 Niemand zal ontkennen dat dit de zin is van het woord aanneming, maar het is zeker niet de betekenis van het woord wat hier is weergegeven met "aanneming". Er is misschien geen woord in de Schrift dat hier meer licht werpt op de betekenis van het Griekse woord dan Gal.4:1-7 waar in een van de grote historische uitspraken, de Apostel zegt: "Doch ik zeg, zo lang de erfgenaam een kind is, verschilt hij in niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles. "Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd door de vader tevoren gesteld. "EVENZO waren ook wij, toen wij kinderen waren, dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld. "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. "Opdat Hij hen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot

 kinderen verkrijgen zouden. "En aangezien gij kinderen zijt, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! "Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, dan zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus."

 Volgens deze passage is "aanneming" het "geplaatst worden als zoon" - een volwassen zoon. Dit is de definitie van het Griekse woord huiothesia, zoals weergegeven door Young, Robinson en anderen, terwijl Thayer, als hij wijst op de aanneming waarop gelovigen nog steeds wachten, haar noemt "de volmaakte stand van de zonen van God, die duidelijk maakt dat zij zonen van God zijn".

Als we in deze tijd spreken over adoptie van kinderen, slaat dat op het opnemen van andermans kinderen. Dit is niet de betekenis van het Griekse huiothesia, want volgens Gal.4:1-7 slaat dit "onderbrengen als zonen" op hen die reeds kinderen zijn. Het is natuurlijk niet toepasselijk dat een vreemdeling niet ook opgenomen kan worden en een plaats als volwassen zoon gegeven, maar het punt is dat hier "aanneming" niet slaat op uitsluitend opname in de familie, maar op een verklaring van volle zoonschap, met de bijbehorende rechten en privileges - en verantwoordelijkheden.

In het leven van een Hebreeuwse jongen kwam de tijd, "vastgesteld door de vader", waarop de "aanneming" als plechtigheid plaats vond, en de jongen verklaard werd tot zoon en erfgenaam van de vader. Vóór die tijd was hij wel inderdaad een zoon, maar "onder leraren en tuchtmeesters". Hem was verteld wat hij wel en niet moest doen, wat hij wel mocht en niet mocht doen. Hierin verschilde hij niets met een slaaf of dienstknecht.

Maar tenslotte kwam de "aangewezen tijd"! Hij is nu opgegroeid. Er is vastgesteld dat hij niet langer opzieners nodig heeft om hem onder controle te houden. Er is een natuurlijk begrijpen en samenwerken gekomen tussen vader en zoon. En zo vindt de "aanneming" plaats: een verklaring in het publiek en officieel, dat de jongen nu intreedt in al de rechten en privileges van het volle zoonschap.

Dit is de betekenis van het woord aanneming zoals gebruikt in de brieven van Paulus. Wat openbaart dit ook de betekenis van Rom.8:15 "Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba,[of] Vader!" Waarlijk, wij gelovigen uit de heidenen, eens vreemdelingen en bijwoners, zijn genadig opgenomen in Gods familie. Een nauwkeurig onderzoek van de bovengenoemde en aangehaalde passages over "aanneming" zal klaar en duidelijk openbaren dat er meer wordt bedoeld dan wat er vandaag onder aanneming wordt verstaan.

De gelovige in deze "bedeling van Gods genade" is niet alleen gered voor de straf van de zonde, maar is aangenomen als de volwassen zoon van de Vader in Christus, Gods geliefde Zoon. Hem is gegeven in Christus een positie gegeven in de hemelse gewesten [in de hemel] aan Gods rechterhand, met vrije toegang tot alle rijkdommen van de Vader.

Dit is wat het hart van Paulus zo bewoog toen hij uitriep: "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. "Zoals Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde. "Die ons tevoren bestemd heeft tot aanneming tot kinderen, {Gr.,huiothesion] door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil. "Tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons heeft begenadigd in de Geliefde" (Eph.1:3-6).

Maar alles wat hierboven staat is niet in strijd met het idee dat wij Gods geboren kinderen zijn. Het tegenovergestelde is inderdaad het geval, want de Apostel stelt speciaal dat wij, als volwassen zonen, tot een diepere waardering komen van het feit dat we door geboorte werkelijk Gods kinderen zijn:

"Want...gij hebt ontvangen...de Geest van aanneming", zegt hij, "door Wie wij roepen: Abba, Vader!", en vervolgt: "Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn:

"En indien wij kinderen [geborenen] zijn, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus; als wij tenminste met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden" (Rom.8:16,17).

 Als "medeërfgenamen met Christus" delen wij in alle rijkdommen van Christus; niet ieder een deel, maar alles voor beiden. Alles wat Hij heeft is het onze (1 Cor.3:21-23; 2 Cor.4:15). In Hem en met Hem zijn wij "gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel [hemelse gewesten]" (Eph.1:3). Sommigen hebben abusievelijk dit "mededeelhebben" gelijkgesteld met "gemeen-schappelijk deelhebben", maar in elk geval is het een "deelhebben door copartnerschap", waarin de co-partners, hoevelen ook, één erfgenaam zijn. Zo kunnen wij er zeker van zijn dat "als wij tenminste met Hem lijden", wij ook "samen verheerlijkt" worden. Met deze gedachte leidt de Apostel het onderwerp in van ons tegenwoordig lijden en de verheerlijking die komt

(Rom.8:18-27).

               What a prospect, child of glory,

                 Does the future hold in store!

               By the wildest flights of fancy

                 Thou couldst never ask for more

               Heir of God, joint-heir forever,

                 With His own beloved Son!

               God could not to you have promised

                 More of bliss than He has done.

 

                                   - Author unknown

 

               Welk een uitzicht, kind van glorie,

                 Heeft de toekomst toch in spé!

               Bij de hoogste vlucht van fantasie

                 Kunt ge nimmer meer verlangen;

               Erfgenaam van God, medeerfgenaam

                 Met Zijn eigen geliefde Zoon!

               God kon u niet meerder zegen

                 Beloven dan Hij reeds gaf.

 Wij dienen ons altijd te herinneren dat deze positie van zoonschap en alles wat daarbij behoort alleen door genade voor ons is, in Christus. Wij zouden nimmer de plaats hebben kunnen verkrijgen waar God ons eenvoudig kon vertrouwen dat wij doen wat rechtvaardig, goed, en wijs is. Het was eerder toen wij tot erkentenis van onze volstrekte onwaardigheid kwamen en ons vertrouwen op Christus, Gods volmaakte Zoon stelden, dat God ons accepteerde, en ons nu ziet in Zijn geliefde Zoon, de Here Jezus Christus. En dit is onze positie vanaf het ogenblik dat wij ons vertrouwen stellen op Christus, want Eph.2:5,6 stelt duidelijk: "ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft [God] ons levend gemaakt [samen,K.J.V.] met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden [gered K.J.V.]), "en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus." Zo plaatst Hij ons onmiddellijk, zonder een ogenblik van twijfel, niet onder de Wet maar, als en in Zijn Zoon, onder genade. Welk een gezegende gedachte!

 Maar zal dit niet leiden tot een onzorgvuldig leven? NEE! Zulk een liefde zal volbrengen wat de Wet nooit kon. Het is natuurlijk, dat degenen van wie hun harten door genade gewonnen zijn, nu zullen verlangen God op passende wijze te dienen, zodat hun harten op Hem een beroep doen als "Vader", want liefde verkrijgt liefde (1 Joh.4:10,19). Elk ander antwoord is onnatuurlijk en inkonsekwent. "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom.6:14). "Want gij hebt niet ontvangen de geest van slavernij om weer te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van aanneming tot kinderen [zoonschap], door Wie wij roepen, Abba, Vader!" (Rom.8:15).

 Het spreekt vanzelf dat de Wet, met haar waarschuwingen, bevelen en dreigingen, alleen maar vrees kon bewerken, maar de Geest regeert van binnen uit en veroorzaakt die revolutonaire verandering die maakt dat wij, als volwassen zonen, op God zien en Hem "Vader" noemen in een intimiteit die de Wet verbood. Er hangt vandaag geen dreiging boven het hoofd van Gods volk. Eerder verheugen wij ons in "deze genade waarin wij staan" (Rom.5:2). Wat vleselijke Christenen betreft, doen zij er goed aan om zorgvuldig al deze redenen te bezien waarom de Apostel ons smeekt om waardig aan onze roeping te wandelen (Eph.4:1).

TEGENWOORDIG LIJDEN EN DE HEERLIJKHEID DAARNA

"Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. "Want de schepping, als met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring van de kinderen Gods. "Want de schepping is

schepping zelf zal vrijgemaakt worden van de slavernij van het verderf, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. "Want wij weten dat de hele schepping tesamen zucht, en tesamen als in barensnood is tot nu toe. "En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. "Want wij zijn in hoop zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want als iemand het ziet, waarom zal hij het ook hopen? "Maar indien wij hopen op wat wij niet zien, dan verwachten wij het net volharding." - Rom.8:18-25.

 Velen van Gods kinderen lijden veel voor Christus boven het normale menselijke lijden, maar toch niemand zoveel als Paulus. In de tijd dat hij deze brief schreef aan de Romeinen had hij reeds de vele moeiten en beproevingen doorgemaakt, beschreven in 2 Cor.11:23-28; werken zonder ophouden, gevangenissen, geselingen, slagen, dicht bij de dood, stenigingen, schipbreuken, lange uren op drijfhout in open zee, allerlei soorten van gevaren, vermoeidheid, pijn, honger, koude, naaktheid - dit en nog veel meer, boven "de zorg voor alle gemeenten" die op zijn hart drukte en in zijn gedachten waren.

 Toch is het deze zwoegende, lijdende, vervolgde Apostel van Christus die zegt, zowel door goddelijke inspiratie als vanuit een nadere kennis van de God die hij vertegenwoordigt: "...IK HOUD HET ERVOOR dat het lijden van deze tegenwoordige tijd NIET IS TE WAARDEREN tegen de heerlijkheid, die ons zal geopenbaard worden. (Rom.8:18).

 In 2 Cor.4:17 wijst hij op dit lijden als "lichte verdrukking" die "zeer spoedig voorbijgaat", en stelt deze tegenover "een uitermate uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid" dat komt. Zo is dan het tegenwoordige lijden een belegging in komende heerlijkheid; een heel profijtelijke investering, het "lichte", "voorbijgaande" lijden bewerkt voor ons "een uitermate uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid".

 Welk een bemoediging moet dit toch zijn voor de lijdende Christenen overal, en speciaal voor hen die lijden voor Christus. En let er wel op dat deze komende heerlijkheid niet slechts geopenbaard wordt aan ons; zij zal "in ons" openbaar worden. Wij zullen verheerlijkt worden!

 Ook staan wij niet alleen in ons lijden. Er wacht inderdaad een lijdende schepping als "met opgestoken hoofd" [ernstig verlangen, K.J.V.] op onze "openbaring" als "de zonen van God", want de ook de schepping "is aan de ijdelheid [futiliteit] onderworpen", "niet vrijwillig, maar om Hem, die haar daaraan onderworpen heeft"(V.20).

Goddank, zoals de vloek over de mens ook een vloek bracht over de schepping om hem heen, zal deze vloek worden weggedaan wanneeer gelovigen openbaar worden als de zonen van God: "...de schepping zelf zal vrijgemaakt worden van de slavernij van het verderf, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God" (V.21).

 Wat een bevrijding! "Van de slavernij van het verderf tot de heerlijke vrijheid van Gods kinderen [K.J.V.]"! Toen onze Here op aarde was erkenden de menigten Hem niet. Sommigen zeiden: "Waarom is Hij zo belangrijk? Is Hij niet de zoon van de timmerman? En zijn Zijn moeder en broeders en zusters niet allen hier bij ons?" Hij was de Zoon van God maar zij erkenden dit niet. En als dit zo met Hem ging, hoeveel temeer is dit met ons zo. Wij gaan op in de menigten en komen dagelijks met  mensen in aanraking, maar niet een zegt, "Daar gaat een kind van God!" Maar wanneer onze Here zal zijn geopenbaard, "zullen wij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid" (Col.3:4). En ons openbaar worden met Christus bij de Opname zal slechts een voorteken zijn van onze gezamenlijke openbaring als de zonen van God als Hij gekroond wordt als Koning der koningen en Here der heren. Dan zal de verandering van de schepping revolutionair zijn! Dit is werkelijk waarop de schepping gewacht heeft.

 Nu zijn de meeste geluiden die van deze arme bloedende wereld opstijgen in mineur. De wind zucht, de oceaan treurt, het vee loeit en blaat, wilde beesten brullen, huilen en schreeuwen, de uil krast, de duif klaagt; slechts enkele vogels zingen, maar niet op de wijze waarop de mens kan zingen. Ieder weet slechts één eenvoudig geluid van niet meer dan een of twee tonen, ook zingen zij niet werkelijk van blijdschap.

Maar wat een verschil zal het zijn wanneer de zonen van God openbaar worden! Wat een verschil wanneer de schepping zal zijn "bevrijd van de slavernij van het bederf tot de heerlijke vrijheid der kinderen Gods"! Veel Oud Testamentische Schriften beschrijven deze verandering en sommige daarvan beelden de schepping zelf uit als vrolijk! Bijvoorbeeld: "Juicht de Here, gij ganse aarde...dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, voor het aangezicht des Heren, want Hij komt, om de aarde te richten" (Ps.98:4-9). "De wildernis en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. "Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen..."(Jes.35:1,2). "Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de Here heeft Zijn volk vertroost" (Jes.49:13). "Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen" (Jes.55:12).

Maar er valt voor ons een belangrijke les vanuit het zicht op de bedelingen te leren met het oog op het lijden van de mensheid en van de schepping. Rom.8:22,23 stelt het zo: "Want wij weten dat de hele schepping tesamen zucht, en tesamen als in barensnood is tot nu toe. "En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming, om te getuigen, de verlossing van ons lichaam" [K.J.V.].

"De hele schepping" - ja "ook wij" - "tot nu toe". Dit zijn belangrijke woorden om te overdenken. "De volken" en "het volk" van Israel (Ps.2:1) hebben lang gezocht  om "tijden van verkwikking" te verkrijgen zonder Christus, maar alles tevergeefs. Staatsmannen hebben gefaald om oorlog en bloedvergieten weg te doen. Magistraten hebben gefaald bij het uitbannen van bedrog en misdaad. De medische wetenschap heeft gefaald om ziekten en dood te doen ophouden. De wetenschappers hebben gefaald om de sterke krachten van de natuur te onderdrukken. Opvoedkundigen hebben gefaald bij het wegnemen van onkunde en bijgeloof - zelfs het geloof is een Babylonische verwarring. Er is inderdaad over de gehele linie geen echte verbetering ingetreden. De hele schepping zucht en is tesamen in barensnood "tot nu toe". De grote beloofde verandering is nog niet gekomen.

Kunnen we een nog groter bewijs hebben dat het koninkrijk van Christus niet op aarde is gekomen? Toen onze Here kwam met de prediking van "het evangelie van het koninkrijk" genas Hij duizenden zieke mensen, en toen Petrus, na Pinksteren, de terugkeer van de Messias aanbood en de vestiging van Zijn koninkrijk, werden er duizenden in Zijn naam genezen. Deze genezingen waren "tekenen" van de koninklijke rechten van de Messias (Jes.35:5,6; Hand.2:22; Joh.20:30,31; Mark.16:17,18).

Maar toen werd de Koning en Zijn koninkrijk definitief en officieel afgewezen, en allen die genezen waren stierven uiteindelijk. En deze toestand is zonder onderbreking doorgegaan "tot nu toe". Dit verklaart waarom de "genezingen" van vandaag zo dikwijls ter discussie komen en waarom zij nooit blijven duren, omdat de genezers zelf tenslotte onderhevig zijn aan de dood.

Wijlen J.C.O'Hair had gelijk toen hij zei dat ondanks alle genezers, alle artsen, alle medicijnen en geneesmiddelen - en al de gebeden van Gods volk, het dodental steeds blijft, de "een na de ander". Wij allen zuchten en zijn in barensnood "tesamen, tot nu toe", en er zal geen verandering komen dan bij "de heerlijke openbaarwording van de zonen Gods". Als een lezer zou willen beweren dat het bovenstaande niet slaat op gelovigen, laten we dan nog eens V.23 lezen: "En niet alleen dit, maar ook wijzelf, die de eerstelingen des Geestes hebben, ook wijzelf, zeg ik, zuchten in ons zelf, in de verwachting van de aanneming [tot kinderen], om te getuigen, de verlossing van ons lichaam."                                          

Dit is niet de plaats voor een diepgaand onderzoek van de zogenaamde "genezings-kwestie", maar voldoende om te zeggen dat veel teleurstelling voorkomen zou worden, als de Paulinische Brieven zouden worden erkend als bevattend Gods Woord voor vandaag voor wat betreft ziekte en genezing, want de tegenwoordige genezers laten een lang treurig spoor achter zich van teleurstelling en geschokt geloof. Hoevelen die bijvoorbeeld "geloofsgenezing" leren, erkennen deze zaken waarin de Apostel Paulus, in zijn latere bediening, geliefde broeders die ziek waren, niet kon genezen en dit zeker ook niet deed? En hoevelen van hen kunnen met Paulus zeggen: "...Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, OPDAT DE KRACHT VAN CHRISTUS IN MIJ WOONT.   "Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; WANT ALS IK ZWAK BEN, DAN BEN IK MACHTIG  (2 Cor.12:9,10).

 Wat kon duidelijker zijn dan de woorden uit Rom.8:23,24, dat wij, die "de eerstelingen des Geestes hebben, ook wijzelf, zuchten in onszelf, VERWACHTENDE de aanneming, om te getuigen, de verlossing van ons lichaam. Want wij zijn in hoop zalig geworden" d.i., wij zijn gered uit wanhoop over onze zwakheden, door de gezegende "hoop" op "de verlossing van ons lichaam", en daarom  "verwachten wij het met volharding" (V.25).

 Goddank, wij wachten echter op iets wat veel beter is dan alleen genezing van onze zieke lichamen. Wij verwachten verheerlijkte lichamen: "Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Here Jezus Christus.

 "Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig wordt aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen" (Phil.3:20,21).

 Voordat wij dit gedeelte loslaten, zullen we drie fundamentele dingen opmerken waarop de welingelichte gelovige wacht:       

 1.Wij verwachten Gods Zoon uit de hemel

(1 Thess.1:9), om ons uit deze wereld te nemen en met Hem te zijn (1 Thess.4:16-18; Tit.2:13).

 2.Wij "verwachten de verlossing van het lichaam" (1 Cor.15:51-53; Phil.3:20,21).

 3. Wij "verwachten door de Geest de hoop van rechtvaardiging door geloof" (Gal.5:5).

Zo"roemen wij [verheugen ons, K.J.V.] in de hoop op de heerlijkheid Gods!" (Rom.5:2),                      

ons bij voorbaat verblijdend op de vervulling van Gods genadige beloften aan hen die in "deze tegenwoordige boze wereld" (Gal.1:4) op Hem vertrouwen.

                DE HULP VAN DE GEEST

 "En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. "En Die de harten doorzoekt, weet wat de mening des Geestes is, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt. "En wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn voornemen geroepen zijn." - Rom.8:26-28.

 Hier dient opgemerkt te worden dat waar er "een Middelaar tussen God en mensen" is (1 Tim.2:5), de gelovige twee goddelijke Voorsprekers heeft; één in de hemel en één op aarde; De Here Jezus Christus aan de rechterhand van de Vader, en de Heilige Geest vanbinnen. De Here Jezus bemiddelt waar het onze redding betreft:

 "Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt" (Rom.8:34). "Daarom kan Hij ook volkomen zalig maken [redden] hen die door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebr.7:25).

 De Heilige Geest echter komt voor ons tussenbeide met betrekking tot onze ondervinding. Dit is de prediking van Rom.8:26. "De Heilige Geest [Zelf] immers getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn" (V.16), dus "evenzo komt ook de Geest onze zwakheid mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen [Lett.door ons onuitspreekbaar]" (V.26).

 Zij die het er voor houden dat gelovigen alles ontvangen waarom zij in geloof bidden, dienen deze passage goed te lezen, want de Apostel verklaart hier duidelijk, dat "wij niet weten wat wij bidden zoals het behoort". Inderdaad is dit het waarom de Heilige Geest voor ons bemiddelt [pleit]. Hoe goed is het voor ons, "in deze boze wereld", dat wij niet alles verkrijgen waarom wij vragen, zelfs in geloof! Wat een problemen zouden wij voor onszelf scheppen als we alles verkrijgen waarom wij vragen, zelfs in gelovig gebed!

 De "wat ook" beloften in Matt.21:22, en derg. werden gedaan in het vooruitzicht op het vestigen van het koninkrijk, wanneer allen zullen zijn vervuld met de Geest en zullen weten waarvoor te bidden, maar in deze wereld van duisternis (Eph.6:12) vragen we onszelf dikwijls af, "ik weet zelfs niet hoe te bidden of waar ik om moet vragen". Vandaar dat God ons Zijn Geest gegeven heeft Die in ons woont, Die "voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen [die niet zijn uit te drukken]" (V.26).

We hebben aangetoond dat het "evenzo" in V.26 terugverwijst naar V.16; dat indien de Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn, Hij "evenzo" voor ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. Sommigen echter voelen het zo aan, dat het "evenzo" slaat op het zuchten van de Geest, en nemen ons dan mee terug naar V.22,23. Indien de "hele schepping zucht", en "ook wijzelf... zuchten in onszelf", doet dat "de Geest evenzo", onze zwakheid helpend, "voor ons biddend met onuitsprekelijke verzuchtingen".

 In elk geval toont Zijn tussenkomst "voor ons" met "verzuchtingen [die niet zijn uit te drukken]", Zijn oneindige liefde voor ons aan. Het beste van alles is, "Hij Die de harten doorzoekt" (d.i. God, 1 Sam. 16:7) "weet wat de mening van de Geest is, omdat Hij [de Geest] naar God voor de heiligen bidt" (V.27). Dat is, God, Die het hart doorzoekt, weet wat in onze gebeden alleen maar een uitdrukking van ons vergankelijk, falend verstand is, en wat de bedoeling van de Geest is, die altijd voor ons bidt "naar [de wil] van God".

 Hoe belangrijk is het om het Woord der waarheid op dit punt recht te snijden! Wij dienen nu te bidden, niet zoals de opdringerige weduwe (Luk.18:2-7), noch overeenkomstig Matt.21:22 of Matt.18:19, verwachtend dat wat wij in het geloof vragen, maar vanuit erkende onwetendheid, zwakte en nood, altijd afhankelijk van de wil van onze wijze en liefhebbende Vader.

 Er is nog een reden om op deze manier te bidden in "deze tegenwoordige boze wereld", want de Apostel vervolgt: "En wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (V.28).

 Er zijn twee dingen in Rom.8 die "wij weten". (1) "wij weten dat de hele schepping tesamen zucht, en tesamen in barensnood is tot nu toe" (V.22). De grote geprofeteerde verandering heeft nog niet plaats gevonden. Op Pinksteren scheen er heldere hoop dat het geliefde volk zou bekeren en dat Messias terug zou keren om vrede, voorspoed en zegen te brengen, maar "Zijn burgers haatten Hem, en zonden hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij" (Luk.19:14; cf.Hand.7:51-59). Zo gaat "de hele schepping" voort met zuchten en in barensnood tesamen "tot nu toe", met geen uitzicht op verandering dan totdat de Here komt in kracht en heerlijkheid om de troon in te nemen die rechtens de Zijne is. Maar (2) in de tussentijd, "weten we dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, namelijk hun die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (V.28).

Wij dienen nog twee passages in dit hoofdstuk met elkaar te vergelijken, die aangeven wat "we niet weten" en wat "we weten". "Wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort" maar Goddank, "we weten dat alle dingen meewerken ten goede, namelijk hun die die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (V.26,28).

 Welk een krachtige bondgenoot hebben we in de Heilige Geest, die voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen! Welk een bondgenoot in de Here Jezus Christus, Die ook voor ons pleit aan de rechterhand van de Vader! En welk een liefhebbende trouwe hemelse Vader, Die alle dingen doet meewerken ten goede!

 Maar wijst dit pleiten erop dat Vader uit Zichzelf ons niet veilig zou willen stellen, of alle dingen niet ons ten goede zou doen meewerken? In geen geval, de taal is zo verzachtend dat een vergankelijk mens deze kan verstaan, want in werkelijkheid is juist de aanwezigheid van de gekruisigde, opgestane Here aan Vaders rechterhand, op zichzelf een echte pleitgrond ons ten goede:

 Five bleeding wounds He bears,

Received at Calvary;

They pour effectual prayers;

They strongly plead for me.

"Forgive him, oh, forgive," they cry,

"Nor let that ransomed sinner die".

- Charles Wesley

 Vijf bloedende wonden draagt Hij,

Op Golgotha ontvangen;

Zij zijn een effectief gebed;

Zij pleiten krachtig voor mij.

"Vergeef hem, Oh, vergeef," roepen zij,

"Laat deze gekochte zondaar niet sterven".

- Charles Wesley

 Zo is het met de tussenkomst van de Heilige Geest ons ten goede.  Dit toont eerder het feit dat God Zelf, -de Geest als deel van de Drieëenheid - diep en persoonlijk geinteresseerd is in onze zwakheid, erop toeziend dat we recht bidden, met verzoeken die Hij ons ten goede kan verhoren.

 Dit verklaart Phil.4:6,7, waar we de meest verheven vorm van gebed vinden van de tegenwoordige bedeling: "Weest in geen ding bezorgd, maar LAAT UW BEGEERTEN IN ALLES, door bidden en smeken, met dankzegging BEKEND WORDEN BIJ GOD, EN..."

 "En" wat? "En wat gij in het gebed zult vragen in geloof, zult ge ontvangen"? NEEN! Dit zou vandaag zeer tragisch zijn. De passage zegt het zo:"...laat uw begeerten bekend worden bij God, "EN DE VREDE GODS, DIE ALLE VERSTAND TE BOVEN GAAT, ZAL UW HARTEN EN UW GEDACHTEN BEWAREN IN CHRISTUS JEZUS."

 Hier is een duidelijk bewijs dat God niet doof is voor het roepen van Zijn volk in deze tegenwoordige boze wereld. Hij dringt aan om hun hele harten voor Hem uit te storten. Er is niets bij dat Hij niet zou willen horen. Hij zegt, "Vertel Mij alles en wees nergens bezorgd over, want Ik zal alle dingen doen meewerken u ten goede."

 Wijlen Pastor Edward Drew vertelde eens van een jongeman die een belangrijke positie had bij een grote firma met een agentschap in het koude hoge Noorden. Op een dag werd hij uitgenodigd op het hoofdkantoor en hem verteld dat hij een reis zou gaan maken naar het verre Noorden per vliegtuig, trein, schip en zelfs hondenslede naar hun noordelijke post. "Wanneer?" vroeg hij, "Wel, wij willen dat u morgen vertrekt," was het antwoord. "Maar, heren," weerlegde hij, "Ik ben niet klaar. Ik heb niet het minste idee wat voor zo'n reis nodig is." "Wij weten dat u dat niet weet." antwoordde de dienstdoende chef, "maar wij wel. Wij hebben alles voorbereid en in elk detail voorzien tot op het eind van uw reis." Zo ook heeft God genadevol voorzien voor ons - tot het eind van onze reis hier.

 "Wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen"? Wij hebben nu iets veel beter dan dat! In de duisternis van deze "boze wereld", worden wij geinstrueerd om al onze lasten naar de Here te dragen "onder dankzegging", om voor niets bezorgd te zijn, omdat Hij beloofd heeft dat alle dingen zullen medewerken ten goede. Wat zouden wij nog meer vragen! Geen wonder dat de Apostel uitbreekt in de lofprijzing van Eph.3:20,21: "Hem nu, Die machtig is meer dan overvloedig te doen, BOVEN AL WAT WIJ BIDDEN OF DENKEN, naar de kracht die in ons werkt, "Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen."

 DE NAAR ZIJN VOORNEMEN GEROEPENEN

 "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders. "En die hij tevoren bestemd heeft, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt." - Rom.8:29,30.

 De bovenstaande passage is een goede inleiding tot de grote waarheden van Rom.9. Iedereen die Rom.8:29,30 aandachtig leest, moet getroffen worden door de belangrijkheid van het niet meer lezen in de Schriften dan zij zeggen of duidelijk omvatten. Deze passage zal helpen uit te leggen wat bedoeld is met de uitdrukking, "de geroepenen naar Zijn voornemen", in V.28.

 Ten eerste, zegt V.28 niet dat Gods volk "geroepen is om naar Zijn voornemen te worden geroepen", evenmin geloven wij dat dit is bedoeld. Eerder geloven wij dat Zijn voornemen hier slaat op "het eeuwige voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Here," het grote onderwerp van de brieven van Paulus (Zie Eph.1:3-11; 3:1-11). Bij dit voornemen zijn uiteraard individuele gelovigen ingesloten.

Zo zegt dan de Apostel, terwijl hij het geheel overspant van voorkennis tot verheerlijking: "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders" (V.29).

Maar waarop slaat de "voorkennis" die hier wordt genoemd? Dit is belangrijk, want "die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn."

Slaat deze voorkennis hier alleen op het feit dat Hij tevoren wist wie gered zouden worden? Nauwelijks, want dan kon God alleen voorbestemmen op basis van wat Hij wist - alleen maar wist - wat mensen zouden doen. Dan zouden de handelingen van de mens Gods bestuur beheersen!

Het is waar dat God alle dingen vooruit wist en daardoor met reden kon uitkiezen, eerder dan willekeurig of grillig (1 Petr.1:2), maar dat heeft hier geen grond, want Rom.8:29 stelt niet dat God iets wist - of alle dingen - over ons; het zegt dat Hij ons van tevoren kende: "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd..."

Om deze stelling te begrijpen moeten we bedenken dat in de Schrift, net als in onze tijd, een persoon of een groep kennen betekent erkennen, er rekening mee houden, of erin geïnteresseerd zijn, of er een nauwe relatie mee hebben. De volgende Schriftgedeelten geven hiervan blijk: "Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik ulieden alleen gekend..." (Amos 3:2 m.b.t. Israel).

"En dan zal ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij die ongerechtigheid werkt" (Matt.97:23). "En nu gij God kent, ja veel meer, door God gekend zijt..." (Gal.4:9). Van iemand voorkennis hebben is, hem tevoren kennen, d.i., hem herkennen of tevoren met hem relatie gehad hebben.

Het veel gehoorde argument dat "God iedereen van tevoren kent", ontkent de bovengenoemde feiten en in feite deze passage die we behandelen, want "die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn" en zeer zeker zullen niet alle mensen gelijkvormig aan het beeld van Gods Zoon zijn.

Voorbestemming dient hier te worden gescheiden van voorkennis daarin, dat Gods voorbestemming eerder verwijst naar dat waarvoor de tevoren gekende is voorbestemd.

Voordat we V.29 afsluiten, dienen we het feit onder ogen te zien, dat God gelovigen gelijkvormig zal maken naar het beeld van Zijn Zoon, "opdat Hij zij de eerstgeborene onder vele broeders". In één opzicht is onze Here "de eniggeboren Zoon" van God (1 Joh.4:9), maar in ander opzicht - dank zij Zijn verlossingswerk op Golgotha - is Hij "de eerstgeborene onder vele broeders" (Zie 8:16,17, waar het woord "kinderen" is tekna - "geborenen").

Oppassend dat we niet in een passage lezen wat er niet staat, kunnen we opmerken dat V.29,30 de methode laat zien waarop God Zijn volk, stap voor stap, vanuit voorkennis tot heerlijkheid leidt. "Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft ook tevoren bestemd... Bovendien heeft Hij hen die Hij tevoren bestemd had, ook geroepen; en die Hij riep, heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij rechtvaardigde, heeft Hij ook verheerlijkt.

 Let wel dat V.29 en 30 beiden in de verleden tijd staan, want zo ver het God aangaat ziet Hij ons reeds als verheerlijkt in Christus. De Brief aan de Efeziërs heeft hier veel over te zeggen, zoals in 2:4-6: "Maar God, Die rijk is aan barmhar-tigheid, door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, "ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus [uit genade zijt gij zalig geworden], "en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus."

Zo ziet God ons in genade, en wij mogen nu deze door God gegeven plaats innemen door geloof en ons "al de geestelijke zegeningen" toeëigenen die daarbij horen, tot die gezegende dag, wanneer onze Here Zelf komt voor ons en ons lichamelijk meeneemt, met verheerlijkte lichamen, om met Hem te zijn (1 Cor.15:51-54; 1 Thess.4:16-18).


 

Er bestaat een neiging onder gelovigen om de werkelijkheid van onze positie in Christus te verkleinen. Daadwerkelijk moet dit zwakke, twijfelende Christenen geweldig bemoedigen, dat God hen reeds in de hemel ziet, en aanmoedigt om werkelijk in het geloof op te staan, boven deze door zonde vervloekte wereld en "te zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus zit aan de rechterhand van God" (Col.3:1).

               WIE ZAL TEGEN ONS ZIJN?

 "Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?

"Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die recht-vaardig maakt. "Wie is het die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt." - Rom.8:31-34.

 Wij komen nu tot de grote climax van het leergedeelte van Romeinen. "Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?"!

 Dit doet ons denken aan de kleine jongen die voortdurend geplaagd werd door buurtjongens. Het leek er wel op dat hij elke dag naar huis kwam met een bloedneus, een blauw oog, of kapotte ellebogen of kniëen, totdat hij op een dag vertrouwelijk midden tussen hen doorwandelde - hand in hand met zijn vader. Deze keer troken zijn plaaggeesten zich terug en spraken onder elkaar, "We kunnen hem beter met rust laten; zijn vader is bij hem."

 Maar Rom.8:31 is veel grootser dan dit! Het is veel krachtiger omdat het in de vorm van een uitdaging staat. Het ademt verdediging en vertrouwen, en brengt ons een van de grote liederen van John Newton te binnen: "Gij moogt glimlachen naar al uw vijanden".

Hoe wonderbaar om God voor ons te hebben! Hij nam deze stand ten opzichte van ons in door de grootste gave ooit aan de mensheid gegeven, de Here Jezus Christus, Zijn geliefde Zoon, overgeleverd aan schande en dood, zodat zelfs de slechtste zondaar verlost en gerechtvaardigd mag zijn voor de rechterstoel. En het geven van deze oneindige gave bewijst, dat er geen goed iets is, dat Hij voor ons terughoudt: het is "de gave waarin alle andere zijn opgesloten."

               

Om de schenking van deze grootste gave in beginsel te kunnen waarderen, moeten we in ogenschouw nemen, (1) de liefde die aandreef (Joh.3:16), (2) haar onschatbare waarde (2 Cor.9:15), (3) onze grote behoefte eraan (Rom.6:23), en (4) hoe genadig het offer is (Rom.4:5; 10:13).

 In deze korte passage van Gods Woord staan zeven korte begrippen, waarvan elk stof geeft tot vele uren Bijbelstudie. Dat zijn:

 1. "niet gespaard"        4. "voor ons allen"

2. "eigen zoon"           5. "met Hem"

3. "overgegeven"6. "om niet" (K.J.V.)

7. "alle dingen"

 Twee hiervan vragen speciale aandacht in dit boek: "niet gespaard" en "overgegeven". In Zijn liefde en erbarmen voor verdoemde zondaars, heeft God Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen "overgegeven".

De woorden "niet gespaard" hebben een ruwe, strenge klank. Ondanks de oorspronkelijke en goddelijke majesteit, ondanks Zijn eindeloze en volmaakte heiligheid, ondanks de vernedering die Hij reeds verduurd had voor zondaren, ondanks Zijn smartelijk gebed, "Vader, indien mogelijk, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan", ondanks het "vreselijk verdriet", het bloedige zweet, het "sterk geroep en de tranen", ondanks de eindeloze schande en de smart daarbij - ondanks dit alles spaarde de Vader Hem niet, maar leverde Hem over om een last te dragen die de wereld naar de hel zou doen zinken.

Wij kunnen begrijpen hoe zelfs een barmhartig God "de engelen niet spaarde die gezondigd hadden" (2 Petr.2:4) in de dagen van boosheid in de voortijd. Wij kunnen begrijpen hoe Hij "de oude wereld niet heeft gespaard" (V.5) met haar boze opstandigheid en goddeloosheid. Wij kunnen begrijpen hoe Hij Israel "niet spaarde", "de natuurlijke takken" van Zijn olijfboom (Rom.11:21), toen zij toezagen bij de verschrikkelijke daad begaan op Golgotha. Maar het uiteindelijk doel en de genade die Hem er toe zette Zijn eigen zondeloze, vlekkeloze Zoon niet te sparen, maar Hem over te geven voor ons allen, opdat wij zouden worden gespaard - dit gaat ons begrip volstrekt teboven. "Geworteld en gegrond in de liefde" zouden wij altijd kunnen blijven meten, "de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte" van dit grote doel van God in Christus (Eph.3:17,18).


De woorden "overgegeven" in onze tekst geven het idee van opgeven, of aan een ander uitleveren, of in de macht van een ander - als een laatste noodzaak. Konden een milioen werelden betalen voor de schuld van de mens? God zou graag de hemelen leeggehaald hebben, of een milioen meerdere in het heelal hebben ingesproken, maar materiële transacties kunnen dat wat moreel krom is, niet recht maken, nog minder kunnen zij geestelijk leven mededelen. De prijs voor verlossing van de mens kon niets anders zijn dan het lijden en sterven van Christus, Gods geliefde Zoon.

Als we ons dit alles afvragen beginnen we de kracht van het argument te zien, waarmee de Apostel het uiteindelijk karakter van Gods liefde voor ons wil tonen. "Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, HOE ZAL HIJ ONS OOK MET HEM NIET ALLE DINGEN SCHENKEN?" (Rom.8:32).

Zo heeft God "ons zalig gemaakt [gered], en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de tijden van de eeuwen [vóór de wereld begon]" (2 Tim.1:9).

Het is omdat zij die God liefhebben "de geroepenen naar Zijn voornemen" zijn, dat Hij alles uitwerkt hun ten goede. Het is op deze basis alleen dat wij in vertrouwen kunnen zeggen: "Als God voor ons is, wie kan tegen ons zijn?" Wat nu met diegenen die tot eenzijdige en onschriftuurlijke uitersten in deze zaak gekomen zijn? Dit mag ons hart niet verharden boven wat God hierover gezegd heeft. Eerder dan ons deze waarheden af te vragen en "de heerlijkheid van Zijn genade" te verkleinen, staan wij verbaasd en dankbaar dat Hij ons gered heeft.

Maar als V.31,32 de teksten zijn, dan zijn V.33,34 de prediking - met een viervoudige zekerstelling voor wankelende gelovigen in onze eeuwige zekerheid in Christus. Bekijk de vier punten nauwgezet:

 1. "Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God?" Het antwoord is: "Het is God,             Die rechtvaardig maakt" (V.33), en dit is waar het werkelijk op aan komt.

 2. "Wie is het [Hij] Die verdoemt?" Weer is het antwoord: "Christus is het, Die gestorven is" (V.34). Hij betaalde de straf voor onze zonden opdat wij niet verdoemd zouden worden. Maar nog meer:

 3. "Die ook opgewekt is" (V.34). Wij hebben in Rom.4:25 gezien dat toen onze Here stierf om de schuld van onze zonden te betalen, Hij weer opstond om te bewijzen dat de schuld volledig is voldaan. Wie kan ons dan veroordelen?

4. "Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt" (V.34). Hoe kunnen wij verdoemd zijn terwijl Gods kostelijke Zoon, onze Redder, in Zijn tegenwoordigheid verschijnt, ons ten goede? (Cf.Hebr.7:25; 9:24).

Wat een gezegende zekerheid voor de wankelende gelovige!     Het is waar, Satan klaagt aan, de Wet veroordeelt, en onze harten erkennen dat wij dagelijks in gedachten, woorden, en daden, zondigen. Maar onze heerlijke Here versloeg Satan op het Kruis, en stelde hem openlijk ten toon (Col.2:14), en wat de Wet betreft, die nam Hij weg, "door haar aan het kruis te nagelen" (Col.2:14). Wat betreft de zonden die onze harten voortdurend moeten erkennen, heeft God ons niet gerechtvaardigd, stierf Christus niet om onze schuld te betalen, en stond Hij niet op tot bewijs dat zij betaald waren - en komt Hij op dit moment niet biddend tussenbeide? Laten wij dan onze twijfels en angsten terzijde stellen, en ons verheugen dat "als God voor ons is" wij voor eeuwig beveiligd zijn.

Bewerkt dit laksheid in de gelovige? Uiteraard niet. In feite biedt Gods grenzeloze genade de grootst mogelijke aanleiding tot heilig leven, een aansporing die de Wet onmogelijk kon brengen. Laten we God niet vertellen wat wij denken dat een meerder goddelijk of meer zorgeloos gedrag bij Zijn volk verwekt! Hij zegt dat het Zijn genade is die "onderwijst", of gehoorzaam maakt tot "matig, rechtvaardig, godzalig leven in deze tegenwoordige wereld" (Tit.2:11,12).

Maar de Apostel is nog niet klaar met de zekerheid van de gelovige in Christus te benadrukken. Bij het afsluiten van dit belangrijke gedeelte van zijn Brief aan de Romeinen neemt hij ons vanuit de ontvangkamer mee naar Vaders huis, als het ware, waar we de laatste les leren over deze kostbare waarheid.

               WIE ZAL ONS SCHEIDEN?

 "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? "Zoals geschreven is: Want om uwentwil worden wij de hele dag gedood, wij zijn geacht als schapen ter slachting. "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons liefgehad heeft. "Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, "noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Here." - Rom.8:35-39.

 "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" Zou de gelovige misschien een grotere zekerheid van zijn eeuwige geborgenheid kunnen hebben dan deze? De schrijver heeft bij ervaring verschillende personen gekend die dachten dat de leer van de eeuwige geborgenheid in Christus een gevaarlijke dwaalleer zou zijn. Zij haalden de ene na de andere Schriftplaats over het onderwerp erbij om het te weerleggen. Maar in elk van de gevallen was dit de grote waarheid, "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus", die hen uiteindelijk overtuigden.

 Het is van belang dat de Apostel Paulus ons nooit vertelt over zijn liefde tot Christus, maar hij vertelt ons steeds over Christus' grote liefde voor hem en anderen! De Wet gebiedt: "Gij zult de Here uw God liefhebben", maar genade stelt het op een andere manier hoe God ons liefheeft - en dit verwekt wederliefde. "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefhad" (1 Joh.4:19).

De Apostel beleefde veel ontmoedigingen die hem het werk van de Here wel duizend keren zou hebben kunnen doen opgeven, maar hij kon niet. Waarom niet? Hij zegt, "de liefde van Christus dringt ons" (2 Cor.5:14); zij dreef hem voort op een sterke stroom. Geen wonder dat hij juist dit op het oog had, toen hij in Rom.8 vervolgde met schrijven: "Om Uwentwil worden wij de hele dag gedood...geacht als schapen ter slachting" (V.36). "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons liefgehad heeft" (V.37).

 Niet alleen winnen wij de strijd; wij zijn "meer dan overwinnaars", want deze tegenspoeden dienen om ons in nog inniger gemeenschap met Hem te brengen, en zo onze Christelijke ervaring te verrijken.

 Dit geweldige hoofdstuk begint dus met "geen verdoemenis" en eindigt met "geen scheiding", en de Apostel, alle krachten der schepping erbij halend, of het is tijd, heelal of wat ook, verklaart dat niets daarvan ons kan scheiden van "de liefde van God, die is [geopenbaard] in Christus Jezus" (V.38,39). Of het is de dood of het leven, hemelse machten, tegenwoordige dingen of toekomstige, hoogte of diepte of welk creatuur ook, niets daarvan, noch alle tezamen, kunnen onze geborgenheid bedreigen of scheiden van de liefde van God, die Hij ons heeft geopenbaard in Christus Jezus.