H
O O F D S T U K VII -
ROM. 7:1 - 8:4
EEN ANDERE
MAN VOERT NAAR DE DOOD
"Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot hen,
die de wet verstaan) dat de wet heerst over de mens, zo lange tijd als hij
leeft?
Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende
man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij
vrijgemaakt van de wet van de man. Daarom dan, indien zij van een andere man
wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar
indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen
overspeelster is, als zij van een andere man wordt. Zo dan, mijn broeders, gij
zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus opdat gij zoudt worden
van een Ander, namelijk van Hem, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode
vruchten dragen zouden. Want toen wij in het vlees waren, werkten de
bewegingen der zonden, die
door de wet zijn, in onze leden, om voor de dood vruchten
te dragen. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, daar wij dien gestorven
zijn, onder welke wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des
geestes, en niet in de oudheid der letter. - Rom.7:1-6.
Waar in Hoofdstuk 6 het grondthema bevrijding van zonde
was als van een meester, in Hoofdstuk 7 en de eerste verzen van
Hoofdstuk 8 is het grondthema, bevrijding van de Wet als van een
mannelijke echtgenoot. De eerste zes verzen van Hoofdstuk 7 bepalen de
voortgang door het gebruik van drie betekenisvolle zinnen: "gebonden
door de wet" (V.2), "dood voor de wet" (V.4), en "bevrijd
van de wet" (V.6). Wij komen inderdaad het woord "wet" 23
keren in dit hoofdstuk tegen.
Hier moeten wij echter voorzichtig zijn door op te merken, dat door het hele
Hoofdstuk 7 het woord "wet" soms in abstracte zin van wet, als
zodanig, wordt gebruikt, terwijl het andere keren in het bijzonder
verwijst naar de Wet van Mozes. Ook wijzen de laatste verzen van Hoofdstuk 7,
en de eerste paar van Hoofdstuk 8 op niet minder dan vijf specifieke
wetten: 1. "de wet van God" (7:22). 2. "de wet van
mijn gemoed" (7:23). 3.
"de wet der zonde...in mijn leden" (7:23). 4. "de
wet der zonde en des doods" (8:2). 5. "de wet des Geestes...het leven in
Christus" (8:2).
Sommigen zijn
abusievelijk tot de slotsom gekomen, dat waar Paulus hier diegenen aanspreekt "die
de wet kennen", deze brief in de eerste plaats tot de Joden
geschreven is. Deze hebben echter het adres op de envelop over het hoofd
gezien: "Aan de Romeinen". Wij hebben reeds aangetoond, dat
de Kerk te Rome samengesteld was uit overwegend heidenen naar het vlees (Rom.1:13,14;
11:13; 15:15,16).
Indien echter de Apostel hier naar de Wet van Mozes verwijst, zou het antwoord
afdoende zijn dat Christenen uit de heidenen in de Kerk van Rome
hiermee bekend zouden zijn, omdat het Oude Testament de verzameling van
Geschriften bevat die zij bezaten en lazen.
Wij geloven
echter niet, dat hier in Rom.7:1,2 naar de Wet van Mozes wordt verwezen, want
wat vers 2 betreft, zullen Romeinse vrouwen zeker niet onderworpen zijn
geweest aan de Hebreeuwse Wet. Eerder verwijst de Apostel hier naar de wet in
abstracte zin, naar de wet als zodanig. De Romeinen hadden diep respect
voor wetten. Zij waren de grote wetsamenstellers aller eeuwen. Hun beroemde
Senaat bevestigde een wetsysteem, waarvan vele componenten gevonden worden in
onze wetboeken van vandaag. Britse en Amerikaanse wetten zijn metterdaad
grondig gebaseerd op Hebreeuws en Romeins recht.
Zij die de wet
kennen begrijpen dat de dood alle banden verbreekt. Zij beëindigt alle
financiële verplichtingen en tijdelijke verantwoordelijkheden - en maakt
een eind aan alle aardse rijkdommen, gezag en rechten. Zo spreekt de Apostel
meer uitvoerig in V.2: "Want een gehuwde vrouw is aan de levende man
verbonden door de wet [d.i. wettelijk gebonden]; maar indien de man gestorven
is, dan is zij vrijgemaakt van de wet van de [haar] man."
Sommigen hebben deze laatste zin genomen om te wijzen op
het gezag van haar man, maar wij denken dat zij wijst op de wet aangaande
haar huwelijk met haar echtgenoot. In ieder geval werden haar verplichtingen
als zijn vrouw opgeheven.
WIE IS DE
ECHTGENOOT?
Belangrijker bij de uitleg van deze tekst is de
vraag, "Wie is de echtgenoot?" Sommigen veronderstellen dat
de oude natuur te zijn, d.w.z. wij zijn gebonden aan de oude natuur totdat zij
sterft - in Christus. Anderen, waarbij deze auteur, geloven dat met echtgenoot
hier bedoeld wordt, de Wet van God. De ongelovige is niet wettelijk gebonden
aan de oude natuur, noch was er sprake van enige contractuele overeenkomst.
Maar er was wel een contractuele overeenkomst tussen Israel en de Wet, als
getuigenis van Gods wil.
Het is natuurlijk waar, dat de Wet een trouwverbond was
tussen God en Israel (Ex.19:4,5; Jer.3:1,20; 31:32), waarin God Israel zou
liefhebben en voor haar zorgen, en Israel God zou liefhebben en gehoorzamen.
Maar in andere zin heerste God over
een trouwverbond tussen Israel en de Wet, waarin aan de Wet gezag werd gegeven
over Israel, en Israel moest gehoorzamen.
Zo is de "vrouw" in Rom.7:2 wettelijk gebonden
aan haar echtgenoot totdat hij sterft, en "als zij een andere man huwde
terwijl haar echtgenoot leefde, zou zij een overspeelster genaamd worden"
(V.3), waarbij haar relatie met haar vorige echtgenoot, noch die met haar
tegenwoordige echtgenoot, werkelijk geheiligd is. Hoe dikwijls wordt Israel in
de Schrift een overspeelster genoemd wegens het verlaten van de Wet en het
gaan naar vreemde goden.
Er is beweerd, omdat de Romeinen, aan wie Paulus schreef,
nimmer onder de Wet waren, dat deze passage niet op hen kon slaan, maar dit is
niet helemaal waar. De Wet werd echt aan Israel gegeven, maar zij
raakte de heidenen evengoed. Heidenen die wensten door God te worden
aangenomen, moesten religieus Israelieten worden, onderworpen aan de Wet en
het sacrament der besnijdenis (Jes.56:6,7). Onder de bedeling van de Wet, was
de enige weg om tot God te naderen door Israel, en als die
bedeling was doorgegaan zou dit nog steeds het geval zijn. De Apostel stelt
dus terecht, dat de dood de binding aan de Wet verbreekt, zonder verwijzing
naar Israel of de heidenen.
Verder hebben we reeds gezien dat degenen in het diepste
heidendom, "het werk der wet tonen als geschreven in hun harten"
(Rom.2:15; cf.1:32).
Aandacht dient te worden geschonken aan het feit, dat in
7:1 het woord "man" (Gr. anthropos) de betekenis heeft van
een persoon, man dan wel vrouw.[i]
In V.2 echter, is het niet de "vrouw", het zwakke vat, dat sterft,
maar de echtgenoot (Gr.aner). Stierf dan de Wet? Ja,
inderdaad niet als het Woord van God, maar als verbond, of contract. Had
Israel de Wet gehoorzaamd, dan zouden zij Gods speciale volk in de volste zin
van het woord geworden zijn, en voor eeuwig. Zoals we echter weten hielden of
konden zij hun overeenkomst niet houden. God, nadat op de bestemde tijd hun
noodzaak tot redding van zonde getoond was, gaf hun genadig Christus om
de straf te boeten voor het breken van de Wet en daarbij haar te niet
doende.
Dat het Verbond der Wet werkelijk stierf, is duidelijk uit
de brieven van Paulus:
Eph.2:15: "HIJ HEEFT DE VIJANDSCHAP IN ZIJN VLEES TE NIET GEMAAKT, NAMELIJK DE
WET DER GEBODEN in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee [Jood en heiden]
in Zichzelven tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makende."
Col.2:14: "UITGEWIST HEBBENDE HET HANDSCHRIFT, DAT TEGEN ONS WAS, IN
INZETTINGEN BESTAANDE, HETWELK ENIGERWIJZE ONS TEGEN WAS, en heeft datzelve
uit het midden weggenomen, HETZELVE AAN HET KRUIS GENAGELD HEBBENDE."
2 Cor.3:11: "Want indien HETGEEN TE NIET GEDAAN WORDT, in heerlijkheid
was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid. Dit stemt alles overeen
met V.6 van onze tekst: "Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, WIJ
ZIJN GESTORVEN AAN DAT WAARONDER WIJ GEHOUDEN WAREN..."(Cf.V.2).
___________
1* Omdat de vrouw "uit de man" is
(Gen.2:21-23; 1 Cor.11:8). Anders zouden we spreken van het menselijk ras als
"mensheid".
Verder vinden wij in het Oude Testament de dood van de Wet
duidelijk getypeerd. Herinner hoe God zei tot Mozes, met de flagrante
ongehoorzaamheid van Israel voor ogen: "En zij zullen mij een
heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone." (Ex.25:8).
Zou dit niet een breuk van het verbond zijn dat Hij zo juist met hen had
gemaakt en wat zij hadden geratificeerd? Zij hadden "inderdaad" Zijn
stem niet "gehoorzaamd". Zij waren reeds bezig het eerste gebod te
ontheiligen. Maar hebt u de eerste aanwijzing opgemerkt van het meubilair dat
God Mozes beval te maken voor de tabernakel? De woorden luiden: "Zo
zullen zij een ark maken..." (Ex.25:10). Maar wat is een ark? Een
schip? Een mand? Niet deze ark, want hetzelfde woord, hier gebruikt
voor "ark" (origineel, kist), wordt in het laatste vers van
Genesis vertaald met 'kist". Dit stemt overeen met het gebruik waartoe
deze ark was bestemd, want in Ex.25 wordt het bevel gegeven: "Daarna
zult gij in de ark [kist] leggen de getuigenis, die Ik u geven zal. "Gij
zult ook een verzoendeksel maken van louter goud..." "En gij zult
het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis,
die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. "EN ALDAAR ZAL IK BIJ U KOMEN, EN
IK ZAL MET U SPREKEN VAN BOVEN HET VERZOEN-DEKSEL AF..."
(Ex.25:16,17,21,22).
Prachtige typering! De Wet was nauwelijks gegeven toen God
zeide: "Doet haar in de kist en bedek de kist met een verzoendeksel"
[om te worden besprenkeld met verzoenend bloed, Lev.16:14,15), "en aldaar,
vanaf het verzoen-deksel, zal ik bij u komen."
Er dient nauwkeurig op te worden gelet, dat de Oud
Testamentische Geschriften geen aanwijzing geven dat deze instructies ook
typologisch waren, veel minder nog wat zij zouden typeren. Het is pas nu,
als we terugkijken naar deze instructies in het licht van de brieven van
Paulus, dat wij ze als typologisch herkennen, en uitroepen: "God
had dit altijd al in gedachten! Dit was werkelijk Zijn eeuwig voornemen,
hoewel het verborgen werd gehouden, totdat het door Apostel Paulus werd
geopenbaard!"
Een verder punt dient naar voren te worden gebracht
voordat we doorgaan met met deze passage. Wij weten dat historisch gezien er
eerst "geen wet" was, d.i. geen Mozaïsche Wet. Toen na 2500 jaren
"kwam de wet binnen" om de mensen van zonden te overtuigen,
"maar waar de zonde toenam, daar is (na nog eens 1500 jaren) genade veel
overvloediger geweest, opdat...genade zou heersen." Precies zo is
het in het leven van de individuele gelovige. Toen hij verloren was, ging hij
zijn weg, onbewust van zijn zonden. Op een moment in zijn leven echter
"kwam de wet binnen" en werd hij onder overtuiging van zijn
ongehoorzaamheid voor God gebracht, vrezend voor de gevolgen van zijn gedrag.
Maar, tenslotte ziende op Christus, "Die stierf voor onze zonden",
begon de bedeling van genade in zijn leven! De Wet en haar
veroordelende kracht was voor hem te niet gedaan (Gal.3:13) en genade
heerste!
DUBBELE DOOD
"Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood
door het lichaam van Christus opdat gij zoudt worden van een Ander, namelijk
van Hem, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.
Want toen wij in het vlees waren, werkten de bewegingen der zonden, die door
de wet zijn, in onze leden, om voor de dood vruchten te dragen. Maar nu zijn
wij vrijgemaakt van de wet, daar wij dien gestorven zijn, onder welke wij
gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwheid des geestes, en niet in de
oudheid der letter" (Rom.7:4-6).
Waarom deze plotselinge wijziging van de gedachte van de echtgenoot
die gestorven was, naar die van de vrouw, gestorven - voor de man? Is het niet daarom, om aan te
tonen dat de echtgenoot (in dit geval de Wet) gestorven zijnde, de vrouw
eveneens voor hem gestorven is. En wij, gelovigen, zijn inderdaad voor
de Wet gestorven, gekruisigd zijnde met Christus, toen Hij, in Zijn
dood, de Wet aan Zijn kruis nagelde. En ons gekruisigd zijn met Hem,
laat ons inderdaad vrij om te worden "gehuwd met een ander", ja, met
"hem Die opstond uit de dood" (V.4).
Het lichaam van de gelovige stierf niet voor de
Wet, maar Christus' lichaam wel (V.4); Wij zijn geworden, "dood
voor de wet door het lichaam van Christus." Hij stortte Zijn
levensbloed, opdat wij vrij zouden zijn van de heerschappij der Wet en voor
altijd de Zijnen (Zie Gal.2:19,20). Bovendien kon de vrucht die
voortkwam uit de voorgaande eenwording, slechts "tot de dood" zijn,
want zoals we later duidelijker zullen zien, werkten de hartstochten van de
zonden die door de wet zijn, in onze leden, om voor de dood vruchten te
dragen" (V.5). Maar de vrucht die voortkomt uit onze vereniging met
de opgestane Christus brengt fris nieuw leven voort.
Al het voorgaande, zo geloven wij, bevestigt de N.B.G.
vertaling van V.6: "maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood
voor haar, die ons gevangen hield", beter dan de S.V., "wij
zijn gestorven aan dat waaronder wij gehouden werden".
En nu, zo zegt de Apostel, is het onze zaak om onze
geliefde Redder en Here te dienen "in nieuwheid van de geest, en niet
in de oudheid van de letter" (V.6). Zoals in Hebr.10:19,20 stelt hij
de oude, doodlopende weg om tot God te naderen (altaren, offers, etc.)
tegenover de "nieuwe en levende weg", en zo maakt hij in 2 Cor.3:6
en hier in Rom.7 een tegenstelling tussen God dienen "in nieuwheid des
geestes" en "in de oudheid van de letter". (In feite, de Wet (2
Cor.3:6-15).)
Free from
the Law, O happy condition!
Jesus
hath bled and there is remission.
Cursed by
the Law and bruised by the fall,
Grace
hath redeemed us, once for all.
- Philip P.Bliss.
Vrij van
de Wet, wat een blijde beleving!
Door
Jezus' bloed is nu de vergeving.
Gevloekt
door de Wet, gekwetst door de val,
Genade
verlost ons, geheel en al.
Onze verhouding tot de wet is dubbel verbroken; zij is gestorven voor
ons, en wij zijn gestorven voor haar. En nu kunnen wij deze Gezegende,
"Die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven"
(Gal.2:20; Eph.5:25) dienen, niet op de oude, droge, dode,
"religieuze" manier, omdat de Wet zegt dat wij moeten, maar
in frisse, blijde "nieuwheid des geestes", waarbij onze woorden en
werken onze dank en liefde uiten.
DE WET EN
DE ZONDE
"Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij
verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik niet
geweten dat de begeerte zonde is, indien de wet niet zei: Gij zult niet
begeren. "Maar de zonde heeft in het gebod aanleiding gevonden om in mij
alle begeerten op te wekken; want zonder de wet is de zonde dood. "En
zonder de wet, zo leefde ik vroeger; maar toen het gebod kwam, werd de zonde
weer levend, doch ik stierf. "En het gebod dat ten leven was, bleek mij
ten dode te zijn. "Want de zonde heeft in het gebod aanleiding gevonden
om mij te verleiden en erdoor te doden. "Zo is dan de wet heilig, en het
gebod is heilig en rechtvaardig en goed. Is dan het goede mij de dood
geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou
openbaar worden zonde te zijn, heeft zij door het goede mij de dood gewerkt,
opdat de zonde uitermate zondig zou worden door het gebod. "Want wij
weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de
zonde."
- Rom.7:7-14
Ieder die intelligent genade wil verkondigen moet de druk, die de Wet op de
ongelovige legt, begrijpen, want God verkondigt onophoudelijk genade tegen de
achtergrond van de Wet.
We hebben reeds nota genomen van drie belangrijke zinnen
in Rom.7 met betrekking tot de gelovige en de wet in het algemeen: V.2: "gebonden
door de wet", V.4: "dood voor de wet", V.6: "bevrijd
van de wet". Dit is de geschiedenis van iedereen die er toe gekomen
is om in Christus te vertrouwen, en dit was ook zo bij gelovigen uit de
heidenen die leefden in Paulus' dagen. Zeker, de heidenen in Oud
Testamentische tijden waren nimmer direct onder der Wet, maar om Gods volk
te worden zouden zij het verbond van de Wet hebben te accepteren. Zij konden
niet Gods volk zijn zonder aanname van de voorwaarden van het Verbond,
welke waren: gehoorzaamheid of dood. Zoals we echter weten, was dit
verbond weggedaan door de dood van Christus. Zo zochten eens wij, gelovigen
uit de heidenen, God te behagen door Zijn geopenbaarde wil te doen. Wij waren gebonden
door de Wet. Maar toen hoorden en geloofden wij Gods goede nieuws omtrent
Christus' sterven voor onze zonden en werden door geloof "gekruisigd met
Christus". Dus zijn we dood voor de Wet en bevrijd van de
Wet.
Indien we bevrijd zijn van de Wet, kunnen we dan niet in
zonde leven? Ja, dat kunnen we, maar "zullen we?" (6:2,15).
Kwamen wij niet tot Christus in de eerste plaats om te worden bevrijd van
de zonde? En stierf Hij niet onze dood, zodat de "oude mens"
werkelijk "verleden tijd" zou zijn?
Maar hebben we de Wet niet nodig om ons te helpen
goed te leven? Nee, want God zou niet willen hebben dat wij Zijn wil doen
omdat het moet, of om Zijn gunst te verkrijgen. Hij zou, net als iedere
normale ouder, willen hebben dat wij Zijn wil doen, omdat wij Hem liefhebben,
en dankbaar reageren op Zijn liefde tot ons. Zo'n gedrag heeft geen wet nodig
tot dreiging. Heeft een liefhebbende moeder een wet nodig om voor haar
kinderen te zorgen? Heeft een dankbare werknemer een wet nodig om zijn
werkgever trouw te dienen?
Maar nu rijst de vraag van Rom.7:7: "Is de wet
zonde?" "Dat zij verre [wat een gedachte!]", roept de
Apostel. "Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik
niet geweten dat de begeerte [lust] zonde is, indien de wet niet zei:
Gij zult niet begeren. "Maar de zonde heeft in het gebod aanleiding
gevonden om in mij alle begeerten [wellusten K.J.V.] op te wekken; want zonder
de wet is de zonde dood (V.7,8).
Hier zou een illustratie kunnen helpen. Een stuk woeste,
kale grond ontvangt frisse regen en de warme stralen van de zon, maar zij
brengt slechts onkruid voort. Is er iets verkeerd met de regen en de zon? Nee,
de fout ligt in de grond die
alleen de kiemen bevat van schadelijk onkruid. Er is dus niets verkeerd met de
Wet. De fout ligt eerder bij het zondige menselijke hart dat tegengesteld
reageert op de heilige Wet van God.
"Ik zou niet geweten hebben dat de begeerte zonde
is", zegt de Apostel, "indien de wet niet zei, Gij zult niet begeren".
En mijn zondig hart dat rebelleert tegen het bevel, antwoordde hierop,
"Waarom mag ik niet hebben wat ik wil en waar ik zin in heb?" en "bewerkt
in mij alle soorten van hebzucht."
"Zonder de wet was de zonde dood" gaat hij
voort. Als zoon van de gevallen Adam gaf hem dat geen moeite. En omdat de Wet
dood was (in hem), was hij levend, opstandig in de "vrijheid"
van te doen waar hij zin in had. "Maar toen het gebod kwam" zegt
hij, "werd de zonde weer levend, doch ik stierf" d.i., de Wet maakte
hem bewust dat de zonde in hem leefde en dat hij dood was, krachteloos
om zich ervan te bevrijden. Dus, zegt hij, "het gebod dat ten leven
was[ii],
bleek mij ten dode te zijn" (V.10).
Opgemerkt dient te worden hoe door deze hele passage de
schuld voor de toestand en veroordeling van de mens niet legt op Gods wet,
maar op de zonde van de mens.
V.8: "...zonde
heeft in het gebod aanleiding gevonden om in mij alle begeerten op te
wekken."
V.9: "maar
toen het gebod kwam, werd de zonde weer levend, doch ik stierf."
V.11:
"...zonde...verleidde mij..."
V.13:
"...zonde, heeft...mij de dood
gewerkt..."
In V.12-14 trekt de Apostel de deugdelijke conclusie dat
er niets verkeerds is met de Wet of het Gebod. Zij zijn heilig, en juist, en
goed, en geestelijk, hoewel niet geschikt om het hart van de gevallen mens te
reinigen. De Wet in haar vanzelfsprekende heiligheid, bewerkt in de mens
versterkte trots, opstand en zonde, maar de fout ligt niet bij de Wet, noch in
haar leringen, maar bij de bedorven natuur van de mens. "Is dan het
goede mij de dood geworden?" Kan iets wat goed is, de dood
bewerken? Nee. De wet toont slechts aan wat het is - volstrekt zondig (V.13).
Zo is niet de Wet, die gehouden moet worden, aansprakelijk voor mijn dood,
"maar zonde...die in mij de dood werkt door datgene [de Wet] wat
goed is."
"Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben
vleselijk, verkocht onder de zonde" (V.14).
Dit is zijn eindconclusie op de vraag van V.7, "Is
de Wet zonde?" maar het is ook een inleiding tot het latere gedeelte
van het hoofdstuk (V.15-25). Dit gedeelte van de Romeinenbrief is onderwerp
geweest van geen geringe tegenstelling, en verdient de meest bedachtzame
aandacht.
___________
2* In de zin van Lev.18:5 en de woorden van onze Here in
Luk.10:28: "Doe dit en gij zult leven".
PAULUS'
STRIJD MET HET OUDE IK
"Want wat ik doe, weet ik niet; want wat ik wil, dat
doe ik niet, maar wat ik haat, dat doe ik. "En indien ik dat doe, wat ik
niet wil, dan stem ik met de wet in dat zij goed is. "Dan doe ik dat nu
niet meer, maar de zonde die in
mij woont. "Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed
woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik
niet. "Want het goede dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade dat
ik niet wil, dat doe ik. "Indien ik dat doe, wat ik niet wil, dan doe ik
dat nu niet meer, maar de zonde die in mij woont. "Zo vind ik dan
deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade bij mij voorhanden
is. "Want ik heb een vermaak in de wet van God naar de innerlijke mens.
"Maar ik zie een andere wet in mijn leven, die strijd voert tegen de wet
van mijn gemoed en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn
leden is. "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam des
doods? "Ik dank God, door Jezus Christus, onze Here. "Zo dan, ik
zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde.
"Zo is er dan nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn,
die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. "Want de wet des
Geestes van leven in Christus Jezus, heeft mij vrijgemaakt van de wet der
zonde en de dood. "Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door
het vlees krachteloos was, heeft God, door Zijn Zoon te zenden in gelijkheid
van het zondige vlees, en voor [om] de zonde, de zonde veroordeeld in het
vlees, "opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet
naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." - Rom.7:15 - 8:4.
In de bovenstaande passage wordt een aspect van het
Christen leven uitgelegd dat wij allen dienen te begrijpen. Als we dit niet
begrijpen zal onzekerheid het gevolg zijn, maar goed begrip zal veel bijdragen
tot een ervaring van, vast, evenwichtig Christelijk geloof.
VANUIT
ROMEINEN 7 NAAR ROMEINEN 8?
Sommige bekwame Godsmannen houden het ervoor dat we in Rom.7
de ervaring hebben van Paulus onder de Wet, en in Rom.8 zijn ervaring van
onder de genade te zijn, waarbij het eerste leidt tot onzekerheid en het
laatste tot overwinning en zegen. Vandaar hun advies: "Ga vanuit Rom.7
naar Rom.8".
Wij wijzen om twee redenen dit gezichtspunt af:
1. Paulus schreef deze twee hoofdstukken achter elkaar
door; in het origineel is geen indeling in hoofdstukken. Dezelfde man die Rom.8:1,2
schreef, liet hier de verklaring met de woorden van 7:22-25 aan vooraf gaan.
Klaarblijkelijk verheugde hij zich in de waarheid van Rom.8:1,2, ondertussen
Rom.7:22-25 ervarend.
2. Ernstige godsdienstige gelovigen erkennen dat hun
ervaring overeenkomt met die van Paulus in Rom.7:14-25. Hier dienen we te
vragen aan hen die het er voor houden dat Paulus' ervaringen in Rom.7 nog
onder de Wet waren: Streeft de oude natuur in u er niet steeds naar, de
boventoon te voeren? Hebt u helemaal geen probleem met de "oude
mens"? Overwint u blijvend het vlees in uw ervaring als
Christen? Behoeft u niet eerlijk te bekennen net als Paulus, dat
"het willen wel aanwezig is, maar het goede te doen, dat vind ik
niet?" Hebt u ontdekt voortdurend het goede te doen en het kwade te
overwinnen?
Romeinen 7 slaat ten diepste op ons, want dit hoofdstuk
beschrijft ook de geestelijke ervaring van geen geringer heilige dan de
Apostel Paulus en van iedere ernstige gelovige in de Here Jezus Christus.
VIJF BELANGRIJKE WETTEN
Om
Rom.7 goed te verstaan dienen we vijf belangrijke
wetten te erkennen waarnaar verwezen wordt.
In oorsprong is een wet een vastgestelde regel.
Deze definitie is bepaald naar de wetten van de natuur, van burgerlijke en
zedelijke wetten, en uiteraard naar de heilige Wet van God. In bovenstaande
passage bespreekt de Apostel door goddelijke inspiratie, verschillende wetten
die elk kind van God door en door dient te begrijpen. Sommigen geloven dat zij
zeven wetten zien opgesloten in dit deel van Paulus' geweldige Romeinenbrief.
Wij willen hier uitgaan van vijf die duidelijk te zien zijn.
DE MORELE
WET VAN GOD
(Rom.7:22)
Met de morele Wet van God bedoelen we de Wet die God door
Mozes gaf, samengevat in de Tien Geboden (Ex.32:15,16; Joh.1:17). Deze wet
vertegenwoordigde een verbond dat speciaal gesloten werd met Israel
(Ex.19:5,6). De straf voor het breken van dit verbond was de dood (2 Cor.3:7).
Maar terwijl de Wet in het bijzonder aan Israel werd gegeven, hebben we gezien
dat zij niettemin ook de heidenen betreft. In Rom.2:14,15 verklaart
Paulus dat "de heidenen, die geen wet hebben" niettemin "betonen
het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de
gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende".
Terwijl dus de heidenen reeds geoordeeld zijn door de morele wet, door God in
hun harten geschreven, gaf God nu deze wet, geschreven op stenen tafelen aan
Zijn uitverkoren volk, als basis voor een verbond wat Hij zou gebruiken om hen
aan te tonen, dat ook zij zondaars waren. Bijna onmiddellijk daarna verbrak
het volk Israel de Wet, zodat zij, net als de heidenen, voor God schuldig
werden. Dit wordt specifiek gesteld in Rom.3:19: "Wij weten nu, dat al
wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat
alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij."
Dit wordt eveneens geleerd in Rom.5, waar we lezen, dat "door
één mens de zonde in de wereld ingekomen is" (V.12), en dat later "de
wet bovendien ingekomen is, opdat de misdaad te meerder worde" (V.20).
Hoewel dus het verbond der Wet alleen met Israel werd gesloten,
benadrukt zij tegelijkertijd de zonde van de mens.
DE WET
VAN DE INWONENDE ZONDE
(Romeinen
7:23)
Nog een wet in Rom.7 stelt duidelijk de inwoning van de
zonde, die in ons leven werkt, ook in het leven van Gods meest toegewijde
heilige.
Deze constante, agressieve aanval van de Adamitische
natuur binnen in ons, noemt de Apostel "de wet der zonde die in mijn
leden is". Openlijk de werking van deze wet in zichzelf erkennend,
zegt hij: "De wet [van God] is geestelijk, maar ik ben vleselijk,
verkocht onder de zonde...Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen
goed woont, want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind
ik niet. Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet
wil, dat doe ik. Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen,
dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar de
inwendige mens, maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen
de wet van mijn gemoed, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in
mijn leden is" (7:14,18,19,21,22,23).
Betekent dit dat Paulus niet de ware man van God was die
de Schriften ons voorhouden? Nee, want hij bespreekt hier niet zijn leven in
het algemeen, maar zijn probleem - het probleem waar wij allen mee van doen
hebben - met zonde.
De openlijke bekentenis van de Apostel zou op ons allen
een deemoedigende uitwerking moeten hebben, want zij komt uit het hart van een
mens die ongetwijfeld veel godvruchtiger was dan wij.
Maar een erkenning van de wet van inwendige zonde zal ook
blijken een bemoediging voor de gelovige te zijn. Het is alsof God tot ons wil
zeggen: "Schrijf het op; prent het in het geheugen: in u, dat wil zeggen.
in uzelf, is geen goed: alles is helemaal bedorven. Maar het werd met
Christus gekruisigd." Zo ligt dan de weg naar overwinning niet in een
diepgaand onderzoek van de oude natuur, nog minder in pogingen om de oude
natuur te verbeteren, maar in een objectief vervuld zijn met Christus,
in Wiens gezegende Persoon wij nu voor God staan, gerechtvaardigd van alle
zonde.
Dit betekent
niet dat wij dikwijls onze zonden aan God moeten belijden en om Zijn
Vaderlijke vergiffenis bidden, maar het betekent dat wij niet voortdurend bij
onze zonde en bij de slechtheid van de oude natuur moeten blijven stilstaan.
Elke oprechte gelovige verlangt ernaar vrij van zonde te
zijn, en sommigen vragen zich af, waarom God de oude natuur met zijn verkeerde
neigingen niet wegdoet. Maar als Hij dit nu deed, indien wij niet de
innerlijke strijd tussen de Geest en het vlees zouden ervaren, zo "tegen
elkander staand" (Gal.5:17), in één woord, als we niet altijd verzocht
werden door de zonde, hoe konden we zo mogelijk de verlorenen om ons heen
bereiken? Zou er niet een grote kloof zijn tussen hen in hun zondigheid, en
ons in onze volmaaktheid?
DE WET
VAN HET VERNIEUWDE GEMOED
Bewijst het bovenstaande argument uit de Schrift nu dat gelovigen in de zonde
mogen blijven zitten, het niet al te serieus nemen als zij struikelen en
vallen? Zeker niet, want er is nog een wet die dit verbiedt. Deze wet noemt de
Apostel "de wet van mijn gemoed". Wat is dan deze "wet
van mijn gemoed"?
De opmerkzame lezer van de Schriften zal het opvallen dat Paulus' brieven veel
te zeggen hebben over de vernieuwing van het gemoed van de gelovige,
aangebracht door het werk van de Heilige Geest, wanneer Hij het Woord aan ons
hart toepast. Het begint bij de bekering, als iemand
die tot dan toe de Bijbel heeft gezien in het licht van andere zaken,
nu begint met andere zaken te zien in het licht van de Bijbel.
Dat dit niet het lichaam is, of de oude natuur, maar het gemoed
dat op deze manier wordt vernieuwd, wordt duidelijk uit Col.3:10: "En
aangedaan hebt de nieuwe mens, die VERNIEUWD WORDT TOT KENNIS, NAAR HET
EVENBEELD DESGENEN DIE HEM GESCHAPEN HEEFT."
In de passage die we beschouwen maakt de Apostel duidelijk
dat hijzelf deze "vernieuwing van het gemoed" heeft ontvangen, en
verklaart daarbij dat hij niet iets door de vingers ziet, maar inderdaad het
verkeerde wat hij doet "haat" (7:15), dat hij ernaar verlangt goed
te doen, en niet wenst het kwade te doen (V.18,19), dat hij "een vermaak
heeft in de Wet Gods" (V.22), en met zijn gemoed de wet Gods dient
(V.25).
Deze vernieuwing van gemoed in de gelovige noemt hij een wet.
Het is nu "de wet van mijn gemoed", zegt hij, om ernstig
te verlangen Gods wil te doen. Deze wet is werkzaam in elke gelovige.
Iedereen die geen hekel heeft aan zonde en niet verlangt om God te behagen,
doet beter zich af te vragen wel gered te
zijn, want ware gelovigen komen tot Christus niet om vrijheid te
krijgen tot zondigen, maar om van zonde verlost te worden. Hun gemoed, eens ver verwijderd van God door zonde, is
nu vernieuwd geworden doordat zij met God verzoend werden. (Col.1:20,21).
Maar de vernieuwing van gemoed is bij de bekering niet
voltooid. Meer en meer zullen we zonde en gerechtigheid zien, waarheid en
dwaling, in hun ware licht. Zo zegt de Apostel aangaande het kwaad om ons
heen: "Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar WORDT VERANDERD
DOOR DE VERNIEUWING VAN GEMOED..." (Rom.12:2). En wat betreft het
kwaad in ons, de oude Adamitische natuur, roept hij uit: "...dat
gij zoudt afleggen...de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden
der verleiding, en DAT GIJ ZOUDT VERNIEUWD WORDEN IN DE GEEST UWS
GEMOEDS" (Eph.4:22,23).
DE WET
DER ZONDE EN DES DOODS
(Rom.8:2)
Maar of het gemoed vernieuwd is of niet, er dient nog een
zeer fundamentele wet te worden beschouwd, een wet die we overal om ons heen
in werking zien: "de wet der zonde en des doods."
Dit is eveneens een onverbiddelijke, onveranderlijke wet.
Een van de fundamentele lessen van de Schrift is, dat zonde brengt de dood,
en dit is ook een van de basisgegevens van het leven.
Ezech.18:4:
"...de ziel die zondigt, zal
sterven."
Rom.5:12:
"...door één mens is de zonde in de
wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle mensen
doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben."
Rom.6:23:
"Want het loon van de zonde is de
dood..."
Jak.1:15:
"...de zonde baart, na voleindigd te
zijn, de dood,"
Om de volle werking van deze wet te zien, moet echter wel
worden opgemerkt dat niet alleen lichamelijke dood begrepen is in "de wet
der zonde en des doods", maar ook de dood (niet de vernietiging)
van de gehele mens in de poel des vuurs (Openb.20:11-15).
De "wet der zonde en des doods" is werkelijk
verschrikkelijk om te overdenken, en sommige gelovigen in Christus, die
oprecht verlangen om God te behagen, zijn natuurlijk gealarmeerd bij de
gedachte van te verschijnen voor de Here voor de Grote Witte Troon om zich te
verantwoorden vanwege hun vele zonden.
Zulke angsten
zijn, Goddank, onnodig, want niet alleen is duidelijk vanuit Openb.20 dat
alleen de verlorenen voor dit uiteindelijk Gericht zullen verschijnen, maar
een begrijpen van een andere onveranderlijke, onherroepelijke wet, vermeld in
Rom.8, zal snel al zulke angsten verdrijven.
DE WET
VAN DE GEEST
DES
LEVENS IN CHRISTUS
(Rom.8:2)
"Zo is er dan nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus
zijn",
zegt Rom.8:1. Dit heel eenvoudig, omdat zij "in Christus
Jezus" zijn, "begenadigd [aangenomen] in de Geliefde" (Eph.1:6)
en genoemd "volmaakt in Hem" (Col.2:10). Dit is een
juridische zaak. Met onze zonden aan Christus toegerekend en Zijn
gerechtigheid ons toegerekend, zijn wij ten volle gerechtvaardigd voor de
rechterstoel van een heilig en rechtvaardig God (Zie Rom.3:21-4:8)
Maar nog meer
dan juridische overwegingen bestaan er in de verlossing van de "de wet
der zonde en des doods". "De wet van de Geest", zo zegt
de Apostel, "heeft ons vrijgemaakt van de wet der zonde en des
doods" (Rom.8:2). Wat is dan de wet van de Geest"?
Wij weten dat in Rom.8:2 de volledige zin luidt: "de
wet van de Geest van leven in Christus Jezus", maar de zinsbouw is op
zijn minst raadselachtig. Jarenlang hebben wij aan vele vrienden gevraagd, wat
"de wet van de Geest van leven in Christus" toch wel
betekent. We hebben nooit een afdoend antwoord op deze vraag gekregen.
Omdat er
eigenlijk geen leestekens in het Grieks staan, wordt de vraag gemakkelijk
opgelost door een komma te plaatsen tussen de woorden "Geest" en
"van". Wij geloven niet dat we hiermee de tekst geweld aandoen in de
ogen van de vertalers. Zo zou een rechtmatige toevoeging aan de zin aldus
luiden: "De wet van de Geest, [die] van leven in Christus Jezus."
Dit is duidelijk de correcte weergave, want "leven in
Christus" is inderdaad "de wet van de Geest."
Niet alleen worden gelovigen voor God gerechtvaardigd;
zij ontvangen ook leven in Christus door geloof; leven toegedeeld door
de Heilige Geest.
Joh.3:36:
"Wie in de Zoon gelooft, heeft het
eeuwige leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is [niet gelooft, K.J.V.], zal
het leven niet zien...."
1 Joh.5:11,12: "En dit is het getuigenis, namelijk
dat God ons het leven gegeven heeft, en DIT LEVEN IS IN ZIJN ZOON. "WIE
DE ZOON HEEFT, DIE HEEFT HET LEVEN; WIE DE ZOON VAN GOD NIET HEEFT, DIE HEEFT
HET LEVEN NIET."
Dan is "De wet van de Geest" "leven in
Christus". Op het moment dat iemand zijn geloof verstigt op Christus,
op datzelfde moment deelt de Heilige Geest hem leven toe, het leven
van Christus Zelf. Dit is een vaste wet. Waar geloof in Christus
brengt altijd dit resultaat voort.
Met al deze
dingen in gedachten, willen we nu de echte beweegreden van Rom.8:2 en haar
berusten op "de wet der zonde en des doods" beschouwen.
"Want de wet van de Geest, [die] van leven in
Christus Jezus, heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods."
Betekent dit, dat de ene heilige wet de andere
tegenspreekt, of ermee in conflict is? Nee, maar de ene overtreft de
andere. Er is een verhaal van een Christelijke schoenlapper die aan het werk
was toen een atheïst binnenkwam. Al gauw begon de atheïst het wonderelement
in de Schriften belachelijk te maken door te verklaren dat de natuurwetten het
wonderlijke onmogelijk maken.
Het snijmes van de schoenlapper als illustratie nemend,
zei hij, "Als u bijvoorbeeld dat mes loslaat, zal de wet van de
zwaartekracht er voor zorgen dat het op de grond valt, en niets kan dit
verhinderen". Hierop wierp de schoenmaker met een draai van zijn pols het
mes zo naar boven dat het in het plafond bleef zitten! Was de wet van de
zwaartekracht gedurende die korte tijd opgeheven; was zij op een of andere
manier ontkracht? Nee, de neergaande kracht was wel in werking toen het mes
naar boven vloog en toen het in het plafond stak, maar een sterkere wet ging
deze te boven; de wet van de redeneringskracht van de schoenmaker.
Het is inderdaad een wet, dat zonde de dood
bewerkt, en ziende dat we gezondigd hebben moeten we sterven. Maar...de
gelovige is gestorven - in Christus! (Rom.6:6; Gal.2:20). En omdat onze
Here de dood overwon en verscheen in opstandings kracht, doen wij dit ook, in
Hem.
Er zou nog veel meer te zeggen zijn over "de wet van
de Geest" waardoor wij "leven in Christus" hebben, ja, er zou nog
veel meer over al deze wetten gezegd kunnen worden, maar het bovenstaande zal
ons op zijn minst toebereiden om Rom.7:15-25, een van de moeilijkste gedeelten
van de Romeinenbrief, beter te begrijpen.
Goddank werkt Hij door wetten, wetten die juist een
essentieel deel zijn van Zijn natuur, zodat wij volledig op Hem kunnen
vertrouwen en ongeschokt standhouden als de storm des levens om ons heen raast.
WIE
IS WIE?
Welke Bijbelstudent kan Rom.7:15-25 lezen zonder herinnerd
te worden aan Gal.2:20? "Ik ben met Christus gekruisigd - en toch leef
ik - maar niet ik...".
Inderdaad blijft in Rom.7:15-25, meer dan in enig
ander deel van de brieven van Paulus, de vraag rijzen: Over wie spreekt hier de
Apostel, over de "oude mens", de "nieuwe mens", of over de gehele
mens? Hier moeten we God bidden om speciaal inzicht om de zin van Zijn
Woord te begrijpen. In sommige gevallen echter is de betekenis niet helemaal
helder.
In V.18 slaan de woorden "in mij", zo te zien,
op de "oude mens", want hij verklaart onmiddelijk, "dat is, in mijn
vlees". Maar in V.15 slaan de woorden "Ik doe niet" en
"ik haat" duidelijk op de "nieuwe mens".
In V.17 moet "de zonde die in mij woont"
uiteraard verbonden zijn met de "oude mens", maar het "mij"
waarin de zonde woont met de gehele mens, of wel de mens in zijn geheel,
omdat het woord "ik" in "dan doe ik dat niet meer",
duidelijk slaat op de "nieuwe mens".
In V.21 lijkt
de uitdrukking "het kwade bij mij voorhanden" op het eerste
gezicht te betekenen dat kwaad nabij is om te verzoeken, maar het
voorgaande vers (V.20), gevolgd door de woorden "ik vind dan deze wet in
mij", geeft aan dat hij in V.21 spreekt over zonde in hem. Waarom
gebruikt hij dan de term "bij mij voorhanden"? De uitleg wordt
gevonden in de identiteit van de persoon waarnaar wordt verwezen. Hier is
"ik" die "goed wil doen" klaarblijkelijk de
"nieuwe mens", en de "oude mens", die het kwade doet, is bij
hem voorhanden. Beiden, de oude en de nieuwe, regeren in de gehele mens.
Dit zijn slechts voorbeelden van het probleem en haar
oplossing. Het kind van God dat ernstig ernaar verlangt om God te behagen en het
feit erkent dat de oude natuur en de nieuwe beiden bij hem inwonen, zal het niet
te moeilijk vinden "Wie is Wie" in deze passage te onderkennen.
De uitdrukking "zo doe ik hetzelve nu niet
meer", die tweemaal
in deze passage wordt aangetroffen (V.17,20), zou voor de onnauwkeurige lezer
kunnen aantonen dat Paulus de schuld voor de zonden die hij doet van zich
afschudt. Zo is het in geen geval. Het is eerder een aanwijzing dat de nieuwe
mens in hem geen connectie heeft met zonde. Deze kan niet zondigen
en doet dit dan ook niet, want het is Christus in hem.
De nieuwe mens is de opgestane mens, die het
opstandings-leven van Christus leeft. De Apostel doet, wat hij ook ons dringt
om te doen in Rom.6:11; hij rekent zich inderdaad "der zonde dood",
want omdat de oude natuur, bij ervaring, in ons nog actief is, en dat zal
blijven tot "de verlossing van ons lichaam"[iii],
is zij voor wat God betreft, gestorven, want Hij ziet ons nu in de
persoon van Zijn gekruisigde, begraven, opgestane Zoon. Zo kon dezelfde man die
riep:
"Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen....? ook uitroepen, "Ik dank God, door Jezus Christus,
onze Here" en "Zo is er dan nu geen verdoemenis [meer]"!
________
3* Daarom verklaart Gal 5:5, dat "wij, door de Geest
VERWACHTEN uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid [d.i. persoonlijk,
volmaakte gerechtigheid].
VERDERE
LESSEN
UIT
ROM.7:14-25
1. Deze passage leert ondubbelzinnig dat de gelovige twee naturen heeft; dat de
Adamitische natuur niet is uitgeroeid bij zijn bekering tot Christus of
op enig ander ogenblik voordat hij tot Christus kwam. Zij leert verder dat de
oude natuur niet kan worden verbeterd, want zij is totaal
bedorven.
Wij hebben gezien dat de weg om het vlees te overwinnen
niet is door worstelend strijden, maar door geloof, door onszelf "toe te
rekenen" dat we "inderdaad dood" voor de zonde zijn, Gods Woord
accepterend dat de oude mens werd gekruisigd met Christus. Maar hier volgt niet
uit dat de oude natuur bij ervaring dood is. Waarom anders de vermaningen om
deze voor dood te beschouwen? Juridisch is hij ter dood gebracht
in Christus, en het is nu aan ons om deze waarheid toe te eigenen in ons
dagelijks leven.
2. De woorden van de Apostel in V.18: "Maar het
goede te doen, dat vind ik niet", zijn
een nederige bekentenis vanuit het hart van elke gelovige, al zou hij een
heilige Gods zijn als Paulus, toch brengt het het simpele ervaringsfeit van
iedere gelovige naar voren, want wie heeft reeds geleerd voortdurend "het
goede te doen"?
We hebben een
soortgelijke waarheid in Gal.5:17: "Want het vlees begeert tegen de
Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij
niet doet, hetgeen gij wildet."
Ontegenzeggelijk bedoelt de Apostel hier niet de zonde
door de vingers te zien op grond van het feit dat we niet anders kunnen.
Zijn bedoeling is veel meer dat als we ernaar verlangen om voor altijd van
verzoeking en zonde af willen zijn, het vlees in ons zo blijft tarten, dat we
niet kunnen gaan zitten en een zondeloos leven leiden. Het leven van de Christen
moet een dagelijkse ervaring zijn van stap voor stap toeëigenen, in geloof, van
de hulp die God, uit genade, schenkt.
3. Deze passage
toont ons verder, dat de gelovige niet kan roemen dat hij van nature iets beter
is dan anderen. Het ware van de zaak wordt beschreven in de woorden van een
jonge Christen-zeeman die beschuldigd werd van te denken beter te zijn dan
anderen. O, nee, zei de zeeman, "je hebt het helemaal verkeerd. Wij denken
niet dat wij ook maar iets beter zijn, - maar wij zijn wel beter af!"
4. Het feit dat deze passage werd vastgelegd als een
eerlijke bekentenis van Paulus zelf, zou dienen bemoedigend te zijn voor
gelovigen die verlangen, net als Paulus, om godvruchtig te leven. Probeert de
oude natuur niet om uw ervaring voortdurend te overheersen? Dan bent u in dit
opzicht tenminste net als Paulus! Maar u moet net als hij zijn ook ten aanzien
van de rest. Terwijl hij de herhaalde fouten erkent spreekt de Apostel niettemin
tegen, dat dit niet is vanwege de erkenning of het op de een of andere
manier toelaten van zonde. Hoort hem zeggen: "Ik verlang ernaar goed te
doen, ik verheug mij in Gods wet, ik haat zonde, ik
"laat" het niet toe, maar het goede te doen dat vind ik niet. Ik,
ellendig mens dat ik ben!" Paulus nam dus de zonde niet licht, want als er
iets duidelijk is uit deze passage dan is het wel het feit, dat hij zich
verheugde in datgene wat goed was, en haatte wat verkeerd was,
ernstig trachtend het te overwinnen.
5. Deze passage leert ons ook dat Paulus zichzelf niet
verhief, want hij bekent nederig feiten over zijn persoonlijk leven die sommigen
ertoe zouden kunnen brengen om hem te verachten. Elders noemt hij zichzelf de
voornaamste der zondaars
(1
Tim.1:15) en "de allerminste der heiligen" (Eph.3:8).
Hij verdedigde echter zijn door God gegeven bediening en boodschap.
Een beschouwing van de hele tekst Eph.3:8 zal verklaren waarom: "Mij, de
allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, OM ONDER DE HEIDENEN,
DOOR HET EVANGELIE, TE VERKONDIGEN DE ONNASPEURLIJKE RIJKDOM VAN CHRISTUS."
Hij was zowel de heraut en het levend voorbeeld van wat
volbracht was op Golgotha. Zoals zijn bediening als Gods aangewezen
ambassadeur der genade ondermijnd kon worden, zo ook de boodschap waarvoor hij
gezonden was om te verkondigen. Maar het bovenstaande vers is genoeg bewijs dat
hij niet zichzelf verhief bij het verdedigen van zijn bediening.
GEEN VEROORDELING
VOOR HEN
DIE IN CHRISTUS JEZUS ZIJN
"Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die
in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
"Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt
van de wet der zonde en des doods. "Want hetgeen der wet onmogelijk was,
dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in
gelijkheid des zondigen vleeses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in
het vlees, "Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet
naar het vlees wandelen, maar naar de Geest." - Rom.8:1-4.
We komen nu tot een van de meest verbazende en wonderbare
hoofdstukken van de Brief aan de Romeinen en zoals met vele andere
passages in de Brief opent zij met het woord "daarom".
Het woord "daarom" is, zoals wij weten, een
sleutelwoord bij de studie van de logica, waar het zoveel wordt gebruikt, dat
het met een bepaald teken van drie punten .'.
wordt aangeduid.
Het is dan ook niet vreemd dat we dit woord, in de een of
andere vorm, niet minder dan 70 maal in de Romeinenbrief vinden, want de brief
is zowel een logische als theologische verhandeling.
Zoals we reeds begonnen aan te tonen, staat het woord
"daarom" voornamelijk in de bespreking van Paulus over de logica
van het plan tot redding, waarin hij een reeks logische stellingen
behandelt.
De eerste van deze voorstellingen wordt gevonden in Rom.2:1,
waar hij, nadat bewezen is dat alle mensen zondaars zijn, met inbegrip
van zelfs de meest eigengerechtige, verklaart: "Daarom zijt gij niet te
verontschuldigen..."
Terwijl hij dan
het feit aantoont dat de Wet niet kan rechtvaardigen maar alleen de zondaar
veroordelen, laat hij zijn tweede logische stelling zien in Rom.3:20:
"Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd
worden voor Hem,..."
Na deze verklaring, met het goede nieuws dat "nu
de rechtvaardigheid van God geopenbaard is, zonder de wet...door de verlossing
die in Christus Jezus is", neemt hij de derde
logische stap in de stelling van Rom.3:28: "Wij besluiten dan
[Daarom, K.J.V.] dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de
werken der wet."
Daarna leidt een diepgaande discussie over de toerekening
van de zonden van de gelovige aan Christus, en Christus' rechtvaardigheid aan de
gelovige, de Apostel tot de vierde logische stelling in Rom.5:1: "Wij
dan [Daarom, K.J.V.], gerechtvaardigd uit het geloof, hebben [wij,K.J.V.] vrede
met God door onze Here Jezus Christus."
Dit, op zijn beurt, leidt hem tot een bespreking van de
bevrijding van de gelvige uit de slavernij der zonde (Hoofdstuk 6) en der Wet,
tot zijn vijfde logische stelling in Rom.8:1: "Zo [daarom,
K.J.V.] is er dan nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus
zijn..."
Deze stelling is zijn inleiding tot een kostbaar
hoofdstuk, waarin de uiteindelijke ontoereikendheid van de Wet wordt gesteld
tegenover de glorieuze doeltreffendheid van de werking van de Heilige Geest, die
werkt door de gelovige. Een hoofdstuk dat begint met "geen
verdoemenis", en eindigt met "geen scheiding".
ROM.8:1
EN ANDERE
VERTALINGEN
Zo [Daarom] is er dan nu geen verdoemenis voor hen die in
Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest" (Rom.8:1).
Er is veel discussie ontstaan rond de vraag van de
echtheid van het laatste gedeelte van Rom.8:1, zoals dat wordt gevonden in de
N.B.G. en andere vertalingen, of de K.J.V. en Statenvertaling van de Bijbel - en
dit door mensen die eveneens in de goddelijke inspiratie van de Heilige
Schriften geloven. De kwestie is: Behoren de woorden "die niet
wandelen", etc. in V.1 zoals in de Statenvertaling, of alleen in V.4, waar
deze ook staan?"
Velen geloven dat deze zinsnede een
"kanttekening" is, welke is toegevoegd door een kopieschrijver, die
ervoor vreesde dat onzorgvuldig leven een gevolg zou kunnen zijn van een
onvolledige weergave van
Rom.8:1a.
Zeer zeker kunnen de woorden "die niet naar het vlees wandelen maar naar de
Geest" niet een geschikte uitdrukking zijn, want onze zekerheid
als gelovigen is niet afhankelijk van
onze wandel, maar van onze door God gegeven positie in Christus, niet van
ons geslaagd zijn in het Christenleven, maar van "deze genade waarin wij
staan" (Rom.5:2). God heeft niet een ander verbond gemaakt, net
als het Verbond der Wet, waarbij hij werkelijk zei, "Indien gij
'niet wandelt naar het vlees. maar naar de Geest' dan zult gij niet
verdoemd worden." De
gelovige in Christus is vrij van veroordeling eenvoudig omdat hij "in
Christus" is, niet omdat hij er in slaagt om in de Geest te wandelen,
of wegens het overwinnen van de lusten van het vlees (Zie Rom.6 en 7).
Zo'n probleem is er niet waar het V.4 betreft, want hier past
precies de zinsnede "die niet wandelen",etc. God deed in genade
voor ons wat de Wet niet kon, zodat "de gerechtigheid van de Wet vervuld
zou zijn in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest".
Maar indien aan de andere kant het latere gedeelte van Rom.8:1
wordt beschouwd in enige zin van een feitelijke vaststelling, behoort zij
zeker als tussenzin tussen haakjes, zodat de kracht van Rom.8:1a samen met 8:2-4
niet zal worden teniet gedaan, maar voluit gewaardeerd. Zie eens hoe
krachtig deze passage is als we 8:2-4 lezen onmiddelijk achter 8:1a, de haakjes
weglaten en de woorden "die niet wandelen" etc. alleen
insluiten bij V.4. "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor hen die
in Christus Jezus zijn. "Want de wet van de Geest, van leven in Christus,
heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. "Want wat voor de
wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, door
Zijn Zoon in gelijkheid van het zondige vlees en voor de zonde te zenden, de
zonde veroordeeld in het vlees, "opdat het recht van de wet vervuld zou
worden in hen, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.
Zo is dus de gelovige vrij van de veroordeling der zonde,
eenvoudig omdat hij "in Christus Jezus" is (V.1). Hij werd aannemelijk
gemaakt [begenadigd] in de Geliefde" (Eph.1:6) en wordt genoemd "volmaakt
in Hem" (Col.2:9,10). Gezegende toestand! Zelfs voordat onze Here alle
feiten die daarmee te maken hebben aan de Apostel Paulus openbaarde, zei
Hij tot hen die Hem trachtten te doden: "Voorwaar, voorwaar zeg Ik u:
Wie Mijn woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het
eeuwige leven, en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in
het leven" (Joh.5:24).
De gelovige is
bevrijd van oordeel en dood, omdat "de wet van de Geest", die van
"leven in Christus", hem vrijgemaakt heeft, niet van de wet der
zonde in zijn lichaamsdelen (7:23), maar van "de wet der zonde en des
doods" (8:2). Wij hebben deze wet reeds eerder beschouwd.
De onmacht van de Mozaïsche Wet om te redden, zoals
uiteen gezet in V.3, wordt dikwijls in Paulus' brieven aangehaald en
wordt inderdaad sterk benadrukt in het verslag van zijn eerste prediking,
gehouden in de synagoge in Antiochië in Pisidië. De climax van zijn boodschap
en waar al het overige om gaat, wordt gevonden in Hand.13:38,39: "Zo zij
u dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden verkondigd
wordt. "En dat van alles, WAARVAN U NIET KON GERECHT-VAARDIGD WORDEN DOOR
DE WET VAN MOZES."
De onmacht der Wet wordt verder benadrukt in Hebr.7:18,19,
waar de Apostel verklaart: "Want de vernietiging van het voorgaande
gebod geschiedt OM ZIJN ZWAKHEID EN NUTTELOOSHEID. "WANT DE WET HEEFT GEEN
DING VOLMAAKT..."
Maar hoewel "de wet geen ding volmaakt heeft...was
zij wel aanleiding tot een betere
hoop" (V.19). Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door
het vlees krachteloos was, heeft God, door Zijn Zoon in gelijkheid van het
zondige vlees te zenden" volbracht! (Rom.8:3). Hoe volbracht Hij
dit? Lees verder: "...door Zijn Zoon in gelijkheid van het zondige vlees
en voor de zonde te zenden, de zonde veroordeeld in het vlees" (V.3).
Wij weten dat God de mens oorspronkelijk had geschapen
naar Zijn eigen beeld en gelijkenis (Gen.1:26). Na de val kreeg Adam echter een
zoon naar zijn eigen gelijkenis (Gen.5:3). En zo "kwam
door de zonde van één mens de zonde in de wereld, en door de zonde de
dood" (Rom.5:12).
Vijf en twintig honderd jaren later "kwam de wet
erbij, opdat de misdaad zou toenemen (5:20). Let wel, "opdat de misdaad
zou toenemen" De wet kon niet rechtvaardigen - zij kon slechts de
zondige mens veroordelen. Daarom zond God in genade Zijn eigen Zoon in
gelijkheid van het zondig vlees" speciaal "voor de zonde",
om "de zonde in het vlees te veroordelen" - Zijn vlees (Rom.8:3).
Nauwkeurig dient er op te worden gelet dat onze Here niet
verscheen "in de gelijkheid van zondig vlees" in de zin dat Hij tevens
door zonde was bevlekt. Eerder is hier de gedachte dat Hij niet verscheen
in de gelijkheid van de niet gevallen Adam met al de glorie van Adam en
lichamelijke welgesteldheid. Eerder verscheen Hij in de gelijkheid van de gevallen
Adam en zijn nageslacht, verzwakt als het was geworden door zonde.
Er dient ook te worden opgemerkt dat God Zijn eigen Zoon
zond in de gelijkheid van de gevallen mens, opdat de zonde zou worden "veroordeeld...
[Gr., katekrinen] in het vlees" (V.3).
We lezen dan ook in Eph.2 dat onze Here "te niet
gedaan heeft in Zijn vlees...de wet van de geboden" en dat wij,
"die "veraf" waren, "nabij zijn geworden door het bloed
van Christus" (V.13,15).
Op dezelfde wijze verklaart Col.1:21,22 dat wij, die eens
"vervreemd waren en vijanden" nu verzoend zijn "in het lichaam
van Zijn vlees, door de dood." Petrus, na in kennis te zijn gekomen met
Paulus, voegt aan zijn getuigenis toe, en verklaart dat onze Here, "...Zelf
onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout..." (1 Petr.2:24).
Na dit gezien
te hebben, en alleen na dit gezien te hebben, zijn wij in staat om
acceptabel voor God te dienen, niet in antwoord op enig "Gij zult"
of "Gij zult niet", maar uit zuivere dankbaarheid en liefde,
het natuurlijke antwoord op genade! Onze gezegende Here rechtvaardigt
gelovige zondaren,
"opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons,
die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest" (Rom.8:4).
Jesus,
Thy blood and righteousness
My beauty
are, my glorious dress.
Midst
flaming worlds, in these arrayed,
With joy
shall I lift up my head.
Bold
shall I stand in that great day,
For who
aught to my charge shall lay?
Fully
absolved from these I am:
From sin
and fear, from guilt and shame.
- John Wesley
Jezus, Uw
bloed en Uw gerechtigheid
Zijn mijn
sieraad en glorieus gewaad.
Temidden
van werelden in vlammen, zal ik,
Daarmee getooid, verheugd mijn hoofd opheffen.
Vrijmoedig
zal ik staan op die grote dag,
Want wie
zal mij van iets beschuldigen?
Volledig vrijgesproken van dit alles, ben ik:
Van zonde
en vrees, van schuld en schande.
|