De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  VI  -  

R O M. 6:1-23

ZULLEN WIJ IN DE ZONDE BLIJVEN?

GEKRUISIGD, BEGRAVEN

EN OPGESTAAN MET CHRISTUS

"Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? "Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven? "Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? "Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding; "Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen. "Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. "Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; "Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. "Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. "Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Here." - Rom.6:1-11.

EEN SLEUTELPASSAGE

Het bovenstaande is een sleutelpassage van de Brief aan de Romeinen, het scharnier tussen leer en praktijk.

De openingsverzen herinneren aan 3:8, waar de Apostel degenen die hem beschuldigen dat hij zou leren, "Laat ons het kwade doen opdat het goede daaruit kome", gebrandmerkt worden als lasteraars. Hier echter doet hij dit onderricht leertechnisch af en haalt het onderuit. "Dat zij verre!" roept hij: "Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?" (V.2).

Het is waar - en hij geeft dit toe - dat "onze ongerech­tigheid", "de gerechtigheid Gods" bevestigt (3:5), en dat Zijn "waarheid" helderder schijnt tegen een achtergrond van "mijn leugen" - "tot Zijn glorie" (3:7). Het is ook waar, dat Gods genade wordt verheerlijkt door de zonde van de mens, speciaal omdat "waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest" (5:20).

Het spreekt daardoor vanzelf en is ook juist, dat als wij Gods genade voor zondaars bezien, en in het bijzonder aan de grootste der zondaars, wij zouden moeten uitroepen, "Hoe barmhartig en liefdevol is onze God!". Maar volgt hier dan uit dat we zouden doorgaan met te zondigen, zodat Zijn genade nog meer overvloeiend zou zijn?

De gedachte alleen al staat de Apostel tegen, maar de leer moet worden ontzenuwd, want anders zou de genade kunnen worden omgedraaid in een toestemming om verkeerd te doen. De Apostel doet dit door zelf de vraag te stellen: "Hoe zullen wij nog in dezelve leven?" (6:2).

  MET CHRISTUS GEKRUISIGD

Waarlijk, de heiligste Christen is nog niet daadwerkelijk voor de zonde gestorven. Evenals Paulus bevindt hij de zonde nog levend in zich. Maar God heeft ons dood verklaard voor de zonde in Christus; Hij ziet de "oude mens" als zijnde "ge­kruisigd met Hem" (V.6), en dit is het meest belangrijk - en geeft de grotere reden aan, waarom wij niet zouden doorgaan in de zonde. De apostel vervolgt dan:

"Of weet gij niet[i], dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? (V.3).

  Zijn toon van verwijt sluit in, dat zijn lezers dit principiële feit dienden te weten. Niettemin zijn vandaag velen, ja, de meeste gelovigen, hiervan niet op de hoogte.

____________

1* Dit is de eerste van Paulus uitdrukking, "weet gij niet?". De andere vinden we in: Rom.6:16; 7:1; 1 Cor.3:16; 5:6; 6:2,3,9,15,16,19; 9:13,24; 2 Cor.13:5.

Zo dragen dan zijn woorden,"Weet gij dan niet?, 1900 jaren later, nog steeds de klank van verwijt voor hen die niet willen luisteren.

Vastbesloten om deze passage tot leerstuk te maken voor de waterdoop, verklaren velen dat het woord "in" in V.3 ver­taald had moeten worden met "tot".[ii]

  Wat "tot" Christus gedoopt zijn moge betekenen is niet duidelijk, maar wel duidelijk is, als we Schrift met Schrift ver­gelijken, dat het Griekse eis hier correct is weergegeven met "in". Wij zouden de zin van de taal van de Apostel beter aanvoelen door dit te vergelijken met 1 Cor.12;13, waar we lezen, dat wij allen "door[iii] één Geest in één lichaam gedoopt zijn". Zou eis hier dan met "tot" moeten worden vertaald? In Gal.3:27 is de zin even duidelijk, en ook weer met betrekking tot dopen. Daar verklaart de Apostel:"Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan."

Zou hij nog duidelijker hebben kunnen verklaren dat gelovigen nu in Christus zijn, omdat zij "in Christus gedoopt" zijn en zo "Christus aangedaan" hebben?

 Maar hoe werden wij in Christus gedoopt? Door geloof, zoals een vergelijking met het voorgaande vers aangeeft: "Want gij zijt allen kinderen Gods DOOR HET GELOOF IN CHRISTUS JEZUS. "WANT [niet "en"] zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan."

Als Rom.6:3 waterdoop leert, leert het duidelijk redding door waterdoop, zoals inderdaad velen beweren zo te zijn, maar volgens Gal.3:26,27 zijn wij "in Christus gedoopt" "door geloof in Christus Jezus."

_______________

2* Jaren geleden gebruikte de toenmalige Baptistenprediker van de schrijver dit argument, erbij voegend dat het Griekse eis in de Authorised Version van de Bijbel, 203 keer is ver­taald met "tot". Wat hij naliet te zeggen is dat het 563 keer vertaald wordt met "in"!

  3* "Door" is correct, want het Griekse en hier is in de betekenis van bemiddeling. De zin van de boodschap draagt dit ook uit. Het is verkeerd om te veronderstellen dat en zonodig "in" moet betekenen. Zie Matt.5:34, waar en ook correct is weergegeven met "bij".   

 Nauwkeurig dient te worden opgemerkt dat wij in Christus gedoopt zijn omdat wij, door geloof, gedoopt zijn in Zijn dood (V.3). Golgotha is altijd het ontmoetingspunt tussen Christus en de zondaar.

Wij moeten, als het ware, naar Golgotha om in geloof te bekennen: "Dit is niet Zijn dood die Hij sterft. De dood heeft geen aanspraak op Hem. Hij sterft mijn dood. "De ziel die zondigt, die zal sterven" (Ezech.18:20). "Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood" (Rom.5:12). "Want de bezoldiging der zonde is de dood" (Rom.6:23). "En de zonde voleindigd zijnde baart de dood" (Jak.1:15).

Onze Here zondigde nimmer; Hij had geen zonde om voor te sterven. Waarom hing Hij daar dan in smart en ongenade, Zijn levensbloed uitstortend, voor zonde die Hij nooit begaan had? Er is maar één antwoord, geliefde lezer: Hij stierf uw dood en de mijne.

U brengt hiertegen in, dat dit symbolisch en plaatsver­van­gend was, maar niet werkelijk? Laten we dit dan nog eens bezien: Was Zijn dood niet reëel? De geseling, het bespuwen, de doornenkroon, de kruisiging aan een hout - niet reëel? En was Zijn dood niet werkelijk onze dood, de voldoening voor onze zonden? Zeer zeker waren zij niet de voldoening van Zijn zon­den; Hij had geen enkele begaan. Zijn dood toen, als onze Plaatsvervanger, kan niet worden ondergebracht bij de "Mysteries" van de Rooms Katholieke Kerk; er is niets mystieks aan. Het is eerder heel reëel, ofschoon inderdaad gedeeltelijk  onderdeel van het grote "mysterie" of geheimenis, pas geopen­baard aan Paulus. En op het moment dat we ons vertrouwen als zodanig  stellen in Hem, als Degene die onze dood stierf, op dat ogenblik worden wij één gemaakt met Hem, "gedoopt in Zijn dood", en zo in Hemzelf.

 Dit is ook uiterst reëel. Toen Hij werd gedoopt in onze dood uit genade (cf. Luk.12:50), werden wij gedoopt in Zijn dood, door genade (Gal.3:26,27). Of, om het op een andere manier te brengen: Zoals Hij, uit genade, één werd met ons in onze dood, zo worden wij één met Hem in Zijn dood door geloof, - "gekruisigd met Hem"  (V.6; cf. Gal.2­:­20).

Niemand werd ooit in Christus gedoopt of met Hem één gemaakt, die niet erkende dat Christus naar Golgotha kwam om zijn plaats in te nemen, en te betalen voor zijn zonden.

De menselijke natuur tracht steeds om Gods ongeëvenaard plan tot redding binnen te dringen, en dit is de reden dat water moest worden ingevoegd in Rom.6:3,4. De passage noemt het woord water niet, maar millioenen mensen beweren dat het dat wel bedoelt.

Een ding is zeker: Maak dat Rom.6:3,4 de waterdoop leert en u hebt de passage van de ware bedoeling, kracht en heer­lijkheid ontdaan. Een van de grootste dwalingen in de geschiedenis der Kerk is geweest, de ontluistering van onze goddelijke doop in Christus door deze te veranderen in een religieus sacrament. Maar lees zoals het er staat, de passage brengt een van de kostbaarste waarheden van de Schrift naar voren, de waarheid van onze vereniging, ons ééngemaakt zijn met Christus.

Welk een antwoord heeft God gegeven op de vraag: "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?"

Hoe kunnen degenen die "dood zijn voor de zonde" onophou­delijk doorgaan met in de zonde leven? Zie toch de gezegende waarheid van Rom.6:1-3, en de rest van het hoofdstuk zal schitterend op haar plaats vallen.

BEGRAVEN EN OPGESTAAN MET CHRISTUS

Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heer­lijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. "Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding" (Rom.6:4,5).

Het is van allerhoogst belang op te merken dat de Apostel hier doorgaat met de vraag te beantwoorden, "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?" In V.4 gaat hij verder met aan te tonen dat als we met Christus zijn gekruisigd, we dan ook met Hem begraven en opgestaan zijn, om in nieuwheid des levens te wandelen.

Sommigen, die toegeven dat V.3 op de bovennatuurlijke doop slaat waardoor gelovigen één gemaakt zijn met Christus, houden niettemin vast dat V.4 betrekking heeft op de water­doop. Zij redeneren, dat vanwege onze kruisiging met Christus, wij daarom  "begraven moeten worden met Hem door [water] dopen.­.." Maar er zijn vele onoverkoombare bezwaren tegen dit standpunt.

1.De Bijbel verwijst nimmer en nergens naar begrafenis van gelovigen in water.[iv] Onderzoek de Schriften en zie.

2.Wij begraven de lichamen van onze geliefden niet in water, evenmin in Bijbelse tijden. Mensen werden begraven in de aarde, of in graftomben in de rotsen, maar niet in water.

3.W.G.T.Shedd stelt betekenisvol, dat "...het Griekse woord sunthapto[v] alleen toepasselijk is voor begraven in de aarde. Niemand zal dit vertalen met 'onderdompelen'.­ Wanneer iemand niet bekend is met de originele versie en dan vertaald leest over een 'begraven in de doop', of 'door dopen', komt alleen maar een begrafenis in water in zijn gedachten; een idee dat het Grieks uitdrukkelijk uitsluit... Zou sunthaptoe letterlijk zijn vertaald met 'bijgezet', in plaats van met 'begraven', dan zou deze tekst nimmer aangehaald zijn, zoals zo dikwijls gebeurd is, om te bewijzen dat Christelijk dopen 'onderdompelen' is".

4.In Hand.8:38 lezen we, dat Philippus en de Ethiopische kamerling beiden "afdaalden in het water, en hij hem doopte". Als deze passage bewijst dat de kamerling werd ondergedompeld, zoals velen denken, bewijst dit dan ook niet dat Philippus tegelijkertijd "kop onder ging"? De passage stelt: "Zij gingen beiden in het water, zo Philippus als de kamerling". Kan "in het water" hier, zo uitgelegd worden dat het betekent "onder water"? Toch gebruiken onze onderdompelende vrienden deze passage om hun theorie omtrent "begrafenis in water", te bewijzen.

____________

4* Er dient niet te worden aangenomen dat het woord dopen in de Schrift altijd slaat op waterdopen. Enkele andere Bij­belse dopen zijn: in, of met, de Heilige Geest (Matt.3:11), in vuur (Matt.3:11), in de dood (Luk.12:50), "in de wolk en in de zee" (1 Cor.10:2), in Christus (Rom.6:3; Gal.3:27; Col.2:12), en in het Lichaam van Christus (1 Cor.12:13).

 5* Wij geloven dat hij bedoelde thapto. Sunthapto betekent "begraven "samen met", zoals in Rom.6:4.     

 5.  Rom.6:4 stelt niet dat gelovigen begraven worden gelijk Christus; het stelt dat zij begraven zijn met Hem. Het voorvoegsel sun (Gr.) maakt het duidelijk tot een " mede-

     begra­fenis". Door geloof zijn zij verenigd met Christus in Zijn dood, begrafenis en opstanding (Rom.6:6; Col.2:10-12).

6.  Als de gelovige "met Christus gekruisigd" is, en "opgestaan om te wandelen in nieuwheid des levens" op het moment dat hij zijn geloof op Christus vestigt, wanneer wordt hij dan "begraven met Christus"? Is het mogelijk voor een geestelijke om iemand die reeds werd "opgewekt met Christus", te "begraven met Christus"? Zou het niet vreemd en onlogisch zijn als, na het schenken aan ons van opstandingsleven in Christus, God ons nu zou vragen om te worden begraven door een geestelijke!  

7.  Wanneer iemand wordt "opgewekt" vanuit de waterdoop, is dan de "oude mens" wel echt begraven? En is het werkelijk de "nieuwe mens" die is opgewekt om "te wandelen in nieuwheid des levens"? Komen dan niet echt beiden, de oude en de nieuwe naturen op uit het water van de doop net als zij er ingegaan zijn?    

8.  Als Rom.6:4 waterdoop bedoelt, leert zij dan niet water­doop tot redding?

 Het is dus duidelijk dat de Apostel in Rom.6:4 doorgaat met zijn argument uit V.3. Zoals de gelovige is "gekruisigd met Christus", "gedoopt in Zijn dood", is hij begraven en opgestaan "met Hem", door dezelfde bovennatuurlijke doop - waardoor hij ook "samen met Hem" wordt verheerlijkt (Eph.2:5­-6).     

Col.2:10-12 brengt deze zelfde waarheid van onze dood, begrafenis, en opstanding met en in Christus. Daar gaat de Apostel, onder het hoofd, "Gij zijt volmaakt in hem" (V.10) voort met te verhelderen:

V.11: "In Wie gij ook zijt besneden..." [Dood naar het vlees].

V.12: "Begraven met Hem in de doop..."

V.12: "waarin gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof in de werking van God..."

Zo is dus de "nieuwheid des levens" waar in Rom.6:4 naar wordt verwezen, een mede deel hebben aan Christus' opstandingsleven. Dit is de verklaring van het verlangen van de Apostel, uitgedrukt in Phil.3:10,11, te "kennen...de kracht van Zijn opstanding" en zo te "komen tot de opstanding uit de dood" (Cf.Rom.8:11; Eph.1:19,20).    

In Rom.6:5 spreekt de Apostel Paulus daarom eerder logisch dan chronologisch. Zijn onderwerp is niet onze toekomstige opstanding, maar het tegenwoordige opstandingsleven, hetgeen wij nu hebben in Christus.

De menselijke natuur is zo vastbesloten om enig deel te hebben in deze hele transactie, dat sommigen zelfs in dit vers de waterdoop lezen, door te beweren, dat we in de waterdoop een "gelijkenis" hebben van onze begrafenis en opstanding met Christus. Maar een zorgvuldig lezen zal aantonen dat het woord "gelijkenis" wordt gebruikt in de zin van "gelijkheid". Het vers toont helder aan dat we "samen ingeplant" werden, d.i. met Christus samen ingeplant werden, dezelfde dood gestorven zijn, - Zijn dood - en daardoor ook delen in dezelfde opstanding, - Zijn opstanding.

 BEGRAAF DAT LICHAAM!

"Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde zouden dienen. "Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. "Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; "Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. "Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. "Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Here" (Rom.6:6:6-11).

 Paulus' manier is altijd: eerst leren, dan de toepassing. We vinden dit zelfs binnen gedeelten van zijn brieven. Hier is het: "...onze oude mens is met Hem gekruisigd, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan [vernietigd] zou worden, opdat wij niet meer de zonde zouden dienen" (V.6).

In de bredere contekst is het hetzelfde. De "oude mens" werd gekruisigd en begraven met Christus; neemt dit aan in geloof en begraaf dat "dode lichaam" - praktisch [werkelijk, dagelijks ervarend]. We hebben deze gedachte ook in Col.3:9,10 en Eph.4:22,24. De eerste passage stelt, "gij hebt uitgedaan de oude mens...en de nieuwe mens aangedaan..." terwijl de andere uitroept, "...legt af...de oude mens...en...doet aan de nieuwe mens...". De eerste wijst op een positioneel feit, de andere op de praktische toepassing van dat feit.

Waarom werd dan de "oude mens" met Christus gekruisigd? Het antwoord luidt, "opdat het lichaam der zonde[vi] vernietigd zou worden (V.6), d.i. dat de "corpus" begraven zou worden.

Vele ernstige Christenen streven er altijd naar om de oude natuur te verbeteren. Hun gedachten draaien daar altijd om. Zij injecteren psychologische medicijnen, proberen die met alle wilskracht, zij blazen dit op, zij streven en bidden om verbetering, terwijl God zegt, dat de "oude mens" "ter dood is gebracht in Christus en nu dient "gerekend...inde­rdaad dood" te zijn (V.11) en begraven (V.6), waarbij de "nieuwe mens" "leeft voor God"! Hoe bedroevend dat zo vele vrome Christenen voor altijd hun zondige staat betreuren, en daarbij de glorie­rijke standing ontkennen, die God ons zo genad­ig in Christus geschonken heeft!

Het pad naar verlossing van zonde is dan niet werken; het is geloof. God zegt dat we ophouden met "de zonde te dienen", als we Hem op Zijn Woord nemen, en ermee "rekenen" dat de "oude mens" "inderdaad dood" is.

Het is waar, dat naar ervaring "het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees", omdat "deze tegen elkan­der staan" (Gal.5:17), maar het geheim van overwinning in deze strijd ligt niet in vechten, maar in een waardering van het feit, dat de strijd voor ons door Christus reeds gewonnen is, dat Hij onze dood stierf, zodat wij nu ons "oude zelf" "begraven" als het ware, hem vergeten, en alle aandacht vesti­gen op Chris­tus en ons nieuwe leven in Hem.

De strijd met de oude natuur is vruchteloos. Worstel met een schoorsteenveger en u zult alleen maar zwart worden. We behoeven - en moeten -  ons niet bezighouden met de "oude mens", maar dienen liever God op Zijn Woord te nemen voor wat betreft de dood van de "oude mens", en ons verblijden dat we "voortaan" niet langer de "zonde dienen [slaven zijn]" (V.6), omdat "hij die dood is, bevrijd is van zonde" (V.7) (conform Phil.3:13,14).

In V.8 spreekt de Apostel weer logisch eerder dan chronologisch. Zijn onderwerp is niet de toekomstige opstanding der doden, maar ons nieuwe leven in Christus. Eén wordend met Christus in Zijn dood, worden we ook één met Hem in Zijn opstanding. Onze Here zal nimmer meer sterven; dood is niet Zijn meester (V.9). "Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven[vii]; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode" nimmer meer te sterven (V.10; Openb.1:18).

 Voordat we deze passage verlaten, dient hier te worden opgemerkt dat we niet alleen onszelf inderdaad dienen te rekenen als "dood voor de zonde", maar ook "levend voor God, door Jezus Christus onze Here" (V.11). Zoals we "gedoopt zijn in Zijn dood" zijn we ook opgestaan met Hem "om te wandelen in nieuwheid des levens" (V.4). God helpe ons om met Christus en ons nieuwe leven in Hem bezig te zijn! Zo staat het verlossingswerk van Christus terwille van de zondaar, tussen de gelovige en zijn zonden in (1 Cor.15:3; Eph.1:7), tussen de gelovige en zijn zonde (2 Cor.5:21), en tussen de gelovige en zijn zondigen (Rom.6:1-14).

 LEVEN UIT DE DOOD

 "Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerten van dat lichaam. "En stelt uw leden niet voor de zonde tot wapens der ongerechtigheid; maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en stelt uw leden voor God tot wapens der gerechtigheid. "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade." - Rom.6:12-14.

__________

7* Hier is het woord "eenmaal" benadrukt. Het Griekse woord voor "eenmaal" is hapax, maar hier is het voorvoegsel ep toegevoegd: ephapax betekent "eens en nooit meer", of "eens voor altijd". Hoe krachtig bestrijdt dit de Rooms Katholieke leer van "eeuwige" offering van "het vlees en bloed van Chris­tus" in het Sacrament van de Mis! (Zie ook Hebr.9:25-28; 10:10-14).

Zoals de sleutelwoorden tot het eerste gedeelte van Rom.6 zijn, "geloof" en "reken" (V.8,11), zo zijn de sleutelwoorden tot het verdere gedeelte "Laat dan...stelt niet" (V.12,13).

Het eerste gedeelte van het hoofdstuk concentreert zich voor­namelijk op het hart, "want met het hart gelooft men" (10:10), maar het verdere gedeelte gaat hoofdzakelijk over de wil, want we zijn nu gekomen van het geheim van goddelijk leven, tot de praktische toepassing van dat belangrijke geheim.

Let op de woorden, "Laat niet" en "sterfelijk lichaam" in V.12. Omdat wij nog steeds "wachten op...de verlossing van ons lichaam" (8:23), mogen we ons verheugen dat het oude "ikzelf" werd "gekruisigd met Christus". We zijn hem niets verplicht, evenmin dienen wij aan zijn begeerten toe te geven. Met andere woorden, de Apostel zegt eigenlijk: "U hebt door geloof aan­vaard wat God zegt over uw zonden en uw oude natuur, weiger daarom uw ledematen "als instrumenten der ongerechtigheid tot zonde" te doen fungeren.

Maar hoe is dat tot stand gekomen? Het antwoord is, door 'het positieve te accentueren": "...maar stelt[viii] uzelf voor God, als uit de doden levend geworden, en stelt uw leden voor God als wapens [instrumenten] der gerechtigheid" (V.13).

Dit is inderdaad operatief leven, en de enige praktische oplossing van het probleem van de zonde in onze ledematen. Het gaat positief tegen het negatieve in. Het stemt overeen met wat de Apostel zegt in Gal.5:16: "Dit zeg ik: Wandelt door de Geest en volbrengt de begee­rten van het vlees niet."

Velen veronderstellen dat wandelen in de Geest iets mystieks is. Zij zouden zonden willen overwinnen door te proberen geestelijk te gevoelen. Maar Paulus' mening is eer­der, "Wees bezig met de zaken van de Geest" d.i. onderzoek het Woord, besteedt tijd in gebed, verblijdt u in uw hemelse positie en zegeningen, getuig voor Christus, etc. Als deze zaken uw belangstelling hebben zal zonde nauwelijks enige plaats vinden. Toen de auteur als jongen klaagde dat hij leefde om te hard te werken, antwoordde zijn moeder: "Oh, dat is juist goed. Het houdt je bij de ondeugd vandaan!" Zij had gelijk en wij, haar kinderen, zullen nooit ophouden om God te danken dat onze ouders ons goede, opbouwende dingen te doen gaven, "om ons van de ondeugd weg te houden!" "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade" (V.14).Onze "ledematen", onze handen, voeten, ogen, tongen, zijn allemaal bevlekt door zonde, maar de besmetting behoeft niet ongestoord door te gaan. Wij zijn niet onder de heerschappij van de zonde; zij "regeert" niet zoals vroeger (Rom.5:20,21). De Apostel zegt in Gal.2:19:

"Want ik ben door de wet aan de wet gestorven, opdat ik voor God leven zou." De oude "ikzelf" is reeds wegens zonde gestorven en om te zondigen in Christus, dus heeft de zonde niet langer recht op ons. En - verwonderlijke genade! - God wil graag deze arme, bevlekte lichaamsdelen gebruiken als "wapenen [instrumenten] der gerechtigheid", als wij onszelf aan Hem overgeven (V.13).

De wet zegt:"Jij bent een zondaar en jij moet sterven", maar genade zegt dat "Christus voor onze zonden is gestorven" (1Cor.15:3). Hij stierf onze dood, en wij zijn met Hem door­gedrongen  tot opstandingsleven en een stand in genade. De Wet is de grote Aanklager, altijd de doodstraf eisend - en de Wet heeft altijd gelijk, want "de prikkel van de dood is zonde, en de kracht van zonde is de wet" (1 Cor.15:56).

"Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus" (1 Cor.15:57). "Opdat, zoals de zonde geheerst heeft tot de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Here" (Rom.5:21).

"Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam ...en stelt uw leden niet voor de zonde...WANT DE ZONDE ZAL OVER U NIET HEERSEN; WANT GIJ ZIJT NIET ONDER DE WET, MAAR ONDER DE GENADE" (Rom.6:12-14).

Wat een antwoord op de vraag: "Zullen wij in de zonde blij­ven, opdat de genade toeneemt?"!

___________

8*/ Het zelfde woord wordt in Rom.12:1 vertaald met "pre­sent", maar wij gevoelen dat hier, op zijn minst, de Author­ized Version met yield  [toegeven] een juistere weergave van de zin geeft.

WIENS SLAAF BEN IK?

Voordat we V.15-23 in detail beschouwen, zouden we de twee lijnen van de waarheid dienen op te merken die door het hoofdstuk lopen met betrekking tot de bevrijding van de gelo­vige van de zonde.

In de eerste plaats werd de gelovige juridisch, positio­neel verlost van binding aan zonde:

6:7:         "...wie gestorven is, is gerechtvaardigd [bevrijd]"

6:18:  "En vrijgemaakt van de zonde..."

6:22: "...van de zonde vrijgemaakt..."

6:14: "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade."

6:17: "Maar God zij dank, dat gij wel dienstknechten van de zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld van de leer, waartoe gij overgegeven zijt."

6:20: "...toen gij dienstknechten waart van de zonde..."

Uit deze passages komt duidelijk naar voren dat in Gods oog, positioneel, de gelovige bevrijd is van de band der zonde.

Helaas toont dit hoofdstuk ook het feit dat de gelovige zich praktisch kan overgeven aan de slavernij van de zonde:

6:12: "Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam..."

6:13: "En stelt uw leden niet voor de zonde..."

6:16: "...aan wie gij uzelf stelt tot dienstknechten om te gehoorzamen, gij dienstknechten zijt van hem die gij ge­hoorzaamt..."

6:19: "Ik spreek op menselijke wijze, om de zwakheid van uw vlees...".

Aan de "vleselijke" Corinthische gelovigen somt Paulus op: hoereerders... overspelers... dieven... dronkaards" en dergelijken als degenen die uitgesloten worden van "het koninkrijk Gods"

 (1 Cor.6:9,10), en hij zou gezegd kunnen hebben, "en sommigen van jullie zijn zo", want sommigen van deze falende Christenen hadden zich overgegeven aan de grootst mogelijke onzedelijkheid. Maar dit zei hij niet. Hij zei eerder, "En dit waren sommigen van u", en voegde er aan toe: "...maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de Naam van de Here Jezus, en door de Geest van onze God." (V.11).  

Zo maken de Schriften, en speciaal de Brieven van Paulus, een scherp onderscheid tussen de houding van de gelovige en zijn staat, tussen zijn positie en zijn toestand.    

Tenzij deze beide lijnen van waarheid in de gedachten zijn opgenomen, zal het onmogelijk zijn de hoofdstukken 6-8 van de Brief aan de Romeinen te verstaan. Laten we dan zo Rom. 6:­15-23 op de keper beschouwen.

 "Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade. Dat zij verre. "Weet gij niet, dat aan wie gij uzelf stelt tot dienst­knechten om te gehoorzamen, gij dienstknechten zijt van hem die gij gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? Maar God zij dank, dat gij wel dienstknechten van de zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld van de leer, waartoe gij overgegeven zijt. "En vrijgemaakt van de zonde, zijt gij dienstknechten van de gerechtigheid geworden. Ik spreek op menselijke wijze, om de zwakheid van uw vlees; want zoals gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn aan de ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn aan de gerechtigheid, tot heiliging.

 "Want toen gij dienstknechten waart van de zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid. "Welke vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood. "Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt gij uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven. "Want het loon van de zonde is de dood, maar de genade gave van God is het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Here." -Rom.6:15-23.

 Wat tracht de gevallen menselijke natuur toch altijd weer zonde te verontschuldigen! In V.1 was het,

"Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?" Hier is het, "Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Paulus antwoordt in beide gevallen met

een berispend "Weet gij niet?[ix] Hier zegt hij:

"Weet gij niet, dat aan wie gij uzelf stelt tot dienst­knechten[x] om te gehoorzamen, gij dienstknechten zijt van hem die gij gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?" (V.16).

De slavernij wordt in geen geval toegestaan in Amerika of ergens anders. Miljoenen zijn slaven van de begeerten van het vlees. Bij het schrijven van dit boek getuigt Amerika een van de grootste toonbeelden van zulke slavernij te zijn. Al­coholisme, sigarettenroken, doping, seksuele perversie en andere vormen van gezondheidsvernietigende gewoonten hebben miljoenen aan zich verslaafd. Eens werd roken beschouwd als een lichte "slechte gewoonte", waaraan zelfs sommige Christenen deelnamen. Maar nu is overtuigend bewezen, en wereldkundig gemaakt, dat het roken van sigaretten verband houdt met verschil­lende vormen van kanker en met andere soorten van lichamelijke ziekten. Op alle sigarettenpakjes moet wettelijk een gewetens­volle advertentie staan met de waarschuwing dat het roken gevaarlijk is voor de gezondheid. Maar is de verkoop van Sigaretten minder geworden? Zijn de grote tabaksfabrieken zonder afzet gekomen? Verre van dat! Hun verkopen nemen nog toe. Waarom? Eenvoudig omdat dit kleine kruid mannen, vrouwen en jonge mensen tot slavernij voert. Zelfs jonge Christenen ontdekken dat men "het roken niet kan laten". Mark Twain bekende dit openlijk met zijn grap: "Ik weet zeker dat ik het roken kan laten, ik heb het in feite reeds zo'n duizend keer gedaan".

 Goddank, er is bovennatuurlijke kracht beschikbaar voor de gelovige om bevrijding te vinden uit deze gebondenheid. De boeien vallen weg als we onszelf overgeven aan God als Zijn slaven. Maar let wel, het is het een of het ander. "Dienst­knechten zijt gij van hem die gij gehoorzaamt; zij het van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid" (V.16).

In de brieven van Paulus wijst "dood" niet altijd op eeuwige dood, of "de tweede dood". Soms wordt het woord gebruikt in vergelijkende zin met de Christelijke ervaring. Als de gelovige zijn leven overgeeft aan God, zal hij groeien en bloeien; indien niet dan zal hij verdorren en sterven - voor zover het zijn Christelijke ervaring betreft. Vandaar zulke passages van Paulus aan de gelovigen als de volgende: Rom.8:6:

"Want wat het vlees bedenkt is de dood, maar wat de Geest bedenkt is het leven en vrede." Gal.6:8: "Want wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf maaien; maar wie in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien."

Opgemerkt dient te worden dat deze Romeinse Christenen, eens slaven der zonde, nu "van ganser harte gehoorzaam geworden waren aan het voorbeeld van die leer", die hij hun had overgeleverd. "Vrijgemaakt van de zonde" waren zij "dienstknechten van de gerechtigheid" geworden (V.17,18).

Het dient te worden gezegd, dat zij "vrijgemaakt waren van zonde" (positioneel, "in Christus") door "hartelijke" gehoorzaamheid aan de door Paulus verkondigde "leer".

 Het woord "leer" hier wordt ook gebruikt in 2 Tim. 1:13, waar de Apostel zegt: "Houdt tot voorbeeld [leer] de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt..."

 _____________

9* Niet dat zovelen van de Romeinse gelovigen zonodig vrijheid zochten om te zondigen, maar eerder dat de oude natuur, zelfs de religieuze zondige natuur, zo geneigd is tot bovenstaande conclusies te komen. Hoeveel relgieuze mensen hebben Paulus' grote boodschap van genade tegengestaan met te zeggen, "Als je de mensen vertelt dat je niet onder de Wet bent maar onder de genade, geeft hen dat vrijheid om te zondi­gen".

 ----

10* Dit is het bekende Griekse woord doulos, "slaaf" of "dienstknecht", hoewel het veel gebruikt wordt voor onder­danig, los van gedwongen slavernij.                                              

Dit legt grote nadruk op de belangrijkheid van de door God aan Paulus voor ons gegeven boodschap, en zij wijst op het feit dat God door hem nieuwe openbaringen aan het licht gebracht heeft. Dit is, zoals we reeds gezien hebben, zo bijzonder vanwege de dood en de opstanding van Christus.

Paulus' "prediking van het kruis" is een grote stap vooruit op hetgeen Petrus op Pinksteren zei met betrekking tot het kruis. Daar beschuldigde Petrus zijn toehoorders van de dood op Christus en smeekte hen: "Bekeert u, en laat een ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden..." (Hand.2:38).

 

Maar Paulus' "prediking van het kruis" was de verkondiging van haar alvoldoening, niet alleen om van zonden te redden, maar om de gelovige één met Christus te maken en hem zo door te voeren tot opstandingsleven en een positie in de hemel ter rechterhand Gods.

Op dezelfde manier was Paulus' prediking van de opstanding van Christus een grote voortgang op Petrus' prediking op Pinksteren van de opstanding. Op Pinksteren waarschuwde Petrus zijn toehoorders dat Degene die zij hadden gekruisigd weer leefde (Hand.2:32,36,37), terwijl Paulus de opstanding verbindt met onze rechtvaardiging (Rom.4:25) en verklaart dat gelovigen met Christus zijn opgestaan en gesteld zijn om Zijn opstandingsleven te delen (Eph.2:5,6; Rom.6:4).

 De Apostel bemoedigt dan ook Timotheus met betrekking tot de opstanding van Christus in 2 Tim.2:7-9, als volgt: "Merk, wat ik zeg; doch de Here geve u verstand in alle dingen. "Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit het zaad van David is, naar mijn Evangelie, "waarin ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden."

Hoe gezegend nu de "nieuwe slavernij" onder de gerechtigheid is wijst de Apostel opnieuw aan. Onder uitleg waarom  hij het beeld van slaaf en meester heeft gebruikt, zegt hij in Rom.6:19: "Ik spreek op menselijke wijze, om de zwakheid van uw vlees; want zoals gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn aan de onreinheid en aan de ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn aan de gerechtigheid, tot heiliging."

 Hij wist heel goed dat in de gelovige de band aan de zonde voortkomt uit de zwakheid van het vlees, dat totaal bedorven is (V.19; cf. 8:3). Maar, we zijn daadwerkelijk verlost van de heerschappij van de zonde als wij onze ledematen tendienste stellen van "gerechtigheid, tot heiliging"[xi].

 Paulus kende de zegen van deze goddelijke gebondenheid. Hij verduurde vele ontmoedigingen in het werk van de Here, en zou wel duizend keer hebben opgegeven, maar dat kon hij niet. "De liefde van Christus" zo zei hij, "dringt ons" (2 Cor.5:14). Niet zijn liefde tot Christus, maar de liefde van Christus voor hem en voor allen, droeg hem verder als een stroomgetijde, zodat hij niet op kon houden met mensen te smeken om met God verzoend te zijn, Die, in oneindige liefde, "Hem [Christus] tot zonde gemaakt heeft, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Cor.5:20,21).

Dit is wat "onder genade" betekent, dat "genade heerst" "in onze sterfelijke lichamen". Het is de band der liefde en dankbaarheid, de slavernij van een dankbaar, aanbiddend hart.

"Want toen gij dienstknechten [slaven] waart van de zonde", zegt de Apostel, "waart gij vrij van de gerechtigheid". Gij roemde dat ge u niet behoefde  te onderwerpen aan Gods eisen.

U zei: "Ik doe waar ik zin in heb", niet realiserend dat zonde u overheerste. Bovendien vraagt de Apostel: "Welke vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood" (V.21).

Wat is dit een belangrijke vraag, die iedere ongelovige zichzelf zou dienen te stellen. Wat is de vrucht van mijn dienst aan de zonde? Het is, nu gezien, "schande", zegt de Apostel, en tenslotte, de dood. "De bewegingen der zonde...werkten in onze leden, om voor de dood vruchten te dragen" (7:5).

"Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt gij uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven" (6:22).

________

11*\ "Heiliging" is geen zondeloosheid; het betekent apart gesteld voor God. Zo brengt dus gebondenheid aan God en gerechtigheid ons dicht bij Hem in een gezegende relatie - en dit is het wat ons bevrijdt van de tirannie van het vlees.

  Hoe prachtig! De vrucht van onze dienst voor God is thans, "heiliging". Door Gods wil te doen worden wij dichter bij Hem gebracht; wij komen tot meerdere intieme kennis van Hem en tot meer ervaring van Zijn liefde. "...en het einde [tenslotte], HET EEUWIGE LEVEN", alles door Zijn uitnemende genade! En dit contrast kan niet scherper tot uitdrukking worden gebracht dan zo als het staat in het laatste vers van dit gedeelte:

 "Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is het eeuwige leven door Jezus Christus, onze Here" (V.23).

 Spreekt dit geen boekdelen vol met betrekking tot het contrast tussen slavernij der zonde en slavernij tot God? "Het loon van zonde" - en dit is inderdaad zeer hoog - "dood", maar Gods genadegave - ach, daar kan het loon van de zonde niet mee worden vergeleken! - "eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Here."

En zo besluit de Apostel zijn antwoord op de vragen: "Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?" en "Zullen wij zondigen , omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade?" (V.1,15). In deze redenering tenslotte licht hij ons verder in over de "vrucht" en het resultaat, "het einde" van zo'n loop. De vraag, "Waarom kunnen wij dit niet doen of dat niet doen? moge het begaan van zonde wellicht een schijn van vreugde in vrijheid geven, maar reeds sinds heel lang veroorzaken deze vragen klachten zoals, "Ik kan er niets aan doen; ik kan er niet mee stoppen".  

Zonde waarin men geraakt, zijn als de ketting die eens een Romeinse tiran opdracht gaf aan een smid om die te maken voor hemzelf. "Maak ze langer" beval de Keizer elke keer dat de smid voor hem verscheen. 'Doe er nog meer schakels aan, zij moet langer, veel langer worden" totdat hij tenslotte zover was dat de arme kerel, gebonden, bijna smoorde in de kettingen van zijn eigen smeedsel en zo in het vuur werd geworpen.    

Goddank zijn wij, die ons vertrouwen gesteld hebben in Christus, niet langer onder de heerschappij van zonde. Wij behoeven niet te buigen op haar bevelen. Wij zijn met Christus gekruisigd en opgestaan om te wandelen in nieuwheid des levens, om een andere Meester te dienen - "en het einde, het eeuwige leven!"

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011