De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  V  

R O M. 5:6-21

DE DOOD VAN CHRISTUS VOOR ONS GEZIEN VANUIT DE BEDELING VAN GENADE

HET ANTWOORD OP DE HULPELOOSHEID VAN DE MENS,

ZIJN ZONDE, EN ZIJN EIGENWILLIGHEID

"Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. "Want nauwelijks zal iemand voor een recht-vaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. "Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. "Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden dood Zijn leven. "En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onze Here Jezus Christus, door Welken wij de verzoening gekregen hebben." - Rom.5:6-11.

HET PERSOONLIJK ASPECT

In de bovenstaande passage lezen we drie maal dat Christus voor ons stierf, en de les is progressief.

V.6: "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is.... voor de godelozen                   gestorven."

V.8:"...dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

V.10"...vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon."

In onze hulpeloosheid, in onze zonde, ja, in onze eigenwilligheid, stierf Christus voor ons.

1.  "Toen wij nog krachteloos waren" (V.6).

Rom.5:6 toont de ongelovige als iemand zonder God, en als zodanig, helemaal hulpeloos. Hij kan zichzelf niet bevrijden uit zijn gevallen staat. Hij kan zijn boze hartstochten niet de baas. Hij kan de gevolgen van zijn zonde niet te boven komen. Zonder God is hij "krachteloos".

Maar Christus stierf Goddank voor zulken. "Toen wij nog krachteloos waren, stierf Christus te Zijner tijd voor de goddelozen." In eindeloze genade nam Hij de plaats in van volstrekte krachteloosheid - de dood - met en voor ons, opdat Hij ons erdoor heen zou brengen met Hem, tot opstandings leven en kracht.

Veel mensen willen hun morele en geestelijke hulpeloosheid niet bekennen, maar de liederen-schrijver was oprechter toen hij schreef: "Mijn beloften kwam ik niet na".

Ook lichamelijk zijn we zo hulpeloos, dat wij iedere nacht ons nachtgoed aan trekken en in een bed gaan liggen, een meubelstuk dat speciaal voor dit doel is gemaakt, en ons overgeven aan bewusteloosheid, onze levens slechts beschermd door Gods hand. Ongeveer acht van de vier en twintig uren moeten wij ons geheel aan Gods zorg toevertrouwen. Dan op het laatst komt de dood, wanneer we in volstrekte hulpeloosheid ons leven zelf opgeven. De lijst van voorvaderen in Gen.5 vermeldt 5 leeftijden van meer dan 900 jaren, maar bij ieder geval zijn de slotwoorden, "en hij stierf".

Maar los van dit alles, is de hemel de verblijfplaats van God, en het is aan Hem te bepalen of en hoe wij zullen worden toegelaten. Hij doet dit genadig in Rom.5:6, waar Hij zegt: "Toen wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven."  Alleen als wij dit in geloof aannemen, mogen wij "roemen in de hoop op de heerlijkheid van God" (4:25; 5:1,2).

Maar de passage zegt, dat "toen wij nog krachteloos waren, te Zijner tijd Christus voor de goddelozen stierf", en als mensen weigeren hulpeloos genaamd te worden, zij zeker in het algemeen niet zullen waarderen "goddeloos" genoemd te worden. Tot hen zeggen wij, dat naar de kerk gaan, filantropie, liefde voor het gezin, financiële integriteit, en al deze goede dingen u niet goddelijk maken. Indien ik u zou introduceren bij een vriend als "een goddelijk persoon", zoudt u dan niet in verlegenheid geraken? Toch bent u beledigd als ik u goddeloos zou noemen.

Maar Rom.5:6 bevat wonderbaar nieuws voor degene die zijn goddeloze staat wil erkennen: "Christus stierf voor goddelozen," niet voor enigen  van de goddelozen, of voor een uitverkoren aantal, maar "voor de goddelozen". Hieruit volgt, dat elke ongeredde, goddeloze lezer van deze regels Gods Woord mag geloven en zeggen, "Christus stierf voor MIJ."

2. "Als wij nog zondaars waren" (V.8).

  Zonde is ernstiger dan hulpeloosheid. Een goede rechter moet zonde veroordelen en een volledige straf ervoor eisen. "Maar God bevestigt Zijn liefde tot ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren." Zo ook eiste God de juiste straf voor de zonde toen Hijzelf, in onuitsprekelijke liefde, Zelf de schuld betaalde!

  De daarop volgende context maakt deze tekst nog kostbaarder: "Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook willen sterven" (V.7).

Strikt eerlijke mensen worden gewoonlijk door het minder rechtvaardige volk voor slecht aangezien, maar toch, voor "een goed mens", een vriendelijk, vrijgevig, eerlijk mens, "zouden - sommigen - wellicht, er over denken om te sterven."

"Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren" (V.8).

Welk een liefde! Hoewel onze zonden als een berg voor ons oprijzen, behoeven wij niet te wanhopen, want iedere Christen   gelovige kan getuigen met de woorden van Paulus, de voornaamste der zondaars (1 Tim.1:15), dat "toen wij nog zondaars waren, Christus voor ons gestorven is". Hij stierf voor ons in onze zonde.

Tot de lezer die ontkent een zondaar te zijn, zouden wij willen zeggen, "Vast en zeker bent u de enige die dat denkt! Of denkt u te lichtvaardig over zonde? Veronderstelt u dat alleen dronkaards, hoeren en criminelen zondaars zijn, maar niet de eigengerechtigden? Bedenk dan dit eens: God gaf Zijn enig Kind, Zijn innig geliefde Zoon, om schande en dood te ondergaan voor u, en u weigert Zijn geschenk - en de liefde voor zo'n grote prijs, die hierin ligt opgesloten. Brengt u ertegen in, dat u dit geschenk niet afwees, dat u er niets mee te doen heeft? Nonsens! Als ik u een kostbaar geschenk zou aanbieden dat u heel erg nodig heeft, en u zou helemaal niet reageren, zou u dan, door dat geschenk niet te accepteren, mij beledigen? Nu dan, geven de liefde, die u leven aanbiedt door Christus, de Persoon van de Gever, en de oneindig grote kostbaarheid van het geschenk, dan niet het bewijs dat u wegens uw "niets ermee te doen hebben", Gods grote geschenk afwijst, en Hem ten diepste beledigt?

  Maar als u het geschenk in geloof aanneemt, zal het volgende vers bewijzen zeer waardevol voor u te zijn: "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn" (V.9).

  Welk een rustige zekerheid moeten wij toch hebben als we bedenken dat Christus voor ons, als zondaars, stierf. Zo dan, "gerechtvaardigd" door Zijn bloed", zullen wij vast en zeker bewaard worden voor de komende toorn door Hem Die de prijs betaalde voor onze verlossing.

  3. "...indien wij, vijanden zijnde" (V.10). Denk eens na! God heeft zelfs goed nieuws voor ons in onze eigenwilligheid, onze vijandschap tegen Hem! "Vijanden zijnde", zegt Paulus, "met God verzoend door de dood Zijns Zoons".

Hier horen we bijna een lezer opmerken: "As je me nou, beschuldig mij niet van een vijand van God te zijn. Ik ben een godsdienstig mens, ik ga geregeld naar de kerk, ik geef zelfs aan de kerk". Ach, maar God zegt niet dat de ongereddenen niet religieus zijn. Misschien zijn wel 999 van de 1000 religieus. Het punt is, dat door uw goddeloos, zondig leven, en zeer zeker door het afwijzen van Gods geschenk van redding, u uzelf tot een vijand van God gemaakt hebt. U mag misschien geen vijand tegen de "God" zijn die u zelf in uw gedachten hebt gevormd, maar u bent wel een vijand tegen God, de God van de Bijbel.

Toch, ondanks dit alles, zendt God nog steeds Zijn ambassadeurs naar al Zijn vijanden overal - "door de dood van Zijn Zoon." Bedenk dat eens! Wij, die geloven, zijn verzoend met God, niet door enige poging tot betaling door ons aangeboden om God tevreden te stellen, maar "door de dood van ZIJN Zoon". Hij droeg de vijandschap toen Zijn eigen schepsels Hem bespotten, in Zijn gezicht spuwden en Hem aan het hout nagelden. Dit is inderdaad genade! En dit is niet alles, want de hele passage luidt: "Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, VEEL MEER zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.

"En niet alleen dit, maar wij roemen [verheugen ons] ook in God, door onze Here Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben" (V.10,11).

De redenering van deze passage is, dat als wij, als Zijn vijanden, verzoend werden met God door de dood van Zijn Zoon, wij veel meer "verzoend zijnde", ervan verzekerd mogen zijn, dat onze levende Redder ons veilig zal bewaren. En niet alleen zijn gelovigen veilig in Christus, maar ondertussen "verheugen wij ons [roemen] in God door onze Here Jezus Christus, door Wie wij nu ontvangen hebben", niet alleen hulp in onze hulpeloosheid, of de vergeving van onze zonden, maar "de verzoening" waardoor wij dichter bij God gebracht zijn, en ervaren Zijn liefde jegens ons.

HET HISTORISCH PERSPECTIEF

"Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben, "Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. "Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou. "Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van één, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van één mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. "En niet, gelijk de schuld was door de één, die gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit één misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking. "Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien énen, veel meer zullen degenen, die de overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.

"Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardig making des levens. "Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. "Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; "opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Here". -Rom.5:12-21.

 Er dient nauwkeurig op te worden gelet, dat in Rom.5:6,8 en 10, de Apostel in de verleden tijd schrijft: " Als wij nog krachteloos waren...als wij nog zondaars waren...toen wij vijanden waren [K.J.V.]. Waarom is dat? Zeer zeker stierf Christus voor ons, zelfs lang voordat wij geboren werden. Het antwoord is, dat hij spreekt in historische zin, vanuit de bedelingen. Dit moet duidelijk zijn uit het feit, dat hij in V.6 zegt dat "te Zijner tijd Christus voor de goddelozen stierf". Dit stemt overeen met Gal.4:4: "Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden..." Maar het wordt nog duidelijker als we doorgaan naar het overige van het hoofdstuk: Vers 12-21. In deze verzen toont ons de Apostel dat door het gebruik van het voornaamwoord "wij" in V.6,8,10, hij historisch verwijst naar het menselijk ras.

 De Apostel had een brede kijk en een verstandige zin voor zijn plaats - en onze plaats -in de geschiedenis. De harmonische opzet van dit hele laatste gedeelte van Romeinen 5 met betrekking tot V.6-11 is werkelijk mooi om te zien. De drie hoofdkarakters in de passage zijn Adam, Mozes en Christus.

  Door Adam hebben wij de entree van de zonde (V.12).

Door Mozes, de kennis van de zonde (V.20).

Door Christus, de vergeving van zonden (V.20,21).

Een vergelijking van V.12-21 met V.6-10 zou op de volgende manier kunnen worden weergegeven:

Van Adam tot Mozes ["toen wij nog krachteloos waren"] hebben we de heerschappij van de dood door Adam (V.6,14).

Van Mozes tot Christus ["omdat wij nog zondaars waren"] hebben we de heerschappij van zonde door de Wet (V.8,20,21).

Van Christus tot nu ["zijnde vijanden"] hebben wij de heerschappij van genade, door Christus (V.10,20,21).

Voor dat we verder gaan met V.12-21 dient zorgvuldig te worden genoteerd dat de boven aangehaalde zijn (1) naar Adam, niet naar zijn schepping, maar na de val, (2) naar Mozes, niet naar zijn geboorte, maar later bij Sinai, waar hij de Wet over gaf, en (3) naar Christus, niet naar Zijn geboorte of aardse bediening, maar naar Zijn hemelvaart, als de proever van dood "voor elk mens" (Hebr.2:9). Zo verkondigde Paulus Hem steeds. De Wet was nog steeds van kracht, totdat Paulus werd opgewekt om te verkondigen "de prediking van het kruis". Er werd geen openbaring gegeven voor wat betreft de afschaffing van het verbond der Wet, dan tot het "Maar nu" van Paulus in Rom.3:21 (Cf.Hand.2:46; 3:1; 22:12,13).

VAN ADAM TOT MOZES

DE HEERSCHAPPIJ DES DOODS DOOR ADAM

 "Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben. "Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.

"Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou" (V.12-14).

We hebben hier te doen met Gods handelingen met mensen gedurende de periode "van Adam tot Mozes", "tot aan de wet", "toen er nog geen [Mozaïsche] wet was". Gedurende deze periode in de geschiedenis werd aangetoond, dat "dood tot alle mensen was gekomen", niet omdat de Wet van Mozes hen tot de dood had veroordeeld, maar eenvoudig omdat zij de nakomelingen van de gevallen Adam waren, en van nature bedorven. Geheel gescheiden van de Wet, "baart zonde, wanneer zij is voleindigd, de dood" (Jak.1:15). Zo "heerste de dood van Adam tot Mozes, ook over hen die NIET hadden gezondigd in de gelijkheid der overtreding van Adam."

Opgemerkt dient te worden, dat aangezien de zonde in de wereld is gekomen "door één mens", Adam, de dood "tot alle mensen is gekomen, omdat allen gezondigd hebben" t.w. in Adam. Wij kunnen niet zeggen, "Het was niet mijn fout", want wij waren in Adam, wij waren Adam toen hij zondigde. Wij kunnen ons niet meer losmaken van Adam, zomin de tak zich van de boom kan losmaken, of de boom van zijn wortel.

De periode van Adam tot Mozes laat historisch de hulpeloosheid zien waarnaar verwezen werd in V.6. Gedurende 2500 jaren was er geen geschreven Wet om zondaars ter dood te veroordelen (V.13). Niettemin stierven zij , want volstrekt gescheiden van de Wet bederft en vernietigt zonde van nature.

In de eerste genealogie van de Bijbel, waarnaar boven is verwezen, zijn er oermensen geweest die leefden tot een leeftijd van 969 jaren, maar met één merkwaardige uitzondering. Zij allen stierven ten voorbeeld als het historisch bewijs van het feit dat met de zonde van Adam "de dood tot alle mensen is doorgegaan". Zo "heerste de dood van Adam tot Mozes".

Toch werden velen die leefden vóór Mozes gered en aangenomen door God. Voorbeelden daarvan zijn Abel, Henoch, Noach en Abraham. Hoe konden zij gered worden? Paulus antwoordt weer in historische zin wanneer hij zegt, "Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven" (V.6). Dit werd aan hen nog niet geopenbaard, en ook is er geen aanwijzing dat zij uitzagen naar de dood van een komende Christus tot redding. Eerder wordt ons verteld, dat zij het Woord van God tot hen geloofden. Maar wij weten nu dat de basis van hun acceptatie voor God was, het verlossende werk van Christus, want Paulus verklaart in Rom.3:25, "Zijn [Christus'] rechtvaardigheid voor de vergeving van zonden, die tevoren waren geschied".

In V.13 gaat de Apostel voort met uit te leggen dat zonde werkende van Adam tot Mozes, "niet wordt toegerekend wanneer er geen wet is" d.i. er is geen "overtreding" waar geen wet is om te overtreden (4:15). "Niettemin heerste de dood van Adam tot Mozes", zoals we hebben gezien, en zij heerste "ook over degenen die niet in de gelijkheid der overtreding van Adam gezondigd hadden", d.i., over degenen die niet als Adam, een specifiek verbod overtreden hadden.

Adam als verwekker van het ras, ook haar hoofd, was een type "van Hem Die komen zou" (V.14), maar hiermee houdt dan ook de gelijkenis op, hetgeen we zien uit het herhaald gebruik van de term "niet alzo" in de volgende verzen. "Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift...En niet, gelijk de schuld was door den één, die gezondigd heeft, alzo is de gift..."(V.15,16).

"De genade Gods, en de gave door de genade" is "veel meer" dan een herstel van de gevolgen van Adams overtreding, "veel meer" dan een terugbrengen tot de positie waarin Adam was voor de val. En deze genade, door Christus, "is voor velen veel meer overvloedig geweest". "...want de schuld is wel uit één misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking (V.16).

Eén zonde bracht verdoemenis aan allen, maar genade en de "vrije gift" brengen rechtvaardiging, niet alleen van één zonde, maar van "vele overtredingen" (V.16) en over velen (V.15). "Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door die éne, veel meer zullen degenen, die de overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus" (V.17).

Dit betekent het einde van een lange tussenzin, begonnen bij V.13, maar vol met kostbare waarheid. Als "de dood heerste" vanwege de zonde van één mens, "veel meer zullen heersen, degenen die de "overvloed der genade en van de gave der rechtvaardigheid ontvangen". Let goed op: niet zij die worstelen en streven en offers brengen "zullen heersen", "maar zij die ontvangen de overvloed van genade", en "de gave der gerechtigheid", - zij "zullen in het leven heersen door Eén, Jezus Christus" (V.17). Wijst niet de zin, "de gave der rechtvaardigheid" er juist op, dat rechtvaardigheid niet wordt verkregen of verdiend door de kinderen van Adam?

V.18 leert in ieder geval geen alverzoening, zoals sommigen beweren. "Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo komt ook door één rechtvaardigheid, de genade over alle mensen die de gave ontvangen tot rechtvaardigmaking des levens", zoals duidelijk is uit het voorgaande vers, en overeenkomt met het daarop volgende vers: "Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Ene velen tot rechtvaardigen gesteld worden" (V.19).

Deze passage leidt ons dan van de "eerste Adam", door wie zonde en dood binnenkwam en zich als een kanker over het hele menselijke geslacht verspreidde, naar de "laatste Adam", door Wie gelovigen "overvloed van genade en de gave der gerechtigheid" ontvangen.

VAN MOZES TOT CHRISTUS

DE HEERSCHAPPIJ DER ZONDE DOOR DE WET

 "Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde..." (V.20).

De bedeling van de Wet besloeg de periode van het geven van de Wet door Mozes, tot de openbaring van genade door de verheerlijkte Here aan en door Paulus.

Wij hebben reeds gezien dat het verbond der Wet niet was weggedaan onmiddellijk bij de kruisiging van Christus, want de Pinkstergelovigen bleven nog onder de Wet, ervoor zorgend dat zij geen secte zouden vormen, gescheiden van Judaïsme (Hand.2:46; 3:1; 22:12,13). Waarlijk, de Wet werd "afgeschaft" door het kruis, maar het was niet eerder dan toen onze Here vanuit de hemel Paulus opdroeg dat "de gerechtigheid van God zonder de Wet [was] bekend gemaakt" (Rom.3:21), en de bedeling der genade was ingevoegd.

We hebben dus gezien, dat de Wet "daarbij werd gesteld om der overtredingen wil" (Gal.3:19), "opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod" (Rom.7:13), en "opdat de misdaad te meerder worde" (Rom.5:20).

Dit doel werd inderdaad bereikt, want nu noemde de geschreven Wet mensen zondaars en veroordeelde hen ter dood. Paulus verklaart in 1 Cor.15:56 scherp dat "de prikkel des doods is de zonde", en dat "de kracht van de zonde is de Wet."

Werd hier niet tegen aangevoerd, dat de Wet niet werd gegeven aan het mensdom, maar alleen aan Israel? Dat is waar, maar Israel was Gods vertegenwoordigende volk. Ieder die God wilde benaderen moest komen door Israel, omdat de heidenen reeds lang door God waren "opgegeven", en Israel was het enige volk op aarde dat God kende. Zo lezen we dan ook in Rom.3:19: "Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij."

Gedurende de bedeling van de Wet werd de schuld van de mens aangetoond als "zonde...heersend" (5:21). Er was geen weg tot ontkoming, want "in bewaring onder de wet", waren zij "besloten geweest tot op het geloof dat [nadien] geopenbaard zou worden" (Gal.3:23).

  Maar hoe werden daan Mozes, Aaron, David, Daniel en andere Oud Testamentische gelovigen gered? Paulus geeft het antwoord in Rom.5:8 waar hij, van vroeger sprekend, zegt: "Als wij nog zondaars waren, stierf Christus voor ons."

Zij wisten dit nog niet, want het was nog niet "geopenbaard", "betuigd", "bekend gemaakt", dan "te Zijner tijd" door Paulus (Gal.3:23; 1 Tim.2:6,7; Tit.1:3). Zij vonden de vrede des harten alleen wanneer zij geloofden wat God tot hen gezegd had. Maar nu kennen wij het geheim, zoals het is geopenbaard, en wel in dit

hoofdstuk van Romeinen. Het was alleen op basis van de alvoldoende verlossing gewrocht door Christus, dat ieder ooit werd gered.

DE TEGENWOORDIGE BEDELING

DE HEERSCHAPPIJ DER GENADE DOOR CHRISTUS

 "...Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; "Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Here" (V.20,21).

  De bovenstaande passage stemt overeen met V.10: "Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons."

Zonde was zeer zeker ten top gestegen gedurende de eerste jaren van Paulus. Christus was gekruisigd en zelfs na Zijn opstanding bleven Zijn vijanden bij die verschrikkelijke daad. Israel had zich aangesloten bij de heidenen in hun verklaring van oorlog tegen God en Zijn Gezalfde Zoon (Ps.2:1-3) en Saulus van Tarsen werd de aanvoerder van de opstand. Het was niet langer alleen een zaak van zonde; het was nu opstand. Saulus' bittere haat tegen Christus kende geen grenzen.

Lukas zegt: "En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis" (Hand.8:3).

De heiligen in Damaskus zeiden: "Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde [uitroeide, vernietigde K.J.V.], wie deze Naam aanriepen..."? (Hand.9:21).

Aan de gelovigen in Galatië schreef Paulus zelf: "...dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte" (Gal.1:13). "Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest..."

Toen Saulus "boven mate woedende" tegen de discipelen, "hen vervolgde, ook tot in de buitenlandse steden" (Hand.26:11), kwam God tussenbeide. Op weg naar Damaskus, "blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Here" (9:1), werd hij overweldigd en gered door juist Diegene, die hij zo bitter vervolgde.

God had zeer zeker gereageerd op de overvloedige zonde van de mens vanuit Zijn overvloediger genade! Geen wonder, dat de Apostel hiervan zegt: "Doch de genade onzes Heren is zeer overvloedig geweest..." "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken [te redden, K.J.V.], van welke ik de voornaamste beb" (1 Tim.1:14,15).

Maar nog belangrijker is het dat de Apostel verder gaat met te zeggen:

"Maar DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN" (v.16).

Zo werd Saulus, die nog voor kort de aanvoerder van de vervolging tegen Christus was, de personificatie van de vijandschap die bestond tussen God en mensen, nu niet alleen de heraut, maar de levende demonstratie van de overvloeiende genade van God, wiens leven opbrandde om anderen "het evangelie van Gods genade" te verkondigen (Hand.20:24).

Maar wij stellen opnieuw de vraag: Op welke gronden kon God nu juist iemand redden die de uitgesproken en bittere vijand was van Christus, met zelfs het bloed van de discipelen van de Here aan zijn handen? Het antwoord is weer: Op grond van de dood van Christus voor ons. In onze hulpeloosheid, in onze zondigheid, ja, in onze eigenwilligheid, "stierf Christus voor ons."

  Zo lezen we in Col.1:21,22: "En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, "In het lichaam Zijns vleses, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldiglijk voor Zich stellen."

Het is wonderlijk, dat "toen wij nog krachteloos waren Christus te Zijner tijd voor goddelozen stierf".

Het is nog meer wonderlijk, dat "terwijl wij nog zondaars waren, Christus voor ons stierf". Het is het meest wonderlijk, dat "toen wij vijanden waren, wij verzoend werden met God door de dood van Zijn Zoon".

 Verbazingwekkende genade: "Door de dood van Zijn Zoon"! Het zou inderdaad al genadig geweest zijn als Hij gezegd had, "Lever mij uit de aanstichters die achter de opstand tegen Mijn Zoon staan! Lever Mij Judas, Kajafas, de hogepriesters en vooral Saulus van Tarsen uit. Ik zal hen straffen en de rest verzoend doen zijn." Dit zou meer geweest zijn dan de mensheid had mogen verwachten. Maar, wonder boven wonder, heeft Hij ons door de dood van Zijn Zoon, Zijn geliefde, zondeloze Zoon, verzoend! Die dood, zo wreed en onterecht, werd de juiste afrekening voor onze zonden en de basis waarop God nu de volheid van Zijn liefde voor zondaars toont. Inderdaad is nu Zijn genadige en liefdevolle vraag, "Wilt gij met Mij verzoend zijn?" (Zie 2 Cor.5:20).

Zo leven wij nu onder de heerschappij van de genade. Gelijk "DE DOOD HEERSTE van Adam tot Mozes" (Rom.5:14); zo HEERSTE ZONDE "tot de dood" nadat "de Wet ingekomen is" (V.20,21), zo is nu genade meerder geworden, OPDAT ALZO OOK DE GENADE ZOU HEERSEN "door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Here" (V.20,21).

DE ONVERGEEFLIJKE ZONDE

Zeer zeker is Rom.5:20,21 het tegengif, voor de grote vrees die zovelen heeft beangstigd vanwege de bekende leer over de onvergeeflijke zonde.

Zij die "het evangelie van Gods genade" kennen, zullen geen vrees in het hart van hun toehoorders brengen door de dreiging met de onvergeeflijke zonde , want

"...wij hebben de verlossing door het bloed, DE VERGEVING DER ZONDEN NAAR DE RIJKDOM VAN ZIJN GENADE" (Eph.1:7"). "...WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST; OPDAT...GENADE ZOU HEERSEN..." (Rom.5:20,21).

Er is hier zeer zeker geen plaats voor een onvergeeflijke zonde. Er is reeds gezegd, dat zondaars die in deze bedeling der genade in ongeloof sterven, in de zee van vuur terecht zullen komen met al hun onverzoende zonden, maar niet één daarvan was onvergeeflijk.

De onvergeeflijke zonde moet gezien worden in het licht van de waarheid der bedeling. Het hele Oude Testament door had Israel de Vader tegengestaan. De Vader op Zijn beurt, had de Zoon gezonden, die onder hen geleerd en gewerkt had, alleen om ook te worden verworpen. Nu zou de Zoon de Geest zenden, en deze generatie in Israel zou haar laatste kans krijgen om gered te worden. Vandaar de waarschuwing van de Here: "Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden...noch in deze eeuw, noch in de toekomende" (Matt.12:31,32).

Onze Here sprak deze woorden vanuit hetzelfde principe als de vader van de schrijver op het oog had, toen hij tot zijn jonge zoon zei: "Nu is dit de tweede keer dat ik met je gesproken heb. Als ik nog eens moet spreken - !!" Wij hebben inderdaad het werkelijk getuigenis van Israels begaan van de onvergeeflijke zonde in de eerste hoofdstukken van Handelingen (t.w. Hand.7:51).

Zowel aan ons, als aan Paulus werd "het evangelie van Gods GENADE" en "de bediening der VERZOENING" toevertrouwd, waarin wij Gods aanbod van genade aan Zijn vijanden verkondigen, daarbij hen smekend om toch met Hem verzoend te worden 

(2 Cor.5:20,21) omdat het nu nog de tijd is (2 Cor.6:1,2).

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011