H
O O F D S T U K V
R O M. 5:6-21
DE
DOOD VAN CHRISTUS VOOR ONS
GEZIEN
VANUIT DE BEDELING VAN GENADE
HET ANTWOORD OP DE HULPELOOSHEID VAN
DE MENS,
ZIJN ZONDE, EN ZIJN EIGENWILLIGHEID
"Want
Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen
gestorven. "Want nauwelijks zal iemand voor een recht-vaardige sterven;
want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. "Maar God
bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij
nog zondaars waren. "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn
bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. "Want indien
wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons, veel
meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden dood Zijn leven. "En
niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onze Here Jezus
Christus, door Welken
wij de verzoening gekregen hebben." - Rom.5:6-11.
HET
PERSOONLIJK ASPECT
In
de bovenstaande passage lezen we drie maal dat Christus voor ons stierf, en de
les is progressief.
V.6:
"Want
Christus, als wij nog krachteloos waren, is.... voor de godelozen
gestorven."
V.8:"...dat
Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
V.10"...vijanden
zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon."
In
onze hulpeloosheid, in onze zonde, ja, in onze eigenwilligheid,
stierf Christus voor ons.
1.
"Toen wij nog krachteloos waren" (V.6).
Rom.5:6
toont de ongelovige als iemand zonder God, en als zodanig, helemaal
hulpeloos. Hij kan zichzelf niet bevrijden uit zijn gevallen staat. Hij
kan zijn boze hartstochten niet de baas. Hij kan de gevolgen van
zijn zonde niet te boven komen. Zonder God is hij "krachteloos".
Maar
Christus stierf Goddank voor zulken. "Toen wij nog krachteloos
waren, stierf Christus te Zijner tijd voor de goddelozen." In eindeloze
genade nam Hij de plaats in van volstrekte krachteloosheid - de dood - met en
voor ons, opdat Hij ons erdoor heen zou brengen met Hem, tot opstandings leven
en kracht.
Veel
mensen willen hun morele en geestelijke hulpeloosheid niet bekennen, maar de
liederen-schrijver was oprechter toen hij schreef: "Mijn beloften kwam
ik niet na".
Ook
lichamelijk zijn we zo hulpeloos, dat wij iedere nacht ons nachtgoed
aan trekken en in een bed gaan liggen, een meubelstuk dat speciaal voor dit
doel is gemaakt, en ons overgeven aan bewusteloosheid, onze levens slechts
beschermd door Gods hand. Ongeveer acht van de vier en twintig uren moeten wij
ons geheel aan Gods zorg toevertrouwen. Dan op het laatst komt de dood,
wanneer we in volstrekte hulpeloosheid ons leven zelf opgeven. De lijst van
voorvaderen in Gen.5 vermeldt 5 leeftijden van meer dan 900 jaren, maar bij
ieder geval zijn de slotwoorden, "en hij stierf".
Maar
los van dit alles, is de hemel de verblijfplaats van God, en het is aan Hem
te bepalen of en hoe wij zullen worden toegelaten. Hij doet
dit genadig in Rom.5:6, waar Hij zegt: "Toen wij nog krachteloos
waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven."
Alleen als wij dit in geloof aannemen, mogen wij "roemen in de
hoop op de heerlijkheid van God" (4:25; 5:1,2).
Maar
de passage zegt, dat "toen wij nog krachteloos waren, te Zijner tijd Christus
voor de goddelozen stierf", en als mensen weigeren hulpeloos genaamd
te worden, zij zeker in het algemeen niet zullen waarderen "goddeloos"
genoemd te worden. Tot hen zeggen wij, dat naar de kerk gaan, filantropie,
liefde voor het gezin, financiële integriteit, en al deze goede dingen u niet
goddelijk maken. Indien ik u zou introduceren bij een vriend als "een
goddelijk persoon", zoudt u dan niet in verlegenheid geraken? Toch bent u
beledigd als ik u goddeloos zou noemen.
Maar
Rom.5:6 bevat wonderbaar nieuws voor degene die zijn goddeloze staat wil
erkennen: "Christus stierf voor goddelozen," niet voor enigen
van de goddelozen, of voor een uitverkoren aantal, maar "voor
de goddelozen". Hieruit volgt, dat elke ongeredde, goddeloze lezer
van deze regels Gods Woord mag geloven en zeggen, "Christus
stierf voor MIJ."
2.
"Als wij nog zondaars waren" (V.8).
Zonde
is ernstiger dan hulpeloosheid. Een goede rechter moet zonde veroordelen en
een volledige straf ervoor eisen. "Maar God bevestigt Zijn liefde tot
ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren."
Zo ook eiste God de juiste straf voor de zonde toen Hijzelf, in
onuitsprekelijke liefde, Zelf de schuld betaalde!
De
daarop volgende context maakt deze tekst nog kostbaarder: "Want
nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal
mogelijk iemand ook willen sterven" (V.7).
Strikt
eerlijke mensen worden gewoonlijk door het minder rechtvaardige volk voor
slecht aangezien, maar toch, voor "een goed mens", een
vriendelijk, vrijgevig, eerlijk mens, "zouden - sommigen - wellicht,
er over denken om te sterven."
"Maar
God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als
wij nog zondaars waren" (V.8).
Welk
een liefde! Hoewel onze zonden als een berg voor ons oprijzen, behoeven wij
niet te wanhopen, want iedere Christen gelovige kan getuigen met de woorden van Paulus, de voornaamste
der zondaars (1 Tim.1:15), dat "toen wij nog zondaars waren, Christus
voor ons gestorven is". Hij stierf voor ons in onze zonde.
Tot
de lezer die ontkent een zondaar te zijn, zouden wij willen zeggen, "Vast
en zeker bent u de enige die dat denkt! Of denkt u te
lichtvaardig over zonde? Veronderstelt u dat alleen dronkaards, hoeren en
criminelen zondaars zijn, maar niet de eigengerechtigden? Bedenk dan dit eens:
God gaf Zijn enig Kind, Zijn innig geliefde Zoon, om schande en dood te
ondergaan voor u, en u weigert Zijn geschenk - en de liefde voor zo'n
grote prijs, die hierin ligt opgesloten. Brengt u ertegen in, dat u dit
geschenk niet afwees, dat u er niets mee te doen heeft? Nonsens!
Als ik u een kostbaar geschenk zou aanbieden dat u heel erg nodig heeft, en u
zou helemaal niet reageren, zou u dan, door dat geschenk niet te accepteren,
mij beledigen? Nu dan, geven de liefde, die u leven aanbiedt door
Christus, de Persoon van de Gever, en de oneindig grote kostbaarheid
van het geschenk, dan niet het bewijs dat u wegens uw "niets ermee te
doen hebben", Gods grote geschenk afwijst, en Hem ten diepste beledigt?
Maar
als u het geschenk in geloof aanneemt, zal het volgende vers bewijzen zeer
waardevol voor u te zijn: "Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd
door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn" (V.9).
Welk
een rustige zekerheid moeten wij toch hebben als we bedenken dat Christus voor
ons, als zondaars, stierf. Zo dan, "gerechtvaardigd" door
Zijn bloed", zullen wij vast en zeker bewaard worden voor de komende
toorn door Hem Die de prijs betaalde voor onze verlossing.
3.
"...indien wij, vijanden zijnde" (V.10). Denk eens na! God
heeft zelfs goed nieuws voor ons in onze eigenwilligheid, onze vijandschap
tegen Hem! "Vijanden zijnde", zegt Paulus, "met God
verzoend door de dood Zijns Zoons".
Hier
horen we bijna een lezer opmerken: "As je me nou, beschuldig mij niet van
een vijand van God te zijn. Ik ben een godsdienstig mens, ik ga
geregeld naar de kerk, ik geef zelfs aan de kerk". Ach, maar God zegt
niet dat de ongereddenen niet religieus zijn. Misschien zijn wel 999
van de 1000 religieus. Het punt is, dat door uw goddeloos, zondig leven, en
zeer zeker door het afwijzen van Gods geschenk van redding, u uzelf tot een
vijand van God gemaakt hebt. U mag misschien geen vijand tegen de
"God" zijn die u zelf in uw gedachten hebt gevormd, maar u
bent wel een vijand tegen God, de God van de Bijbel.
Toch,
ondanks dit alles, zendt God nog steeds Zijn ambassadeurs naar al Zijn
vijanden overal - "door de dood van Zijn Zoon." Bedenk dat
eens! Wij, die geloven, zijn verzoend met God, niet door enige poging
tot betaling door ons aangeboden om God tevreden te stellen, maar "door
de dood van ZIJN Zoon". Hij droeg de vijandschap toen Zijn
eigen schepsels Hem bespotten, in Zijn gezicht spuwden en Hem aan het hout
nagelden. Dit is inderdaad genade! En dit is niet alles, want de hele passage
luidt: "Want indien wij, vijanden zijnde, met
God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, VEEL MEER zullen wij, verzoend
zijnde, behouden worden door Zijn leven.
"En
niet alleen dit, maar wij roemen [verheugen ons] ook in God, door onze Here
Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben" (V.10,11).
De
redenering van deze passage is, dat als wij, als Zijn vijanden, verzoend
werden met God door de dood van Zijn Zoon, wij veel meer "verzoend
zijnde", ervan verzekerd mogen zijn, dat onze levende Redder ons veilig
zal bewaren. En niet alleen zijn gelovigen veilig in Christus, maar
ondertussen "verheugen wij ons [roemen] in God door onze Here
Jezus Christus, door Wie wij nu ontvangen hebben", niet alleen hulp in
onze hulpeloosheid, of de vergeving van onze zonden, maar "de
verzoening" waardoor wij dichter bij God gebracht zijn, en ervaren
Zijn liefde jegens ons.
HET
HISTORISCH PERSPECTIEF
"Daarom,
gelijk door één mens de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de
dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd
hebben, "Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt
niet toegerekend, als er geen wet is. "Maar de dood heeft geheerst van
Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de
gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die
komen zou. "Doch
niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de
misdaad van één, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de
gave door de genade, die daar is van één mens Jezus Christus, overvloedig
geweest over velen. "En niet, gelijk de schuld was door de één, die
gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit één misdaad tot
verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.
"Want indien door de misdaad van één de dood geheerst heeft door dien
énen, veel meer zullen degenen, die de overvloed der genade en der gave der
rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk
Jezus Christus.
"Zo
dan, gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot
verdoemenis; alzo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle
mensen tot rechtvaardig making des levens. "Want gelijk door de
ongehoorzaamheid van die éne mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden,
alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen
gesteld worden. "Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te
meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel
meer overvloedig geweest; "opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de
dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige
leven, door Jezus Christus onze Here".
-Rom.5:12-21.
Er
dient nauwkeurig op te worden gelet, dat in Rom.5:6,8 en 10, de Apostel in de
verleden tijd schrijft: " Als wij nog krachteloos waren...als
wij nog zondaars waren...toen wij vijanden waren [K.J.V.].
Waarom is dat? Zeer zeker stierf Christus voor ons, zelfs lang
voordat wij geboren werden. Het antwoord is, dat hij spreekt in historische
zin, vanuit de bedelingen. Dit moet duidelijk zijn uit het feit, dat hij in
V.6 zegt dat "te Zijner tijd Christus voor de goddelozen
stierf". Dit stemt overeen met Gal.4:4: "Maar wanneer de volheid
des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden..." Maar het
wordt nog duidelijker als we doorgaan naar het overige van het hoofdstuk: Vers
12-21. In deze verzen toont ons de Apostel dat door het gebruik van het
voornaamwoord "wij" in V.6,8,10, hij historisch verwijst naar het
menselijk ras.
De
Apostel had een brede kijk en een verstandige zin voor zijn plaats - en onze
plaats -in de geschiedenis. De harmonische opzet van dit hele laatste gedeelte
van Romeinen 5 met betrekking tot V.6-11 is werkelijk mooi om te zien. De drie
hoofdkarakters in de passage zijn Adam, Mozes en Christus.
Door
Adam hebben wij de entree van de zonde (V.12).
Door
Mozes, de kennis van de zonde (V.20).
Door
Christus, de vergeving van zonden (V.20,21).
Een
vergelijking van V.12-21 met V.6-10 zou op de volgende manier kunnen worden
weergegeven:
Van
Adam tot Mozes ["toen
wij nog krachteloos waren"] hebben we de heerschappij van de dood door
Adam (V.6,14).
Van
Mozes tot Christus ["omdat wij nog zondaars waren"] hebben we de
heerschappij van zonde door de Wet (V.8,20,21).
Van
Christus tot nu ["zijnde
vijanden"] hebben wij de heerschappij van genade, door
Christus (V.10,20,21).
Voor
dat we verder gaan met V.12-21 dient zorgvuldig te worden genoteerd dat de
boven aangehaalde zijn (1) naar Adam, niet naar zijn schepping, maar na de
val, (2) naar Mozes, niet naar zijn geboorte, maar later bij Sinai, waar hij
de Wet over gaf, en (3) naar Christus, niet naar Zijn geboorte of aardse
bediening, maar naar Zijn hemelvaart, als de proever van dood "voor elk
mens" (Hebr.2:9). Zo verkondigde Paulus Hem steeds. De Wet was nog steeds
van kracht, totdat Paulus werd opgewekt om te verkondigen "de
prediking van het kruis". Er werd geen openbaring gegeven voor wat
betreft de afschaffing van het verbond der Wet, dan tot het "Maar
nu" van Paulus in Rom.3:21 (Cf.Hand.2:46; 3:1; 22:12,13).
VAN
ADAM TOT MOZES
DE
HEERSCHAPPIJ DES
DOODS DOOR ADAM
"Daarom,
gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de
dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd
hebben. "Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt
niet toegerekend, als er geen wet is.
"Maar
de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet
gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een
voorbeeld is Desgenen, Die komen zou" (V.12-14).
We
hebben hier te doen met Gods handelingen met mensen gedurende de periode "van
Adam tot Mozes", "tot aan de wet", "toen er nog geen [Mozaïsche]
wet was". Gedurende deze periode in de geschiedenis werd aangetoond,
dat "dood tot alle mensen was gekomen", niet omdat de Wet van Mozes
hen tot de dood had veroordeeld, maar eenvoudig omdat zij de nakomelingen van
de gevallen Adam waren, en van nature bedorven. Geheel gescheiden van
de Wet, "baart zonde, wanneer zij is voleindigd, de dood" (Jak.1:15).
Zo "heerste de dood van Adam tot Mozes, ook over hen die NIET hadden
gezondigd in de gelijkheid der overtreding van Adam."
Opgemerkt
dient te worden, dat aangezien de zonde in de wereld is gekomen "door
één mens", Adam, de dood "tot alle mensen is gekomen, omdat allen
gezondigd hebben" t.w. in Adam. Wij kunnen niet zeggen, "Het
was niet mijn fout", want wij waren in Adam, wij waren Adam
toen hij zondigde. Wij kunnen ons niet meer losmaken van Adam, zomin de tak
zich van de boom kan losmaken, of de boom van zijn wortel.
De
periode van Adam tot Mozes laat historisch de hulpeloosheid zien waarnaar
verwezen werd in V.6. Gedurende 2500 jaren was er geen geschreven Wet om
zondaars ter dood te veroordelen (V.13). Niettemin stierven zij , want
volstrekt gescheiden van de Wet bederft en vernietigt zonde van nature.
In
de eerste genealogie van de Bijbel, waarnaar boven is verwezen, zijn er
oermensen geweest die leefden tot een leeftijd van 969 jaren, maar met één
merkwaardige uitzondering. Zij allen stierven ten voorbeeld als het historisch
bewijs van het feit dat met de zonde van Adam "de dood tot alle mensen
is doorgegaan". Zo "heerste de dood van Adam tot Mozes".
Toch
werden velen die leefden vóór Mozes gered en aangenomen door God.
Voorbeelden daarvan zijn Abel, Henoch, Noach en Abraham. Hoe konden zij gered
worden? Paulus antwoordt weer in historische zin wanneer hij zegt, "Want
Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen
gestorven" (V.6). Dit werd aan hen nog niet geopenbaard, en ook is er
geen aanwijzing dat zij uitzagen naar de dood van een komende Christus tot
redding. Eerder wordt ons verteld, dat zij het Woord van God tot hen
geloofden. Maar wij weten nu dat de basis van hun acceptatie
voor God was, het verlossende werk van Christus, want Paulus verklaart in Rom.3:25,
"Zijn [Christus'] rechtvaardigheid voor de vergeving van zonden, die
tevoren waren geschied".
In
V.13 gaat de Apostel voort met uit te leggen dat zonde werkende van Adam tot
Mozes, "niet wordt toegerekend wanneer er geen wet is" d.i.
er is geen "overtreding" waar geen wet is om te overtreden
(4:15). "Niettemin heerste de dood van Adam tot Mozes", zoals
we hebben gezien, en zij heerste "ook over degenen die niet in de
gelijkheid der overtreding van Adam gezondigd hadden", d.i., over
degenen die niet als Adam, een specifiek verbod overtreden hadden.
Adam
als verwekker van het ras, ook haar hoofd, was een type "van Hem Die
komen zou" (V.14), maar hiermee houdt dan ook de gelijkenis op, hetgeen
we zien uit het herhaald gebruik van de term "niet alzo" in
de volgende verzen. "Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de
genadegift...En niet, gelijk de schuld was door den één, die gezondigd
heeft, alzo is de gift..."(V.15,16).
"De
genade Gods, en de gave door de genade" is
"veel meer" dan een herstel van de gevolgen van Adams overtreding,
"veel meer" dan een terugbrengen tot de positie waarin Adam was voor
de val. En deze genade, door Christus, "is voor velen veel meer
overvloedig geweest". "...want de schuld is wel uit één
misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot
rechtvaardigmaking (V.16).
Eén
zonde bracht verdoemenis aan allen, maar genade en de "vrije gift"
brengen rechtvaardiging, niet alleen van één zonde, maar van "vele
overtredingen" (V.16) en over velen (V.15). "Want indien
door de misdaad van één de dood geheerst heeft door die éne, veel meer
zullen degenen, die de overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid
ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus" (V.17).
Dit
betekent het einde van een lange tussenzin, begonnen bij V.13, maar vol met
kostbare waarheid. Als "de dood heerste" vanwege de zonde van
één mens, "veel meer zullen heersen, degenen die de
"overvloed der genade en van de gave der rechtvaardigheid
ontvangen". Let goed op: niet zij die worstelen en streven en offers
brengen "zullen heersen", "maar zij die ontvangen de overvloed
van genade", en "de gave der gerechtigheid",
- zij "zullen in het leven heersen door Eén, Jezus Christus"
(V.17). Wijst niet de zin, "de gave der rechtvaardigheid" er
juist op, dat rechtvaardigheid niet wordt verkregen of verdiend door de
kinderen van Adam?
V.18
leert in ieder geval geen alverzoening, zoals sommigen beweren. "Zo dan,
gelijk door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot
verdoemenis; alzo komt ook door één rechtvaardigheid, de genade over alle
mensen die de gave ontvangen tot rechtvaardigmaking des levens",
zoals duidelijk is uit het voorgaande vers, en overeenkomt met het daarop
volgende vers: "Want gelijk door de ongehoorzaamheid van die éne mens
velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de
gehoorzaamheid van Ene velen tot rechtvaardigen gesteld worden" (V.19).
Deze
passage leidt ons dan van de "eerste Adam", door wie zonde en dood
binnenkwam en zich als een kanker over het hele menselijke geslacht
verspreidde, naar de "laatste Adam", door Wie gelovigen "overvloed
van genade en de gave der gerechtigheid" ontvangen.
VAN
MOZES TOT CHRISTUS
DE
HEERSCHAPPIJ DER ZONDE
DOOR DE WET
"Maar
de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde..."
(V.20).
De
bedeling van de Wet besloeg de periode van het geven van de Wet door Mozes,
tot de openbaring van genade door de verheerlijkte Here aan en door
Paulus.
Wij
hebben reeds gezien dat het verbond der Wet niet was weggedaan
onmiddellijk bij de kruisiging van Christus, want de Pinkstergelovigen bleven
nog onder de Wet, ervoor zorgend dat zij geen secte zouden vormen,
gescheiden van Judaïsme (Hand.2:46; 3:1; 22:12,13). Waarlijk, de Wet werd
"afgeschaft" door het kruis, maar het was niet eerder dan
toen onze Here vanuit de hemel Paulus opdroeg dat "de gerechtigheid van
God zonder de Wet [was] bekend gemaakt" (Rom.3:21), en de
bedeling der genade was ingevoegd.
We
hebben dus gezien, dat de Wet "daarbij werd gesteld om der
overtredingen wil" (Gal.3:19), "opdat de zonde boven mate
werd zondigende door het gebod" (Rom.7:13), en "opdat de
misdaad te meerder worde" (Rom.5:20).
Dit
doel werd inderdaad bereikt, want nu noemde de geschreven Wet mensen
zondaars en veroordeelde hen ter dood. Paulus verklaart in 1 Cor.15:56 scherp
dat "de prikkel des doods is de zonde", en dat
"de kracht van de zonde is de Wet."
Werd
hier niet tegen aangevoerd, dat de Wet niet werd gegeven aan het mensdom, maar
alleen aan Israel? Dat is waar, maar Israel was Gods vertegenwoordigende volk.
Ieder die God wilde benaderen moest komen door Israel, omdat de heidenen reeds
lang door God waren "opgegeven", en Israel was het enige volk op
aarde dat God kende. Zo lezen we dan ook in Rom.3:19: "Wij
weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de
wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God
verdoemelijk zij."
Gedurende
de bedeling van de Wet werd de schuld van de mens aangetoond als
"zonde...heersend" (5:21). Er was geen weg tot ontkoming,
want "in bewaring onder de wet", waren zij "besloten
geweest tot op het geloof dat [nadien] geopenbaard zou worden"
(Gal.3:23).
Maar
hoe werden daan Mozes, Aaron, David, Daniel en andere Oud Testamentische
gelovigen gered? Paulus geeft het antwoord in Rom.5:8 waar hij, van vroeger
sprekend, zegt: "Als wij nog zondaars waren, stierf Christus voor
ons."
Zij
wisten
dit nog niet, want het was nog niet "geopenbaard",
"betuigd", "bekend gemaakt", dan "te Zijner
tijd" door Paulus (Gal.3:23; 1 Tim.2:6,7; Tit.1:3). Zij vonden
de vrede des harten alleen wanneer zij geloofden wat God tot hen gezegd
had. Maar nu kennen wij het geheim, zoals het is geopenbaard, en wel in dit
hoofdstuk
van Romeinen. Het was alleen op basis van de alvoldoende verlossing gewrocht
door Christus, dat ieder ooit werd gered.
DE
TEGENWOORDIGE BEDELING
DE
HEERSCHAPPIJ DER GENADE
DOOR CHRISTUS
"...Waar
de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;
"Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot de dood, alzo ook de genade
zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus
onze Here" (V.20,21).
De
bovenstaande passage stemt overeen met V.10: "Want
indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood Zijns
Zoons."
Zonde
was zeer zeker ten top gestegen gedurende de eerste jaren van Paulus. Christus
was gekruisigd en zelfs na Zijn opstanding bleven Zijn vijanden bij die
verschrikkelijke daad. Israel had zich aangesloten bij de heidenen in hun
verklaring van oorlog tegen God en Zijn Gezalfde Zoon (Ps.2:1-3) en Saulus van
Tarsen werd de aanvoerder van de opstand. Het was niet langer alleen
een zaak van zonde; het was nu opstand. Saulus' bittere haat tegen
Christus kende geen grenzen.
Lukas
zegt: "En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en
trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis"
(Hand.8:3).
De
heiligen in Damaskus zeiden: "Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde
[uitroeide, vernietigde K.J.V.], wie deze Naam aanriepen..."?
(Hand.9:21).
Aan
de gelovigen in Galatië schreef Paulus zelf: "...dat ik uitnemend
zeer de Gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte" (Gal.1:13). "Waar
de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig
geweest..."
Toen
Saulus "boven mate woedende" tegen de discipelen, "hen
vervolgde, ook tot in de buitenlandse steden" (Hand.26:11), kwam God
tussenbeide. Op weg naar Damaskus, "blazende nog dreiging en moord
tegen de discipelen van de Here" (9:1), werd hij overweldigd en gered
door juist Diegene, die hij zo bitter vervolgde.
God
had zeer zeker gereageerd op de overvloedige zonde van de mens vanuit Zijn
overvloediger genade! Geen wonder, dat de Apostel hiervan zegt: "Doch
de genade onzes Heren is zeer overvloedig geweest..." "Dit is een
getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld
gekomen is, om de zondaren zalig te maken [te redden, K.J.V.], van
welke ik de voornaamste beb" (1 Tim.1:14,15).
Maar
nog belangrijker is het dat de Apostel verder gaat met te zeggen:
"Maar
DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE
VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN VOORBEELD
DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN" (v.16).
Zo
werd Saulus, die nog voor kort de aanvoerder van de vervolging tegen Christus
was, de personificatie van de vijandschap die bestond tussen God en
mensen, nu niet alleen de heraut, maar de levende demonstratie van de
overvloeiende genade van God, wiens leven opbrandde om anderen "het
evangelie van Gods genade" te verkondigen (Hand.20:24).
Maar
wij stellen opnieuw de vraag: Op welke gronden kon God nu juist iemand redden
die de uitgesproken en bittere vijand was van Christus, met zelfs het bloed van
de discipelen van de Here aan zijn handen? Het antwoord is weer: Op grond van de
dood van Christus voor ons. In onze hulpeloosheid, in onze zondigheid,
ja, in onze eigenwilligheid,
"stierf Christus voor ons."
Zo
lezen we in Col.1:21,22: "En
Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de
boze werken, nu ook verzoend, "In het lichaam Zijns vleses, door de dood,
opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldiglijk voor Zich
stellen."
Het
is wonderlijk, dat "toen wij nog krachteloos waren
Christus te Zijner tijd voor goddelozen stierf".
Het
is nog meer wonderlijk, dat "terwijl wij nog zondaars waren,
Christus voor ons stierf". Het is het meest wonderlijk, dat
"toen wij vijanden waren, wij verzoend werden met God door de dood
van Zijn Zoon".
Verbazingwekkende
genade: "Door de dood van Zijn Zoon"! Het zou inderdaad al
genadig geweest zijn als Hij gezegd had, "Lever mij uit de aanstichters die
achter de opstand tegen Mijn Zoon staan! Lever Mij Judas, Kajafas, de
hogepriesters en vooral Saulus van Tarsen uit. Ik zal hen straffen en de
rest verzoend doen zijn." Dit zou meer geweest zijn dan de mensheid had
mogen verwachten. Maar, wonder boven wonder, heeft Hij ons door de dood van Zijn
Zoon, Zijn geliefde, zondeloze Zoon, verzoend! Die dood, zo wreed en onterecht,
werd de juiste afrekening voor onze zonden en de basis waarop God nu de volheid
van Zijn liefde voor zondaars toont. Inderdaad is nu Zijn genadige en
liefdevolle vraag, "Wilt gij met Mij verzoend zijn?" (Zie 2 Cor.5:20).
Zo
leven wij nu onder de heerschappij van de genade. Gelijk "DE DOOD
HEERSTE van Adam tot Mozes" (Rom.5:14); zo HEERSTE ZONDE "tot
de dood" nadat "de Wet ingekomen is" (V.20,21), zo is
nu genade meerder geworden, OPDAT ALZO OOK DE GENADE ZOU HEERSEN "door
rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Here" (V.20,21).
DE
ONVERGEEFLIJKE ZONDE
Zeer
zeker is Rom.5:20,21 het tegengif, voor de grote vrees die zovelen heeft
beangstigd vanwege de bekende leer over de onvergeeflijke zonde.
Zij
die "het evangelie van Gods genade" kennen, zullen geen vrees in het
hart van hun toehoorders brengen door de dreiging met de onvergeeflijke zonde ,
want
"...wij
hebben de verlossing door het bloed, DE VERGEVING DER ZONDEN NAAR DE RIJKDOM VAN
ZIJN GENADE"
(Eph.1:7"). "...WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE
GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST; OPDAT...GENADE ZOU HEERSEN..."
(Rom.5:20,21).
Er
is hier zeer zeker geen plaats voor een onvergeeflijke zonde. Er is reeds
gezegd, dat zondaars die in deze bedeling der genade in ongeloof sterven, in de
zee van vuur terecht zullen komen met al hun onverzoende zonden, maar
niet één daarvan was onvergeeflijk.
De
onvergeeflijke zonde moet gezien worden in het licht van de waarheid der
bedeling. Het hele Oude Testament door had Israel de Vader tegengestaan. De
Vader op Zijn beurt, had de Zoon gezonden, die onder hen geleerd en gewerkt had,
alleen om ook te worden verworpen. Nu zou de Zoon de Geest zenden, en deze
generatie in Israel zou haar laatste kans krijgen om gered te worden. Vandaar de
waarschuwing van de Here: "Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal
den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet
vergeven worden...noch in deze eeuw, noch in de toekomende" (Matt.12:31,32).
Onze
Here sprak deze woorden vanuit hetzelfde principe als de vader van de schrijver
op het oog had, toen hij tot zijn jonge zoon zei: "Nu is dit de tweede
keer dat ik met je gesproken heb. Als ik nog eens moet spreken - !!"
Wij hebben inderdaad het werkelijk getuigenis van Israels begaan van de
onvergeeflijke zonde in de eerste hoofdstukken van Handelingen (t.w. Hand.7:51).
Zowel
aan ons, als aan Paulus werd "het evangelie van Gods GENADE" en
"de bediening der VERZOENING" toevertrouwd, waarin wij Gods
aanbod van genade aan Zijn vijanden verkondigen, daarbij hen
smekend om toch met Hem verzoend te worden
(2
Cor.5:20,21) omdat het nu nog de tijd is (2 Cor.6:1,2).
|