|
H O O
F D S T U K IV
- R O M. 3:21 - 5:5
MAAR
NU! RECHTVAARDIGHEID DOOR CHRISTUS
DE
RECHTVAARDIGHEID GODS ZONDER DE WET
"Maar
nu is, zonder de wet, de rechtvaardigheid Gods geopenbaard, waarvan de wet en de
profeten getuigen: "Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus
Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.
"Want zij hebben allen gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van
God, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing die
in Christus Jezus is, "Die God gesteld heeft tot een verzoening door het
geloof in Zijn bloed; tot betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving
van de zonden die tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid van God,
"tot betoning van [teneinde te verklaren, zeg ik, in deze tijd, K.J.V.,]
Zijn rechtvaardigheid [in deze tegenwoordige tijd]; opdat Hij
rechtvaardig is, en hem rechtvaardigt die uit het geloof van Jezus is.
"Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken?
Neen, maar door de wet van geloof." - Rom.3:21-28
"Maar
nu!" Wat
een kostbare woorden komen er nadat de gehele wereld schuldig gesteld is voor
God. Sommigen houden vast, dat deze woorden alleen een logische stap voorwaarts
betekenen, maar dat is niet zo. Zij geven ook aan een verandering in bedeling.
Dit wordt bevestigd door de nadrukkelijke zin, in de Staten vertaling
weergegeven, "zeg ik, in deze tijd" in V.26. Want 1500 jaren
had God Israel onder de Wet gehouden om historisch aan te tonen, dat
"door werken der wet geen vlees zal behouden worden voor God", maar
nu werd Gods rechtvaardigheid zonder de Wet naar voren gebracht
(V.19-21).
"Gods rechtvaardigheid"
is klaarblijkelijk Zijn gerechtigheid. Wij weten, dat sommige vertalers
deze zin weergeven als "een rechtvaardigheid van God", maar dit
maakt dat wij ons afvragen waarom, bij het afwezig zijn in het Grieks van het
lidwoord, een onpersoonlijk lidwoord zonodig moet worden toegevoegd. Wij geloven
dat hier, net als in veleandere gevallen, het bepaald lidwoord [in het Engels,
vert.] moet worden toegevoegd om tot uitdrukking te brengen wat het Grieks
bedoelt, want zeker in deze passage, vergelijkt de Apostel goddelijke
rechtvaardigheid met menselijke "gerechtigheid".
Let wel, hij zegt dat deze
gerechtigheid, genadig gelegd op de gelovige, nu wordt "gemanifesteerd".
Het principe van gerechtigheid los van de Wet, was altijd al in werking geweest,
maar was nog niet "gemanifesteerd" of "betuigd".
Verschillende andere Schriftpassages helpen om dit duidelijk te maken. Voordat
we echter deze passages citeren, zouden we ons eerst moeten afvragen wanneer deze
geschonken rechtvaardiging voor het eerst werd geopenbaard. Werd zij door
Johannes de Doper gemanifesteerd, of door Christus op aarde en Zijn twaalf
apostelen, of met Pinksteren? Nee, zelfs niet op Pinksteren. Laten we zijn als
de Bereaers en onderzoeken.
Onze Here werd op aarde
"geboren onder de wet" (Gal.4:4) en leerde Zijn discipelen om
aan de Wet onderworpen te zijn (Matt.23:1-3). Onder Zijn opdracht aan de elven
leerde Hij hen verder om gehoorzaamheid aan de Wet te leren (Matt.28:20). Zeer
zeker werd er geen openbaring geschonken met de strekking dat de Wet had
afgedaan. Zelfs met Pinksteren bleven de discipelen onder de Wet, en leefden
praktisch in de Joodse tempel (Hand.2:46; 3:1,11).
Het was pas na de opwekking van
Paulus dat de toerekening van Gods rechtvaardigheid 'buiten de wet om" werd
geopenbaard. Niemand was vףףr Paulus opgestaan om te verkondigen wat Paulus
zegt in Rom.3:21:
"Maar
nu is, zonder de wet, de rechtvaardigheid Gods geopenbaard." En merk opnieuw op hoe hij
vasthoudt aan dit feit als hij aan zijn woorden "Maar nu" de
woorden "zeg ik deze keer" (V.26, K.J.V.) toevoegt. Inderdaad,
benadrukt hij dit feit door al zijn brieven heen, dat door zijn apostelschap een
nieuwe bedeling werd ingevoegd:
Gal.3:23: "Doch voordat
het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten
tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden." 1 Tim.2:6,7: "Die
Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, volgens het getuigenis te
zijner tijd, "waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel [ik zeg de
waarheid in Christus, ik lieg niet], als leraar van de heidenen in geloof en
waarheid." 2 Tim.1:10,11: "doch nu geopenbaard is door de
verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet
gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het
evangelie, "waartoe ik gesteld ben als prediker, apostel en leraar van de
heidenen."
Tit.1:2,3: "In de hoop
van het eeuwige leven, dat God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, vףףr de
tijden der eeuwen, "maar geopenbaard heeft op Zijn tijd, namelijk Zijn
Woord door de prediking die mij toevertrouwd is, naar het bevel van God, onze
Zaligmaker."
Dit zijn slechts vier van de vele
passages over dit belangrijke onderwerp. Zolang Christelijke leidslieden
inderdaad weigeren om Paulus te erkennen als Gods speciale apostel voor de
tegenwoordige bedeling der genade, zal de theologische verwarring en
verdeeldheid doorgaan met haar greep op de Kerk.
Maar de Apostel gaat voort met te
zeggen in V.21 dat deze gerechtigheid zonder de Wet "getuigd wordt door de
wet en de profeten". Wat betekent dit? Dat het werd verkondigd in de Wet en
door de profeten? Nauwelijks, want hoe kon hij anders zeggen dat het juist
"nu" werd geopenbaard? Het antwoord is duidelijk dat geen
Schriftplaats in de Wet of de profeten aangevoerd kon worden om de waarde van
dit plan tot rechtvaardiging te vernietigen, want hier was inderdaad
gerechtigheid, de volledige afdoening van de straf voor de zonde door Christus!
Geen wonder dat Paulus roemde dat de kracht van dit evangelie lag in het feit
dat "daarin de rechtvaardigheid Gods werd geopenbaard" (Rom.1:16,17).
In V.22 gaat de Apostel door met
aan te tonen dat deze gerechtigheid Gods verzekerd is voor de gelovigen door "het
geloof van Christus". Deze uitdrukking wordt in Paulus' brieven zeven
maal gebruikt, maar het is jammer dat zo weinig gelovigen, zelfs
Bijbelcommentators, de betekenis daarvan begrijpen. Het "geloof van Christus"
is, net als het "geloof van God" in V.3, van subjectieve aard,
en slaat eerder op wat iemand eigenlijk is, dan wat hij doet. Het heeft
niets uit te staan met geloof in Christus maar met Zijn waardig zijn om Hem
te vertrouwen; Zijn betrouwbaarheid en Zijn in staat zijn om Zijn beloften
te vervullen. Degene op Wie onze zonden werden gelegd op Golgotha bezit alle
gerechtigheid Gods, en wanneer we Hem vertrouwen voor redding mogen wij
volstrekt verzekerd zijn dat al Zijn gerechtigheid inderdaad ons wordt
toegerekend. Hij werd "voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden
worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Cor.5:21). Zo is dan ons geloof
in Christus gebaseerd op het geloof van Christus [Zie speciaal
Gal.2:16 (niet in N.B.G. vert.), waar ook ons geloof in Christus en het
geloof van Christus samen genoemd worden].
De woorden "tot allen en
over allen die geloven" (V.22), wijzen er op dat deze rechtvaardiging
aan allen wordt aangeboden, maar slechts wordt verleend aan, of
allen toegerekend, die geloven. Het is moeilijk voor sommigen om het
gezegend feit helemaal aan te nemen, dat waar Christus de volle straf voor onze
zonde heeft betaald, wij de rechtvaardiging van God ontvangen mogen, echter
alleen door geloof, d.i. door eenvoudig Gods Woord te geloven voor wat
betreft redding door Christus. Dit is echter de enige wijze waarop
de zondaar kan worden gerechtvaardigd (Gal.2:16).
In dit verband is er een mooie
vergelijking tussen Rom.3:22,23 en Rom.10:12: Rom.3:22,23: "...want er
is geen onderscheid, want zij hebben allen gezondigd en komen tekort aan
[derven] de heerlijkheid Gods." Rom.10:12: "Want er is geen
onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Here van allen, rijk
over allen die Hem aanroepen."
Verder dient te worden opgemerkt
in Verzen 22,23, dat "er geen onderscheid is" in dit, dat "allen
gezondigd hebben en te kort komen aan [derven] de glorie van God." Dit
feit wordt volledig getoond in Rom.1:18-3:20. Er mogen verschillen zijn in de
manier of de graad van de zonden van de mens, maar niet over dit basisfeit, dat "allen
gezondigd hebben" en voortdurend "tekort komen aan de
heerlijkheid Gods."
Degenen die, in Gods genade,
beschermd zijn voor grotere vormen van zonden, voelen soms dat zij geen zondaars
zijn. Zij dienen het feit onder ogen te zien dat maar ייn moord genoeg is om
een moordenaar te zijn, ייn beroving om een rover te zijn; door ייn huis in
brand te steken een brandstichter, zo bepaalt ייn zonde hem tot een zondaar
door keuze, als gevolg van het feit dat hij van nature een zondaar is.
Nu keert de Apostel terug naar
zijn grondmotief: "de rechtvaardigheid Gods...tot allen en over allen
die geloven." Hen die geloven, zo verzekert hij, zijn 'gerechtvaardigd
om niet uit Zijn [Gods] genade, door de verlossing die in Christus Jezus
is" (V.24).
Genade! Hoe treurig
misverstaan en onderschat! Iets voor niets, onverdiende gunst, GENADE: Gods
Rijkdommen Ten Koste van Christus, en vele andere
definities zijn er voor het woord "genade", maar de meeste van hen
falen ernstig bij het overbrengen van de betekenis van dit woord. Het Griekse charis
heeft tenminste in deze contekst het idee van verheuging in zich, zoals
een grootouder bijvoorbeeld zich verheugt in dat dierbare kleinkind en
gelegenheden zoekt om het gelukkig te maken. Het wonder van Gods genade
echter is, dat Hij Zich verheugt in de redding van zondaars en hun
levens vult met zegening (Eph.2:1-7). W.E.Vine definieert het Bijbels gebruik
van dit woord goed in zijn Expository Dictionary of New Testament Words:
"Charis" heeft
verschillende betekenissen, (a) objectief, dat wat vreugde schenkt of
veroorzaakt, of aangename aandacht trekt...(b) subjectief (1) aan de kant van de
schenker, de vriendschappelijke beschikking van waaruit de vriendelijke daad
voortkomt...(2) aan de kant van de ontvanger, een besef van de geschonken gunst,
een gevoel van dankbaarheid..."
De gedachte hier in Rom.3:24 is
dan dat God Zich verheugt in het redden van zondaars. Hij Zelf heeft
volledig voorzien in hun redding en nodigt hen uit om te komen en te worden
"gerechtvaardigd om niet [gratis] door de verlossing die in Christus Jezus
is" (hier Cf.2 Cor.5:18-21).
Het woord "om niet" in
deze passage legt nadruk op het feit, dat rechtvaardiging uit genade is.
Het Griekse dorean, hier vertaald met "om niet", wordt eveneens
gebruikt in Joh.15:25, waar we van Christus lezen: "Zij hebben Mij zonder
oorzaak gehaat". Omdat de mensen Christus gehaat hebben zonder
oorzaak (uitgezonderd hun eigen boze harten), zo rechtvaardigt God gelovigen
"zonder oorzaak" (uitgezonderd Zijn eigen liefdevol hart). God
heeft zondaars lief, en schept vreugde in hen goed te doen, niet vanwege enig
goed ding in hen, maar omdat "God is liefde" (1 Joh.4:16) en
oordeel "Zijn vreemd werk" is (Jes.28:21).
De Apostel gebruikt bijna drie
hoofdstukken in de Romeinenbrief met het schrijven over zonde. Hij doet dit om
ons voor te bereiden om redding te ontvangen door genade, want rechtvaardiging
kan ons niet geschonken worden, op geen enkele manier, dan alleen door Gods genade,
"door de verlossing die in Christus Jezus is" (V.24).
Zij die "hun eigen
gerechtigheid trachten op te richten" (Rom.10:3), of trachten
"zichzelf te rechtvaardigen" (Luk.10:29; 16:15) zullen worden
"geoordeeld...ieder naar zijn werken" (Openb.20:13), en zullen terecht
de gevolgen ondergaan (Openb.20:15). Hoeveel beter om het voorbeeld te volgen
van hen in de dagen van Johannes de Doper, die "God
rechtvaardigden" (Luk.7:29) door te zeggen, "Hij heeft gelijk",
en om Zijn waardering van hun toestand te erkennen, want redding is op
geen andere wijze mogelijk. Zo gaat dan de Apostel verder met te zeggen van
Christus: "Die God gesteld heeft tot een verzoening [eigenlijk, een
voldoening] door het geloof in Zijn bloed; tot een betoning van Zijn
rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden die tevoren geschied zijn onder
de verdraagzaamheid van God.
"tot
een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij
rechtvaardig is, en hem rechtvaardigt die uit het geloof van Jezus is" (V.25,26).
Zie toch, God heeft nu Christus
"naar voren gebracht"! Werkelijk uitmuntend. Gezegende
waarheid! Het is niet langer "de kwestie van de zonde" die het lot van
de mens bepaalt. Nu is het eerder "de kwestie van de Zoon". God heeft
een volledige voorziening geschonken voor de zonde en nodigt ieder uit uit om
"de gave van gerechtigheid" te ontvangen (Rom.5:17) door geloof
in Christus, Die stierf voor onze zonden. Zo verklaart de Apostel Johannes, die
dit jaren later schreef:
"Wie
in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar wie niet gelooft, is reeds
veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van
God" (Joh.3:18).De Apostel Paulus wijst er op, dat God Christus naar voren
bracht, en Zijn vergoten bloed als de ware voldoening voor zonde, en dat dit ook
toereikend is voor de "zonden die geschied zijn". Hij verwijst
hier niet naar de zonden in ons verleden, maar op die van de voorbije geschiedenis
(Zie Hebr.9:15). "De verdraagzaamheid van God" weerhield in die
dagen het oordeel, omdat Hij het doel had, dat Christus' bloed de volledige
voldoening zou zijn voor de zonde.
Vragen wij ons af hoe, in het
licht van Ex.19:5 en Gal.3:10 mensen onder de Wet konden worden gered; zoals
David en Daniel? Paulus vertelt het ons. Zij werden gerechtvaardigd omdat
Christus' gerechtigheid hun werd toegerekend, net als ons, alleen dit was aan
hen nog niet geopenbaard. Maar dit is "nu", "in deze tijd"
"geopenbaard" en"betuigd" in "het evangelie van Gods
genade"
Zo benadrukt de Apostel zowel het
aspect van de bedeling van deze waarheden, als het feit dat wij, zondaren,
gerechtvaardigd moeten worden, uitsluitend door Christus' gerechtigheid,
omdat wij geen gerechtigheid van ons zelf aan te bieden hebben (Rom.3:25,26, cf.Phil.3:9).
Wij moeten eraan herinneren dat
rechtvaardiging geen vrijspraak is; het verklaart ons niet onschuldig aan zonde.
Eerder veroordeelt God de zondaar, maar Hij rechtvaardigt de gelovige zondaar
en verklaart hem rechtvaardig in Christus. Hoeveel meer is dit dan
vrijspraak! Het proces:
1. De zondaar schuldig verklaard
(Rom.3:19).
2. De zonden van de zondaar
Christus toegerekend (Rom.24).
3. Christus' gerechtigheid de
zondaar toegerekend (Rom.4:5)
Welk een vreugde heeft de harten
vervuld van hen die deze gezegende waarheid hebben omarmd! Hoevelen zijn bewogen
geworden om deze te verkondigen, te verklaren, mooie liederen daarover te
schrijven, en anderen in de vreugde daarvan te leiden! Deze waarheid is de bron
geweest van het vertrouwen en de vreugde van de auteur voor meer dan vijf en
vijftig jaren.
Wat een groot verschil tussen
Petrus, die op Pinksteren bekering en doop verlangde tot vergeving van zonden
(Hand.2:38), en Paulus, die nu blij toegerekende rechtvaardiging, de
rechtvaardigheid van Christus voor de vergeving van de zonden verkondigt!
Zo kan God zijn - en is het - Tot een betoning van Zijn
rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en
rechtvaardigende hem, die uit het geloof van Jezus is. Jezus" (V.26).
De rechtvaardiging van de gelovige zondaar is rechtvaardig voltooid. Geen
enkel principe van recht werd voorbijgegaan, zodat de woorden "geloof
van Jezus" de uitlegging tot een kort en gepast einde brengen.
Toen onze Here, nog op aarde,
Zijn elf apostelen opdroeg om de wereld in te gaan en "het evangelie"
te prediken, zei Hij, "Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden
worden" (Mark.16:16). Maar hier, in de heerlijke boodschap, aan Paulus
opgedragen door de verheerlijkte Here, zijn de woorden "en zich laat
dopen" terecht afwezig en inderdaad, met opzet weggelaten. Nu, omdat God
absoluut recht handhaaft, rechtvaardigt Hij ten volle degenen die eenvoudig,
maar oprecht, "geloven in Jezus".
Het is een interressant feit dat
in het eerste verslag van Paulus' preek, gehouden in de synagoge te Antiochiכ
in Pisidiכ, Paulus verklaarde: "Zo zij u dan bekend, mannen broeders,
dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt; "ook van alles,
waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes" (Hand.13:38,39).
"Waar
blijft dan de roem?" Het antwoord van de Apostel kon niet raker zijn: "Hij is
uitgesloten" (V.27). God heeft weet van het kwaad en het verdriet als
gevolg van de menselijke hoogmoed en laat het ook niet toe in Zijn plan tot
verlossing. Hij geeft de mens geen enkel deel in de redding, maar hij kan het
alleen ontvangen als geschenk - "opdat niemand roeme" (Eph.2:8,9).
De vreugde over redding en hemel komt niet uit de verdienste van menselijke
prestatie, maar zuiver alleen uit dankbaarheid.
Maar op welk principe berust het,
dat roemen uitgesloten is in Gods methode tot rechtvaardiging van zondaren? Kan
ik dan op geen enkele manier bij deze transactie enige verdienste voor wat
ook ontvangen? De Apostel behandelt dit in V.27. "Door welke wet?"
vraagt hij, is roem uitgesloten? Door de wet "van werken"? en hij
antwoordt, "Neen, maar door de wet van het geloof."
Twee onveranderlijke,
onverbiddelijke wetten worden uitgesproken in Rom.11:6. Een heeft te doen
met genade, eenvoudig ontvangen door geloof; de andere met werken,
waarin menselijk pogen: "En indien het door genade is, dan is het
niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer; en indien het uit
werken is, dan is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer."
Daar hebben we de twee
alternatieven! Indien redding wordt verdiend door goede werken, is het niet
het geschenk uit Gods genade, alleen te ontvangen door geloof. Tegengesteld,
als zij het geschenk is uit Gods genade, kan zij niet verkregen
worden door goede werken, want genade en werken tot redding sluiten elkander
volstrekt uit.
"Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd
wordt, zonder de werken der wet" (V.28).
Dit is de derde trede in de grote logische redenering in de Brief aan
de Romeinen.
RECHTVAARDIGING DOOR GELOOF
BEVESTIGT DE WET
"Is God een God
van de Joden alleen? En is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de
heidenen. "Aangezien Hij een enig God is, Die de besnedenen zal
rechtvaardigen uit het geloof, en de onbesnedenen door het geloof. "Doen
wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de
wet"- Rom.3:29-31.
Kan God de God van
de heidenen zijn? -
heidenen. die Hij reeds lang tevoren had overgegeven aan "onreine
hartstochten" en "een verkeerde zin" (Rom.1:24,26,28)? Dit was
moeilijk voor de Jood om te accepteren. Ons mag de rite van de besnijdenis
vreemd schijnen en zelfs tegenstaan, maar voor de Jood is zij belangrijk en
heeft zij een grote betekenis. Zij was het teken van het verbond dat God met
Abraham had gemaakt, waarbij hij en zijn zaad werd afgescheiden van de
heidenen. Later werd besnijdenis in de Mozaische Wet opgenomen. Elke mannelijke
onbesnedene onder Abrahams zaad moest worden "afgesneden van zijn
volk" (Gen.17:14).
Maar Paulus heeft reeds "aangetoond", dat "beiden
Joden en heidenen...allen onder de zonde zijn" (Rom.3:9), en daarom
"afgesneden", volstrekt gescheiden van besnijdenis of de behoefte daar
aan. Hij heeft ook laten zien, dat "door de verlossing welke is in
Christus Jezus" allen die geloven, "uit [Gods] genade om niet
gerechtvaardigd worden (Rom.3:22-24). De "Enige God" rechtvaardigt
dus beiden, gelovige Joden en gelovige heidenen, door Christus' werk van
verlossing.
Theologen hebben lang geworsteld over de reden waarom van gelovige Joden
wordt gezegd dat zij gerechtvaardigd worden "vanuit geloof",
maar van gelovige heidenen "door geloof" (V.30). Wij geloven
dat de oplossing ligt in de oorspronkelijke status van elk afzonderlijk. De
Joden, behorend tot het verbondsvolk, zouden worden gerechtvaardigd door [uit]
geloof. Geloof zou zijn het vanzelfsprekend gevolg van hun uitverkoren relatie met God, maar de "veraf
zijnde" heidenen moesten komen door [middel van] geloof; beiden gerechtvaardigd
door "ייn God" door geloof.
Omdat de Joden gerechtvaardigd
werden "vanuit" geloof, is het ook duidelijk dat zij werden
gerechtvaardigd door [middel van] werken, terwijl de heidenen direct
gerechtvaardigd werden door [middel van] geloof. Voor de Jood, waren
offers, etc, [daadwerkelijk] de middelen tot zijn rechtvaardiging; hij
kwam "door middel van" werken, terwijl de heiden direct,
"door" [middel van] geloof tot zijn rechtvaardiging kwam.
Maar als Joden en heidenen
gerechtvaardigd werden op basis van geloof, "maakt dit dan niet de wet te
niet"? Waarom was de Wet op de eerste plaats aan de Jood gegeven als beiden,
Jood en heiden, gerechtvaardigd worden door geloof, los van de wet?
Het antwoord is, dat de Wet aan de Jood werd gegeven, niet om hem te
rechtvaardigen, maar om hem, samen met de heidenen, verdoemelijk te doen
zijn (V.19).
Zo toont dan de Apostel het feit
aan, dat zijn goede nieuws van rechtvaardiging uit genade alleen door geloof, in
geen geval de Wet te niet doet; eerder bevestigt zij de Wet [Zie de notities bij
3:21).
TWEE VOORBEELDEN
UIT DE JOODSE GESCHIEDENIS
Zich de moeilijkheid realiserend
van de Jood te beןnvloeden om het principe van rechtvaardiging, door geloof
alleen, te aanvaarden, begint de Apostel nu zijn inzicht aan te tonen door de
Joden hun eigen Geschriften voor te houden met betrekking tot uitnemende
persoonlijkheden uit hun eigen geschiedenis: Abraham en David.
"Wat zullen wij dan
zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees? "Want
indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet
bij God. "Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem
gerekend tot rechtvaardigheid. "Hem nu die werkt, wordt het loon niet
toegerekend naar genade. maar naar schuld. "Doch hem die niet werkt, maar
gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot
rechtvaardigheid.
"Zoals
ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent, zonder
werken,
"en
zei: Zalig zijn zij van wie de on-gerechtigheden vergeven zijn, en van wie de
zonden bedekt zijn."Zalig is de man, van wie de Here de zonden niet
toerekent." - Rom.4:1-8
Zoals we weten, opent het
laatste grootse gedeelte van de Bijbel, het zogenaamde "Nieuwe
Testament", met het brengen van de Messias als "de zoon van David,
de zoon van Abraham" (Matt.1:1). Dit is de grondslag voor "het
evangelie van het Koninkrijk", dat het onderwerp is van de vier
weergaven van de aardse bediening van onze Here, want daar wordt Christus
verkondigd als de gerechte erfgenaam van de twee grote verbonden die met deze
patriarchen werden gemaakt.
Het Abrahamitisch Verbond
beloofde een "land" en een "groot volk" om
daarin te wonen (Gen.12:1-3; 13:14-18), terwijl het Davidisch Verbond beloofde
een koninkrijk en een eeuwige Koning als haar regeerder (2 Sam.7:16;
Ps.89:34-36). Zo nebben we in de vier "Evangeliכn" een Koning,
die zal regeren als hoofd van een koninkrijk, over een volk in
een land - het land Kanaהn.
De Heilige Schrift echter vertelt hoe Israel de Koning en Zijn koninkrijk
verwierp. Als gevolg daarvan werd het volk verdreven uit het land dat haar door
verbond beloofd was. De vestiging van dit koninkrijk werd - en wordt nog steeds
- in afwachting opgehouden tot een toekomstige tijd, nadat de huidige bedeling
van genade tot een einde zal zijn gebracht (Rom.11:25-27).
Nu vinden we hier in Rom. 4
Paulus, die verwijst naar dezelfde aartsvaders, maar niet in verband met
de verbonden die God met hen maakte. Eerder gebruikt de Apostel hen om de waarde
aan te tonen van zijn door God gegeven boodschap. Hij gebruikt hen, niet om het
evangelie van het koninkrijk te verkondigen, maar om het evangelie van Gods
genade te verkondigen.
Eerst keert hij zich tot Abraham
- en met reden.
HET GEVAL MET ABRAHAM
De auteur vroeg eens aan een klas
jongens: "Wie is de meest geכerde, meest vereerde, meest geliefde man in
de hele geschiedenis?". Zij antwoordden in koor: "Jezus!" Hoe
verkeerd waren ze! De Here Jezus Christus behoorde inderdaad door allen
geliefd en geכerd te zijn, maar helaas, miljoenen verachten Hem en velen haten
Hem zelfs, terwijl Zijn naam in veel gevallen wordt misbruikt.
Zonder twijfel is de meest geכerde
en vereerde, meest geliefde man in de hele geschiedenis - Abraham. Zelfs
heden wordt Abraham vereerd als de "vader" van:
Meer dan 15.000.000 Joden;
Meer dan 550.000.000
Mohammedanen, en
Meer dan 1.000.000.000 belijdende
Christenen.
Zoals dus God Paulus uitkoos om Zijn genade aan zondaars
te tonen, zo verkoos Hij Abraham om rechtvaardiging door geloof
aan te tonen (Rom.4:1-5, cf.Gal.3:6,7).
Schrijvend als een Hebreכer, noemt de Apostel Abraham "onze
vader wat betreft het vlees", en verklaart dat "als Abraham
gerechtvaardigd werd door werken [een zuiver hypothetisch geval], hij
roem heeft, maar niet voor God" (Rom.4:1,2). "Geen vlees" zal
ooit "roemen in Zijn tegenwoordigheid" (1 Cor.1:29; Eph.2:8,9).
Daarom gaat de Apostel door:"Want wat zegt de Schrift? En Abraham
geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid" (V.3).
Met de bedoeling [hetgeen Abraham
niet wist], dat Christus zou sterven tot genoegdoening voor de zonde van de
mens, zei God van Abraham, als het ware: "Hij gelooft Mij. Ik zal
zijn geloof honoreren en hem rechtvaardig rekenen" (i.c. in Christus).
Zo was dus Abrahams rechtvaardiging niet het gevolg van enig doen van
zijn kant, het was eerder het gevolg van zijn eenvoudig geloof in God en Zijn
Woord. Anders zou het niet "uit genade", maar "uit schuld"
geweest zijn.
Er dient zorgvuldig acht geslagen
te worden in verband met Gen.15:6, (de passage die de Apostel hier aanhaalt),
dat deze passage niet zegt dat Abraham in geloof vooruit zag naar de
komst van Christus om te worden gered. De hele passage (Gen.15:2-6) wijst
duidelijk aan, dat Abraham God geloofde voor wat betreft het ontelbare zaad dat
van hem door Isaac zou voortkomen. Zijn onvoorwaardelijk geloof in Gods Woord
wat dit betreft toonde aan dat hij God geloofde. Wij weten nu dat
Abrahams rechtvaardiging gebaseerd was op de toen nog toekomstige dood van
Christus voor zijn zonden (Rom.3:25), maar Abraham, dit nog niet wetend,
geloofde eenvoudig wat God tot hem had gezegd, en God "rekende
hem dat tot gerechtigheid."
De passage in Genesis zegt ook
niet, dat God Abraham vertelde dat zijn geloof hem tot gerechtigheid
gerekend werd. Dit werd later over hem geschreven, en Paulus gebruikt het
hier als bewijs van rechtvaardiging door geloof.
Zo werden de werken der Wet in de
tijden van het Oude Testament vereist, slechts geaccepteerd als zij geloof uitdrukten.
Het is echter een kostbaar feit, dat terwijl God nog niet aan hen in oude tijden
de bedoeling van hun offeranden openbaarde, wij nu kunnen terugzien met
Paulus op deze offeranden, - en op alle typen, physiek en historisch, en
uitroepen: "Waarlijk, het kruis was geen toeval, evenmin de bedeling der
genade een latere inval". God had deze altijd al in gedachten. Dit was
werkelijk Zijn geheime, eeuwige bedoeling, "verborgen van alle eeuwen en
alle geslachten", maar bekend gemaakt ter bestemde tijd door Paulus, de
voornaamste der zondaars, gered door genade!
En nu past de Apostel de les toe op degenen uit zijn dagen - en de onze: "Hem
nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.
"Doch hem die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze
rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:4,5).
Let wel, God verklaart niet
alleen werken tot redding onnodig; Hij verbiedt ze.
Rechtvaardiging is niet alleen niet "voor hen die werkt"; het
is "voor hem die niet werkt, maar gelooft". Om gerechtvaardigd
te worden door God moeten we aan het eind van onszelf komen, en "onze dode
werken afleggen", om "de gave van rechtvaardiging" te ontvangen
in eenvoudig geloof, door Christus, Die voor ons stierf. Nadat we de
redding verkregen hebben als "gave van God" zal Hij ons als slaven
voor Hem en voor anderen laten zwoegen, maar in deze bedeling van genade
verwerpt Hij werk tot redding volstrekt, "opdat niemand roeme" (Eph.2:8,9).
Hoevelen zullen de hemel missen
omdat zij weigeren tot God te komen op Zijn wijze? Hoevelen blijven
ongered omdat zij doorgaan met te "trachten hun eigen gerechtigheid op
te richten" (Rom.10:1,3) Hoeveel beter is het om de waarheid van Rom.4:5
te betrachten en Paulus bij te vallen wanneer hij God prijst: "Die ons
heeft zalig gemaakt [gered], en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze
werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus
Jezus, vףףr de tijden van de eeuwen" (2 Tim.1:9).
HET GEVAL MET DAVID
Ook David wordt opgeroepen om te
getuigen voor Paulus' uiteenzetting van rechtvaardiging door geloof, los van
werken. Men moet echter niet veronderstellen, dat David iets meer wist van
"de bedeling der genade Gods" dan Abraham. Het Woord luidt: "Zoals
ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent, zonder
werken" (Rom.4:6).
De Apostel gaat verder, in Vers
7,8, om te citeren uit Psalm 32, kennelijk geschreven door David nadat hij Gods
vergeving had ervaren in verband met zijn zonde met Bathseba en haar echtgenoot,
Uria.
De lezer doet er goed aan hier te
pauseren om uitvoerig Davids bewogen beschrijving van die gezegende toestand in
Ps.32 te lezen. Allereerst hebben we het thema van zijn lied, gevolgd door een
opsomming van zijn hardnekkig poging om "dingen te bedekken", terwijl
in heerschappij Gods hand "dag en nacht zwaar op hem" was, zodat zijn
beenderen "verouderden" en zijn "sap" [lett.frisheid]
veranderde in "zomerdroogte" (V.3,4). Ten laatste bekent Hij alles aan
de Here, Die gaarne "de ongerechtigheid" van zijn "zonde"
vergeeft (V.5; cf. 2 Sam.12:13). Dan trekt David "alle registers
open", als het ware, bij het prijzen van God voor Zijn goedertierenheid.
Hier dient genoteerd te worden,
dat zoals Paulus Abraham aanhaalt om aan te tonen dat rechvaardiging door geloof
verkregen wordt, hij David aanhaalt om aan te tonen dat de zondaar, eens
gerechtvaardigd, niet kan worden veroordeeld tot vervloeking door de Wet. David
"beschrijft" dit, "en zei:
"Zalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de
zonden bedekt zijn. "Zallig is de man, van wie de Here de zonden niet
toerekent" (Rom.4:7,8).
Abraham leefde vףףr
de Wet werd gegeven, terwijl David leefde onder de Wet. Beiden zijn
getuigen van rechtvaardiging door geloof, zonde werken, maar anders dan Abraham,
beschrijft David het gezegend zijn van de gerechtvaardigde man, die door de Wet
niet kan worden veroordeeld. Als hij zondigt, zal God hem overheersen om hem
terug te brengen in gemeenschap (Ps.51:12), maar zal hem niet uitwerpen. Het
geval van Abraham is een zuiver positief geval, terwijl het geval van
David uiterst negatief is: "Gezegend is de man wien de Here zonde niet
zal toerekenen."
Wij herhalen dat David het
"hoe en waarom" van dit alles niet heeft begrepen, maar hij wist dat
God hem vergeven had, zelfs al veroordeelde hem de Wet, en hij 'beschrijft"
het gezegend zijn van deze kennis.
Er is hier nog een derde
onderscheid tussen Abraham en David. Iedere Jood kende Abraham als "de
vader der besnijdenis", terwijl met David de Wet erbij
betrokken was. Zo gaat dan de Apostel in het overige van dit hoofdstuk verder
met het bespreken van de besnijdenis (V.9-12) en de Wet (V.13-25), zoals deze
verband houden met rechtvaardiging door geloof.
EEN TEGENSPRAAK?
Voordat we verder gaan met
het overige van dit hoofdstuk, moeten we kort een schijnbare tegenspraak
behandelen tussen Rom.4:3-5 en Jak.2:24.
In Rom.4:3-5 verklaart Paulus duidelijk dat mensen alleen door geloof
worden gerecht-vaardigd, zonder werken, maar Jakobus 2:24 spreekt met
dezelfde stelligheid: "Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken
gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof?"
Zijn deze stellingen
werkelijk tegengesteld, of schijnt het slechts zo? Laten we eens zien.
Er werd uitgelegd dat het
weer verschijnen van de woorden "Ziet gij dan nu" in de redenering van
Jakobus, aantoont dat hij probeert voor mensen te bewijzen dat zij die
rechtvaardig geloof belijden, dit ook hebben. Maar Abraham offerde Izak niet voor
mensen, en legt dit argument niet uit hoe mensen gerechtvaardigd worden door
werken, zoals Jakobus 2:24 stelt. Zeer zeker slaan Rom.4 en Jak.2 op
rechtvaardiging door God, maar de een zegt dat dit wordt ontvangen door
geloof alleen, terwijl de ander zegt dat het door werken wordt verkregen,
en niet door geloof alleen."
Wij geloven dat het antwoord op deze schijnbare tegenstrijdigheid vanuit
bedeling wordt gegeven, en laten we met het oog hierop, verschillende
vergelijkingen uit vroegere achtergrond opmerken.
In het eerste geval is de schrijver Paulus; in het tweede is het Jakobus.
Paulus richt zich tot heidenen (Rom.11:13), terwijl Jakobus schrijft
aan "de twaalf stammen [van Israel] in de verstrooiןng" (Jak.1:1).
Paulus spreekt over Abraham vףףr zijn besnijdenis; Jakobus spreekt
over hem na zijn besnijdenis [als de vader van het Hebreeuwse volk]. Paulus
citeert Gen.15:6 om zijn standpunt te bewijzen; Jakobus citeert
Gen. 22:1-18. Paulus noemt alleen Abrahams aanname van het goede
nieuws aangaande zijn zaad (Gen.15:4-6); Jakobus behandelt zijn geloof in
een ernstige toets (Gen.22:16-18). Dit zijn belangrijke verschillen.
Met deze verschillen in gedachten
halen wij uit een van onze vroegere geschriften aan:
Geloof [zal] in volle zekerheid
op Gods wijze Hem ieder ogenblik benaderen. Proberen om van Hem acceptatie te
krijgen, op welke andere manier ook, zal uiteraard ongeloof en
eigenwilligheid zijn. Terwijl dus werken nooit en tenimmer als zodanig kunnen
en zullen redden, redden zij eens als uitingen van geloof".
"Wanneer God zegt, 'Offer een dier als offerande en Ik zal u
accepteren', wat zal geloof dan doen? Geloof zal natuurlijk een dier als
offerande offeren. Abel deed dit en werd geaccepteerd, niet omdat het bloed van
beesten zonde kan wegnemen, maar omdat hij God benaderde op Gods wijze. Dit is
'de gehoorzaamheid des geloofs.'
"In het geval van Kain
hebben we een heldere aanwijzing dat God niet voldaan is met alleen werken als
zodanig, want Kain offerde een attractiever uitziend offer dan Abel, maar werd
verworpen omdat hij niet het offer bracht dat God eiste (Gen.4:5).
"Wanneer God zegt, 'Bouw een
ark en ik zal u en de uwen redden van de zondvloed' wat zal geloof dan doen?
Geloof zal natuurlijk een ark bouwen. En toen Noach dit deed toonde hij zijn
geloof in God en 'werd een erfgenaam van de gerechtigheid die is door geloof.'
"Wanneer God zegt,
'Gehoorzaam metterdaad Mijn stem en gij zult de Mijne zijn', wat zal geloof
doen? Geloof zal ernstig trachten te gehoorzamen. U zegt: Maar zij konden niet
volledig gehoorzamen en zouden daarom door God worden verworpen. Wij antwoorden,
dat wij reeds bewezen hebben dat werken op zich, niet kunnen redden. Het was pas
toen de Israelieten de Wet als het Woord van God voor hen erkenden, en daardoor
trachtten het te gehoorzamen, dat zij gered werden. Zo'n poging om de
Wet te houden laat "de gehoorzaamheid des geloofs" zien.
"Wanneer God zegt, 'Bekeert
u en wordt gedoopt tot vergeving van zonden', wat zal geloof dan doen? Maar een
ding: bekeren en zich laten dopen. Wij weten dat oceanen met water geen enkele
zonde kan afwassen, en toch toen Johannes de Doper en Petrus bekering predikten
en doop tot vergeving, zou geen enkele toehoorder hun woorden hebben uitgelegd
als te bedoelen: 'Geloof in de dood van Christus tot redding.' Inderdaad, toen
God waterdoop vereiste tot redding was de enige weg om geloof te tonen,
gedoopt te worden, en zij die dit weigerden te doen waren veroordeeld wegens hun
ongeloof: "Maar de Farizeכen en de wetgeleerden HEBBEN DE RAAD VAN GOD
TEGEN ZICHZELF VERWORPEN, DAAR ZIJ DOOR HEM NIET GEDOOPT WAREN" (Luk.7:30).
"Maar wanneer God zegt, 'MAAR
NU is, zonder de wet, de rechtvaardigheid Gods geopenbaard' (Rom.3:21); 'Hem
die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn
geloof gerekend tot rechtvaardigheid' (Rom.4:5)...wat zal geloof doen?
Geloof zal zeggen, "Dit is het wonderbaarlijkste aanbod dat God ooit aan
een mens heeft gedaan. Dit kan ik niet weigeren, Ik wil Christus vertrouwen als
mijn Redder en redding aannemen als de vrije gift van Gods genade' (Things
that Differ, Pp.22,42,43; vert. Dingen die daarvan verschillen,
Genade Bijbel Stichting Nieuwegein).
Wij geloven dat dit het antwoord
is op de schijnbare tegenspraak tussen Rom.4:5 en Jak.2:24. De Brief van
Jakobus past in Gods plan der bedelingen precies waar zij in de canon van de
Schriften wordt gevonden: na de Paulinische bedeling. Wanneer "de bedeling
van Gods genade" haar tijd gehad heeft, zal God weer beginnen met "de
twaalf stammen van Israel", die nu "verstrooid zijn". Op die dag
zal het "evangelie van het koninkrijk" weer worden verkondigd (Matt.24:14).
Dan zullen werken weer zijn opgenomen bij de voorwaarden tot redding, zoals dat
was toen onze Here op aarde was (Mark.1:4; Luk.7:29,30; 18:18-22; etc.).
Betekent dit dat werken op zich-zelf doeltreffend zullen zijn? Neen. Zij zullen
alleen voldoen als uitdrukking en blijk van geloof, zoals inderdaad Jakobus
duidelijk leert (Jak.2:18-26).
RECHTVAARDIGING TOEGEREKEND
VOLSTREKT GESCHEIDEN
VAN BESNIJDENIS
In Rom.4:1-8 haalt de Apostel
Abraham en David aan om zijn argument kracht bij te zetten, dat rechtvaardiging
geschiedt door geloof zonder werken. Nu, vanaf vers 9 tot aan het eind van het
hoofdstuk drukt hij deze waarheid op het hart, daarbij verder aantonend dat
rechtvaardiging de gelovigen wordt toegerekend, volledig gescheiden van
besnijdenis en geheel gescheiden van de Wet.
"Deze zaligspreking dan, is
die alleen voor de besnedene, of ook voor de onbesnedene? Want wij zeggen, dat
Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid. "Hoe is het hem dan
toegerekend? Toen hij besneden was, of onbesneden? Niet besneden, maar
onbesneden. "En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een
zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, dat hem in de onbesneden staat was
toegerekend; opdat hij vader zou zijn van allen die in onbesneden staat geloven,
ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend zou worden, "en vader zou
zijn van de besnijdenis, hun namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn,
maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham,
toen hij nog onbesneden was." - Rom.4:9-12
"Deze zaligspreking dan - de
dubbele zaligheid van toegerekende rechtvaardigheid en niet toegerekende
zonden - "is die alleen voor de besnedene, of ook voor de onbesnedene? Dit
was voor de Jood een vanzelfsprekende vraag, omdat de Apostel zojuist gezegd
had, dat "geloof Abraham werd toegerekend tot rechtvaardigheid, en
Abraham was de vader van het Hebreeuwse volk - waar inderdaad David ook
deel van uit maakte.
Om deze vraag te beantwoorden,
stelt Paulus een wedervraag: "Hoe werd [geloof] dan [Abraham] toegerekend?,
toen hij besneden was of onbesneden? en het antwoord is duidelijk: "Niet
besneden, maar onbesneden" (V.10).
In vers 3 haalt de Apostel
Gen.15:6 aan in verbinding met een gebeurtenis die plaats vond enige jaren vףףr
Abrahams besnijdenis. Oorspronkelijk werd Abraham lang daarvoor
gerechtvaardigd, toen God tot hem, een arme, blinde, afgodische heiden, sprak:
"Ga uit uw land, en uit uw
maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. "en
Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees
een zegen! "En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt;
en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden" (Gen.12:1-3).
Abraham gehoorzaamde na enige
aarzeling dit bevel (Gen.11:31,32, cf.12:1,4,5), gehoorzaamde "door
geloof", en het is duidelijk uit Hebr.11:8-10,39 dat hij een "goed
getuigenis verkreeg door het geloof" toen hij vertrok uit Ur der Chaldeכen,
en zijn vertrouwen op Gods belofte van "een beter land."
Zo had dus het verbond der
besnijdenis helemaal niets te maken met Abrahams rechtvaardiging voor God. Hij
werd gerechtvaardigd door geloof alleen.
"En hij heeft het teken der
besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, dat hem in
de onbesneden staat was toegerekend; opdat hij vader zou zijn van allen die in
onbesneden staat geloven, teneinde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend zou
worden" (Rom.4:11).
Besnijdenis rechtvaardigde
Abraham niet. Het was alleen een "teken"; "zegel van de
rechtvaardigheid van het geloof dat hij als onbesnedene bezat" (V.11).
Zo werd hij "de vader van allen die in onbesneden staat geloven" (V.11).
Op dezelfde basis werd hij
"de vader van de besnijdenis", niet van hen die alleen
onderworpen waren aan de religieuze rite [sacrament] van besnijdenis, maar "die
ook wandelden in de voetstappen van dat geloof" dat Abraham had,
"zijnde nog onbesneden staat" d.i. hij werd vader van die Joden die
waarlijk geloven (V.12). Deze hebben de werkelijkheid van dat waar besnijdenis
slechts een teken van was.
"Zo verstaat gij dan, dat
zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn" (Gal.3:7).
Hoe duidelijk leert ons dit alles
dat rechtvaardigheid, of toegerekende gerechtigheid, nimmer alleen berustte op
enig lichamelijk sacrament, of dat besnijdenis, offeranden naar de Wet, of
waterdoop was, maar op geloof alleen. Dit is in het bijzonder zo sinds de
opwekking van Paulus om het al-voldoende, volbrachte werk van verlossing, door
Christus gewrocht op Golgotha, te verkondigen. Nu moet geloof in God, uit
de aard der zaak, geloof bevatten in wat Hij heeft gezegd over
rechtvaardiging door het volbrachte werk van Christus (Rom.3:25; 1 Cor.15:1-3;
2 Cor.5:21; etc.),
Hoe helder toont dit ook aan dat
de zaligheid van toegerekende gerechtigheid en niet toegerekende zonde, is
voor beiden, Joden en heidenen, die God benaderen in geloof, gelovend
wat Hij zegt over Christus, en tot Hem komen door Christus (Rom.3:21-27).
Tenslotte leert ons deze passage
door heldere gevolgtrekking, dat degenen die zichzelf blijven rechtvaardigen, "bezig
hun eigen gerechtigheid op te richten", zelfs al zijn zij Joden, niet
erkend worden door God als de ware kinderen van Abraham, omdat Abraham
"de vader is van allen die geloven" (Rom.4:11). Wij hebben
inderdaad in onze studie in Rom.2 gezien, dat: "...niet hij is een Jood
die het in het openbaar [uiterlijk] is; noch die is de besnijdenis, die het in
het openbaar [uiterlijk] in het vlees is" (V.28).
Integenstelling zegt de Apostel
van alle gelovigen in Christus: "Want wij zijn de besnijdenis, wij die
God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees
vertrouwen" (Phil.3:3).
GERECHTIGHEID TOEGEREKEND
VOLLEDIG GESCHEIDEN VAN DE WET
"OPDAT HET ZOU ZIJN UIT
GENADE"
Als de Apostel heeft aangetoond
dat rechtvaardiging aan gelovigen wordt toegerekend volledig gescheiden van
besnijdenis, gaat hij nu verder met aan te tonen dat zij wordt toegerekend, volstrekt
gescheiden van de Wet. Dit moest Romeinen zowel als Joden interesseren, want
onder de Romeinen werd wet zo hoog geacht, dat de weerklank van de Romeinse
Code, net als de Wet van Mozes, in onze Westerse gerechtshoven kan worden
gehoord.
"Want de belofte is niet
door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk dat hij een erfgenaam
van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof.
"Want indien zij die uit de
wet zijn, erfgenamen zijn, dan is het geloof ijdel geworden en de belofte te
niet gedaan. "Want de wet bewerkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook
geen overtreding. "Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zou
zijn; opdat de belofte vast zou zijn voor al het zaad, niet alleen dat wat uit
de wet is, maar ook dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van
ons allen."
- Rom.4:13-16
Nauwkeurig dient te worden
aangetekend, dat God ons niet de grote mannen in de Schrift voorhoudt vanwege
hun hoge moraal. Bijna altijd zijn hun getuigenissen besmeurd met fouten en
zonde. Maar God vraagt ons op hun geloof acht te geven, hoe Hij hen zegende
vanwege hun geloof in Hem. We hebben dit reeds gezien in bovenstaande
verzen 1-5, en het wordt met grote kracht benadrukt in Hebr.11. Hier vinden we
veel varianten, maar ייn constante: "Door geloof...door
geloof...door geloof" Veel van de zonden en tekortkomingen van deze
"geloofshelden" zijn in Hebr.11 weggelaten, want Gods bedoeling in dit
hoofdstuk is, te tonen hoe Hij hun geloof honoreerde. Dit geweldige
hoofdstuk opent en sluit met de verklaring dat allen van die lijst "een
goed getuigenis hadden door geloof" (V.2,39). Het is verbazend wat God
voor mensen zal doen als zij Hem eenvoudig willen geloven en Christus
vertrouwen voor hun redding.
We hebben gezien dat
ontegenzeggelijk Abraham de enige persoon in de Schrift is die uitsteekt als het
grote voorbeeld van geloof. In de Encyclopaedia Britannica wordt
gesteld dat vele andere bekende boeken de weerklank ervan hebben: dat "de
voortreffelijke karakteristiek van Abrahams leven zijn vastbesloten en
kinderlijk geloof in God was. In de Schriften wordt hij voortdurend voorgehouden
als het grote voorbeeld van geloof."
Zo gaat de Apostel Paulus, bij
het aantonen hoe rechtvaardiging niet wordt verkregen door de Wet, voort
met Abraham te nemen als een levend voorbeeld van dit feit. "De belofte
dat hij erfgenaam van de wereld zou worden" zo redeneert Paulus, "was
niet aan Abraham of aan zijn zaad door de wet, maar door de rechtvaardigheid des
geloofs" (V.13). Abraham noch zijn zaad verdienden deze eer,
noch werd het hem toegezegd "door de wet". Het werd hem eenvoudig beloofd.
In feite werd de Wet pas honderden jaren later gegeven.
"Want", zo gaat hij voort, "indien
zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, dan is het geloof ijdel geworden en de
belofte te niet gedaan" (V.14).
Wat is het doel van een belofte
als zij niet wordt geloofd en er niet op wordt vertrouwd? En een wettelijk
contract maakt onmiddellijk elke mondelinge belofte "zonder effect".
Dit zou vanzelfsprekend moeten zijn, maar velen moeten dat nog leren. In
Gal.3:18 wijst Paulus opnieuw op Abraham en dringt aan: "Want indien de
erfenis uit de wet is, dan is zij niet meer uit de belofte, maar God heeft ze
aan Abraham door de belofte genadig gegeven."
In de les voor ons is duidelijk
uit dezelfde passage: "En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt
voor God, is duidelijk; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
"Doch de wet is niet uit het
geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal daardoor leven" (V.11,12).
Hoe kon de Wet een zondaar
rechtvaardigen? Blijkbaar moet de Wet de zondaar veroordelen. "De
wet bewerkt toorn." Er zou inderdaad geen overtreding zijn, als
er geen wet was om te overtreden (Rom.4:15). Iedere misdadiger weet dat "de
wet toorn bewerkt" en iedere zondaar dient dat te weten. De Schriften tonen
dit overvloedig:
Gal.3:19: "Zij [de Wet]
is om de overtredingen er bijgevoegd."
Rom.3:19: "opdat alle
mond gestopt wordt en de gehele wereld voor God verdoemelijk [schuldig] zou
zijn."
Rom.5:20: "...gekomen,
opdat de misdaad zou toenemen,"
Rom.7:13: "...opdat de
zonde uitermate zondig zou worden door het gebod."
Col.2:14: Van de inzettingen
wordt gezegd dat zij "tegen ons" en "ons tegen" waren.
Gal.3:10: "Want zovelen
die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek;"
2 Cor.3:9: Zij wordt de "bediening
der veroordeling." genoemd.
2 Cor.3:7: Zij wordt de "bediening
van de dood" genoemd.
1 Cor.15:56: "De prikkel
nu van de dood is de zonde, en de kracht van de zonde is de wet.
Ondanks al dit getuigenis vanuit
het Woord van God, willen de mensen doorgaan met proberen redding te verkrijgen
door werken der Wet, naderen tot God op hun voorwaarden - die Hij
nimmer zal accepteren. Hij wil rechtvaardiging niet verkopen tegen elke
prijs, zeker niet voor een paar armetierige "goede" werken,
aangeboden door mensen wier hele levens bedorven zijn door zonde.
DE VADER VAN ONS ALLEN
Het is tot ons oneindig voordeel
om rechtvaardiging te ontvangen door geloof alleen, want V.16 gaat door en
zegt: "Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zou zijn;
opdat de belofte vast zou zijn..."
Dit benadrukt de Apostel in de
Galatenbrief: "Maar de Schrift heeft alles onder de zonde besloten,
opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven
worden" (Gal.3:22).
Al Abrahams zaad, dat wat
"uit de wet" is, en dat wat "uit het geloof van Abraham" is,
zal deelhebben aan de aan Abraham gedane belofte, maar dit houdt voor ons
vandaag een les in.
Als rechtvaardiging eerder door
werken der wet zou zijn dan uit genade door geloof, hoe konden we er dan zeker
van zijn? Als ik alleen maar mijn vinger omhoog behoef op te steken, nog minder,
mijn hele leven de Wet gehoorzamen, hoe kon ik ooit zeker zijn? Inderdaad zou ik
in dat geval zeker kunnen zijn van verdoemenis. Dit is waarom
zoveel religieuze mensen hun levenlang in vrees leven, angst dat zij tenslotte
niet acceptabel voor God zullen zijn.
"Daarom is zij uit het
geloof, opdat zij naar genade zij; teneinde de belofte vast zij..." (V.16).
Vertrouw op de Wet; worstel om
rechtvaardiging te verdienen, en ge zult nooit zeker van acceptatie door
God zijn. Maar rust op Zijn belofte en uw zekerheid kan niet vollediger zijn.
Welk een zegen dat God zaligheid
toegankelijk heeft gesteld langs de gemakkelijkste, eenvoudigste en meest vrije
ingang! Er is geen geworstel in geloof, geen pogen, en daardoor ook geen
verdienste, geen roemen - en Zijn Woord is een zekere, vaste fundatie om
op te rusten.
Het is met het oog op het
bovenstaande dat V.16 Abraham noemt, "de vader van ons allen",
d.i., de vader van allen die eenvoudig God nemen op Zijn Woord.
DE MOEDER VAN ONS ALLEN
Hier moge een korte uitweiding
geoorloofd zijn. Heeft de lezer zich ooit afgevraagd wie de
moeder van ons allen" is? Eיn
vrouw in de Schrift wordt zo genoemd, en wie anders dan Abrahams vrouw, Sara
(Gal:4:26-31)! De Bijbelse vertelling is boeiend.
Aan Abraham is een zoon beloofd.
Zijn vrouw is echter onvruchtbaar en beiden worden reeds ouder. Zij beginnen
bevreesd te worden, op z'n minst Sara, dus zegt Sara tegen Abraham eigenlijk:
"Ik wil je niet in de weg staan. Neem Hagar, mijn slavin, als vrouw en
misschien dat ik dan toch een zoon mag hebben - door haar." (Zie
Gen.16:1,2). Abraham deed zoals Sara voorstelde en Hagar kreeg een zoon, Ismael.
Maar God zei, als het ware: "Nee, dit is niet de zoon die Ik beloofde. Je
behoeft Mij niet te helpen Mijn belofte te vervullen" (Zie Gen.17:18-21).
Het was niet eerder dan dat
Abraham honderd jaren oud was, en Sara negentig, dat Sara Abraham een
zoon schonk, Izak, zoals God beloofd had, en de Schrift vertelt van hen dat zij
beiden lachten van louter blijdschap. Zo noemde Abraham zijn zoon, Izak [Hebr., lachen]
overeenkomstig het Woord van God, en Sara zei: "God heeft mij een lachen
gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.
"Voorts zeide zij: Wie zou
Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in
zijn ouderdom" (Gen.21:6,7).
Nu gebruikt Paulus in Gal.4 dit
voorbeeld met te verklaren dat Hagar, de slavin, ons spreekt van de Wet en haar
gebondenheid welke toont het Jeruzalem van die dagen, "dienstbaar met haar
kinderen" (V.25), terwijl Sara spreekt van genade, en staat voor "Jeruzalem
dat boven is, [dat] vrij is, dat is ons aller moeder" (V.26).
Ach, hoeveel mensen, religieus,
denken toch dat de Wet grotere resultaten boekt dan genade. Wat zijn zij
verkeerd! "Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet
baart! breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt, want de kinderen van de
eenzame zijn veel meer dan van haar die de man heeft" (Gal.4:27).
Hier vertegenwoordigt Abrahams
vrouw, Sara, genade, zoals Abraham in de Schrift geloof vertegenwoordigt.
Hagar, de slavin, kon slechts de zoon van een slaaf voortbrengen, maar Sara, de
vrije vrouw, bracht de zoon der belofte voort! "Zo dan, broeders,
wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd, maar van de vrije" (Gal.4:31).
OPRECHT GELOOF versus
INTELLECTUELE INSTEMMING
Rom.4:17-22 schijnt wellicht op
het eerste gezicht te leren, dat het de kracht en de flinkheid van Abrahams
geloof was, die hem rechtvaardheid voor God bezorgde, maar laten we eens kijken:
"[Zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken
gesteld] voor Hem, aan Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend
maakt, en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren."Die tegen hoop op
hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat
gezegd was: Zo zal uw zaad zijn. "En niet zwak in het geloof, lette hij
niet op zijn eigen lichaam dat reeds afgestorven was, daar hij ongeveer honderd
jaar oud was, en niet op de moederschoot in Sara die afgestorven was, "en
hij twijfelde niet aan de belofte vanGod door ongeloof, maar is gesterkt geweest
in het geloof en gaf God de eer, "ten
volle verzekerd dat Hij ook machtig was, wat beloofd was te doen. "Daarom
is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend." - Rom.4:17-22.
"Voor God" was Abraham
"de vader van de gelovigen" (V.16,17), en God "maakt de doden
levend, en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren" (Rom.4:17). Hij
was de God Die Abraham had leren kennen en op Wie hij al zijn vertrouwen
stelde. Zo moet het verschil tussen het lachen van de honderdjarige Abraham bij
de belofte van Izaks geboorte, en dat van zijn onvruchtbare vrouw, Sara,
nauwkeurig te worden verstaan. Inderdaad wordt in dit verband het lachen - zeer
betekenisvol, drie keren vermeld:
1. "Abraham viel op zijn
aangezicht [voor God], en lachte" (Gen.17:17); de lach van
geloof en verwondering, dat een kind geboren zou worden aan een man van over
de honderd jaren, met een onvruchtbare vrouw van 90!
2. "Sara lachte bij
zichzelf" (Gen.18:12); de lach van ongeloof. "En de Here
zeide...waarom heeft Sara gelachen?...Zou iets voor de Here te wonderlijk
zijn?" (18:13,14).
3. Abraham en Sara lachten
(Gen.21:3,6,7): "Abraham noemde de naam zijns zoons...Izak [lachen]...en
Sara zei: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij
lachen...Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb
een zoon gebaard in zijn ouderdom."
Na berispt te zijn voor inwendig
belachelijk maken van Gods belofte, nam Sara klaarblijkelijk de berisping ter
harte, want we lezen in Hebr.11:11: "Door het geloof heeft ook Sara zelf
kracht ontvangen, om een zaad te geven, en boven de tijd van haar ouderdom heeft
zij gebaard; aangezien zij Hem trouw heeft geacht, Die het beloofd had."
Maar vףףr dit alles had
Abraham God geloofd, Die de doden levend maakt, en roept de dingen die niet
zijn, alsof zij waren" (Rom.4:17). Waarom zou hij het afsterven van
zijn eigen lichaam, of dat van Sara's schoot, in aanmerking genomen hebben? Wat
had dat ermee te doen! God had beloofd! Zo lezen we van Abraham:
"Die tegen hoop op hoop
geloofd heeft" (V.18). Let op, hij geloofde niet alleen zonder enige redelijke
achtergrond van hoop; hij geloofde toen alle uiterlijke omstandigheden "tegen
hoop" pleitten. Hijzelf honderd jaren oud, en Sara negentig,
"geloofde hij in hope", d.i. hij geloofde, verlangend uitziend naar de
vervulling van de belofte. Zo gaat de passage verder: "En niet zwak in
het geloof, LETTE HIJ NIET op zijn eigen lichaam dat reeds afgestorven was, daar
hij ongeveer honderd jaar oud was, en niet op de moederschoot in Sara die
afgestorven was,
"en hij twijfelde niet aan
de belofte van God door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof en gaf
God de eer" (V.19,20).
N.B.: Abraham geloofde in God als
de Enige "Die de doden levend maakt" (V.17), en "geloofde
tegen hoop op hoop" (V.18). "Niet zwak in het geloof"
(V.19), "hij twijfelde niet aan de belofte van God door ongeloof, maar
is gesterkt geweest in het geloof" (V.20).
In dit alles, zo lezen we, gaf
hij God de eer (V.20).
Indien wij dan waarlijk God
zouden willen eren, moeten wij dat leren wat Hem het meest behaagt en eert:
geloof, dat Hem op Zijn Woord neemt. Geloof is veelmeer de hand die ontvangt
wat God aanbiedt, dan zich te verzetten. Het is geen eer voor mij als ik God
geloof: eerder eert mijn geloof Hem. De hand neemt het voedsel aan, en
het lichaam wordt versterkt - door het voedsel, niet door de hand. Het ontvangt
medicijn en het lichaam herstelt - door de medicijn, niet door de kracht van
mijn hand om te genezen.
Maar wat maakte Abraham zo "sterk
in geloof"? Was het een deugd in hemzelf? Neen, hij had God reeds enige
tijd gekend, en was ten volle overtuigd dat wat Hij beloofd had, Hij ook in staat was te
volbrengen." Zo simpel als wat.
Dus de woorden, "Daarom
is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend," in V.22, sluiten niet in
dat Abraham gerechtvaardigd werd omdat zijn geloof zo sterk was. Eerder vermeldt
God al die beproevingen om te bewijzen dat Abraham werkelijk God geloofde;
dat zijn geloof was een hartsvertrouwen, eerder dan intellectueel instemmen.
Geloof was niet de grond
van Abrahams rechtvaardiging; het was slechts de voorwaarde. Gods
Woord was de grond waarop zijn geloof rustte. Hier kan
wellicht een illustratie helpen:
Laten we ons voorstellen twee
mannen van ongeveer gelijk gewicht, die zitten op gelijke stoelen. De een
schijnt niet op zijn gemak en is bang dat de stoel zal omvallen, terwijl de
ander comfortabel uitrust. Maar elk heeft in geloof zich aan de stoel
toevertrouwd - en daar komt het op aan. Het is niet de sterkte van ons geloof,
maar het voorwerp van ons geloof dat de beslissende factor is. Als de
stoel sterk genoeg is, zal deze ons houden, doet er niet toe hoe zwak uw geloof
daarin mag zijn.
Zo is dan het belangrijke punt,
om ons vertrouwen op Christus te stellen, die stierf voor onze zonden. De
neo-evangelischen blijven hun toehoorders voorhouden om "een overgave
aan Christus te doen" om gered te worden, maar dit is redding door
werken, en een valse leer. Wij dienen te erkennen hoe hopeloos onze zaak
is en onszelf overgeven aan Christus en Zijn reddende kracht,
rustend in Zijn volbrachte werk van verlossing, zoals Hij daar in rust: "Want
wie ingegaan is in zijn rust, heeft ook zelf van zijn werken gerust, zoals God
van de Zijne" (Hebr.4:10).
God zond Zijn Zoon in de wereld
om de prijs van de zonde te betalen. Toen de Zoon het werk had volbracht dat Hem
was gegeven om uit te voeren, keerde Hij terug naar Zijn huis en ging zitten
naast Zijn Vader. Zo komen ook wij in Zijn rust en houden op met onze eigen
werken, zoals Hij ophield van de Zijne, als we waarlijk onszelf overgeven aan
Hem Die voor ons stierf.
ALS WE GELOVEN
"Nu is het niet alleen ter
wille van hem geschreven, dat het hem toegerekend is,
"maar ook ter wille van ons,
aan wie het zal toegerekend worden, namelijk aan hen die geloven in Hem, Die
Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft, "Die overgeleverd is om onze
zonden, en opgewekt om onze rechtvaardiging." - Rom.4:23-25.
Het boek van de "Oud
Testamentische" Geschriften, voor zover verband houdend met Abrahams
rechtvaardiging, werd niet geschreven "alleen voor zijn zaak" d.i., om
hem belangrijkheid toe te schrijven, "maar ook terwille van ons"
(V.24). "Want al wat tevoren geschreven is, is tot onze lering tevoren
geschreven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop
zouden hebben" (Rom.15:4).
En in dit bijzonder geval, het
geval van Abraham, was wat geschreven over hem "ook terwille van ons, aan
wie het zal toegerekend worden, namelijk aan hen die [als wij, K.J.V.]
geloven in Hem, Die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft"
(V.24).
Maar waarom zegt de Apostel dat
we moeten geloven in de opstanding van Christus om te worden gerechtvaardigd?
Waarom niet in Zijn dood voor onze zonden? Het antwoord volgt in V.25.
Zeer zeker moeten we geloven in de dood van Christus om gerechtvaardigd te
worden (Rom.5:9), maar we moeten geloven in Zijn dood als zijnde een voldoend
en volbracht werk. Het is niet genoeg om te geloven in de
"eeuwige offerande" van de Kerk van Rome, waarin onze Here herhaald
wordt "geofferd" in "Het Sacrament van de Mis". De gehele
waarheid wordt ons levendig voor ogen gesteld in V.25: "Die overgeleverd
is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardiging."
Zijn dood bewerkte een volledige
voldoening voor onze zonden, en Zijn opstanding bewees dat volledige voldoening
werd bewerkt. Zoals James McKendrick eens zei: "Zijn dood was de prijs voor
onze zonden; Zijn opstanding de kwitantie."
Hier verschilt het Christendom
met alle religies van de wereld. Het verkondigt een volbrachte verlossing
en wijst op de gebeurtenis van de opstanding van Christus, bevestigd "door
vele onfeilbare bewijzen."
De grote les van dit hoofdstuk is
dan ook, dat rechtvaardiging voor God niet wordt verkregen door uitoefening van
wat voor rituele riten ook, noch door betrachten van de Wet, maar alleen door
geloof in de Enige Die stierf voor onze zonden en weer opstond.
DE DIRECTE RESULTATEN VAN DE DOOD
VAN CHRISTUS VOOR ONS EN VAN RECHTVAARDIGING DOOR GELOOF
BINNEN DE PERSOONLIJKE ERVARING
VAN DE GELOVIGE
"Wij dan, gerechtvaardigd
uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus,"door
Wie wij ook de toegang hebben door het geloof tot deze genade waarin wij staan,
en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. "En niet alleen dit, maar
wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding
werkt, "en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid hoop, "en de
hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door
de Heilige Geest, Die ons is gegeven."Rom.5:1-5. Wij komen nu
tot de vierde voorname stap binnen Paulus' theologische redenering. "Wij
dan, gerechtvaardigd uit het [door, K.J.V.] geloof..." (Rom.5:1).
Na het bewijs dat rechtvaardiging
niet kan worden verkregen door karakter, positie, Wetsbetrachting, of de
toepassing van religieuse riten, maar uitsluitend door geloof in de gekruisigde,
opgestane, levende Redder, de Here Jezus Christus, gaat de Apostel nu verder: "Wij
dan, gerechtvaardigd door [K.J.V.] geloof, hebben" - vijf zeer
kostbare zegeningen:
1. Vrede met God (V.1).
2. Toeleiding tot God [Gods
genade S.V.] (V.2).
3. Roem [vreugde] in de hoop der
heerlijkheid Gods (V.2).
4. Roem [vreugde, K.J.V.] ook in
verdrukkingen (V.3).
5. De liefde Gods...uitgestort in
onze harten (V.5).
Nauwkeurig dient te worden
opgemerkt dat al deze zegeningen tot ons komen "door onze Here
Jezus Christus", omdat Hij deze voor ons heeft gekocht met Zijn bloed
(4:25; 5:1). Het is dan vreemd dat wij lezen in Joh.3:35,36: "De Vader
heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. "Die in de
Zoon gelooft heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal
het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem."
God is betrokken bij onze houding
ten opzichte van Zijn geliefde Zoon. Tenslotte is het onze houding ten opzichte
van de Here Jezus Christus die ons zal redden voor alle eeuwigheid, of ons voor
eeuwig buiten Gods tegenwoordigheid verwerpt. Alle ritueel en mysterie en
welsprekendheid van de moderne religie betekent niets voor God. Hij wil Zijn
Zoon verkondigd, vertrouwd, geliefd, en geכerd hebben (Col.1:18).
Laten we, met dit in gedachten,
nu de vijf kostbare zegeningen beschouwen die op ons, "gerechtvaardigd
door geloof", gelegd zijn.
VREDE MET GOD
"Wij dan, gerechtvaardigd
uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus" (V.1). "Gerechtvaardigd door
geloof" (K.J.V.), onze zonden toegerekend aan Christus, en Zijn
gerechtigheid ons toegerekend, de tussenmuur der zonde weggedaan, zijn we nu in
"vrede met God - door onze Here Jezus Christus." Welk een
gezegende relatie! Zij die steeds proberen hun vrede te maken met God
zijn te beklagen, want God Zelf heeft hierin voorzien door Christus, en wij
zullen haar ontvangen door geloof. "Want Hij is onze vrede" (Eph.2:14),
"vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises" (Col.1:20).
Vףףr onze rechtvaardiging door
geloof in Christus' volbrachte werk, konden wij alleen vooruit zien op de toorn
Gods over onze zonden. Wij bevonden ons onder diegenen "die door vrees
voor de dood gedurende hun hele leven, aan de slavernij onderworpen waren"
(Hebr.2:15). Maar nu, door genade, door geloof, staan we gerechtvaardigd voor de
troon van God. Het is waar dat gelovigen soms nalaten zich in hun status voor
God te verheugen, maar dit verandert Gods Woord hierover niet, noch het feit
van hun relatie ten opzichte van Hem.
TOEGANG TOT GOD
"door Wie wij ook de toegang
hebben door het geloof tot deze genade waarin wij staan..." (V.2). De toegang van de gelovige
tot God is een van de kostbaarste waarheden van de Bijbel.
Toen de Wet werd gegeven, stond
het volk "van verre" en werd herhaaldelijk gewaarschuwd dat zij niet
nabij de berg Sinai zouden komen, waar God met Mozes sprak, "zouden zij
niet sterven." Later, toen de tabernakel gebouwd was, scheidde een zwaar
"voorhang" het volk, zelfs de priesters, van Gods tegenwoordigheid: "Waarmee
de Heilige Geest dit aanduidde, dat de weg van het heiligdom [Gods
werkelijke tegenwoordigheid] nog niet openbaar gemaakt was..." (Hebr.9:8).
Maar nu, onder genade, is aan de
gelovige vrije toegang in Gods tegenwoordigheid gegeven. Inderdaad worden
we in Hebr.4:16 gedrongen om in vertrouwen te komen tot de troon van genade,
niet wanneer het God uitkomt, maar in onze "tijd van nood".
Bovendien is het "verzoendeksel" van de tabernakel van het Oude
Testament nu geworden, een "troon der genade". En zoals een
troon een zetel of stoel te boven gaat in glorie, zo gaat genade ver de
barmhartigheid te boven.
Sommigen die tekort schieten in
het onderscheiden van stand en staat, beweren dat toegang tot de troon der
genade niets van doen heeft met de leden van het Lichaam van Christus, omdat zij
reeds in het hemelse gezeten zijn in Christus (Eph.2:6).
Dit is een vergissing, want juist
de brief die zoveel zegt over onze positie in het hemelse in Christus, zegt ook:
"Want door Hem hebben wij beiden de toegang door ייn Geest tot de
Vader" (Eph.2:18). Inderdaad maakt Rom.5:2 zo verschil tussen onze
positie en ons voorrecht, want het zegt, dat "wij toegang hebben door
geloof in [tot, S.V.] deze genade waarin wij staan."
Iedere gelovige schiet veel
tekort in het bezetten van zijn positie in het hemelse in Christus en het
toeכigenen van "alle geestelijke zegeningen" daar, maar
Goddank, we hebben vrij toegang om op deze zegeningen in te gaan "door
geloof" op ieder moment.
Er komt wat kijken voor deze
schrijver om slechts vijftien minuten gehoor te krijgen bij de President van de
U.S.A., een sterfelijk menselijk wezen, die spoedig zal vergaan. Inderdaad heeft
niemand ten allen tijde vrije toegang; noch zijn vrouw of
kinderen, niet de Staatssecretaris, niet zijn intiemste adviseur. Niemand heeft
altijd vrije toegang. Maar ons wordt gebeden, zoals we hebben
gezien, om tot God te naderen en met Hem te spreken terwijl Hij
luistert - wanneer het ons uitkomt. Bovendien zijn wij snel in
de war wanneer twee of meer mensen tegelijk tegen ons spreken, maar Hij, die het
heelal bestuurt, van het machtigste hemellichaam tot het kleinste deel van een
atoom, die regeert over mensen en engelen, is onvergankelijk en alwetend.
Hij kan persoonlijke aandacht schenken aan millioenen smekenden ter zelfde tijd!
Zo zegt God, de God van het
heelal, tot de nederigste gelovige: "Kom. Kom met je verdriet en smart; kom
met je vragen en problemen; kom met je moeiten en zorgen, en Ik zal je
helpen."
Hij geeft ons niet zonodig alles
wat wij vragen, Hij doet beter dan dat. Hij geeft ons wat voor ons het beste is
(Rom.8:26-28), en mogen rusten in dit feit. "Weest in geen ding
bezorgd; maar dat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging
gekend worden bij God; "En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat,
zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus" (Phil.4:6,7). "Hem
nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of
denken, naar de kracht, die in ons werkt, "Hem zij de heerlijkheid in de
Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid.
Amen." (Eph.3:20,21).
ROEMEN IN HOOP VAN
DE HEERLIJKHEID GODS
"...en roemen [verheugen] in
de heerlijkheid Gods (V.2). De lezer zal zich herinneren dat de herders in
Bethlehem "zeer bevreesd" waren toen "de heerlijkheid van de Here
rondom hen scheen" (Luk.2:9). Dit was een natuurlijke reaktie, "want
allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Rom.3:23).
Hoe dikwijls zondigen we en
houden onszelf voor de gek! Zelfs dieren doen dit niet, maar de mens,
oorspronkelijk geschapen naar Gods beeld, doet dit wel. Er is wel gezegd, dat
alleen een mens belachelijk kan zijn, omdat alleen de mens deftig kan zijn.
Toen de mens uit zijn
verheerlijkte positie viel door zonde, vervloekte de Here de aarde en zei:
"In het zweet uws aanschijns
zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit
genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren" (Gen.3:19).
Sinds die droevige dag is het
menselijk leven een voortdurende strijd en vernedering geweest. Alls neigt er
toe eerder verkeerd te gaan dan goed, en ten lange leste komt de dood, de
grootste van alle vernederingen.
De moderne mens veracht, dan wel
ontkent zonde en zondeval, maar hun uitwerkingen zijn overal kenbaar. Hoeveel
wijzer is het om onze verdorven conditie te erkennen, Christus te vertrouwen als
onze Redder, en "verheugd te zijn" met Paulus "in de
hoop van de heerlijkheid Gods"!
Verblijden in de hoop van Gods
heerlijkheid is een ander direct gevolg van rechtvaardiging door geloof. In Rom.8:30
verklaart de Apostel dat "die Hij [God] gerechtvaardigd heeft, Hij ook
verheerlijkt heeft", en in Col.1:27 spreekt hij van "Christus in
u" als "de hoop der heerlijkheid." Door het lijden van
vernedering, schande en dood voor ons, werd onze Here "de Overste Leidsman
van onze Redding", Die "vele kinderen [zonen, K.J.V.] tot de
heerlijkheid leidt" (Hebr.2:10). Het gezegende proces vindt reeds
gedurende vele eeuwen plaats. Onze grote "Overste Leidsman" heeft
reeds vele zonen tot heerlijkheid gebracht - niet door hun lijden en
bloed, maar door het Zijne! - en de lezer moge zichzelf afvragen of hij
zich reeds bij de blijde optocht heeft aangesloten. Indien niet, slechts
oordeel, schaamte en spijt in het vooruitzicht, maar hen die gerechtvaardigd
zijn door geloof, mogen met Paulus en alle gelovigen juichen "in de hoop
van Gods heerlijkheid".
Het beste van alles, "op die
dag" zal onze Here "verheerlijkt worden in Zijn heiligen en...wonderbaar
worden [bewonderd, in allen die in Hem geloven" (2 Thess.1:10). Zij die
hun hoofden geschud hebben en gezegd hebben "Schande!, Schande! toen
Hij aan Golgotha's kruis hing, zullen op een dag roepen "Welk een
heerlijkheid!", als zij de verlosten van alle eeuwen
aanschouwen, en zien wat "de dood aan het kruis" heeft tot
stand heeft gebracht!
BLIJDSCHAP OOK
IN DE VERDRUKKINGEN
"En niet alleen dit, maar
wij roemen [verblijden ons,] ook in de verdrukkingen, wetende, dat de
verdrukking lijdzaamheid [geduld,] werkt; "En de lijdzaamheid [geduld]
bevinding [ervaring], en de bevinding hoop" (Rom.5:3,4).
Opgemerkt wordt, dat het woord
"roemen" in V.3 niet hetzelfde Griekse woord is als het woord
"roemen" in V.2, waar naar "de heerlijkheid Gods" wordt
verwezen. Eerder is het hetzelfde Griekse woord als voor "verblijden"
in vers 2. Dit wordt bevestigd door het woord "ook" in vers 3. Wij
"verblijden ons in de hoop der heerlijkheid Gods", en wij
"verblijden ons ook in verdrukkingen". Dit woord
"verblijden" is soms vertaald met "roemen" en soms met
"glorieכren". Het betekent verrukken, of triomfantelijk
verblijden.
Het is natuurlijk, om te
verblijden in de verwachting van de openbaring van Gods heerlijkheid, maar de
gelovige verblijdt zich - althans zou zich dienen te verblijden - , "ook
in verdrukkingen".
Hoe zo? Omdat hij weet dat
verdrukking geduld bewerkt; en geduld, ervaring; en ervaring, hoop.
Heeft de lezer gebeden om meer
geduld? Er is maar ייn weg om dit te verkrijgen - door verdrukkingen. "Verdrukking
werkt lijdzaamheid [geduld]. En geduld bewerkt ervaring. Toen de
auteur nog een jonge pastor was verlangde hij naar de ervaring die zoveel
betekende voor oudere Godsmannen. Hun woorden schenen van groter gewicht en hun
toehoorders gaven hen gaarne respectvolle aandacht. Maar men doet geen ervaring
op door het te wensen en ook niet door er om te bidden. Ervaring komt slechts
door geduldig verdragen van verdrukking. Daarom zegt Jakobus, "Laat
de volharding [het geduld] een volmaakt werk hebben" (Jak.1:4).
En hoop! - het verlangend
verwachten op betere dingen die komen gaan. Dit is het natuurlijk gevolg van
de ervaring, die komt van geduld, voortgekomen uit voortdurende verdrukkingen.
Er is geen andere manier om deze
"hoop" te verkrijgen.
Als aan Abraham zou gevraagd zijn
Izak op te geven in zijn eerdere leven als Godsman, zou het ongetwijfeld teveel
voor hem zijn geweest dit te accepteren. Maar ten tijde dat God hem opdroeg zijn
geliefde en enige zoon als offerande te offeren, had Abraham een grote
hoeveelheid ervaring. Hij was door menige geloofsbeproeving gegaan, en had
geleerd dat God hen die op Hem vertrouwen niet verlaat. Toen dus de werkelijk
grote beproeving kwam, werden al zijn vragen en twijfels aan God overgegeven, en
"hij, die de beloften had ontvangen, offerde zijn eniggeboren zoon, van
wie was gezegd, dat in Izak zijn nageslacht genoemd zou worden; na overwogen te
hebben dat God machtig was, hem ook uit de doden op te wekken, waaruit hij hem
ook bij gelijkenis teruggekregen heeft" (Hebr.11:17-19). Abraham
wanhoopte niet, noch verloor hij de hoop. Eerder, keek hij steeds vooruit met
groot verlangen naar de vervulling van Gods beloften, die lang tevoren waren
gedaan. Zo bewerkt "verdrukking, geduld; en geduld, ervaring;
en ervaring, hoop."
DE LIEFDE VAN GOD
UITGESTORT IN ONZE HARTEN
"En de hoop beschaamt niet,
omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons
is gegeven" (V.5).
Verlangt de lezer ernaar dat de
liefde van God zijn hart en ziel doet overstromen? Laat ons dan onze gang eens
nagaan. "De liefde Gods...uitgestort in onze harten" is het gevolg van
de hoop, die komt vanuit de ervaring, geproduceerd door geduldige
voortdurende verdrukking. Deze "hoop" die steeds naar God
opziet voor heerlijke dingen die zullen komen, "beschaamt niet".
Zij brengt ons niet in verlegenheid of frustreert niet.
"Want de Schrift zegt: Een
ieder die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Rom. 10:11
Inderdaad brengt deze
"hoop" ons in altijddurende gemeenschap met God en een steeds diepere
waardering van Hemzelf. "Hoop maakt niet beschaamd, omdat
de liefde Gods in onze harten is
uitgestort door de Heilige Geest Die ons gegeven is."
Welke gelovige, zelfs met een
beperkte graad van Christelijke ervaring, zal ontkennen dat geestelijke
beproevingen hem dichter bij God gebracht hebben, en geholpen hebben Zijn
wonderbare liefde meer te waarderen?
Daarom, "verblijden wij
ons ook in verdrukkingen, wetende dat verdrukking geduld bewerkt; en geduld,
ervaring; en ervaring, hoop. En hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods
uitgestort is in onze harten."
Kan de wereld ons iets aanbieden
wat daarmee te vergelijken is?
|