H O O F D S T
U K III
ROM.2:1 - 3:20
JODEN EN HEIDENEN SCHULDIG
VERKLAARD VOOR GOD
ZEDEMEESTERS NIET
MINDER
SCHULDIG
"Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij ook zijt, die anderen oordeelt; want waarin
gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij die anderen oordeelt,
doet dezelfde dingen. "En wij weten, dat het oordeel van God naar
waarheid is over hen die zulke dingen doen. "En denkt gij dit, o mens,
die hen oordeelt die zulke dingen doen, en ze zelf doet, dat gij het oordeel
van God zult ontvluchten? "Of veracht gij de rijkdom van Zijn
goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, zonder te weten dat de
goedertierenheid van God u tot bekering leidt? "Maar naar uw hardheid en
onbekeerlijk hart, vergadert gij voor uzelf toorn als een schat, in de dag van
de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God" -
Rom.2:1-5
God dringt hier steeds dieper door in het zondig hart van de mens.
De ongeredden willen hun zondige toestand niet onder ogen zien, maar als zij
het deden zouden zij beter af zijn. Als iemand de eerste verschijnselen van
kanker heeft en de dokter probeert hem te bemoedigen door het te ontkennen,
zal zo iemand aan zijn ziekte sterven. Een wijze en goede arts zal zeggen,
"U hebt kanker, en het zal het beste zijn om zonder dralen hier iets aan
te doen."
Zo legt de trouwe God onze zondige toestand bloot, maar alleen opdat Hij
ons ervan zal kunnen verlossen. Hier komen de meeste filosofen in conflict met
de Bijbel. De meeste filosofiכn verwerpen of ontkennen de zondige natuur van
de mens. Zij gaan er van uit, dat de mens van oorsprong goed is, terwijl het
Woord van God en eerlijke waarneming getuigt dat de mens van natuur slecht is.
Daarom bieden filosofiכn geen redding van zonde en haar straf.
Alleen het evangelie van Gods genade doet dit.
Hoe werden de heidenen wat zij vandaag nog steeds zijn:
afgodendienaars, bijgelovig, slecht, door vrees gedreven? Zoals we gezien
hebben, was dit het gevolg van hun verwerping van God. En het is een
direct gevolg van het verlaten van God en Zijn Woord, dat misdaad, occultisme
en angst in de Christelijk beschaafde wereld zo zeer zijn toegenomen.
Het was een halve eeuw geleden moeilijk te geloven, dat
onze jongemensen zouden dansen op de wilde exotische "muziek" van de
heidenlanden, of dat in onze hedendaagse supermarkten minderwaardige en
dubieuze lectuur wordt verkocht en producten van heidense "kunst".
Wanneer we ons afvragen waarom de lieflijke melodiכn van vroeger jaren plaats
gemaakt hebben voor het schreeuwende geluid en gestamp van onze jukeboxes;
wanneer we zien hoe hoe de werkelijk mooie schilderijen van vroegere jaren
over het algemeen worden vervangen door groteske onzin; waarom wij op zoveel
manieren worden omgeturnd naar het heidendom, zouden we Rom.1 moeten lezen, en
vaststellen dat het komt door toegenomen verwerping van God en Zijn Woord.
Rom.1 zegt niet dat de heidenen arme ongelukkige mensen
zijn, die verlangen naar verbeterde omstandigheden. Er staat dat "zij
niet te verontschuldigen zijn". En het Westen verandert niet in
heidendom omdat we ongelukkig zijn - we zijn gezegend boven vele volkeren -
maar omdat we steeds meer Zijn Woord en wil verachten. En als we doorgaan met
Hem en Zijn Woord gering te schatten, zoals de heidenwereld, zullen ook wij "niet
te verontschuldigen" zijn.
Nu handelt de apostel door inspiratie in hoofdstuk 2 af
met de eigengerechtigde zedemeester die neerkijkt op diegenen die in openlijke
zonde leven, en zeggen, "Wat een schande!"
In de dagen van zowel als in onze dagen, waren er velen die deugd
predikten maar zelf niet deugden. Moreel en geraffineerd zijn zulke mensen
geneigd te vergeten, dat God het hart met al zijn wanhopige ondeugd aanziet.
Hij ziet eveneens ons "zitten" en "opstaan", en weet wat
wij in het verborgen doen. En Hij "Die het hart kent", zegt, "Gij
die oordeelt, doet dezelfde dingen" (V.1). Hij weet dat heel wat
kritiek slechts een bedekking is van een schuldig geweten.
Let wel, Hij zegt hier niet, "Gij doet dingen die zowel goed als
slecht zijn. Hij zegt, "Gij die oordeelt doet dezelfde dingen."
Hoe hoogmoedig is toch de mens om bij anderen dezelfde dingen te
veroordelen die hij zelf ook doet!
"Maar wij weten", zegt de apostel, "dat het oordeel van God
naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen" (V.2), en de
zekerste weg om onszelf te oordelen is door anderen te oordelen, die zonde
doen waaraan wijzelf schuldig staan. U mag trachten uw zonden te
verbergen door op die van uw buurman te wijzen, maar, "Denkt gij dit ,
o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij
het oordeel Gods kunt onvlieden? "Of veracht gij de rijkdom Zijner
goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de
goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?" (V.3,4).
Helaas laat de eigengerechtigde zedenmeester, door God gezegend in
datgene, dat hij beschermd werd voor werkelijk grote openlijke zonden,
na om God te danken en zich te bekeren van de zonden die zijn hart
vervullen. Integendeel verbergt hij liever zijn schuld door op een afstand te
blijven en anderen te kritiseren. Maar God kent ons beter dan onze vrienden
ons kennen. Daarom doorzoekt Zijn Woord ons zo grondig: "Want het
Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend
zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der
gewrichten, en van het merg, en is een oordelaar van de gedachten en van de
overleggingen van het hart. "En er is geen schepsel onzichtbaar voor
Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met Wie wij
te doen hebben" (Hebr.4:12,13).
Zo zegt dan ook de apostel van de zedenmeester, "Gij dient God te
danken voor Zijn barmhartigheid en van uw zonden te bekeren, "Maar
naar uw hardheid en onbekeerlijk hart, vergadert gij voor uzelf toorn als een
schat, in de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig
oordeel van God" (V.5).
Zo herinnert Hij de Heer "Beterweter dan
Anderen" eraan dat "de goedertierenheid van God" ons tot
bekering leidt, en dat eigengerechtige zedenmeesters hun harten
"verharden" en "onberouwelijk" blijvend slechts toorn
ophopen tegen zichzelf in "de dag van de toorn".
GOD ZIET
NIET DE PERSOON AAN
"Die een ieder vergelden zal naar zijn werken:
"Hun, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid en eer en
onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven, "maar hun, die twistziek
zijn, en die de waarheid ongehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn
vergolden worden. "Verdrukking en benauwdheid over elke ziel van een mens
die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek, "maar
heerlijkheid en eer en vrede voor een ieder die het goede werkt, eerst voor de
Jood, en ook voor de Griek. "Want er is geen aanneming des persoons bij
God." - Rom.2:6-11
Ons wordt in de Brieven van Paulus voortdurend redding geleerd, uit genade,
door geloof, los van werken. Is dan deze ene passage in tegenspraak met
de rest? Spreekt de apostel hier zichzelf tegen?
Nee, want voordat hij Gods plan tot redding door genade
uitlegt, moet hij eerst het grondprincipe van goddelijk recht aantonen,
want God doet alleen wat recht is. God zal het goede met eeuwig
leven belonen - als er zijn die werkelijk goed zijn. Dat er
niemand is die recht heeft op deze beloning, verandert niets aan het
grondprincipe. Laat de apostel ons de lessen in de juiste volgorde leren. Hier
zegt hij eenvoudig: "God is recht; Hij zal het goede belonen en het
kwade straffen." Dan, later gaat hij voort met te zeggen: "Er
is niemand rechtvaardig...er is niemand die goed doet..." (3:10-12).
De apostel doet hier in Rom.2 precies hetzelfde wat de
auteur deed op Zondagmorgen met een klas jongens in een
"modernistische" kerk.
Wij vroegen aan de jongens: "Hoe gaan we naar de hemel?" "Doe
goed!" antwoordden zij in koor. "Dat is waar," zeiden we,
en toen: "Zijn jullie goed geweest?" "Ja," antwoordden zij
allen. "Altijd? voegen we. Toen aarzelden ze. Een jongen aankijkend,
vroegen we, "Heb jij wel eens een leugen verteld?" Hoofdknikkend gaf
hij te kennen dat hij dat had gedaan. Toen vroegen we een ander. "Heb jij
wel eens iets gestolen?" "Oh nee!" zei hij heel onschuldig,
maar nauwelijks waren de woorden uit zijn mond of enige anderen herinnerden
hem eraan dat hij nog de vorige dag op heterdaad betrapt was met de buks van
Joe"! Dat gaf de opening tot de boodschap van redding door genade.
Zo ook brengt Paulus ten eerste het grondprincipe, dat God het goede
beloont en het kwade bestraft. Daarna toont hij aan dat er geen enkel
oprecht, voortdurend goed mens op het aardoppervlak is, en dat wij daarom een
Redder nodig hebben. Als hij dit aantoont, gaat hij voort om een boodschap
van redding aan te bieden, waarin zowel rechtvaardigheid en de liefde van God
heerlijk worden geopenbaard.
Zo handelde onze Here met de rijke jonge overste (Luk.18:18-23). De
overste had gevraagd, "Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige
leven te beכrven?" en onze Here, daarbij hem een belangrijke les
lerend, antwoordde: "Waarom noemt gij Mij goed? niemand is goed dan ֹen,
namelijk God. Gij weet de geboden..." [d.i., hij wist wat hij
behoorde te doen om eeuwig leven te beכrven]. Wat hij wellicht niet wist,
was dat er nu een hogere standaard was dan de Tien Geboden.
Dus toen hij zei "Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd
af", voegde de Here eenvoudig de hogere eis toe om het koninkrijk in
te gaan. "Nog ייn ding ontbreekt u", zei Hij, "verkoop
alles wat gij hebt en deel het onder de armen..." Dit zou de manier
van leven worden onder de toekomstige regering van Christus.
Onze Here toonde de rijke jonge overste dat hij [zoals hij reeds in zijn
hart wist] de wet had overtreden en dat, door vast te houden aan zijn
rijkdom terwijl anderen armoede leden, hij zelfs niet goed genoeg was om het
geprofeteerde koninkrijk op aarde in te gaan! Hij had een Redder nodig.
In vers 9,10 zien we dat Jood en heiden onderworpen zijn aan Gods
gerechte oordeel voor wat betreft hun werken,
"Want er is geen aanneming des persoons bij God"
(V.11).
Toch, voorzover het zowel straf als beloning betreft, voegt Hij de woorden
toe: "eerst voor de Jood, en ook voor de Griek [heiden]".
Waarom? Simpel omdat de Jood, die een groot geestelijk voordeel heeft boven de
heiden, daarvoor meer verantwoordelijk was.
De inkomsten bestemd voor de koningen van Israכl en Juda
maakten hen ontzettend rijk, met het oog daarop, dat zij rechtvaardig zouden
regeren; dat er geen gevaar zou bestaan dat zij zouden worden omgekocht of geןntimideerd.
Zij waren altijd rijker dan een van hun onderdanen, zodat zij nooit
"de personen behoefden aan te zien". Zij waren altijd aanzienlijker.
Hoe gezegend dan om te bedenken dat God oneindig hoger is dan de grootste der
mensen, en geen respect behoeft te hebben voor personen, en dit ook nooit zal
hebben. Zijn absolute gerechtigheid is de basis van ons volledige vertrouwen
in Hem. Als Hij iemand de hemel in zou "smokkelen" zonder juist
gehandeld te hebben met zijn zonden, zouden allen in de hemel mogen uitroepen,
"Wat! Jij hier? Hoe kan dat?" Maar God neemt ieder mens voor
de rechterstoel teneinde hem schuldig te verklaren. Dan buigt
Hij neer vanuit Zijn positie om Zelf de schuld voor de zonde te betalen, en
als deze betaling in geloof in ontvangst wordt genomen, wordt de zondaar rechtvaardig
verklaard! (Zie Rom.3:25,26).
JOOD
EN HEIDEN
SAMEN
ONDER HET OORDEEL GODS
"Want zovelen die zonder wet gezondigd hebben, zullen
ook zonder wet verloren gaan; en zovelen die onder de wet gezondigd hebben,
zullen door de wet geoordeeld worden.
"[Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig
voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. "Want
wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van natuur de dingen doen die van
de wet zijn, dan zijn dezen die de wet niet hebben, zichzelf tot een wet;
"die tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun harten, terwijl
hun geweten meegetuigt en de gedachten onder elkaar hen beschuldigen of ook
verontschuldigen] "op de dag wanneer God de verborgen dingen van de
mensen zal oordelen door
Jezus Christus, naar mijn evangelie." - Rom.2:12-16
Waarom zegt de apostel dat zij die gezondigd hebben zonder de wet verloren zullen
gaan, terwijl zij die gezondigd hebben onder de wet geoordeeld zullen
worden?
Ten eerste dient te worden opgemerkt, dat geheel los van de wet, zonde
doodt.Wij zien dit aan alle kanten in de natuurlijke sfeer. Jaloezie,
haat, ondeugd, losbandig leven etc, bederven het menselijk lichaam en
vernietigen het. "Zonde, wanneer zij voltooid is, brengt voort de
dood" geheel los van de wet. Maar de zonde vernietigt niet alleen het
lichaam; zij vernietigt eveneens de ziel.
Het kan niet worden ontkend, dat God alle mensen zal oordelen,
want V.16, Hand.17:31 en andere passages verklaren duidelijk dat Hij dit zal
doen. Het onderwerp hier is het hebben of niet hebben van de wet van Mozes, en
de apostel laat zien, dat zelfs zonder de wet, de heiden verloren zou gaan, en
dan gaat hij voort met te verklaren op welke grond zij zullen worden geoordeeld.
Zij die dan gezondigd hebben zonder de wet zullen verloren gaan, maar
niet omdat zij de wet verachtten of afwezen, want de wet was niet aan hen
gegeven. Maar zij, die die "binnen", of onder de wet gezondigd
hebben, zullen door de wet geoordeeld worden.
Zo lezen we dus, "want er is geen aanneming des persoons bij God,
want zovelen die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren
gaan; en zovelen die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet
geoordeeld worden" (V.11,12)
EEN LOGISCH ARGUMENT
En nu voegt hij een tussenzin in: Vers 13-15. Hierin verklaart hij waarom
Joden en heidenen, los van Gods genade in Christus, samen veroordeeld voor God
staan.
Wat de wet betreft, zegt hij, de wet is van geen nut als
degenen waarvoor zij bestemd is, haar niet gehoorzamen. In Joh.8 lezen
we over de vrouw, betrapt bij overspel. Zij was een Jodin en bezat de wet,
maar dat hielp haar niet. Eerder waren de schriftgeleerden en Farizeeכn er op
uit om haar naar de wet te stenigen. Haar voordeel als iemand die de
goddelijke openbaring bezit bleek nu een nadeel te zijn, "want,
niet de hoorders van de wet zijn recht voor God, maar de daders
van de wet zullen gerechtvaardigd worden" (Rom.2:13). Let op, dat de
apostel niet zegt, dat iedereen de wet kan gehoorzamen; hij stelt
eenvoudig wat gebeuren gaat als hij het zou doen. Hij redeneert eerder
logisch, dan dat hij voorzegt wat er gebeurt met hen die de wet gehoorzamen
dan wel ongehoorzaam zijn.
De heidenen weten, geheel los van de wet, dat het verkeerd is te
liegen, te stelen, te doden, en overspel te bedrijven. Weinigen van hen hebben
ooit van Mozes en de wet gehoord, en toch hebben zij hun eigen morele regels,
hoe primitief ook. Hoe weten zij dan dat deze dingen moreel fout zijn?
Het antwoord is dat God hen aanvankelijk schiep met deze kennis, want Hij is
heilig en rechtvaardig. Ten tweede kwam bij de zondeval, geweten, een
gevoel van schuld wegens zonde, in werking.
Hier wordt indirect in V.15 naar verwezen, waar de apostel
stelt, dat "zij tonen dat het werk der wet in hun harten is
geschreven". Let wel: hij zegt niet dat de wet in hun harten geschreven
is (Cf.Jer.31:31-33), maar dat "het werk der wet" in hun
harten is geschreven. Wat is dan het werk van de wet? Om te veroordelen!
"Want door de wet is de kennis van zonde" (Rom.3:20). "De
wet bewerkt toorn" (4:15). Haar bediening is, "de bediening
der veroordeling" (2 Cor.3:9).
Zo toonden de heidenen die niet de wet hadden, "het
werk der wet, geschreven in hun harten". Zij wisten, los van de
wet, dat hun stelen, liegen, moorden en immoraliteit verkeerd was, "hun
gewetens mede getuigende, en hun gedachten onder elkaar hen beschuldigend
of ook verontschuldigend" (V.15). Let wel: niet
"feliciterend", maar eerder "beschuldigend" of anders
"verontschuldigend". Beide begrippen duiden op schuld, die de
zondaar er toe brengt zich te beschuldigen of te verontschuldigen.
DE
GERECHTIGHEID VAN HET
KOMENDE OORDEEL
Laten we nu de twee verzen die voorafgaan en die volgen op
de tussenzin, samenbrengen: "Want zovelen die zonder [de] wet
gezondigd hebben, zullen ook zonder [de] wet verloren gaan; en zovelen die
onde de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden"
"op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal
oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie" (V.12,16). Drie
belangrijke feiten worden in Vers 16 benadrukt:
God zal de verborgenheden van de mens
oordelen.
2. Hij zal dit
doen door Jezus Christus; Christus zal de werkelijke Rechter zijn.
3. Hij zal dit
doen naar het Evangelie zoals dit aan Paulus is opgedragen.
GOD ZAL DE VERBORGENHEDEN
VAN DE MENS OORDELEN
Ongeredde mensen proberen liever hun zonden - ja, voor
God - te verbergen, dan deze voor God te belijden en
Christus als hun Redder te vertrouwen. Maar Hij ziet hun harten, en als zij
doorgaan met hun afwijzing van Christus, zullen al hun zonden aan het licht
gebracht worden op de dag des oordeels. Op de troon zal een Rechter zitten met
"ogen als vuurvlammen", voor Wie geen geheim verborgen zal blijven.
"En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem,
maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met Wie wij te
doen hebben" (Hebr.4:13)."Want
God zal ieder werk in het gericht brengen,...hetzij goed, of hetzij
kwaad" (Pred.12:14).
GOD ZAL
DE VERBORGENHEDEN VAN DE
MENS OORDELEN DOOR JEZUS CHRISTUS
Vers 16 is ook wel vertaald als lerend dat het
gericht van de ongeredden door Jezus Christus, een deel zou zijn van het
evangelie van Paulus, maar dat is onjuist. Waarom zou de apostel dit feit
bedoelen als deel van zijn evangelie, als het reeds lang tevoren was
bekendgemaakt? Toen onze Here onder de Zijnen op aarde diende, zei Hij:
"Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al
het oordeel aan de Zoon gegeven" (Joh.5:22). "En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden,
omdat Hij 's mensen Zoon is" (Joh.5:27).
In Athene wees Paulus erop dat God Christus in deze
positie had verordend voor Zijn opstanding uit de dood - ongetwijfeld lang
tevoren:
"Omdat Hij een dag gesteld heeft, waarop Hij de
aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man Die Hij daartoe bestemd
heeft, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven, daar Hij Hem uit de
doden opgewekt heeft" (Hand.17:31).
Zo is dus de waarheid dat Christus de Rechter van
allen zou zijn, niet een deel van de speciale boodschap van Paulus.
GOD ZAL DE VERBORGENHEDEN DER
MENSEN OORDELEN NAAR HET AANPAULUS OPGEDRAGEN EVANGELIE
Maar, zou iemand kunnen vragen, hoe kan het juist zijn om
mensen uit vroegere tijden op grond van een boodschap te oordelen die zij
nimmer hebben vernomen? Als het waar is dat het evangelie van Paulus werd
"verborgen gehouden sedert het begin van de wereld" (Rom.16:25),
totdat het door de verheerlijkte Here bekend gemaakt werd, hoe kan het dan
juist zijn dat mensen van alle tijden veroordeeld worden naar zijn evangelie?
Het antwoord luidt, dat we juist in de Paulinische openbaring het
"geheimenis van het evangelie" hebben (Eph.6:19), d.i., het
geheim van al Gods goede nieuws, de eeuwen door.
We weten bijvoorbeeld uit Hebr.10:4, dat "het niet
mogelijk is dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt".
Toch vereiste God van zowel Kain als Abel het offeren van een bloedoffer om
door Hem te worden aangenomen. Hoe werd dan Abel gered? God heeft ons het
antwoord gegeven in de brieven van Paulus. Slechts door middel van Abels
offer verkreeg hij redding, want eigenlijk was het uit genade door
geloof. Abel werd gerechtvaardigd omdat hij God nam op Zijn woord en tot Hem
kwam op de wijze die Hij had voorgeschreven. Dit is de
"gehoorzaamheid des geloofs". "Door het geloof heeft Abel een meerder
offerande aan God geofferd dan Kain, waardoor hij getuigenis verkregen heeft,
dat hij rechtvaardig was, daar God over zijn gave getuigenis gaf; en door het
geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is" (Hebr.11:4).
Maar hoe kon God offers voor de zonde vereisen, die
op zichzelf geen waarde tot redding hadden, en mensen aannemen wegens het
offeren ervan? Het antwoord is, dat Christus zou sterven voor de zonde, en dat
op grond daarvan, God rechtens hen kon aannemen, die Hem op de door Hem
voorgeschreven wijze benaderden. Het was door de
dood van onze Here, dat God rechtvaardig en onvoorwaardelijk iedereen redding
kon aanbieden, hoewel dit niet eerder werd aangetoond, dan na Paulus.
Omdat nu het glorieuze geheim van Gods goede nieuws is bekend gemaakt, kunnen
er geen religieuse of andere sacramentele werken tot redding meer worden
vereist. In feite zijn werken tot redding nu verboden. Redding is nu "voor
hem die NIET werkt, MAAR gelooft" (Rom.4:5).
Deswege verklaart de apostel: "MAAR NU is,
zonder de wet, de rechtvaardigheid Gods geopenbaard" (Rom.3:21).
Daarom verklaart hij van Christus: "Die God
gesteld heeft tot een verzoening [voldoening] door het geloof in Zijn bloed;
tot betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden die
tevoren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods. "tot betoning van
Zijn rechtvaardigheid IN DEZE TEGEN-WOORDIGE TIJD; opdat Hij rechtvaardig is,
en hem rechtvaardigt die uit het geloof in Jezus is (Rom.3:25,26)."
Er is overvloedig bewijs in de Schrift dat, zoals reeds
gezegd, de ongeredden ten gerichte zullen verschijnen voor de Grote Witte
Troon. Wanneer zij worden veroordeeld, zal dit niet alleen zijn omdat zij
zondaars waren. Immers de Rechter op de troon zal Hij zijn, Die stierf voor
zondaars! Wanneer bijvoorbeeld alleen maar leraren van de Mozaןsche
bedeling voor die troon zouden verschijnen, zouden zij niet worden veroordeeld
wegens onvolmaaktheden in de offeranden die zij offerden of toepassingen in de
Mozaןsche wet die zij nalieten te onderhouden. Zeker niet! Hun
"geoordeeld worden door de wet" zal zijn op grond van factoren die
veel dieper gaan. Zij zullen worden geoordeeld omdat hun offeranden en vrome
werken niet gebracht waren in geloof, maar eerder daden waren van zelf-gerechtigheid
en opstand tegen die God, die zij belijden te geloven. Zo zullen de werken
waarvoor de mensen op die dag geoordeeld worden, eigenlijk de vrucht zijn, of
ook het bewijs, van hun ongeloof, door "goede werken" of
verkeerde werken.
Veronderstel dat God op die dag diegenen zou oordelen die
"onder de wet" gezondigd hebben, alleen maar wegens het
breken van de wet. Hoe zit het dan met David? Overtrad hij niet de wet door
beiden, overspel en moord? En hoe dan met de eigengerechtigde Farizeeכn, die
zich beroemden in hun handhaving van de wet, terwijl zij die aan alle kanten
overtraden? Inderdaad heeft niemand ooit de wet volmaakt gehoorzaamd, dan
alleen onze Here Jezus Christus. Zo is dan de enige zin waarin de wet in het
gericht zal komen van de ongeredde die gedurende de Mozaןsche bedeling
leefde, dat 's mensen antwoord op de geopenbaarde wil van God altijd het
bewijs van zijn geloof of het ontbreken daarvan zal zijn. Dit is een
belangrijk element van de aan Paulus opgedragen openbaring, en dat is wat hij
in Rom.2:11-16 leert.
Zo zal het gericht van de Grote Witte Troon worden voorgezeten door Hem,
Die voor onze zonden stierf, en zal zich voltrekken op grond van het goede
nieuws, verkondigd door Paulus, dat door de dood van Christus voor de zonde,
redding is, en altijd zijn zal, uitsluitend door genade, door geloof;
dat nimmer, in geen enkele eeuw, iemands redding werd afgewezen, die God op
Zijn Woord heeft genomen, en Hem door geloof benaderde op de wijze die Hij heeft
voorgeschreven.
Alleen de ongeredde zal worden geoordeeld voor de
Grote Witte Troon. Dit zal later in dit boek worden besproken.
DE JOOD EN DE WET VAN MOZES
"Zie, gij wordt een Jood genoemd en rust op de wet en
roemt op God, "en gij weet Zijn wil en beproeft de dingen die daarvan
verschillen, daar gij onderwezen zijt uit de wet. "En gij vertrouwt van
uzelf een leidsman van blinden te zijn, een licht voor hen die in duisternis
zijn, "een opvoeder van
onwijzen en een leermeester van onwetenden, daar gij in de wet de gedaante van
de kennis en de waarheid hebt. "Die dan een ander leert, leert gij uzelf
niet? Die predikt dat men nietstelen zal, steelt gij? "Die zegt dat men
geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt,
berooft gij het heilige? "Die op de wet roemt, onteert
gij God door de overtreding van de wet? "Want om u
wordt de Naam van God onder de heidenen gelasterd, zoals geschreven is.
"Want de besnijdenis is wel nuttig indien gij de wet doet; maar indien
gij een overtreder van de wet zijt,
dan is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden.
"Indien dan de onbesnedene de rechten van de wet bewaart, zal niet zijn
onbesnedenheid tot een besnijdenis gerekend worden? "En zal de van nature
onbesnedene, als hij de wet volbrengt, niet u oordelen die met de letter en
besnijdenis een overtreder van de wet zijt? "Want die is niet een Jood,
die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het
openbaar in het vlees is. "Maar die is een Jood, die het in het verborgen
is, en de besnijdenis van het hart, in de geest, niet in de letter, is de
besnijdenis; zijn lof is niet uit de mensen, maar uit God." - Rom.2:17-29
DE JOOD
VEROORDEELD DOOR DE WET
Het is verbazend dat Paulus, voordat Gods wonderbaar plan tot redding in zijn
Brief aan de Romeinen wordt gepresenteerd, het grootste gedeelte van drie
hoofdstukken gebruikt om de mensen aan te tonen, dat zij zondaars zijn en een
Redder nodig hebben.
Men zou denken dat hij dit eenvoudig in een paar verzen
kon zeggen, want wat is er duidelijker dan de zondige, gevallen
toestand waarin de mensheid zich bevindt? Lees de kranten, luister naar de
nieuwsuitzendingen; allen hebben zij te doen met zonde. En alle klassen
zijn erbij betrokken; de rijken, de armen; de ontwikkelden, de ongeletterden;
de religieuzen, de Godlozen - allen bewijzen iedere dag zondaars te zijn. Maar
dat is nu juist de trots van het menselijk hart, dat een mens om zich heen kan
zien dat de gehele wereld bevlekt is met zonde, en toch zichzelf niet
ziet als een zondaar! Hij zal ontkennen een zondaar te zijn, zichzelf
verontschuldigen, zichzelf rechtvaardigen, somtijds zichzelf gelukkig achtend,
zijn ogen sluitend voor zijn eigen noodlottige positie en zijn wanhopige
behoefte aan een Redder. De hele wereld is vergeven van zonde - maar hij
niet! Zo schrijft dan Paulus, door de Geest, een heel hoofdstuk en delen
van twee andere, om de mens te bewijzen, dat zij zondaars zijn,
en gered moeten zijn van haar staf of omkomen.
In 1:18-32 behandelt hij de onontwikkelde heiden, die
openlijk in grote slechtheid zwelgt. In 2:1-16 bewijst hij dat de heidense
zedemeesters, de gecultiveerde Grieken, net zo zondig en schuldig zijn. Maar
er is nog een ander soort menselijkheid die zichzelf plaatsen - zoals God hen
geplaatst heeft - in een heel andere categorie: de Joden, het uitverkoren
zaad van Abraham. Paulus handelt met hen in 2:17-3:8.
Met de uitdrukking Jood verwijzen we naar alle kinderen
van Israel, want omdat de term alleen slaat op degenen van de stam van Juda,
of van Juda en Benjamin enige tijd na de verbanning van de tien stammen, begon
het weer te duiden op alle twaalf stammen, na de terugkeer uit Assyriכ
en de Babylonische ballingschappen (Zie Hand.2:5 cf.2:22,36; 26:7; Rom.3:1,2).
Zo werd Gods oude volk bekend als het ras der Hebreeכn, Israelieten
door nationaliteit, en Joden door religie.
De Jood voelt zich terecht - en nog steeds - bevoorrecht
door God boven alle mensen, omdat God hem de wet schonk, de geschreven
openbaring van Zijn wil. Zo handelt de apostel hier met de Jood, niet om hem
uit te zonderen als erger dan anderen, maar om hem aan te tonen dat hij een
levende demonstratie is van het feit dat allen zondaars zijn en gered
moeten worden.
Onze Here had dit feit reeds aangetoond in Zijn gesprek
met de Farizeeכr Nicodemus. In Joh.2:24,25 lezen we, dat Jezus "Zichzelf
niet toevertrouwde" aan de velen die bijgelovig waren vanwege de wonderen
die Hij deed. De passage luidt:
"Hij kende hen allen, en omdat Hij niet nodig had dat
iemand van de mens getuigde, want Hijzelf wist wat in de mens was." En dan vervolgt Hoofdstuk 3 met de woorden: "En er
was een mens..."
Hier selecteert God het hoogst ontwikkeld mensentype:
welopgevoed, gecultiveerd, verfijnd, volstrekt ernstig, vroom toegewijd - een
Farizeeכr, een overste der Joden. Als hij tot Jezus komt in de nacht erkent
Nicodemus Hem openlijk als "een leraar van God gekomen", maar Jezus
verloor geen tijd, en wijst er op dat de eerbiedwaardige Farizeeכr van node
had "wederom geboren" te worden. Alleen de waarheid te kennen
betekent niet dat men eeuwig leven heeft; Nicodemus moest "uit de
Geest geboren" worden.
Omdat onze Here echter sprak met Nicodemus vanuit het
standpunt van de noodzaak tot een nieuw andersoortig leven; de apostel
speekt hier echter over de veroordeling van de Jood onder de zonde en
zijn noodzaak tot rechtvaardiging. De tact en de genade van de apostel
zijn hier te zien in zijn benadering van de zaak.
Hij zegt, "Zie, gij wordt een Jood
genoemd..." Hij had kunnen zeggen, "Gij noemt uzelf een
Jood", maar als een van hun stamgenoten kon hij hun diepe gevoelens
waarderen als Gods uitverkoren volk. Hij kon gezegd hebben, "Gij leert
anderen, maar gij leert niet uzelf", en "Gij spreekt dat een mens
niet moet stelen, maar gij steelt", etc., maar in ieder geval vraagt
hij liever, "Doet gij? Leert gij uzelf niet, steelt gij, doet
gij overspel, rooft gij het heilige, onteert gij God door de overtreding van
de wet?" Eerst na deze tactvolle manier van vraagstelling aan hen gaat
hij verder met het aanhalen van de Schriften over het onderwerp, en zegt: "Want
om u wordt de Naam van God onder de heidenen gelasterd, zoals geschreven
is" (V.24).
Wellicht is de lezer de terugkeer van woorden als, rusten, roemen, kennen,
beproeven, onderrichten, vertrouwen, een leidsman, een licht, een opvoeder,
een leermeester, gedaante hebben, etc. in deze passage opgevallen. Maar ייn
belangrijk woord is gewetensvol afwezig in deze cataloog van Joodse deugden:
het woord "doen". Wat voor goed is er in rusten op de wet, en
te roemen in, te beproeven, te leren, te prediken etc. wanneer men niet gehoorzaamt
en doet wat zij zegt? Zo geven de Joden door hun ongehoorzaamheid aan
de wet van Mozes aanleiding [hoewel niet direct oorzaak], dat de
heidenen de Naam van God lasteren. Dit doet de Kerk vandaag niet minder, want
de Kerk is zo ver van de aan Paulus opgedragen boodschap voor ons afgeweken,
dat zij, verward en verdeeld, de wereld aanleiding geeft de Naam van God te
lasteren.
BESNIJDENIS EN DE WET
In de rest van Hoofdstuk 2 spreekt de apostel over
de Joden en de besnijdenis, om zijn stamgenoten naar het vlees op een andere
wijze aan te tonen dat zij zondaars zijn en een Redder nodig hebben.
Besnijdenis was het teken van het verbond dat God maakte
met Abraham, de rite die Israel afscheidde van de slechte en losbandige
heidenen. Het sprak van afscheiding naar God toe en de dood voor het vlees en
haar begeerten. Onder Mozes werd dit tot een deel van de wet. Dit is het
waarom besnijdenis en de wet zo dikwijls samen worden genoemd (b.v.,
Hand.15:1,5; Gal.5:3). Daarom zegt de apostel: "Want de besnijdenis is
wel nuttig indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder van de wet
zijt, dan is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden" (V.25).
Dit is vanzelfsprekend, en het verklaart waarom Paulus aan
de Galaten, die verleid werden om aan deze religieuze rite deel te hebben,
schreef: "Ik betuig weer een ieder mens die zich laat besnijden, dat
hij een schuldenaar is om de hele wet te doen" (Gal.5:3).
Wat goed is er in, om een teken te hebben, zonder dat wat het betekent te
onderschrijven? Het is zeker dat alleen het bezit van de wet, of alleen het
ondergaan van besnijdenis niet betekende dat iemand in de gunst van God kwam.
In tegendeel:
"...indien dan de onbesnedene de rechten van de wet
bewaart, zal niet zijn onbesnedenheid tot een besnijdenis gerekend worden? (V.26).
Er waren natuurlijk geen heidenen die de wet volkomen
hielden, maar sommigen namen deze aan als Gods geopenbaarde wil, en probeerden
ernstig deze te gehoorzamen. Dit redde hen niet, maar het plaatste hen in een
positie waarin God Zichzelf verder aan hen kon openbaren. We hebben hiervan
een voorbeeld in het geval van Cornelius, de hoofdman.
In Hand.10:34,35 zegt Petrus tot Cornelius en zijn
huisgenoten: "Ik verneem in waarheid, dat bij God geen aanneming des
persoons is. Maar in elk volk, is wie Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem
aangenaam."
Petrus bedoelde niet dat zij gered werden, want Hand.11:14
geeft duidelijk aan, dat Petrus tot hen gezonden was om hun te vertellen hoe
gered te worden. Wat hij bedoelde was, dat zulke Godvrezende heidenen God
"aangenaam" waren, samen met het uitverkoren volk, de Besnijdenis,
omdat zij ernstig trachtten om te doen wat besnijdenis leerde - en degenen van
de besnijdenis nalieten te doen. De apostel gaat dan verder:
"En zal de van nature onbesnedene, als hij de wet
volbrengt, niet u oordelen die met de letter en besnijdenis een overtreder van
de wet zijt? "Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch
die is besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is. "Maar die is
een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van het hart, in de
geest, niet in de letter, is de besnijdenis; zijn lof is niet uit de mensen,
maar uit God" (V.27-29).
Hij bedoelt hier niet dat de heidenen de wet volmaakt
konden vervullen, maar dat wanneer de heidenen van harte trachtten de wet te
gehoorzamen, zij diegenen veroordeelden die zich beroemden dat zij de wet
bezaten, maar nalieten deze ernstig na te komen.
God leert hier dus een tweeledige les: (1) De wet kan
zondaars niet redden; zij kan hen alleen maar veroordelen (cf.3:19,20). (2)
Religieuze riten kunnen niet redden. Uiterlijke toepassing van de rite der
besnijdenis kwam niet tegemoet aan de ware bedoeling van de eis. In een woord:
Religie kan niet redden. Kain was religieus, maar verloren. Hij bracht een
prachtige offerande aan God, maar God wees die af, niet alleen omdat het de
verkeerde offerande was, maar zij werd eerder in hoogmoed gebracht, dan in
geloof. Er was geen erkenning van zonde of de behoefte aan redding of aan
geloof. Milijoenen religieuze mensen zijn vandaag op dezelfde manier verloren,
want zij hebben hun vertrouwen in de Kerk gesteld, in hun karakter, in hun
goede werken, etc., eerder dan in de Here Jezus Christus als Degene Die
"stierf voor onze zonden".
De laatste twee verzen van Hoofdstuk 2 brengen de woorden
van Paulus in Phil.3:3 te binnen: "Want wij zijn de besnijdenis, wij
die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees
vertrouwen."
Hieruit volgt niet dat God zijn beloften aan het volk
Israel heeft ingetrokken, of dat deze beloften vandaag zijn overgedragen aan
de Kerk. Eerder leren deze verzen dat de uiterlijke vorm van religie voor God
niet aanvaardbaar is, en dat Hij slechts welbehagen heeft in inwendig werk,
het werk van de Heilige Geest.
"WELK
VOORDEEL HEEFT DAN DE JOOD?"
"Wat is dan het voordeel van de Jood? Of wat is het
nut van de besnijdenis? "Veel in alle manier; want dit is wel het eerste,
dat hun de Woorden van God zijn toevertrouwd. "Want wat is het, al zijn
sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongeloof het geloof van God te niet doen?
"Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig,
zoals geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en
overwint, wanneer Gij oordeelt. "Indien nu onze ongerechtigheid Gods
gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij dan zeggen? Is God onrechtvaardig, als
Hij toorn over ons brengt? [Ik spreek naar de mens.] "Dat zij verre,
anders hoe zal God de wereld oordelen? "Want indien de waarheid van God
door mijn leugen overvloediger is geworden tot Zijn heerlijkheid, waarom word
ik ook nog als een zondaar geoordeeld? "En zeggen wij niet liever [zoals
wij gelasterd worden en zoals sommigen beweren dat wij zeggen]: Laat ons het
kwade doen, opdat het goede daaruit voortkomt? Het oordeel over hen is
rechtvaardig. - Rom.3:1-8
Nadat de apostel aantoonde dat zonder Christus de Jood
zowel als de heiden schuldig voor God staan, stelt hij de volgende
vanzelfsprekende vraag: "Wat is dan het voordeel van de Jood? Of wat
is het nut van de besnijdenis? (V.1). En hij antwoordt: "Veel in
alle manier..." (V.2). De Jood kon inderdaad volhouden dat hij tot
het uitverkoren volk behoorde. Paulus zegt van "zijn verwanten naar
het vlees": "Zij zijn Israelieten, van hen is de aanneming
tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de
dienst van God, en de beloften, "van hen zijn de vaderen, en uit hen is
wat het vlees betreft Christus, Die is God boven alles, te prijzen tot in
eeuwigheid. Amen" (Rom.9:4,5).
Maar de apostel gaat voort met te zeggen in Rom.3:2 dat
Israel een voorrecht had, hoofdzakelijk "dat hun de woorden Gods
zijn toevertrouwd" (V.2). In het algemeen wordt aangehouden, dat Paulus
hier doelt op het geschreven Woord van God. Dit is waar, maar dat is maar een
deel van de waarheid.
Het Hebreeuwse woord wat in de King James Vertaling
van de Bijbel wordt weergegeven met "orakels" is het woord d'veer.
Het wordt nimmer weergegeven met enig ander woord dan
"orakels". Dienovereenkomstig wordt het Griekse woord logion,
hoewel het verkleinwoord van logos, of woord, nimmer vertaald
met "woord" maar altijd met "orakels".
Wat betekent dit woord "orakels" dan in de
Schriften? Een Engels of Nederlands woordenboek zal ons niet helpen bij het
vinden van de betekenis van Griekse en Hebreeuwse woorden. Ook zullen Griekse
legenden of een studie van het orakel van Delphi ons hier niet helpen. Wij
moeten de betekenis van het woord ontdekken zoals het in de Bijbel wordt
gebruikt. En dat is niet moeilijk, want in de Schrift slaan deze
woorden op het geven van de wet, en de dienst [aanbidding] van God. Zo
staan in Rom.9:4 "het geven van de wet, en de dienst [aanbidding] van
God" voor hetzelfde. Inderdaad wordt in het Oude Testament het woord d'veer
uitsluitend gebruikt voor de Heiligste plaats in de tabernakel en in de
tempel
(1 Kon.6:16; Ps.28:2; e.a.) waar echter het Woord
verbleef.In het Nieuwe Testament verschilt het woord logion van logos
daarin, dat het eerder dan alleen een woord, een antwoord bevat.
De vertalers van de King James Version hebben dit klaarblijkelijk
helder gezien.
Toen God aan Mozes de wet [Zijn Woord tot Israel] gaf, zei Hij ook: "En
zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone" (Ex.25:8).
Dit heiligdom zou de door God aangewezen plaats zijn waar Zijn volk tot Hem
kon naderen door haar priesters.
Zo ontving Mozes op de berg Sinai twee dingen van
God: de wet - en een blauwdruk voor de tabernakel (Hebr.8:5). Het
eerste en voornaamste stuk van het meubilair in deze tabernakel was een kist
voor de wet (Zie Ex.25:8-16), en het was vanaf de "genade troon"
op deze kist, dat God Zijn volk ontmoette (V.21,22).
Wij geloven dan ook dat het woord "orakels" in
Rom.3:2 slaat op het Woord en aanbidding van God, Zijn kosteloze gaven
uitsluitend aan Israel vףףr hun verwerping "voor een tijd" (Rom.11:15,25-27).
Zo waren dus de orakels van heidense religies - en zijn ook hun tegenwoordige
duplikaten - uitsluitend valse afspiegelingen van het ware, want bij deze
orakels worden verzoeken gedaan, of inlichtingen en antwoorden gegeven door
heidense "godheden".
De kostbaarste schatten in de hele wereld, het Woord en de
aanbidding van God, zijn nu het uitsluitend bezit van de leden van het Lichaam
van Christus. Door "een nieuwe en levende weg" mogen wij nu tot God
naderen; wij allen, en altijd wanneer de noodzaak ontstaat. Bovendien naderen
wij Hem niet voor een "genadetroon", zoals Israel deed, maar voor de
"troon van genade" (Hebr.4:16). Ook is Zijn Woord vergroot
geworden en verbreed sedert het in Israels bezit was, in het bijzonder daarin,
dat het nu de machtige boodschap bevat, opgedragen door de verheerlijkte Here
aan Paulus -"het geheimenis".
VOORDEEL
VERANDERD IN NADEEL
Vers 3 maakt duidelijk, dat ongelovigen geen baat hebben van de wet.
Omdat de wet op zich, net als alle Schrift, een grote zegen in zich heeft,
krijgt het voordeel van haar bezit een nadeel in geval van ongeloof en
zonde. We hebben dit reeds gezien bij het geval van de op overspel betrapte
Jodin. Juist de wet die haar in zo'n voordelige positie bracht boven de
heidenen, veroordeelde haar nu en vloekt haar. Dit was net zo met de
ongelovige maar eigen gerechtigde Jood.
Toch, "zal hun ongeloof het geloof van God te niet
doen?" (V.3). Zal Hij Zijn Woord niet bestendigen aan degenen die werkelijk
geloven? Wat geschiedt als sommigen Hem benaderen in alleen religieuze
formaliteit, maar niet in geloof, zal hun ongeloof enig effect hebben op Zijn
getrouwheid? (Zie Num.23:19). "Dat zij verre. Doch God zij waarachtig,
maar alle mens leugenachtig, zoals geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd
wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt" [beoordeeld
wordt, K.J.V.] (V.4).
Deze aanhaling komt natuurlijk van Davids belijdenis in Ps.51:6.
Hier gebruikt God het om Zichzelf te rechtvaardigen bij het oordelen, niet
alleen van de ongeciviliseerde heiden en de geciviliseerde zedeprekers, maar
zelfs van Zijn uitverkoren volk Israel.
Welk een les voor hen die in de wet geloven! Tot hen zegt
God: "Gij hebt de wet reeds gebroken! Op grond daarvan kan Ik je alleen
maar veroordelen". Redding moet zijn uit genade, rechtvaardiging moet
gebaseerd zijn op de dood van Christus voor onze zonden.
Evenmin
is het genoeg om te proberen de wet te houden en op God te zien om
vergeving waar wij faalden. Als ik een misdaad bega, zou de rechter mij dan
vrijspreken op grond van het feit, dat ik af en toe de wet betracht
heb?
KAN ZONDE GOD VERHEERLIJKEN?
De Alverzoeners komen gevaarlijk dicht bij het
verdienen van het oordeel in Vers 5-8, want zij leren openlijk uit Jes.45:7,
dat God de schepper van de zonde is. In Joh.4:27-45 verwijzen de opmerkingen
in de Concordante [Alverzoening] Vertaling op "de gezegende
resultaten wanneer genade toeneemt op de vruchtbare akker van de zonde",
en zij gaan verder met te stellen, dat "zonde...indirect essentieel is
tot bevrediging van [Gods] liefde. Liefde kan niet worden uitgestort op hen
die het verdienen." De Alverzoeners leren dat God de zonde schiep om
glorie aan Zichzelf te brengen, maar het feit is eerder dat Hij alles
regeert en zonde verkeert tot Zijn eigen glorie; een geheel andere
zaak.
Het
"kwaad" in Jes.45:7 is niet zonde, want het staat niet in
tegenstelling met "goed", in dit vers, maar met "vrede".
Zo wijst het eerder op moeite en ongeluk dan op zonde. Maar legt God dan niet
Zijn liefde op Zijn Zoon? Verdient Hij het dan niet?
Als de
Alverzoeners gelijk zouden hebben, zou God onrechtvaardig zijn wegens
"wraak nemen" (V.5), en de zondaar zou worden gerechtvaardigd
als hij klaagde, "Waarom wordt ik niettemin geoordeeld als
zondaar?" (V.7). Ook hebben de Alverzoeners geen passend antwoord op
de uitdaging, "Laat ons het kwade doen opdat het goede daaruit
voortkomt" (V.8). De apostel heeft geen enkel goed woord voor
diegenen die "lasterlijk beweren" dat hij deze dingen leert.
Eerder snijdt hij hen af met de ernstige berisping: "Het oordeel over
hen is rechtvaardig" (V.8).
ALLEN ONDER DE ZONDE
"Wat dan? Zijn wij uitnemender? Zeker niet, want wij
hebben tevoren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de
zonde zijn. "Zoals geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet
ייn. "Er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt.
"Allen zijn zij afgeweken, tesamen zijn zij onnut geworden; er is niemand
die goed doet, er is ook niet tot ייn toe. "Hun keel is een geopend
graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.
"Hun mond is vol van vervloeking en bitterheid. "Hun voeten zijn
snel om bloed te vergieten. "Vernieling en ellende is op hun wegen.
" En de weg des vredes hebben zij niet gekend. "Er is geen vreze
Gods voor hun ogen. -Rom.3:9-18
Zo wijst de apostel op het feit dat de Jood van
nature niet beter is dan de heiden. In Vers 10-18 gebruikt hij de eigen Joodse
Geschriften om dit feit nadrukkelijk tot besluit vast te stellen.
In Vers 10-12 haalt de apostel vanuit Ps.14, de
bekende passage aan die zovelen verkeerd toepassen op de atheist, terwijl zij
in werkelijkheid slaat op "de dwaas", die God geen plaats geeft in
zijn leven. Wij hebben deze behandeld bij Rom. 1:28.
Toen God "nederzag op de mensenkinderen" (Ps.14:2),
riep Hij uit: "De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God" (V.1).
En toen Hij de aarde doorzocht, als het ware, kon Zijn oordeel slechts zijn:"Er
is niemand rechtvaardig, ook niet ייn. Er is niemand die verstandig is, er
is niemand die God zoekt" (Rom.3:10,11).
De mens, in zijn schuldige staat, volgt in dwaasheid
Adam, verbergt zich voor God eerder, dan zich naar Hem toe te
haasten om vergeving te zoeken.
Dan gaat de apostel voort met het aanhalen van een
andere Oud Testamentische passage in de verzen 13-18 om 's mensen bedorven
toestand te beschrijven. Let op de groei van het kwaad. Het komt uit
het hart (cf.Mark.7:21-23), door de keel, de tong en de lippen, totdat de mond
vol is met "gevloek en bitterheid" (V.13,14). Dit wordt gevolgd in
de verzen 15-18 door een lijst van de zonden die de hele geschiedenis door in
de wereld hebben gewoed.
IEDERE MOND GESTOPT
DE HELE WERELD SCHULDIG VOOR GOD
"Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat
spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt wordt en de
hele wereld voor God verdoemelijk zou zijn" - Rom.3:19
Nadat de apostel de diepe verdorvenheid van de menselijke
natuur heeft aangetoond, en de daaruit voortvloeiende algemeenheid van de
zonde, gaat hij door om de onmogelijkheid aan te tonen van rechtvaardiging
voor God door werken der wet.
Allereerst dient te worden opgemerkt, dat de wet niet aan
de heidenen werd gegeven, ook citeert Paulus haar niet tegen hen. De wet werd
gegeven "aan hen die onder de wet waren", d.i. aan Israel. De
apostel benadrukt dit feit, om de Jood te doordringen van de kracht van zijn
argument dat, los van Christus, alle mensen, zonder uitzondering,
schuldig staan voor God. Het was niet moeilijk om heidenen schuldig te
verklaren, maar de Jood was toch speciaal begunstigd door God? Op die
wijze toont de apostel de Joodse schuld, door dezelfde wet waarop de Jood zich
beroemt.
Zo wordt "alle mond gestopt" en de "hele
wereld voor God in de schuld" gebracht. Wat zonde en genade betreft,
toont God geen partijdigheid voor de Jood (cf.3:9).
Hoe kan dan de veroordeling van Israel door de wet "de hele
wereld" schuldig voor God maken? Op twee manieren:
1. Omdat aan de mensheid als zodanig, reeds bewezen werd "geen
verontschuldiging" (1:20) te hebben, de toegevoegde veroordeling
van Israel door de wet bevestigd werd, zodat ontegenzeggelijk allen
schuldig zijn voor God.
2. Gods verbond met Israel in Ex.19:5,6 ook de heidenen insloot. De enige
wijze waarop in Oud Testamentische tijden een heiden tot God kon naderen, was door
Israel (Jes.56:6,7). Als heidenen proselieten werden, werden zij begrepen
onder Gods "verbondsvolk" maar, zoals we gezien hebben, konden zij
onder dit verbond alleen daadwerkelijk Zijn volk zijn, als zij
inderdaad Zijn stem gehoorzaamden en de wet onderhielden (Ex.19:5,6;
Rom.2:25). Dit konden Jood noch heiden volmaakt volbrengen, dus stond
iedere heiden, ook al werd hij oprecht een proseliet, toch schuldig
voor God, want nu zou dezelfde wet die hij betrachtte, hem veroordelen.
De erkenning van onze schuld voor God is een van de eerste
stappen tot redding. Er is ייn ding waar God, de rechter over allen bij
blijft: de zondaar moet ophoude dingen naar voren te brengen tot zijn eigen
verdediging. Het is geen zonde die mensen
buiten de hemel houdt, het is eerder hun houding en gedrag. God heeft
in liefde alle voorzieningen getroffen voor de zonde door Zelf de straf op
Zich te nemen, maar Hij heeft geen voorziening voor een eigengerechtige
houding en gedrag.
Soms komt de gedaagde in het gerechtshof in de situatie
waar zijn advocaat tot hem moet zeggen: "Het is meer in uw voordeel om
schuld te bekennen, en uzelf over te geven aan de barmhartigheid van het
gerechtshof". Zo is nu precies onze positie. God kan door alle onechte
argumenten tot onze verdediging heenzien. Zij hebben voor Hem geen waarde.
Maar als wij onze zonde bekennen en ons verlaten op Zijn barmhartigheid, zal
Hij ons genadig vergeven, en ons door Christus rechtvaardigen. Om voor God
gerechtvaardigd te worden moeten wij komen zoals Charlotte Elliot kwam:
"Zoals ik ben, kom 'k onbereid, Uw bloed alleen is 't waar 'k op
pleit"
GEEN RECHTVAARDIGING
DOOR WERKEN DER WET
"Daarom zal uit de werken der wet geen vlees
gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis van
zonde." - Rom.3:20.
Wij komen nu tot de tweede stap binnen het grote logische argument van de Brief
aan de Romeinen. Voordat we verder gaan met de bespreking van deze
passage, dienen we alle stappen te laten zien in hun volgorde,
verbonden zoals zij zijn door het woord "daarom".
"Daarom zijt gij niet te verontschuldigen..." (2:1). "Daarom zal uit de werken der wet geen
vlees gerechtvaardigd worden voor Hem" (3:20).
"Wij besluiten dan [Daarom, K.J.V.], dat de mens door
het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet" (3:28). "Wij dan [Daarom, K.J.V.], gerechtvaardigd
uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus" (5:1).
"Zo [Daarom, K.J.V.] is er dan geen verdoemenis voor hen die in
Christus Jezus zijn..." (8:1). "Ik bid u dan [daarom, K.J.V.],
broeders, door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een
levende, heilige en voor God welbehagelijke offerande, dat is uw redelijke
godsdienst" (12:1).
In
Rom.3:20 herhaalt de apostel wat de Oud Testamentische
Geschriften stellen of telkens opnieuw laten blijken (Ps.130:3; 143:2; enz.).
Maar hier gebruikt hij het in een progressieve redenering, om de mens,
speciaal de Jood, de noodzaak van geloof in Christus aan te tonen.
Het is belangrijk op te merken dat het woord
"kennis" in V.20, niet het eenvoudige woord gnosis is, dat in
het algemeen vertaald wordt met "kennis", maar epignosis,
hetgeen grondige, of uiteindelijke kennis betekent. De mens heeft niet de wet
nodig om duidelijk te maken dat hij een zondaar is; hij wist dat de eerste keer
toen hij oud genoeg was om een leugen te vertellen, of iets te stelen wat niet
van hem was. Men kon het op zijn gezicht zien en lezen uit zijn gedrag! We
hebben uit gezien in Rom.2:15 dat het geweten van de mens hem duidelijk
maakt dat hij een zondaar is. Maar de Jood had - wat degenen in de verlichte
volken ook hebben - de wet om dit feit te bevestigen. Het geweten beschuldigt de
mens van zonde en de wet voegt daar haar treurige vaststelling in geschrift aan
toe.
Het proces is te vergelijken met dat waarin een man die
geen acht slaat op de borden waarop snelheidsbeperking staat aangegeven,
herhaaldelijk door de hoofdstraat van een kleine, provinciale stad rijdt met een
snelheid van 100 k.m.per uur. Hij weet dat dit verkeerd is, want het
brengt de levens van de inwoners van de stad in gevaar, speciaal van de
kinderen. Maar dit weten wordt een ernstige zaak als de inwoners samen gaan
overleggen, wetsartikelen samenstellen, en een agent opdracht krijgt om de
hardrijder aan de uitgang van de stad aan te houden. Deze keer is het niet
alleen zijn geweten, maar de wet beschuldigt hem, en veroordeelt hem tot
betaling van de boete die eraan verbonden is. Zo bevestigt de wet de
beschuldigingen van het geweten en, denk er aan, heidenen in geciviliseerde
landen vandaag zijn niet in dezelfde positie als de heidenen in Rom.2:14, want
zij hebben wel de wet, de goddelijke standaard der gerechtigheid, in de
Bijbel.
Echter dient te worden opgemerkt, dat "de kennis der
zonde" niet hetzelfde is als de overtuiging van zonde. Alle mensen
hebben de kennis van zonde, maar zij zijn niet allen overtuigd over hun zonden,
anders zouden de mensen haasten om het evangelie te horen. De wet voegt zijn
getuigenis bij dat van het geweten, opdat wij onder overtuiging zouden worden
gebracht, zoals de Heilige Geest Zijn Woord gebruikt.
Hoe volledig vernietigt dit alles elke hoop op redding
door werken!
Veel religieuze mensen blijven bij het geloof dat de wet
werd gegeven om ons te tonen "hoe wij goed kunnen zijn". Maar dit is
het tegenovergestelde van de waarheid, want de wet, omdat zij de zondaar
veroordeelt, toont hem niet hoe men goed wordt. Paulus, de apostel der
genade, doet dit eerder door goddelijke inspiratie.
Niet alleen Rom.3:20, maar andere passages van de Schrift
geven aan, dat de wet niet werd gegeven om ons te helpen goed te zijn,
maar eerder om ons te tonen dat we slecht zijn en een Redder nodig hebben.
Rom.5:20: zij "is bovendien [erbij] gekomen, opdat de misdaad zou
toenemen". Rom.7:13: "opdat de zonde uitermate zondig zou
worden door het gebod" (cf.Gal.3:19). "Daarom zal uit de werken
der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de
kennis van zonde" (Rom.3:20; cf.Hand.13:39).
Hoe groot en hoe vele onze zonden ook mogen zijn, de dood
van Christus is voldoende; maar hoe kan het houden van een paar van Gods wetten
voldoen om ons te rechtvaardigen, wanneer we reeds zo vele overtreden hebben?
|