H
O O F D S T U K II - ROM.1:18-20
DE TOORN
VAN GOD EN DE SCHULD VAN DE MENS
GODS TOORN GEOPENBAARD TEGEN
TEN ONDER
HOUDEN VAN DE WAARHEID
"Want
de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en
ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder
houden" Rom.1:18
Het
is onmogelijk de genade van God te waarderen, dan alleen tegen de achtergrond
van de zonde van de mens en Gods toorn tegen de zonde. Ook dient nota te
worden genomen, dat de bovenstaande passage niet waarschuwt voor de komende
toorn; zij heeft eerder te doen met toorn die nu wordt geopenbaard
vanuit de hemel. "Want de toorn Gods wordt [niet "zal worden]
geopenbaard van de hemel." Laten we, voordat we uitleggen hoe Gods
toorn geopenbaard wordt, eerst bezien waarom.
Gods
toorn wordt geopenbaard "over alle goddeloosheid", zegt de
apostel. Opgemerkt wordt, dat goddeloosheid niet is het overtreden van de
wetten of het doen van boze werken, hoewel dit er wel toe leidt. Goddeloosheid
is eenvoudig een zich niets aantrekken van God en Zijn eisen.Een goddeloos
mens is iemand in wiens leven God geen welkome plaats heeft. Velen die in deze
categorie passen, zouden zich beledigd voelen als zij goddeloos genoemd
werden, en toch zouden zij in verlegenheid worden gebracht als zij godsdienstig
genoemd werden!
Goddeloosheid
is de oorzaak dat mensen de waarheid ten onder houden in ongerechtigheid,
zoals zij werkelijk doen. Overal om ons heen zien we ten onder houden van de
waarheid in ongerechtigheid, en Gods rechtvaardige toorn daarover geopenbaard.
Geleerde
mensen sluiten hun ogen voor de meest in het oog lopende feiten, verachten of
ontkennen Gods scheppings-verhaal, leren daarentegen de theorie van de
evolutie. Maar terwijl zij leren, dat de mens geleidelijk tot hoger niveau
stijgt, geven de omstandigheden in hun leerinstituten en onder hen die zij
beinvloeden, duidelijk blijk van de morele en geestelijke terugval van de
mens, zoals in de Bijbel geleerd wordt.
Commerciכle
televisie adverteert bedwelmende dranken alsof zij uitsluitend plezier en
bevrediging schenken, maar zij noemen de gevolgen van dronkenschap niet. Zij
prijzen de fijnste producten aan, maar werpen een sluier over het eind-product.
Zij tonen nimmer taferelen van bedwelmde mannen en vrouwen die zich gedragen
als gekken, of vertellen niet hoe drinkers dikwijls hun families voedsel en
kleding tekort doen, in de misdaad terecht komen, en hun eigen lichamen ruןneren.
De
media adverteren allerlei soorten zonden en onzedelijkheid onder de naam van
plezier en grappigheid, maar noemen niet de gevolgen van hun
"grappen"; gebroken gezinnen, gebroken harten en gebroken levens.
Zo
"houden zij de waarheid ten onder in ongerechtigheid" en dit komt
voort uit goddeloosheid. Zij die zonde praktizeren en promoten houden
metterdaad de waarheid in hun eigen harten ten onder, wanneer zij
trachten om zichzelf te overtuigen dat voortgaan met zondigen hen niet
ongunstig raakt. Vreemd genoeg echter is een van de voornaamste voorbeelden
van onderdrukking van de waarheid in ongerechtigheid, de promotie van het
"evangelie" van goede werken om gered te worden, zoals we verder in
onze studie zullen zien.
Maar
omdat de mensen de waarheid ten onder houden, kunnen zij de gevolgen van hun
dwaasheid niet ontgaan, want God openbaart Zijn toorn over de zonde iedere
dag, wanneer de vruchten van hun gedrag doorgaan hun tol te eisen. En Gods
toorn over hun goddeloosheid en ongerechtigheid is even rechtmatig als hun
zonde niet te verontschuldigen is.
DE SCHULD VAN
DE MENS
"Overmits
hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun
geopenbaard. "Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der
wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht
en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn" - Rom.1:19,20.
ls
we komen tot de kern van de zaak, laat de apostel ons de natuur van 's
mensen goddeloosheid zien. De uitdrukking "hetgeen van God kennelijk
is" houdt niet alles in wat van God bekend kan zijn, want dit is niet
"in hen geopenbaard" (1 Cor.2:9,11). Hij verwijst kennelijk naar "Zijn
eeuwige kracht en Goddelijkheid (V.20). Dit feit weet de mens instinctief
door het waarnemen van Gods bestaande schepping.
Het
ten onder houden van de waarheid door de mens is onrecht, "omdat
hetgeen van God kennelijk is" [d.i. Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid]
"in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard"
(V.19). In de natuur van de mens ingebouwd, is een instinctieve kennis van de
God Die hem geschapen heeft. Inderdaad, zelfs "de duivels...geloven,
en sidderen" (Jak.2:19).
Deze
"onzienlijke dingen", zegt de apostel, "worden van de schepping
der wereld aan...duidelijk doorzien, en worden verstaan door de schepselen...opdat
zij geen verontschuldiging zouden hebben" (V.20). "De hemelen
vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
"De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht toont
wetenschap." Ps. 19:2.
De
mens beschouwt de wonderen van de natuur iedere dag en moet wel volledig blind
zijn, als hij niet tot het besluit komt, dat achter dit alles een Meesterlijk
brein schuilt. Dit blijkt in het bijzonder waar te zijn, in de dagen waarin
wij leven. De mens, nu geholpen door de telescoop, kan veel verder kijken in
de buitenste ruimte en ziet biljoenen grote sterren en planetenstelsels,
melkwegen en universa, biljoenen lichtjaren verwijderd. Hoe sterker zijn
lenzen, des te meer van deze reusachtige hemelse stelsels ziet hij. Zover hij
kan vertellen is deze grootse schepping grenzeloos, oneindig. Op dezelfde
wijze kan hij, geholpen door de microscoop, honderden kleine organismen
waarnemen op het oppervlak van een speldenpunt, organismen waar het blote
oog niets van waarneemt. En hier geldt eveneens, hoe sterker de lenzen des te
meer van deze oneindig kleine voorwerpen in het gezicht worden gebracht. Zo
schijnt de schepping, ook waar het de kleine dingen betreft, eveneens
voor de mens onbegrensd, oneindig.
Ondertussen
neemt de mens met het blote oog dagelijks prachtige bloemen en adembenemende
zonondergangen waar, machtige oceanen en kleine beekjes, de met sterren
bezaaide hemel en de kleine vogels die boven hem vliegen.
Zouden
deze wonderen der schepping de mens niet tot aanbidding van de Schepper
brengen? Is het dan niet de meest moedwillige dwaasheid om te beweren dat dit
alles, zo ingewikkeld en perfect ontworpen, zo harmonieus in haar bewegingen, geen
Ontwerper, geen Schepper heeft! Hoe schuldig moet
deze mens dan voor God zijn, die verklaart dat het universum, en de mens zelf,
tot bestaan werd gebracht, zuiver door "natuurlijke oorzaken"!
De
atheןstische evolutionist beweert dat dit alles op de een of andere manier
tot stand kwam, maar dit lijkt op een mens, die door schipbreuk op een eiland,
aan het zoeken is of er ergens, behalve hijzelf, ook nog andere bewoners op
het eiland zijn. Als hij dan een glimmend voorwerp vindt, raapt hij het op.
Het ziet er aan de buitenkant uit als een horloge! Een mooie horlogekast die
van goud lijkt te zijn. De voorkant is bedekt met iets wat gelijkt op en
aanvoelt als glas, waardoor hij twee armen of handen ziet, die centraal
samen komen, omcirkeld door nummers van 1 tot 12. Op de plaat leest hij
duidelijk E-L-G-I-N. Hij houdt het tegen zijn oor en hoort het tikken. Maar
heel dwaas zegt hij: "Dit ziet er uit als een gebruikelijk horloge maar
dat kan natuurlijk niet, want er is hier niemand. Dit voorwerp moet ergens
vandaan zijn gekomen, misschien wel uit de stenen die hier rondom liggen. Alle
onderdelen zullen zijn samengesteld door "natuurlijke oorzaken",
want hier is niemand die dat kan hebben samengesteld.
"Nonsens"
zegt u. "Zo iemand zou eerder moeten zeggen: Kijk! Hier is een horloge!
Er moet hier iemand geweest zijn, want hoor, het tikt! Hij moet hier nu nog
zijn, niet ver hier vandaan! Hallo! Hallo! Waar bent u?!"
Sprekend
over God en schepping op de heuvel van Mars in Athene verklaarde Paulus de
goddelijke bedoeling: "Opdat zij de Here zouden zoeken, of zij Hem
immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van
ons" (Hand.17:27)
Als
evolutionisten Gods schepping zien en, als het ware, het tikken horen, zouden
zij tot de conclusie moeten komen, dat "Hij niet ver van een ieder van
ons weg is", maar inplaats daarvan doen zij alsof Hij niet bestaat. Het
is in het licht van deze bewuste ontkenning, deze weigering om overweldigend
bewijs te erkennen, dat de apostel verklaart: "Zij hebben geen verontschuldiging"
(V.20).
Zo
staat de natuurlijke mens, volledig los van de wet van Mozes, schuldig aan moreel
kwaad - en, los van het verlossende werk van Christus, onder de
veroordeling van een rechtvaardig en heilig God.
HOE
DE HEIDENEN
DAARTOE KWAMEN
"Omdat zij, God kennende,
Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden
in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.
"Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden" - Rom.1:21,22
Met
het woord "Omdat" gaat de apostel voort met het aanbrengen
van verder bewijs dat goddeloosheid ongerechtigheid is (V.18); dat het niet
recht is; dat het onverdedigbaar is.
Historisch
gesproken, wijst hij aan dat het mensdom "God kende" [in de zin van
Vers 19,20], gaven zij Hem niet de eer en de dank die zij Hem schuldig waren.
Wanneer
zij de schoonheden en natuurwonderen zagen, en zagen dat zon en regen heerlijk
voedsel voor hun onderhoud verschafte, hadden zij op hun knieכn dienen te
vallen in aanbidding, God dankende voor Zijn liefdevolle zorg voor hen.
Zij hadden Zijn oneindige grootheid en hun eigen nietigheid dienen te
erkennen. David toonde zo'n houding toen hij zei: "Als ik Uw hemel
aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
"Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt...?" (Ps.8:4,5).
Maar
de mensheid als geheel lette niet op God met die eerbied en dankbaarheid.
Eerder werden zij "ijdel in hun overleggingen [redeneringen], en hun
onverstandig hart is verduisterd geworden". Dit is een goede
beschrijving van de menselijke philosofie en haar resultaten. "De
vreze des Heren is het beginsel der wijsheid" (Ps.111:10). Doof dit
licht uit, en duisternis zal onherroepelijk het gevolg zijn. Zo, bekennende
wijs te zijn" [niet altijd openlijk, maar meestal daarin opgesloten],
"werden zij dwaas". Het woord "dwazen" is in het
Grieks nadrukkelijker, en drukt de lage dunk uit die God heeft van de
wereldse intellectuelen.
In
Eph.4:17,18 vermaant de apostel gelovigen niet te "wandelen" of zich
te gedragen als de onontwikkelde heidenen doen, "...in DE IJDELHEID
VAN HUN GEMOED, "VERDUISTERD IN HET VERSTAND, vervreemd zijnde van het
leven Gods, door DE ONWETENDHEID, DIE IN HEN IS, door DE VERHARDING [BLIND-HEID,
K.J.V.] HUNS HARTEN."
Dit
is geen flatteuze schildering van het heidense intellect, maar
verlichte gelovigen erkennen de juistheid hiervan. In 1 Cor.3:19 lezen we, dat
"de wijsheid dezer wereld dwaasheid is bij God", en als God
het dwaasheid noemt, kunnen wij er zeker van zijn dat het dwaasheid
is. Geen wonder dat zoveel van de plannen door de grote wereldleiders
ontworpen, en zoveel genomen maatregelen, verkeerd uitkomen. Laten
onwedergeboren mensen zich dan beroemen op hun superieur verstand; God noemt
hen dwaas, dom, en in deze passage gaat Hij door met het methodisch te
bewijzen.
HEIDENSE AFGODERIJ
OPENBAART DE DIEPTEN VAN
'S MENSEN FILOSOFISCHE DOMHEID
"En
hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderd
in de gelijkenis van het beeld van een vergankelijk mens, en van vogels, en
van viervoetige en kruipende dieren" Rom.1:23
Zie
waar, en tot hoe ver menselijke filosofie de mensheid kan leiden! Zij wisselden
in hun aanbidding de heerlijkheid Gods niet in voor iets anders. Zij "veranderden"
deze; zij bedierven haar. Inplaats van eerbiedig de onsterfelijke,
onvergankelijke God te aanbidden, begonnen zij
afbeeldingen te maken van wat zij dachten dat Hij zou zijn. En toen zij
dit deden, werd hun voorstelling steeds meer gedegradeerd. Let op de
neergaande tendens in V.23, waar we afzakken van (1) God naar (2) vergankelijk
mens, naar (3) vogels, naar (4) viervoetige, en zelfs naar
(5) reptielen!
Het
is tekenend dat de Egyptenaren, met al hun intellectuele superioriteit
(Hand.7:22) niettemin de havik, de stier, de koe, de kat, de kikvors, de
baviaan, de jakhals, de krokodil en andere dieren aanbaden. Later nam zelfs
Israel deel aan deze ongerechtigheden (Ps.106:19,20; Hand.7:40-43) hoewel het
schijnt dat zij, gedwongen tijdens hun gevangenschap in Babel [de zetel van de
wereldse afgoderij] hun buik vol hadden van afgodische aanbidding, en dit
nooit meer praktizeerden, zeker niet in die vorm.
Als
iemand de oneindige majesteit van de eeuwige God aanschouwt, moet elke afgoderij
beschouwd worden als een afschuwelijke belediging, een smerige onwaardigheid.
Is het dan niet vreemd, dat Paulus tot de filosofen op de Areopagus zei: "Daar
wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de Godheid aan
goud, of steen gelijk is, die door mensenkunst en bedenking gesneden
zijn" (Hand.17:29).
De
enige ware presentatie van God is Christus (Joh.1:18; Col.1:15;
2:9; Hebr.1:3), en wanneer de onwedergeboren mens beelden maakt om zijn conceptie
van God weer te geven, verkleint en degradeert hij Hem altijd, hoe dan ook, en
de meest zekere manier tot zelfvernedering is om het voorwerp van iemands
aanbidding te degraderen.
Spreekt
de lezer tegen dat dit alles weinig toepassing voor vandaag heeft? Dan
antwoorden wij dat het op vandaag sterke betrekking heeft. Bijna de helft van
de wereldbevolking vandaag is gedompeld in heidense aanbidding, en gebonden
door bijgeloof en vrees. Voeg hierbij de miljoenen die buigen voor beelden in
de naam van Christenheid - die ook gebonden zijn door bijgeloof en angst - en
het aantal wordt nog veel groter. Bovendien groeit het heidendom, in Amerika,
zowel als in Europa op een alarmerende wijze, waar zogenaamde
"Christenen" aan Boeddhisme, Hindoeןsme, en een dozijn andere
heidense religies goedgunstige aandacht besteden.
Vergis
u niet: Afgoderij is des duivels meesterstuk. De zogenaamde
"Christelijke" culten zijn niets vergeleken met de heidense
afgoderij, duivel aanbidding, waarvan veel moreel slecht is en alles
geestelijke ontwaarding is.
DE HEIDENEN OVERGEGEVEN
"Daarom
heeft God hen ook overgegeven in de begeerten van hun harten tot onreinheid,
om hun lichamen onder elkaar te onteren. "Die de waarheid van God
veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geכerd en gediend hebben boven
de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid. Amen. "Daarom heeft God hen
overgegeven tot oneerbare hartstochten; want ook hun vrouwen hebben de
natuurlijke omgang veranderd in een tegennatuurlijke. "En evenzo hebben
ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw nagelaten, en zijn verhit
geworden in hun lust tegen elkaar, zodat mannen met mannen schandelijkheid
bedrijven, en de vergelding van hun dwaling die daarbij hoort in zichzelf
ontvangen. "En zoals het hun niet goed gedacht heeft God te erkennen, zo
heeft God hen overgegeven in een verkeerde zin, om dingen te doen die niet
betamen. "Vervuld met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid,
gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog,
kwaadaardigheid, "kwaadsprekers, lasteraars, haters van God, smaders,
hoogmoedigen, grootsprekers, uitvinders van kwade dingen, de ouders
ongehoorzaam, "onverstandigen, trouwelozen, zonder natuurlijke liefde,
onverzoenlijken, onbarmhartigen, "die, daar zij het recht van God weten,
[namelijk dat zij die zulke dingen doen, de dood waardig zijn] niet alleen ze
doen, maar ook mede een welgevallen hebben in hen, die ze doen" -
Rom.1:24-32
Drie
keren in Romeinen 1 (V.24,26,28) lezen we dat God de heiden wereld
"overgaf". Dit gebeurde bij de Toren van Babbel met de verwarring
van talen en de verstrooiing van het mensenras "over de ganse
aarde" (Gen.11:6-9). De spraakverwarring in Babbel werd gevolgd door de
roeping van Abraham en het verbond met zijn zaad, Israכl (Gen.12:1-4).
Ongeveer tweeduizend jaren later echter werd Israכl ook overgegeven
"voor een tijd" en evenzo verstrooid over de ganse aarde (Rom.10:21;
11:15-25; cf.Jak.1:1; Jer.31:10). Toen nu beiden overgegeven en verstrooid
waren, bleef er slechts een wereld over van arme verloren zondaars, en de
grondslag was gelegd voor Gods aanbod van verzoening uit genade aan alle
mensen overal (Rom.11:32; cf.2 Cor.5:14-21).
Het
is belangrijk hier in beschouwing te nemen, dat de uitdrukking, "God gaf
hen over", een weerlegging is van de leer dat God niet liefheeft,
of dat Christus niet stierf voor de niet-uitverkorenen. Deze
uitdrukking sluit duidelijk in, dat de Heilige Geest ernstig met hen streed,
nog gedurende een verlengde tijdsperiode, en toen tenslotte ophield
verder met hen te handelen. In Gen.6:3 hebben we een soortgelijke passage waar
God zegt van hen die leefden in "de dagen van Noach": "Mijn
Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is;
doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren."
Geeft
deze passage niet, net als 1 Petr. 3:20 en
2
Petr. 2:5, duidelijk weer dat Gods Geest met hen gestreefd had, ernstig
en lang, en dat zelfs, toen "de lankmoedigheid van God wachtte" gedurende
nog 120 jaren, "toen de ark toebereid werd" en Noach, "een
prediker der gerechtigheid", hen waarschuwde voor het gericht dat
zou komen?
Hoe
kunnen dan sommige theologen leren, dat God "sommigen uitkoos die niet
gered werden"? Hoe kunnen zij zeggen, zoals ייn dat doet, "Als
Gods genade succesvol kan worden weerstaan,
dan kan God worden overwonnen, en uw god is niet groter dan de
fictieve, falende, zwakke, god van..."? Extreme Calvinisten, die zoveel
te zeggen hebben over "onweerstaanbare genade", behoren evenveel
tijd te besteden aan wat de Bijbel zegt over "weerstaanbare
genade", zoals we dat hierboven zagen, want er is overweldigend
bewijs in de Heilige Schrift dat de genade van God werd tegengestaan,
telkens weer, en altijd wordt tegengestaan door ongelovigen.
Tenslotte
bewijst de zin, "God gaf hen over", dat God niet wenste dat
zij verloren gingen. Hoe kunnen dan theologen zeggen, zonder nadere uitleg,
"God is souverein en doet wat Hem behaagt." In Ezech.33:11 zweert
God: "Zo waarachtig Ik leef...zo Ik lust heb in de dood van de
goddelozen!; maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van
zijn weg en leve."
God
doet niet altijd wat Hem behaagt, maar Hij doet altijd wat recht
is. Als we het overgeven van de heidenwereld beschouwen, zal het duidelijk
zijn, dat God niet wenste dat zij verloren gingen, en dat zij dit rechtvaardig
gericht zelf over zich brachten.
Betekent
dit alles dat God verslagen is in het geval van hen die verloren gaan? Nee,
Hij is "te prijzen in der eeuwigheid" (V.25); het is eerder dat zij
zijn verslagen, zoals we nu zullen zien.
EEN
EIGENGEREID MENSENRAS
De
heidenen, gezonken tot de diepte van geestelijke neergang, waren nu rechtens
overgelaten aan "de begeerten van hun eigen harten", omdat "God..hen
overgaf tot onreinheid ...tot onteren van hun lichamen onderling.".
Zoals
zij "de heerlijkheid van God veranderd hadden" en "de
waarheid van God" (V.23,25), zo "veranderden" zij de
natuurlijke menselijke functies in "dat wat tegen de natuur"
is (V.26). Door het schepsel meer te aanbidden en te dienen dan de Schepper,
schiepen zij een zinnelijk genoegen in bijna ongelooflijke immoraliteit, en
brachten daarbij alle daaraan verbonden narigheid, ellende en wanhoop over
zich.
Al
hun intellectuele kennis en uitingen waren nu inderdaad leeg en hol. Naar de
mate waarop zij God degradeerden, werden zij nu zelf gedegradeerd,
overgegeven aan hartstochten die zij niet onder controle hadden.
Opgemerkt
dient te worden dat de woorden "hun eigen lichamen onder elkaar
onterend", niet slechts slaat op onwettig seksueel gedrag, maar op
seksuele perversie. Let op de woorden "natuurlijk",
"tegennatuurlijk", en "mannen met mannen" in V.26,27: "Want
hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang veranderd in een
tegennatuurlijke."En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang
met de vrouw nagelaten, en zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar,
zodat mannen met mannen schandelijkheid [onbetamelijk, schaamteloos]
bedrijven..." Zo is de slechtheid van het menselijk hart wanneer hij
door God wordt overgegeven. En dit was niet zomaar het ongelukkig lot van
de heidenen; het was hun gerechte schuld.
Echter
dient te worden opgemerkt, dat God hen niet opgaf vanwege hun zonden. Eerder
gaf Hij hen over aan hun zonden, omdat zij de waarheid hadden verworpen
- en Hem. Omringd met de overweldigende bewijzen van de eeuwige kracht en
waardigheid van God, hadden zij duidelijk laten uitkomen dat zij niet wilden
of wensten dat Hij enig deel zou hebben in hun levens.
DE HEIDENWERELD VAN
VANDAAG GEEN HAAR BETER
De
heidenwereld is sinds de dag dat God hen voor het eerst "overgaf",
geen slag beter. Paulus vermaande de gelovigen van zijn dagen, om niet te
wandelen als de onwedergeboren heidenen: "Die, daar zij ongevoelig
zijn geworden, zichzelf hebben overgegeven aan de losbandigheid, om alle
onreinheid hebzuchtig te bedrijven" (Eph.4:19).
Ook
werd er geen blijvende verandering in gebracht door de Reformatie onder Luther
en Calvijn, noch later door de Grote Opwekkingen onder de Wesleys en
Whitefield. Tot in onze dagen bedrijven menigten "alle onreinheid
hebzuchtig". Onze kranten en periodieken worden ermee gevuld, als ook
onze radio- en televisie uitzendingen. Inderdaad worden onwettige seks en seksuele
perversie openlijk gerechtvaardigd en zelfs bevorderd door de communicatiemedia.
Onderling homoseksueel verkeer tussen partijen die het eens zijn geworden,
wordt zelfs in sommige Europese landen [Nederland] gelegaliseerd, en in
Amerika [en Europa] wordt overspel en vrije liefde op vele manieren
gesubsidieerd. Hoewel geestelijke opwekkingen onder Luthers, Wesley, Darby,
Scofield en anderen een tijdelijk gunstig effect hadden op mensen onder
verlichte volken, trekt toch het onwedergeboren hart altijd naar heidendom en
zedeloosheid, zodat ook de USA vandaag wijd bekend staan wegens hun seksverdwazing.
Maar
al mogen de mensen de heerlijkheid van God en het Woord van God in hun denken
en hun filosofiכn kunnen veranderen, Hem kunnen zij niet
veranderen! Hoe verfrissend om Paulus te horen uitroepen, temidden van deze
trieste opsomming van menselijke slechtheid, dat "de Schepper...Die te
prijzen is in eeuwigheid. Amen" (V.25). Ook waren er sommigen
temidden van al deze heidense slechtheid van hun dagen, die
"bekeerd
zijn van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen, en Zijn Zoon
uit de hemelen te verwachten" (1 Thess.1:9,10), en zo is het vandaag
nog.
Het
is niet zonder betekenis dat in deze passage over de menselijke
slechtheid, de vrouwen het eerst genoemd worden; dan de mannen. Hier brengt de
wet van het eerstgenoemde ons terug naar Eden, waar Eva het eerst deel had
aan de verboden vrucht; dan Adam, die zijn vrouw van deelname had moeten
weerhouden. We lezen dat Satan "listig" was, en wist dat hij onze
voorouders beiden het best kon verleiden door eerst Eva te
verleiden. De hele geschiedenis door heeft Satan, in zijn listigheid, dikwijls
vrouwen gebruikt om mannen verkeerd te leiden, ondanks dat de man van nature
veel agressiever is.
"Ook
hun vrouwen"! Welk een
treurige zinsnede! De seksualiteit waarvan het fraaiste sieraad de
ingetogenheid is, verlaagd tot ontucht, en ertoe bijdragend, dat de andere sekse
wordt onteerd. Hoe belangrijk is het dan voor Christenvrouwen om zedelijk rein
te blijven, en om altijd ingetogen te zijn in hun verschijning (1 Tim.2:9).
Wanneer
vrouwen, in welke beschaving ook, onzedelijk worden, komt aan die beschaving
weldra een einde. Kijk naar Babylon, Griekenland, Rome! Cicero zegt over homoseksualiteit
onder de Grieken, dat hun dichters, hun filosofen en hun grote mannen dit niet
alleen praktiseerden, maar zich erop beroemden. Achter dit alles echter stak
de invloed van hun zedeloze vrouwen.
Het
was vanwege deze zonde dat het land Kanaan haar inwoners "uitspuwde"
(Lev.18:28). Het was vanwege deze zonde, dat God "zwavel en vuur over
Sodom en Gomorra deed regenen", en Hij "deze steden
tot as verbrand met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet
voor hen die goddeloos zouden leven" (Gen.19:24; 2 Peter.2:6). Het is
vanwege de homoseksuelen in Sodom (Gen.19:5-9), dat deze zonde bekend werd als
sodomitisch, maar degenen die deze slechtheid vandaag praktiseren
dienen te beseffen dat Sodom nu, totaal vernietigd, aan de kust van de Dode
Zee ligt, als "een voorbeeld" van Gods toorn tegen morele
onreinheid. God noemt deze zonde "een gruwel" (Lev.18:22) die niet
ongestraft zal blijven. Wij lezen hier in Rom.1:27 inderdaad van degenen die
aan zulke slechtheid deel hebben, dat zij "in zichzelf de
vergelding van hun dwaling ontvangen". Statistieken betuigen dit feit aan
alle kanten door een toename van ziekte, ongezondheid en zelfmoord in het
kielzog van groeiende onzedelijkheid.
DE
DWAAS!
"En
zoals het hun niet goed gedacht heeft God te erkennen" -
Rom.1:28
God heeft een naam voor hen die Hem niet langer in hun gedachten wensen toe te
laten. Toen de Here "uit de hemel heeft nedergezien op de
mensenkinderen" (Ps.14:2), riep Hij uit, "De dwaas!"
"Hij zegt in zijn hart: Er is geen God" (V.1).
En
moet God niet hetzelfde zeggen als Hij "neerziet vanuit de hemel" op
de wereld van vandaag? Welke plaats heeft Hij in de politiek, de
opvoeding, zakenleven - ook religie?
Politiek?
U kunt God niet in de politiek plaatsen! Opvoeding? Menselijk
verstand is het hoogste hof waarop men beroep doet. Iemands geloof moet
zijn denken niet aan het wankelen brengen! Sociale zaken? Daarin God
binnen brengen zou alles bederven! Wij moeten toch wat plezier
hebben! Zakenleven? Waarom? "zaken zijn zaken"! Hoe vaak
wordt dit excuus opgeworpen door zakenmensen wanneer zij geconfronteerd worden
met geestelijke of morele overwegingen! En religie? In hoeveel kerken
worden samenkomsten belegd waar pastor en kerkleden, met geopende Bijbels,
onder gebed, Gods Woord onderzoeken? De waarheid is, dat de grote meerderheid
van onze religieuze organisaties overgegeven zijn aan een rituele vorm in
plaats van aanbidding en onderzoek van God. Velen aanbidden werkelijk
de "God" die zij zich in hun eigen gedachten hebben voorgesteld,
maar hoeveel aanbidden de God van de Bijbel? En zo is in de wereld van
vandaag, ook in de religieuze wereld, een zelfde houding: "Geen
God!"
Omdat
de heidenwereld niet langer met God wenste rekening te houden, gaf Hij hen over
aan "een verkeerd denken, om die dingen te doen die niet betamen"
(V.28). Zo hebben we in V.29-31 een lijst van zonden die de mensen wensen te
laten voortduren zonder goddelijk tussenbeide komen, de zonden die
uitgebreid voorkomen in onze moderne wereld, ook in de verlichte delen, Europa
en Noord Amerika. Wie kan deze opsomming van verkeerdheid lezen en ontkennen
dat het een ware weergave is van de mensheid zonder God?
Omdat
sommige van de hier in de King James Vertaling, resp. Statenvertaling
gebruikte woorden sindsdien van betekenis veranderd zijn, zullen we deze
verklaren voordat we verder gaan met ons commentaar: "gierigheid" = hebzucht,
altijd meer willen hebben; "twist" = strijden;
"bedrog" = sluw, arglistig; "oorblazers" = roddelaars;
"achterklappers" = lasteraars; "smaders" = onbeschaamd,
beledigend; "hoovaardig" = arrogant;
"laatdunkend" = zonder begrip; "onverzoenlijk" = zich
niet laten overtuigen.
De
lezer doet er goed aan de gehele lijst zorgvuldig te bestuderen, want dit zijn
de zonden waarvoor God hen overgaf, die God niet langer in hun denken
toelieten. We commentariכren deze passage slechts kort.
Let
op de woorden "vervuld zijn met" en "vol van", in V.29.
Zij worden nu overgegeven aan slechtheid; zij leven in zonde als
levenswijze. Het woord "hoererij", in het begin van de lijst, brengt
ons 2 Petr.2:14 in gedachten: "Hebbende de ogen vol overspel, en die
niet ophouden van zondigen". Zij die in deze zonde volharden, dienen
zich Gods waarschuwing te herinneren in Hebr.13:4: "Het huwelijk zij
eerlijk onder allen [d.i., volstrekt eerlijk], en het bed onbevlekt: MAAR
HOEREERDERS EN OVERSPELERS ZAL GOD OORDELEN."
Ook
"Gierigheid" of hebzucht heeft de gehele beschaafde wereld in
beslag. Met een toegenomen overvloed van alle mogelijke materiכle welvaart,
schijnt het dat ieder meer wil hebben. Dit heeft ook de Kerk te pakken, want
velen leven in overvloed terwijl de zaak van Christus lijdende is.
"Oorblazers"
en
"achterklappers", of roddellaars en lasteraars zijn er ook in
onze dagen overvloedig, roekeloos reputaties, gezinnen en huizen vernietigend.
"Haters van God" en "vinders van kwade dingen".
Vergelijk die met V.32 en let op de zin van de verdediging.
"Ongehoorzaam
aan de ouders." Wie heeft
eraan gedacht dat deze zonde, in onze dagen als licht [minder erg] beschouwd,
staat in de rij met hoererij, moord, haters van God, etc.? Ach, maar
ongehoorzaamheid aan de ouders is een ernstige zonde in Gods oog, aantonend
het algemeen gebrek aan respect voor leeftijd en ervaring. En het is temeer
kwaad, omdat het zo dikwijls het falen van de ouders laat zien om "een
kind op te voeden voor de weg die het behoort te gaan". Betekenisvol
staat ongehoorzaamheid aan de ouders in de lijst van ondeugden die kenmerkend
zijn voor het aflopen van de bedeling van Gods genade (2 Dim.3:2). Hoe
belangrijk is het dan voor Christenouders om hun kinderen te leren gehoorzaam
te zijn, en voor Christelijke jongemensen de goddelijke vermaning te bewaren: "Kinderen,
gehoorzaam uw ouders" (Eph.6:1; Col.3:20).
"Zonder natuurlijke
liefde." Treurige woorden! Toch
zien we deze karakteristiek om ons heen zich verspreiden, als mannen hun door
God aangewezen verantwoordelijkheden in het gezin, en vrouwen, die staan voor
medegevoel en "natuurlijke liefde", instemmen met de roep om
"gelijke rechten" als de mannen.
En
de hele verbijsterende rij sluit met de beschuldiging: "Dewelken, daar
zij het recht Gods weten, [namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des
doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen
hebben in degenen, die ze doen (V.32).
Inderdaad
dwazen! Zij weten in hun harten dat God hen zal richten. Zij hebben de
tegenwoordige gevolgen van slecht gedrag gezien, en weten dat God zal
het niet toelaten. Toch zijn zij in grote diepten van immoraliteit gezonken,
doordat zij niet alleen zulke zonden doen, maar er een genoegen in scheppen
anderen daarin mee te trekken.
Sin,
like a venomous disease
Infects our vital blood;
The
only hope is sovereigh grace,
And
the physician, God.
Madness by nature reigns within;
The passions burn and rage,
'Til God's own Son, with skill divine,
The inward fires assuage.
We
lick the dust, we grasp the wind,
And
solid good despise;
Such
is the folly of the mind
'Til Jesus makes us wise.
-
Isaac Watts
|