De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  II -  ROM.1:18-20

DE TOORN VAN GOD EN DE SCHULD VAN DE MENS

      GODS TOORN GEOPENBAARD TEGEN

TEN ONDER HOUDEN VAN DE WAARHEID

"Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden" Rom.1:18

 Het is onmogelijk de genade van God te waarderen, dan alleen tegen de achtergrond van de zonde van de mens en Gods toorn tegen de zonde. Ook dient nota te worden genomen, dat de bovenstaande passage niet waarschuwt voor de komende toorn; zij heeft eerder te doen met toorn die nu wordt geopenbaard vanuit de hemel. "Want de toorn Gods wordt [niet "zal worden] geopen­baard van de hemel." Laten we, voordat we uitleggen hoe Gods toorn geopenbaard wordt, eerst bezien waarom.

 Gods toorn wordt geopenbaard "over alle goddeloosheid", zegt de apostel. Opgemerkt wordt, dat goddeloosheid niet is het overtreden van de wetten of het doen van boze werken, hoewel dit er wel toe leidt. Goddeloosheid is eenvoudig een zich niets aantrekken van God en Zijn eisen.Een goddeloos mens is iemand in wiens leven God geen welkome plaats heeft. Velen die in deze categorie passen, zouden zich beledigd voelen als zij goddeloos genoemd werden, en toch zouden zij in verlegenheid worden gebracht als zij godsdienstig genoemd werden!

Goddeloosheid is de oorzaak dat mensen de waarheid ten onder houden in ongerechtigheid, zoals zij werkelijk doen. Overal om ons heen zien we ten onder houden van de waarheid in ongerechtigheid, en Gods rechtvaardige toorn daarover geopenbaard.

Geleerde mensen sluiten hun ogen voor de meest in het oog lopende feiten, verachten of ontkennen Gods scheppings-verhaal, leren daarentegen de theorie van de evolutie. Maar terwijl zij leren, dat de mens geleidelijk tot hoger niveau stijgt, geven de omstandigheden in hun leerinstituten en onder hen die zij beinvloeden, duidelijk blijk van de morele en geestelijke terugval van de mens, zoals in de Bijbel geleerd wordt.

Commerciכle televisie adverteert bedwelmende dranken alsof zij uitsluitend plezier en bevrediging schenken, maar zij noemen de gevolgen van dronkenschap niet. Zij prijzen de fijnste producten aan, maar werpen een sluier over het eind-product. Zij tonen nimmer taferelen van bedwelmde mannen en vrouwen die zich gedragen als gekken, of vertellen niet hoe drinkers dikwijls hun families voedsel en kleding tekort doen, in de misdaad terecht komen, en hun eigen lichamen ruןneren.

De media adverteren allerlei soorten zonden en onzedelijkheid onder de naam van plezier en grappigheid, maar noemen niet de gevolgen van hun "grappen"; gebroken gezinnen, gebroken harten en gebroken levens.

Zo "houden zij de waarheid ten onder in ongerechtigheid" en dit komt voort uit goddeloosheid. Zij die zonde praktizeren en promoten houden metterdaad de waarheid in hun eigen harten ten onder, wanneer zij trachten om zichzelf te overtuigen dat voortgaan met zondigen hen niet ongunstig raakt. Vreemd genoeg echter is een van de voornaamste voorbeelden van onderdrukking van de waarheid in ongerechtigheid, de promotie van het "evangelie" van goede werken om gered te worden, zoals we verder in onze studie zullen zien.

Maar omdat de mensen de waarheid ten onder houden, kunnen zij de gevolgen van hun dwaasheid niet ontgaan, want God openbaart Zijn toorn over de zonde iedere dag, wanneer de vruchten van hun gedrag doorgaan hun tol te eisen. En Gods toorn over hun goddeloosheid en ongerechtigheid is even recht­matig als hun zonde niet te verontschuldigen is.

DE SCHULD VAN DE MENS

"Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. "Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te veron­tschuldigen zouden zijn" - Rom.1:19,20. 

ls we komen tot de kern van de zaak, laat de apostel ons de natuur van 's mensen goddeloosheid zien. De uitdrukking "hetgeen van God kennelijk is" houdt niet alles in wat van God bekend kan zijn, want dit is niet "in hen geopenbaard" (1 Cor.2:9,11). Hij verwijst kennelijk naar "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid (V.20). Dit feit weet de mens instinctief door het waarnemen van Gods bestaande schepping.

Het ten onder houden van de waarheid door de mens is onrecht, "omdat hetgeen van God kennelijk is" [d.i. Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid] "in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard" (V.19). In de natuur van de mens ingebouwd, is een instinctieve kennis van de God Die hem geschapen heeft. Inderdaad, zelfs "de duivels...geloven, en sidderen" (Jak.2:19).

Deze "onzienlijke dingen", zegt de apostel, "worden van de schepping der wereld aan...duidelijk doorzien, en worden verstaan door de schepselen...opdat zij geen verontschuldiging zouden hebben" (V.20). "De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkon­digt Zijner handen werk. "De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht toont wetenschap."  Ps. 19:2.

De mens beschouwt de wonderen van de natuur iedere dag en moet wel volledig blind zijn, als hij niet tot het besluit komt, dat achter dit alles een Meesterlijk brein schuilt. Dit blijkt in het bijzonder waar te zijn, in de dagen waarin wij leven. De mens, nu geholpen door de telescoop, kan veel verder kijken in de buitenste ruimte en ziet biljoenen grote sterren en planetenstelsels, melkwegen en universa, biljoenen ­licht­jaren verwijderd. Hoe sterker zijn lenzen, des te meer van deze reusachtige hemelse stelsels ziet hij. Zover hij kan vertellen is deze grootse schepping grenzeloos, oneindig. Op dezelfde wijze kan hij, geholpen door de microscoop, honderden kleine organismen waarnemen op het oppervlak van een spelden­punt, organismen waar het blote oog niets van waarneemt. En hier geldt eveneens, hoe sterker de lenzen des te meer van deze oneindig kleine voorwerpen in het gezicht worden gebrach­t. Zo schijnt de schepping, ook waar het de kleine dingen betreft, eveneens voor de mens onbegrensd, oneindig.

Ondertussen neemt de mens met het blote oog dagelijks prachtige bloemen en adembenemende zonondergangen waar, machtige oceanen en kleine beekjes, de met sterren bezaaide hemel en de kleine vogels die boven hem vliegen.

Zouden deze wonderen der schepping de mens niet tot aanbidding van de Schepper brengen? Is het dan niet de meest moedwillige dwaasheid om te beweren dat dit alles, zo ingewikkeld en perfect ontworpen, zo harmonieus in haar bewegingen, geen Ontwerper, geen Schepper heeft! Hoe schuldig  moet deze mens dan voor God zijn, die verklaart dat het universum, en de mens zelf, tot bestaan werd gebracht, zuiver door "natuurlijke oorzaken"!

De atheןstische evolutionist beweert dat dit alles op de een of andere manier tot stand kwam, maar dit lijkt op een mens, die door schipbreuk op een eiland, aan het zoeken is of er ergens, behalve hijzelf, ook nog andere bewoners op het eiland zijn. Als hij dan een glimmend voorwerp vindt, raapt hij het op. Het ziet er aan de buitenkant uit als een horloge! Een mooie horlogekast die van goud lijkt te zijn. De voorkant is bedekt met iets wat gelijkt op en aanvoelt als glas, waar­door hij twee armen of handen ziet, die centraal samen komen, omcirkeld door nummers van 1 tot 12. Op de plaat leest hij duidelijk E-L-G-I-N. Hij houdt het tegen zijn oor en hoort het tikken. Maar heel dwaas zegt hij: "Dit ziet er uit als een gebruikelijk horloge maar dat kan natuurlijk niet, want er is hier niemand. Dit voorwerp moet ergens vandaan zijn gekomen, misschien wel uit de stenen die hier rondom liggen. Alle onderdelen zullen zijn samengesteld door "natuurlijke oor­zaken", want hier is niemand die dat kan hebben samengesteld.

"Nonsens" zegt u. "Zo iemand zou eerder moeten zeggen: Kijk! Hier is een horloge! Er moet hier iemand geweest zijn, want hoor, het tikt! Hij moet hier nu nog zijn, niet ver hier vandaan! Hallo! Hallo! Waar bent u?!"

Sprekend over God en schepping op de heuvel van Mars in Athene verklaarde Paulus de goddelijke bedoeling: "Opdat zij de Here zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons" (Hand.17:27)

Als evolutionisten Gods schepping zien en, als het ware, het tikken horen, zouden zij tot de conclusie moeten komen, dat "Hij niet ver van een ieder van ons weg is", maar inplaats daarvan doen zij alsof Hij niet bestaat. Het is in het licht van deze bewuste ontkenning, deze weigering om overweldigend bewijs te erkennen, dat de apostel verklaart: "Zij hebben geen ver­ontschuldiging" (V.20).

Zo staat de natuurlijke mens, volledig los van de wet van Mozes, schuldig aan moreel kwaad - en, los van het verlossende werk van Christus, onder de veroordeling van een rechtvaardig en heilig God.

 HOE DE HEIDENEN DAARTOE KWAMEN

  "Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleg­gingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. "Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden" - Rom.1:21,22

Met het woord "Omdat" gaat de apostel voort met het aanbrengen van verder bewijs dat goddeloosheid ongerechtigheid is (V.18); dat het niet recht is; dat het onverdedigbaar is.

Historisch gesproken, wijst hij aan dat het mensdom "God kende" [in de zin van Vers 19,20], gaven zij Hem niet de eer en de dank die zij Hem schuldig waren.

Wanneer zij de schoonheden en natuurwonderen zagen, en zagen dat zon en regen heerlijk voedsel voor hun onderhoud verschafte, hadden zij op hun knieכn dienen te vallen in aanbidding, God dankende voor Zijn liefdevolle zorg voor hen. Zij hadden Zijn oneindige grootheid en hun eigen nietigheid dienen te erkennen. David toonde zo'n houding toen hij zei: "Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt...?" (Ps.8:4,5).

Maar de mensheid als geheel lette niet op God met die eerbied en dankbaarheid. Eerder werden zij "ijdel in hun overleggingen [redeneringen], en hun onverstandig hart is verduisterd geworden". Dit is een goede beschrijving van de menselijke philosofie en haar resultaten. "De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid" (Ps.111:10). Doof dit licht uit, en duisternis zal onherroepelijk het gevolg zijn. Zo, beken­nende wijs te zijn" [niet altijd openlijk, maar meestal daarin opgesloten], "werden zij dwaas". Het woord "dwazen" is in het Grieks na­drukkelijker, en drukt de lage dunk uit die God heeft van de wereldse intellectuelen.

In Eph.4:17,18 vermaant de apostel gelovigen niet te "wandelen" of zich te gedragen als de onontwikkelde heidenen doen, "...in DE IJDELHEID VAN HUN GEMOED, "VERDUISTERD IN HET VERSTAND, vervreemd zijnde van het leven Gods, door DE ONWETENDHEID, DIE IN HEN IS, door DE VERHARDING [BLIND-HEID, K.J.V.] HUNS HARTEN."

Dit is geen flatteuze schildering van het heidense intellect, maar verlichte gelovigen erkennen de juistheid hiervan. In 1 Cor.3:19 lezen we, dat "de wijsheid dezer wereld dwaasheid is bij God", en als God het dwaasheid noemt, kunnen wij er zeker van zijn dat het dwaasheid is. Geen wonder dat zoveel van de plannen door de grote wereldleiders ontworpen, en zoveel genomen maatregelen, verkeerd uitkomen. Laten onwedergeboren mensen zich dan beroemen op hun superieur verstand; God noemt hen dwaas, dom, en in deze pas­sage gaat Hij door met het methodisch te bewijzen.

   HEIDENSE AFGODERIJ OPENBAART DE DIEPTEN VAN 'S MENSEN FILOSOFISCHE DOMHEID

"En hebben de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderd in de gelijkenis van het beeld van een vergankelijk mens, en van vogels, en van viervoetige en kruipende dieren" Rom.1:23

Zie waar, en tot hoe ver menselijke filosofie de mens­heid kan leiden! Zij wisselden in hun aanbidding de heerlijkheid Gods niet in voor iets anders. Zij "veranderden" deze; zij bedierven haar. Inplaats van eerbiedig de onsterfelijke, onvergankelijke God te aanbidden, begonnen zij afbeeldingen te maken van wat zij dachten dat Hij zou zijn. En toen zij dit deden, werd hun voorstelling steeds meer gedegradeerd. Let op de neergaande tendens in V.23, waar we afzakken van (1) God naar (2) vergankelijk mens, naar (3) vogels, naar (4) viervoetige, en zelfs naar (5) reptielen!

Het is tekenend dat de Egyptenaren, met al hun intellectuele superioriteit (Hand.7:22) niettemin de havik, de stier, de koe, de kat, de kikvors, de baviaan, de jakhals, de krokodil en andere dieren aanbaden. Later nam zelfs Israel deel aan deze ongerechtigheden (Ps.106:19,20; Hand.7:40-43) hoewel het schijnt dat zij, gedwongen tijdens hun gevangenschap in Babel [de zetel van de wereldse afgoderij] hun buik vol hadden van afgodische aanbidding, en dit nooit meer praktizeerden, zeker niet in die vorm.

Als iemand de oneindige majesteit van de eeuwige God aanschouwt, moet elke afgoderij beschouwd worden als een afschuwelijke belediging, een smerige onwaardigheid. Is het dan niet vreemd, dat Paulus tot de filosofen op de Areopagus zei: "Daar wij dan van Gods geslacht zijn, moeten wij niet menen, dat de Godheid aan goud, of steen gelijk is, die door mensenkunst en bedenking gesneden zijn" (Hand.17:29).

De enige ware presentatie van God is Christus (Joh.1:18; Col.1:15; 2:9; Hebr.1:3), en wanneer de onwedergeboren mens beelden maakt om zijn conceptie van God weer te geven, verkleint en degradeert hij Hem altijd, hoe dan ook, en de meest zekere manier tot zelfvernedering is om het voorwerp van iemands aanbidding te degraderen.

Spreekt de lezer tegen dat dit alles weinig toepassing voor vandaag heeft? Dan antwoorden wij dat het op vandaag sterke betrekking heeft. Bijna de helft van de wereldbevolking vandaag is gedompeld in heidense aanbidding, en gebonden door bijgeloof en vrees. Voeg hierbij de miljoenen die buigen voor beelden in de naam van Christenheid - die ook gebonden zijn door bijgeloof en angst - en het aantal wordt nog veel groter. Bovendien groeit het heidendom, in Amerika, zowel als in Europa op een alarmerende wijze, waar zogenaamde "Christenen" aan Boeddhisme, Hindoeןsme, en een dozijn andere heidense religies goedgunstige aandacht besteden.

Vergis u niet: Afgoderij is des duivels meesterstuk. De zogenaamde "Christelijke" culten zijn niets vergeleken met de heidense afgoderij, duivel aanbidding, waarvan veel moreel slecht is en alles geestelijke ontwaarding is.

         DE HEIDENEN OVERGEGEVEN

"Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerten van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren. "Die de waarheid van God veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geכerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in eeuwigheid. Amen. "Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerbare harts­tochten; want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang veranderd in een tegennatuurlijke. "En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw nagelaten, en zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, zodat mannen met mannen schandelijkheid bedrijven, en de vergelding van hun dwaling die daarbij hoort in zichzelf ontvangen. "En zoals het hun niet goed gedacht heeft God te erkennen, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerde zin, om dingen te doen die niet betamen. "Vervuld met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid, "kwaadsprekers, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, uitvinders van kwade dingen, de ouders ongehoorzaam, "onverstandigen, trouwelozen, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen, "die, daar zij het recht van God weten, [namelijk dat zij die zulke dingen doen, de dood waardig zijn] niet alleen ze doen, maar ook mede een welgevallen hebben in hen, die ze doen" - Rom.1:24-32

Drie keren in Romeinen 1 (V.24,26,28) lezen we dat God de heiden wereld "overgaf". Dit gebeurde bij de Toren van Babbel met de verwarring van talen en de verstrooiing van het mensen­ras "over de ganse aarde" (Gen.11:6-9). De spraakverwarring in Babbel werd gevolgd door de roeping van Abraham en het verbond met zijn zaad, Israכl (Gen.12:1-4). Ongeveer tweeduizend jaren later echter werd Israכl ook overgegeven "voor een tijd" en evenzo verstrooid over de ganse aarde (Rom.10:21; 11:15-25; cf.Jak.1:1; Jer.31:10). Toen nu beiden overgegeven en verstrooid waren, bleef er slechts een wereld over van arme verloren zondaars, en de grondslag was gelegd voor Gods aanbod van verzoening uit genade aan alle mensen overal (Rom.11:32; cf.2 Cor.5:14-21).

Het is belangrijk hier in beschouwing te nemen, dat de uitdrukking, "God gaf hen over", een weerlegging is van de leer dat God niet liefheeft, of dat Christus niet stierf voor de niet-uitverkorenen. Deze uitdrukking sluit duidelijk in, dat de Heilige Geest ernstig met hen streed, nog gedurende een verlengde tijdsperiode, en toen tenslotte ophield verder met hen te handelen. In Gen.6:3 hebben we een soortgelijke passage waar God zegt van hen die leefden in "de dagen van Noach": "Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren."

Geeft deze passage niet, net als 1 Petr. 3:20 en

2 Petr. 2:5, duidelijk weer dat Gods Geest met hen gestreefd had, ernstig en lang, en dat zelfs, toen "de lankmoedigheid van God wachtte" gedurende nog 120 jaren, "toen de ark toebereid werd" en Noach, "een prediker der gerech­tigheid", hen waarschuwde voor het gericht dat zou komen?

Hoe kunnen dan sommige theologen leren, dat God "sommigen uitkoos die niet gered werden"? Hoe kunnen zij zeggen, zoals ייn dat doet, "Als Gods genade succesvol kan worden weerstaan,  dan kan God worden overwonnen, en uw god is niet groter dan de fictieve, falende, zwakke, god van..."? Extreme Calvinis­ten, die zoveel te zeggen hebben over "onweerstaanbare genade", behoren evenveel tijd te besteden aan wat de Bijbel zegt over "weerstaanbare genade", zoals we dat hierboven zagen, want er is overweldigend bewijs in de Heilige Schrift dat de genade van God werd tegengestaan, telkens weer, en altijd wordt tegen­gestaan door ongelovigen.

Tenslotte bewijst de zin, "God gaf hen over", dat God niet wenste dat zij verloren gingen. Hoe kunnen dan theologen zeggen, zonder nadere uitleg, "God is souverein en doet wat Hem behaagt." In Ezech.33:11 zweert God: "Zo waarachtig Ik leef...zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen!; maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve."

God doet niet altijd wat Hem behaagt, maar Hij doet altijd wat recht is. Als we het overgeven van de heidenwereld beschouwen, zal het duidelijk zijn, dat God niet wenste dat zij verloren gingen, en dat zij dit rechtvaardig gericht zelf over zich brachten.

Betekent dit alles dat God verslagen is in het geval van hen die verloren gaan? Nee, Hij is "te prijzen in der eeuwigheid" (V.25); het is eerder dat zij zijn verslagen, zoals we nu zullen zien.

 EEN EIGENGEREID MENSENRAS

De heidenen, gezonken tot de diepte van geestelijke neergang, waren nu rechtens overgelaten aan "de begeerten van hun eigen harten", omdat "God..hen overgaf tot onreinheid ...tot onteren van hun lichamen onderling.".

Zoals zij "de heerlijkheid van God veranderd hadden" en "de waarheid van God" (V.23,25), zo "veranderden" zij de natuurlijke menselijke functies in "dat wat tegen de natuur" is (V.26). Door het schepsel meer te aanbidden en te dienen dan de Schepper, schiepen zij een zinnelijk genoegen in bijna ongelooflijke immoraliteit, en brachten daarbij alle daaraan verbonden narigheid, ellende en wanhoop over zich.

Al hun intellectuele kennis en uitingen waren nu inder­daad leeg en hol. Naar de mate waarop zij God degradeerden, werden zij nu zelf gedegradeerd, overgegeven aan hartstochten die zij niet onder controle hadden.

Opgemerkt dient te worden dat de woorden "hun eigen lichamen onder elkaar onterend", niet slechts slaat op onwettig seksueel gedrag, maar op seksuele perversie. Let op de woorden "natuurlijk", "tegennatuurlijk", en "mannen met mannen" in V.26,27: "Want hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang veranderd in een tegennatuurlijke."En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw nagelaten, en zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, zodat mannen met mannen schandelijkheid [onbetamelijk, schaamteloos] bedrijven..." Zo is de slechtheid van het menselijk hart wanneer hij door God wordt overgegeven. En dit was niet zomaar het on­gelukkig lot van de heidenen; het was hun gerechte schuld.

Echter dient te worden opgemerkt, dat God hen niet opgaf vanwege hun zonden. Eerder gaf Hij hen over aan hun zonden, omdat zij de waarheid hadden verworpen - en Hem. Omringd met de overweldigende bewijzen van de eeuwige kracht en waardigheid van God, hadden zij duidelijk laten uitkomen dat zij niet wilden of wensten dat Hij enig deel zou hebben in hun levens.

        DE HEIDENWERELD VAN    VANDAAG GEEN HAAR BETER

 De heidenwereld is sinds de dag dat God hen voor het eerst "overgaf", geen slag beter. Paulus vermaande de gelovigen van zijn dagen, om niet te wandelen als de onwedergeboren heidenen: "Die, daar zij ongevoelig zijn geworden, zichzelf hebben overgegeven aan de losbandigheid, om alle onreinheid hebzuchtig te bedrijven" (Eph.4:19).

Ook werd er geen blijvende verandering in gebracht door de Reformatie onder Luther en Calvijn, noch later door de Grote Opwekkingen onder de Wesleys en Whitefield. Tot in onze dagen bedrijven menigten "alle onreinheid hebzuchtig". Onze kranten en periodieken worden ermee gevuld, als ook onze radio- en televisie uitzendingen. Inderdaad worden onwettige seks en seksuele perversie openlijk gerechtvaardigd en zelfs bevorderd door de communicatiemedia. Onderling homoseksueel verkeer tussen partijen die het eens zijn geworden, wordt zelfs in sommige Europese landen [Nederland] gelegaliseerd, en in Amerika [en Europa] wordt overspel en vrije liefde op vele manieren gesubsidieerd. Hoewel geestelijke opwekkingen onder Luthers, Wesley, Darby, Scofield en anderen een tijdelijk gunstig effect hadden op mensen onder verlichte volken, trekt toch het onwedergeboren hart altijd naar heidendom en zedeloosheid, zodat ook de USA vandaag wijd bekend staan wegens hun seksverdwazing.

Maar al mogen de mensen de heerlijkheid van God en het Woord van God in hun denken en hun filosofiכn kunnen veranderen, Hem kunnen zij niet veranderen! Hoe verfrissend om Paulus te horen uitroepen, temidden van deze trieste opsomming van menselijke slechtheid, dat "de Schepper...Die te prijzen is in eeuwigheid. Amen" (V.25). Ook waren er sommigen temidden van al deze heidense slechtheid van hun dagen, die

 "bekeerd zijn van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen, en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten" (1 Thess.1:9,10), en zo is het vandaag nog.

Het is niet zonder betekenis dat in deze passage over de menselijke slechtheid, de vrouwen het eerst genoemd worden; dan de mannen. Hier brengt de wet van het eerstgenoemde ons terug naar Eden, waar Eva het eerst deel had aan de verboden vrucht; dan Adam, die zijn vrouw van deelname had moeten weerhouden. We lezen dat Satan "listig" was, en wist dat hij onze voorouders beiden het best kon verleiden door eerst Eva te verleiden. De hele geschiedenis door heeft Satan, in zijn listigheid, dikwijls vrouwen gebruikt om mannen verkeerd te leiden, ondanks dat de man van nature veel agressiever is.

"Ook hun vrouwen"! Welk een treurige zinsnede! De seksualiteit waarvan het fraaiste sieraad de ingetogenheid is, ver­laagd tot ontucht, en ertoe bijdragend, dat de andere sekse wordt onteerd. Hoe belangrijk is het dan voor Christenvrouwen om zedelijk rein te blijven, en om altijd ingetogen te zijn in hun verschijning (1 Tim.2:9).

Wanneer vrouwen, in welke beschaving ook, onzedelijk worden, komt aan die beschaving weldra een einde. Kijk naar Babylon, Griekenland, Rome! Cicero zegt over homoseksualiteit onder de Grieken, dat hun dichters, hun filosofen en hun grote mannen dit niet alleen praktiseerden, maar zich erop beroemden. Achter dit alles echter stak de invloed van hun zedeloze vrouwen.

Het was vanwege deze zonde dat het land Kanaan haar inwoners "uitspuwde" (Lev.18:28). Het was vanwege deze zonde, dat God "zwavel en vuur over Sodom en Gomorra deed regenen", en Hij "deze steden tot as verbrand met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet voor hen die goddeloos zouden leven" (Gen.19:24; 2 Peter.2:6). Het is vanwege de homoseksuelen in Sodom (Gen.19:5-9), dat deze zonde bekend werd als sodomitisch, maar degenen die deze slechtheid vandaag praktiseren dienen te beseffen dat Sodom nu, totaal vernietigd, aan de kust van de Dode Zee ligt, als "een voorbeeld" van Gods toorn tegen morele onreinheid. God noemt deze zonde "een gruwel" (Lev.18:22) die niet ongestraft zal blijven. Wij lezen hier in Rom.1:27 inderdaad van degenen die aan zulke slecht­heid deel hebben, dat zij "in zichzelf de vergelding van hun dwaling ontvangen". Statistieken betuigen dit feit aan alle kanten door een toename van ziekte, ongezondheid en zelfmoord in het kielzog van groeiende onzedelijkheid.

DE DWAAS!

"En zoals het hun niet goed gedacht heeft God te erken­nen" - Rom.1:28

  God heeft een naam voor hen die Hem niet langer in hun gedachten wensen toe te laten. Toen de Here "uit de hemel heeft nedergezien op de mensenkinderen" (Ps.14:2), riep Hij uit, "De dwaas!" "Hij zegt in zijn hart: Er is geen God" (V.1).

En moet God niet hetzelfde zeggen als Hij "neerziet vanuit de hemel" op de wereld van vandaag? Welke plaats heeft Hij in de politiek, de opvoeding, zakenleven - ook religie?

Politiek? U kunt God niet in de politiek plaatsen! Opvoeding? Menselijk verstand is het hoogste hof waarop men beroep doet. Iemands geloof moet zijn denken niet aan het wankelen brengen! Sociale zaken? Daarin God binnen brengen zou alles bederven! Wij moeten toch wat plezier hebben! Zakenleven? Waarom? "zaken zijn zaken"! Hoe vaak wordt dit excuus opgeworpen door zakenmensen wanneer zij geconfronteerd worden met geestelijke of morele overwegingen! En religie? In hoeveel kerken worden samenkomsten belegd waar pastor en kerkleden, met geopende Bijbels, onder gebed, Gods Woord onderzoeken? De waarheid is, dat de grote meerderheid van onze religieuze organisaties overgegeven zijn aan een rituele vorm in plaats van aanbidding en onderzoek van God. Velen aanbidden werkelijk de "God" die zij zich in hun eigen gedachten hebben voorgesteld, maar hoeveel aanbidden de God van de Bijbel? En zo is in de wereld van vandaag, ook in de religieuze wereld, een zelfde houding: "Geen God!"

Omdat de heidenwereld niet langer met God wenste rekening te houden, gaf Hij hen over aan "een verkeerd denken, om die dingen te doen die niet betamen" (V.28). Zo hebben we in V.29-31 een lijst van zonden die de mensen wensen te laten voortduren zonder goddelijk tussenbeide komen, de zonden die uitgebreid voorkomen in onze moderne wereld, ook in de verlichte delen, Europa en Noord Amerika. Wie kan deze opsomming van verkeerdheid lezen en ontkennen dat het een ware weergave is van de mensheid zonder God?

Omdat sommige van de hier in de King James Vertaling, resp. Statenvertaling gebruikte woorden sindsdien van betekenis veranderd zijn, zullen we deze verklaren voordat we verder gaan met ons commentaar: "gierigheid" = hebzucht, altijd meer willen hebben; "twist" = strijden; "bedrog" = sluw, arglistig; "oorblazers" = roddelaars; "achterklappers" = lasteraars; "smaders" = onbeschaamd, beledigend; "hoovaardig" = arrogant; "laatdunkend" = zonder begrip; "onverzoenlijk" = zich niet laten overtuigen.

De lezer doet er goed aan de gehele lijst zorgvuldig te bestuderen, want dit zijn de zonden waarvoor God hen overgaf, die God niet langer in hun denken toelieten. We commentariכren deze passage slechts kort.

Let op de woorden "vervuld zijn met" en "vol van", in V.29. Zij worden nu overgegeven aan slechtheid; zij leven in zonde als levenswijze. Het woord "hoererij", in het begin van de lijst, brengt ons 2 Petr.2:14 in gedachten: "Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen". Zij die in deze zonde volharden, dienen zich Gods waarschuwing te herinneren in Hebr.13:4: "Het huwelijk zij eerlijk onder allen [d.i., volstrekt eerlijk], en het bed onbevlekt: MAAR HOEREERDERS EN OVERSPELERS ZAL GOD OORDELEN." 

Ook "Gierigheid" of hebzucht heeft de gehele beschaafde wereld in beslag. Met een toegenomen overvloed van alle mogelijke materiכle welvaart, schijnt het dat ieder meer wil hebben. Dit heeft ook de Kerk te pakken, want velen leven in overvloed terwijl de zaak van Christus lijdende is.

"Oorblazers" en "achterklappers", of roddellaars en lasteraars zijn er ook in onze dagen overvloedig, roekeloos reputaties, gezinnen en huizen vernietigend. "Haters van God" en "vinders van kwade dingen". Vergelijk die met V.32 en let op de zin van de verdediging.

"Ongehoorzaam aan de ouders." Wie heeft eraan gedacht dat deze zonde, in onze dagen als licht [minder erg] beschouwd, staat in de rij met hoererij, moord, haters van God, etc.? Ach, maar ongehoorzaamheid aan de ouders is een ernstige zonde in Gods oog, aantonend het algemeen gebrek aan respect voor leeftijd en ervaring. En het is temeer kwaad, omdat het zo dikwijls het falen van de ouders laat zien om "een kind op te voeden voor de weg die het behoort te gaan". Betekenisvol staat ongehoorzaamheid aan de ouders in de lijst van ondeugden die kenmerkend zijn voor het aflopen van de bedeling van Gods genade (2 Dim.3:2). Hoe belangrijk is het dan voor Christenouders om hun kinderen te leren gehoorzaam te zijn, en voor Christelijke jongemensen de goddelijke vermaning te bewaren: "Kinderen, gehoorzaam uw ouders" (Eph.6:1; Col.3:20).


"Zonder natuurlijke liefde." Treurige woorden! Toch zien we deze karakteristiek om ons heen zich verspreiden, als mannen hun door God aangewezen verantwoordelijkheden in het gezin, en vrouwen, die staan voor medegevoel en "natuurlijke liefde", instemmen met de roep om "gelijke rechten" als de mannen.

En de hele verbijsterende rij sluit met de beschuldiging: "Dewelken, daar zij het recht Gods weten, [namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen (V.32).

Inderdaad dwazen! Zij weten in hun harten dat God hen zal richten. Zij hebben de tegenwoordige gevolgen van slecht gedrag gezien, en weten dat God zal het niet toelaten. Toch zijn zij in grote diepten van immoraliteit gezonken, doordat zij niet alleen zulke zonden doen, maar er een genoegen in scheppen anderen daarin mee te trekken.

Sin, like a venomous disease

   Infects our vital blood;

The only hope is sovereigh grace,

And the physician, God.

   Madness by nature reigns within;

       The passions burn and rage,

      'Til God's own Son, with skill divine,

       The inward fires assuage.

We lick the dust, we grasp the wind,

And solid good despise;

Such is the folly of the mind

      'Til Jesus makes us wise.

- Isaac Watts

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011