H
O O F D S T U K XVI
- R O M. 16:1-27
DE
DRIE NASCHRIFTEN
HARTELIJKE
GROETEN
"En
ik beveel u Phebe, onze zuster, die een dienares is van de gemeente die te
Kenchreeën is, "opdat gij haar ontvangt in de Here, zoals het heiligen
betaamt, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want
zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf. "Groet
Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus, "die voor mijn
leven hun hals gewaagd hebben; die niet alleen ik dank, maar ook al de
gemeenten van de heidenen. "Groet ook de gemeente in hun huis. Groet Epénetus,
mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. "Groet
Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. "Groet Andronikus en Junias,
mijn verwanten en medegevangenen, die vermaard zijn onder de apostelen, die
ook vóór mij in Christus geweest zijn. "Groet Amplias. mijn beminde in
de Here. "Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn
beminde. "Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen die van
het huisgezin van Aristobulus zijn. "Groet Herodion, mijn bloedverwant.
Groet hen die van het huisgezin van Narcissus zijn, hen namelijk, die in de
Here zijn. "Goet Tryfema en Tryfosa, vrouwen die in de Here arbeiden.
Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in de Here.
"Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, en zijn moeder en de mijne.
"Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die
met hen zijn. "Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en
Olympas, en al de heiligen die met hen zijn."
Rom. 16:1-15.
De
Brief aan de Romeinen bevat niet minder dan drie naschriften! Zij eindigt met de zegen van 15:33. Dan zend de Apostel een lange lijst
van groeten aan zijn medeheiligen in Rome, terwijl hij afsluit met de zegen
van 16:20. Dan het tweede naschrift dat groeten bevat van hen die in
Corinthe bij hem zijn, en sluit dan met de zegen van 16:24. En
tenslotte het derde naschrift, een van het allergrootste belang en een
zegen op zich, om af te sluiten met de zegen van 16:27.
Het
is verbazingwekkend dat hoewel Paulus nog nooit in Rome geweest was, hij
zoveel van de heiligen daar persoonlijk kende. In zijn groeten noemt hij
27 personen en verwijst naar vele anderen. Tenminste 9 van de genoemden zijn
vrouwen, en de eerste die hij noemt is een vrouw.
Omdat
de Schriften de vrouw een zeer speciale ereplaats geven, is de bewering dat
Christenheid de vrouw heeft "vrijgemaakt" van haar onderdanige
positie, zonder meer fout. Geen enkele Bijbelschrijver bespreekt met zoveel
nadruk dit onderwerp als Paulus, noch verklaart iemand anders zo diepzinnig de
goddelijke redenen voor de verhouding manvrouw en de echtgenoten onderling.
Toch worden hier in zijn afsluitende groeten aan de Romeinse heiligen minstens
9 vrouwen met name genoemd waarmee Paulus blijkbaar in goede relatie
stond. Wij geloven dat dit bevestigt wat deze schrijver gedurende vele jaren
van Christendienst heeft waargenomen, dat geestelijke Christenvrouwen geen zin
hebben zich aan de van Godontvangen autoriteit
-
en
verantwoordelijkheid
van de man te ontworstelen.
Zij willen dat hij de leiding neemt. Dit is een verkwikkende gedachte,
vooral waar we zo omringd zijn met de aanspraken van vele wereldse vrouwen
voor "gelijke rechten".
Het
schijnt dat er te Rome blijkbaar drie plaatselijke gemeenten waren.
Priscilla en Aquila hadden een gemeente in hun huis (V.3-5). De vijf broeders
in V.14 worden genoemd samen met "al de broeders die met hen
zijn". En tenslotte, in V.15, groet de Apostel nog een groep van
vijf, drie mannen en twee vrouwen, "en al de heiligen die met hen
zijn". Op z'n minst zes van de genoemden waren verwanten van Paulus
(V.7, 11,21). Het is mogelijk dat Rufus (V.13) de zoon was van Simon die het
kruis van onze Here droeg toen Hij er onder bezweek (Mark.15:21), maar er is
daarvan geen bewijs.
Interessant
is dat de Apostel Petrus niet wordt genoemd - en zou Paulus hem wellicht
overgeslagen hebben als hij de gemeente te Rome zou hebben gesticht, zoals
sommigen beweren? Inderdaad werden sommigen van de Schriften door Johannes
later, klaarblijkelijk in 95 n.Chr.
geschreven,
en geen ervan noemt Petrus, en nog minder zijn beweerde tegenwoordigheid te
Rome. Wij vermelden deze feiten niet om Petrus op een of andere manier te
kleineren, maar het feit dat hij niet genoemd wordt, geeft een ander
sterk argument tegen de traditionele aanspraken van de Rooms Katholieke Kerk
betreffende Rome en het pausdom.
Phebe
was ongetwijfeld, zoals we hebben gezien, de bezorgster van de Brief aan de
Romeinen (V.1,2). Zij was klaarblijkelijk een gefortuneerde zakenvrouw uit
Kenchrea, de haven van Corinthe, en een diakones[i]
van de gemeente daar (V.1). De Apostel vermaant de Romeinse Christenen niet
alleen haar te "ontvangen", maar haar "bij te
staan" in wat voor zaken ook, omdat zij een "helpster"[ii]
van velen was geweest, met inbegrip van hemzelf (V.2).
Het
is vanzelfsprekend dat Priscilla en Aquila vervolgens op de lijst voorkomen
van hen die de Apostel groeten zendt. Welke gezegende herinneringen moeten er
in zijn gedachten geweest zijn toen hij hun namen noemde! Sedert de tijd dat
hij voor het eerst werk had gekregen bij hen in Corinthe (Hand.18:1-3) waren
zij toegewijd aan de boodschap van genade en aan Paulus persoonlijk.
Zij
waren ook door God gebruikt om de grote en voortreffelijke Apollos, een man
die reeds "machtig was in de Schriften" in een meerder verstaan van
de hogere waarheden te leiden die Paulus hen had geleerd (Hand.18:24-26). Zij
waren het blijkbaar die Paulus verborgen hielden gedurende het grote oproer in
Ephese (Hand.19:23,31; 20:1. Vandaar dat Paulus als hij nu aan de Romeinse
gelovigen schrijft, spreekt van Priscilla en Aquila als hen "die voor
mijn leven hun hals gewaagd hebben" (Rom.16:4; d.i.,
________
1*\Het
woord "dienares" (V.1) is in het Grieks diakonon. De
plaatselijke kerken hadden zowel diakonessen als diakenen om de gemeenten op
velerlei wijzen te dienen: ziekenbezoek, armenhulp, zorg voor inrichting
en gebouwen, etc. 2*\ Letterlijk, protectress, d.i. zij had de
verantwoordelijkheid op zich genomen voor hun lijfelijk en materieel welzijn.
Vine noemt dit woord prostatis, dat is "een woord voor
waardigheid, blijkbaar gekozen [om aan te geven] de hoge dunk die men van haar
had."
zij
hadden zich blootgesteld aan ernstig persoonlijk gevaar om hem te redden; "die
niet alleen ik dank", zo zegt hij, "maar alle gemeenten der
heidenen" (V.4), met inbegrip van hen te Rome - voor het beschermen
van het leven van iemand die zo duidelijk door God gebruikt is voor hun
redding.
De
Apostel laat niet na om ook degenen die "in de gemeente in hun huis
zijn", groeten te zenden (V.5). Deze lieve mensen hadden hun huis
geopend voor de samenkomst van gelovigen in Corinthe (1 Cor.16:19), en nu weer
in Rome (Rom.16:5) en zonder twijfel ook in Ephese en elders. Wat een
bediening! Hoeveel plaatselijke gemeenten zijn aangevangen met
huissamenkomsten! (Cf.Col.4:15; Phile.2).
Hoe
goed herinnerde Paulus zich de eerste bekering tot Christus in Achaje (de
provincie in Azië)! Hij noemt hem "mijn beminde Epénetus" (V.5),
nu wonend in Rome.
Welke
Maria wordt bedoeld in V.6 ? Wij weten het niet. Al wat wij weten is
dat zij "veel werk verricht heeft" voor Paulus en zijn
helpers. Maar het beweegt onze harten dat nu, na 1900 jaren, Christengelovigen
nog steeds herinnerd worden aan haar "veel werk", gedaan aan Paulus
terwille van Christus.
Het
is veelbetekenend te ontdekken dat Andronicus en Junia, twee van Paulus'
bloedverwanten, ook medegevangenen waren. Ook zij hadden gevangenschap geleden
terwille van Christus, hoewel het te betwijfelen is of zij ten volle de betekenis
van Paulus' apostelschap en boodschap hebben verstaan. Zij waren "in
Christus" vóór hem (hij zegt niet "in het Lichaam van
Christus") en blijkbaar hoog gewaardeerd onder de Apostelen te Jeruzalem.
Wij geloven niet dat Paulus hier degenen bedoelt die door sommigen "de
apostelen van het Lichaam" worden genoemd, want iemand naast Paulus zou
slechts apostel zijn geweest in de tweede graad.
Waarom
heeft de Apostel geen compliment voor Amplias en Stachys (V.8,9)? Ongetwijfeld
kunnen zij dit beter beantwoorden dan wij. In elk geval noemt hij hen
beminnelijk hetgeen, als zij gefaald zouden hebben, of ontrouw geweest, hen
zeer zal hebben bemoedigd. Urbanus is op z'n minst "onze helper in
Christus" genoemd, maar ook hier is er schijnbaar enige reserve.
Wat
betreft Apelles (V.10), lag er een schaduw over zijn verslag dat Paulus zeggen
moest dat hij "beproefd was in Christus"? En wat het huisgezin van
Aristobulus betreft, kan nauwelijks verwacht worden dat hij hen allen persoonlijk
heeft gekend. Hij zendt hen alleen zijn groet.
In
V.11 groet de Apostel Herodion, ook een bloedverwant, maar blijkbaar kan hij
van hem niet zeggen dat hij voor Christus geleden heeft. Misschien is
het daarom dat hij hem niet samen met de anderen noemt, maar wacht tot later
om hem te noemen. Het kan zijn dat hetzelfde het geval is met het huisgezin
van Narcissus, die klaarblijkelijk de samenkomsten bezocht, maar niet iets
bijzonders gedaan heeft waardoor hij de speciale aanbeveling van de Apostel
verkreeg.
Op
dit punt moeten we onszelf afvragen: behoren wij tot degenen die de
plaatselijke samenkomsten bezoeken, lofliederen zingen, ons verheugen in de
waarheden van Gods Woord, maar eigenlijk weinig doen om de zaak van Christus
te bevorderen. Hoe zouden wij dan worden vermeld op de lijst van Rom.
16?
Tryphema
en Tryphosa worden beschouwd als zusters die voor de Here in Rome arbeidden,
maar speciale groeten worden gezonden aan "de geliefde Persis [een vrouw]
die veel voor de Here gewerkt heeft" (V.12). Met het woord
"gewerkt" in de verleden tijd, schijnt het dat zij bekend was wegens
trouwe dienst voor de Here. Zij was zeer zeker niet in het bijzonder
Paulus' "beminde", maar bemind door de hele gemeente.
Er
is een gevoelig en delicaat iets bij V.13. Er wordt niets gezegd over Rufus
dan alleen dat hij was "uitverkorene in de Here", maar Rufus' moeder
was evengoed voor Paulus een moeder geweest, en hij was dankbaar. Als Rufus'
vader werkelijk de Simon geweest is die het kruis van de Here droeg toen Hij
er onder bezweek, had hij ook nog een beroemde vader.
In
V.14,15 zendt de Apostel groeten aan twee groepen van elk vijf mensen die
innige relaties schijnen te hebben met de andere plaatselijke samenkomsten in
Rome. Deze groepen waren misschien georganiseerd of/en door hen onderhouden.
DE HEILIGE KUS
EN GEDEELDE BROEDERS
"Groet
elkaar met een heilige kus. De gemeenten van Christus groeten u. "En ik
bid u, broeders, geeft acht op hen die tweedracht en ergernissen aanrichten
tegen de leer die gij van ons geleerd hebt en wijkt af van hen. "Want
zulke mensen dienen onze Here Jezus Christus niet, maar hun eigen buik; en
verleiden door schoonspreken en loftaal de harten van de eenvoudigen.
"Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij
dan over u; en ik wil dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het
kwade. "En de God des vredes zal de satan spoedig onder uw voeten
verpletteren. De genade van onze Here Jezus Christus zij met u. Amen."
-
Rom.16:16-20
Voordat
hij de groeten van zijn medewerkers in Corinthië overbrengt aan de heiligen
in Rome, vermaant de Apostel de Romeinse gelovigen: "Groet elkaar met
een heilige kus" (V.16).
Daar
is een reden voor. Blijkbaar trachtten reeds sommigen verdeeldheden te
veroorzaken onder de gelovigen te Rome, zodat er onderstromingen waren van
ongezonde gevoelens onder sommigen van hen.
Bijbelcommentators hebben breeduit geschreven over Rom.16:16 en aanverwante
passages en zijn over het algemeen tot twee grondconclusies
gekomen:
1.
Omdat het elkaar groeten met een kus in die tijd blijkbaar een plaatselijke
gewoonte was - zoals ook vandaag nog in sommige landen b.v. in Frankrijk,
bindt ons de passage niet om dit op gelijke wijze te plegen. Een parallel
hiervan zal ongetwijfeld zijn, een hartelijke handdruk.
2.
In elk geval werd de passage direct tot de "broeders" gericht, en
leert niet, of staat niet toe, het kussen zonder onderscheid tussen mannen
en vrouwen.
Wij
geloven echter, dat in het licht van de contekst deze passage heel wat meer
leert dan techniek voor een gewoonte van groeten.
Paulus
had zijn warme groeten aan velen van hen gezonden; nu hoopte hij dat zij
evenveel warmte voor elkaar zouden voelen. Hij had vele complimenten
gemaakt over degenen die hij noemde; nu hoopte hij dat zij ook elkaars deugden
in overweging namen en niet koel zouden worden ten opzichte van elkaar.
Heeft
de lezer ooit een samenkomst bezocht waar de atmosfeer koud en gereserveerd
was? Niemand zei "Goede morgen, ik ben blij u te zien" of gaf u een
vriendelijke handdruk? Na de dienst gingen zij allen in de rij naar buiten,
nauwelijks met elkaar of tot u sprekend. Voelde u ervoor om die gemeente nog
eens te bezoeken?
Er
dreigde zo'n gevaar zich onder de gelovigen in Rome te ontwikkelen. Vandaar
dat de Apostel terecht zegt: "groet elkander hartelijk".
Hoe
moet dit samenkomsten aanspreken waar echte broederlijke liefde verdwenen is!
"Groet elkaar met een warme, hartelijke handdruk", zou hij
ongetwijfeld vandaag tegen ons zeggen.
In
menige gemeente groeten de leden elkaar met een enkel woord of een knik, maar
dit alleen al kan de kilte van de atmosfeer doen toenemen. Als Jim de
deur binnenkomt ziet hij Jan, die hij niet uit kan staan! "Morgen
Jan" zegt hij, en Jan antwoordt even koel, en beiden gaan hun weg met de
gedachte:
"Dat
was een koele groet!"
Het
had heel anders geweest wanneer Jim een warm woord tegen Jan zou hebben
gezegd, samen met een warme handdruk en een "Goede morgen". Dan
zou Jan ongetwijfeld met warmte hebben geantwoord, en beiden zouden veel beter
voor elkaar hebben gevoeld.
Dit
is in het licht van de contekst wat de Heilige Geest ons door vermaning wil
leren, "Groet elkaar met een heilige kus" (V.16) d.i., Groet
elkaar warm en hartelijk. En hij geeft de "topper" als hij groeten
zendt van andere heidengemeenten die gezegd hadden: "Doe zeker de groeten
aan de heiligen in Rome van ons wanneer je hen schrijft".
V.17
geeft een goede raad voor het omgaan met tweedracht zaaiende, of ergernis
verwekkende broeders: "Wijkt af van hen".
De
eenheid van het Lichaam van Christus is een kostbare zaak, en wij zijn gehouden
te "ijveren om de eenheid van de Geest te behouden door de band des
vredes" (Eph.4:3). Vandaar dat de Apostel aan de Corinthische
gelovigen schrijft: "Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze
Here Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen
scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt, één van zin en één van
gevoelen" (1 Cor. 1:10).
Dit
is een hoge standaard om te handhaven, maar ernstige gelovigen dienen serieus
te proberen om scheidingen en verdeeldheid over persoonlijke zaken in de
samenkomst te weren. Paulus zelf had hard gestreden voor de waarheid,
en toen de Judeërs zijn heidenbekeerlingen wilden binden met besnijdenis en
de Wet, hadden hij en Barnabas "geen kleine weerstand en twist tegen
hen" (Hand.15:2), en Paulus zou hetzelfde gedaan hebben ten tijde
dat hij de Romeinse gelovigen schreef over degenen die verdeeldheid onder hen
wilden brengen. De contekst verklaart het verschil. Paulus schrijft in Rom.16
aan de Romeinse gelovigen over enkelen onder hen die hij kende, waarbij hij
zijn liefde en achting tot uitdrukking brengt, en hen allen dringt om elkander
dezelfde liefde te bewijzen. Het is in deze contekst dat hij hen
aanraadt om hen te "mijden" die onder hen scheiding veroorzaken "tegen
de leer die gij van ons hebt geleerd", d.i. de leer van het ene
Lichaam; de leer van de eenheid der gelovigen in Christus (12:5). Hij gaat
niet verder met te zeggen dat verschillen wat leer betreft er niet toe doen;
hij wijst eerder op tweedracht aanrichtende personen die niet de Here
dienen, maar "hun eigen buik", d.i., zij leven slechts voor hun
eigen genoegens, en aarzelen niet "de harten van de eenvoudigen te
verleiden" door "mooie woorden en loftaal" (16:18). Het is in
het belang van de gemeenschap en het Lichaam van Christus in zijn geheel, dat
zulken bekend en gemeden worden. Een verkeerde
"liefde" moge zulke verstoorders verdragen, maar het is waar,
Schriftuurlijke liefde voor de heiligen en voor de Here zal de noodzakelijkheid
inzien om zo iemand toch aan zichzelf over te laten. Inderdaad lijkt het
hier vermelde geval op dat wat Paulus schrijft in 2 Thess.3:14:
"Maar
indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is,
tekent hem en gaat niet met om, opdat hij beschaamd wordt."
Zo'n
discipline is noodzakelijk voor de bescherming van het werk van God, hetwelk
Satan graag zou willen vernietigen.
In
V.19 prijst de Apostel de Romeinse gelovigen voor hun geloof in de waarheid,
maar hij "wil dat zij wijs zijn in het goede, doch onnozel in het
kwade". Hij wil dat zij objectief zijn in hun houding. Vandaar het
bemoedigend woord: "En de God des vredes zal de Satan weldra onder uw
voeten verpletteren. De genade van onze Here Jezus Christus zij met u.
Amen" (V.20).
Hij
wijst hier niet op de komst van Christus voor Zijn heiligen. Eerder gaat hij
door met hetzelfde onderwerp. Let op de uitdrukking "de God des vredes".
Vrede is wat de scheurmakende broeder tracht kapot te maken, maar "de God
des vredes" zal weldra dit werk van Satan vernietigen.
NOG MEER GROETEN!
- VAN DE HEILIGEN IN CORINTHE!
"U
groeten Timotheus, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Sosipater, mijn
bloedverwanten. "Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in
de Here. "U groet Gajus, de gastheer van mij en van de hele gemeente. U
groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus. "De
genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen. Amen."
-
Rom.16:21-24
Nu
zeggen degenen die bij Paulus zijn, "Vergeet niet hun de groeten
te doen"! Onder hen is Timotheus, Paulus' trouwe
"medewerker", die ooit in de eerste dagen getuige was van de wrede
en valse slagen die Paulus ontving door de handen van de magistraten in
Philippi, toen zij de kleren van zijn rug scheurden, hem in de gevangenis "wierpen"
en de bewaarder hem in een kerkerput "gooide" en zijn
voeten in blokken (Hand.16:22-24) boeide. Ook waren daar nog drie van Paulus'
eigen stamgenoten bij: Lucius, Jason, en Sosipater (V.21). Het is opmerkelijk
dat zoveel van zijn eigen verwanten tot kennis van Christus waren gekomen! En
dan slipt Tertius, zijn secretaris, er tussen met zijn eigen groeten!
Blijkbaar dicteerde Paulus dikwijls zijn brieven aan anderen[iii]
maar ondertekende die zelf (2 Thess.2:2; 3:17).
________
3*\Misschien
wel door een oogletsel (Zie Gal.4:15; 6:11; zie met welke grote
letters...met eigen hand geschreven").
Tenslotte
zendt Paulus groeten van Gajus, zijn edelmoedige gastheer en van zovele andere
medewerkers, en van Erastus, de rentmeester van de stad. Ook van "Quartus,
een broeder"! Zij kenden hem blijkbaar niet, maar hij wilde hen
groeten! Zo is de liefde die voorop staat tussen de leden van het Ene Lichaam.
Bedenk eens! Al deze gelovigen groeten elkander op grote afstand als leden van
de enige ware Gemeente, het Lichaam van Christus! En het is met de
bede: "De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen" dat
hij zijn tweede naschrift besluit.
HET LAATSTE NASCHRIFT
En
nu komen we tot het derde en laatste naschrift bij de Brief aan de Romeinen.
Wat zal dat bevatten? Wat is het allerbelangrijkste wat hij tenslotte kan
zeggen? Met welke zegenbede kan hij afscheid van hen nemen? Het antwoord
hierop heeft duizenden ernstige gelovigen zegen
gebracht.
"Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn evangelie en de
prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid die van
de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, "maar nu geopenbaard is, en
door de profetische Schriften [van de profeten, K.J.V. naar het bevel van de
eeuwige God, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is
gemaakt; "De alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in
der eeuwigheid. Amen."- Rom.16:25-27
Naschriften
zijn spreekwoordelijk het belangrijkst. Een naschrift behoeft niet aan te
geven dat enige zaak van onzekere betekenis over het hoofd gezien werd en
dan als een nagedachte toegevoegd is. Integendeel, deze schrijver gebruikt
naschriften juist om speciale en laatste attentie te vragen voor zaken van
dringend belang.
Wij
geloven dat dit het geval was met Paulus' laatste naschrift in de
Romeinenbrief. Zeer zeker is dit naschrift van diepgaande betekenis, want het
betreft datgene wat gelovigen in het geloof bevestigt, en wat God heeft "bekend
gemaakt aan alle alle heidenen tot gehoorzaamheid des geloofs" (V.26).
Maar
wat is het dat God bovenal gebruikt om Zijn volk in het geloof te bevestigen,
en aan alle volken bekend gemaakt heeft tot gehoorzaamheid des geloofs?
gelovigen
worden bevestigd door:
1.
Die boodschap die Paulus noemt "mijn evangelie" d.i. "de
prediking van het kruis" en "het evangelie van Gods genade"
(V.25).
2.
"en de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het
geheimenis" (V.25).
3.
"en...de Geschriften van de profeten" (V.26). Toegegeven
uiteraard, dat "al de Schrift van God is ingegeven en nuttig is."
geloven wij echter dat een nauwkeuriger beschouwing van het laatste
naschrift van Paulus in zijn brief, zal openbaren dat de Apostel hier niet de
hele Bijbel in gedachten had, maar eerder dat bijzondere stuk waarheid wat
aan hem en door hem was geopenbaard.
DE APARTHEID VAN PAULUS'
BOODSCHAP
In
de eerste plaats maakt Paulus' evangelie en het geheimenis dat hij verkondigde,
samen met de geschriften van de profeten, niet het gehele Woord van God uit. Wat
dan met de Pentateuch [de 5 boeken van Mozes], de historische boeken van het
Oude Testament, de vier "evangeliën", de brieven van Jakobus, Petrus,
Johannes en Judas, het boek Openbaringen en de brieven die hijzelf had
geschreven, zijn die ook niet nuttig overeenkomstig 2 Tim.3:16?
Ten
tweede was "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van
het geheimenis", Paulus' evangelie - "het evangelie van Gods
genade". Dit kon nauwelijks duidelijker worden gesteld dan in Eph.3:1-3:
"Om
deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, die
heidenen zijt. "Indien gij maar gehoord hebt van DE BEDELING VAN DE GENADE
VAN GOD, DIE MIJ GEGEVEN IS VOOR U. "DAT HIJ MIJ DOOR OPENBARING HEEFT
BEKEND GEMAAKT DEZE VERBORGENHEID."
De
bedeling van Gods genade, toen aan Paulus toevertrouwd, was het
geheimenis. Ten derde worden "de Geschriften van de (Oud Testamentische)
profeten" nu niet "bekend gemaakt aan alle volkeren tot
gehoorzaamheid des geloofs".
Ten
vierde geeft het woord en (Gr.,kai) in het Nieuwe Testament niet
altijd iets toegevoegds aan. Dikwijls wordt het gebruikt bij wijze van nadruk
leggen, verklaring, of als uitbreiding. Soms wordt dit woord weergegeven als "evenzo"
in andere vertalingen. Zo is de uitdrukking "de prediking van Jezus
Christus naar de openbaring van het geheimenis" een uitbreiding van
de term "mijn evangelie".
Ten
vijfde is het woord weergegeven met "profeten" in V.26 in werkelijkheid
een bijvoeglijk naamwoord, niet een zelfstandig naamwoord, zodat de zin eigenlijk
luidt "profetische Geschriften" (Zie S.V.), en omdat Paulus
zelf een profeet, spreker namens God, was, slaat het blijkbaar op zijn eigen
geschriften, waardoor zijn boodschap werd "bekend gemaakt aan alle
volkeren tot gehoorzaamheid des geloofs" (V.26).
Zo
verklaart de apostel in zijn laatste naschrift aan de Romeinen, dat "zijn
evangelie" en "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van
het geheimenis" was "verborgen van de tijden van de eeuwen [sedert de
grondlegging der wereld]", maar "nu werd bekend gemaakt en door (zijn
eigen) profetische Geschriften...bekend gemaakt aan alle volkeren tot gehoorzaamheid
des geloofs".
Dat
dit "geheimenis", geopenbaard aan en door Paulus, de bijzondere
openbaring is die Gods volk bevestigt en de hele Bijbel voor hen verlicht, moet
wel duidelijk zijn aan degenen die zijn brieven met een open helder verstand
bestuderen.
Hoeveel
ernstige gelovigen zijn er die nog nalaten om het bijzonder karakter van
Paulus' apostelschap en boodschap, te onderkennen! Resultaat: de kerk is
gegrepen door de ergste verwarring. Zij hebben abusievelijk geconcludeerd dat
"het evangelie" een en hetzelfde is, het doet er niet toe waar we de
term ook aantreffen. Door verkeerd lezen van Gal.1:8,9 zeggen zij: "Het
evangelie is het evangelie. Er is slechts één evangelie, niet twee". Zij
beweren dat "het evangelie" waarmee de twaalven werden uitgezonden om
te verkondigen in Luk.9:1-6, hetzelfde moet zijn geweest als dat wat Paulus
later verkondigde.
Maar
hoe kan dat? Na hun "evangelie"[iv]
[of goede nieuws] ongeveer twee jaren gepredikt te hebben, wisten de twaalven
niet dat Christus zou sterven en weer opstaan (Luk.18:31-34). Bovendien vereiste
"het evangelie" dat de twaalven predikten als hun "grote
opdracht", waterdoop "tot vergeving van zonden" (Hand.2:38;
cf.Mark.16:16). Jammer dat veel Christelijke leidslieden Mark.16:16 en Hand.2:38
zo veranderen dat deze in hun theologische systemen passen, en wanneer wij
aantonen dat Gal.2:2-9 uitsluitend te doen heeft met twee verschillende evangeliën,
het ene verkondigd door de apostelen der besnijdenis aan de besnedenen, en het
andere door Paulus aan de heidenen, zij dat veranderen. De uitdrukkingen "evangelie
aan de onbesnedenen" en "evangelie aan de besnedenen" maken
zij tot één evangelie dat zowel aan heidenen als aan Joden verkondigd
moet worden, alleen door twee verschillende kanalen. Maar ALS dit mogelijk
zou zijn - en dat is het niet - zou deze passage dan toch niet een verandering
in bedeling leren met het oog op de "grote opdracht"? Want in
Gal.2:1-9 wordt één feit kristalhelder: Waar de twaalven eerst naar "alle
volken", "de gehele wereld" en "ieder
schepsel" gezonden waren, werd Paulus daar erkend als Gods apostel voor
de volkeren, terwijl zij, de twaalven, instemden met het beperken van hun
bediening tot Israel.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Als
de verschillende evangeliën in het Nieuwe Testament allemaal hetzelfde zijn,
waarom noemt God deze dan verschillend:
"Het
evangelie van het koninkrijk",
"het evangelie van de besnijdenis", "het evangelie
van de onbesnedenen", "het evangelie van Gods genade",
etc.? Hij heeft dit duidelijk gedaan om onderling onderscheid te meken. Op
conserven worden toch ook geen verschillende labels geplakt als de inhoud
eender is! Het zal zeker niet smakelijk zijn wanneer peren, tomaten, kersen,
uitjes en erwten vermengd geconserveerd zouden zijn! Toch is dit precies wat de
meeste fundamentalistische gelovigen - en hun leidslieden - gedaan hebben
met de verschillende evangeliën die in de Schriften zijn opgenomen.
_______
*\
D.i. "het evangelie van het koninkrijk".
Het
woord "evangelie" betekent heel eenvoudig goed nieuws. Wij
dienen danook altijd vast te stellen welk goed nieuws wordt bedoeld door
op te merken hoe het wordt genoemd of door de contekst erbij te betrekken.
Als
"het evangelie" overal waar de term wordt genoemd, hetzelfde betekent,
waarom zou Paulus dan, door goddelijke inspriratie schrijven over:
"mijn
evangelie"
-drie
keer;
"ons
evangelie - drie keer;
"dat
evangelie dat ik u verkondigd heb"
(1
Cor.15:1). "het evangelie dat door mij verkondigd is" (Gal.1:11).
"dat evangelie dat ik predik onder de heidenen" (Gal.2:2). "dat
[evangelie] wat wij u verkondigd hebben" (Gal.1:8).
In
deze zinsbouw komt zeker onderscheid uit tussen het "evangelie"
dat hij en zijn medewerkers verkondigden en dat wat anderen tevoren hadden
gepredikt.
Als
wij het goede nieuws van Paulus over het kruis en zijn prediking van Jezus
Christus overeenkomstig de openbaring van het geheimenis, niet onderscheiden
van het goede nieuws dat de twaalven verkondigd hebben, zullen we zeer zeker nooit
bevestigd worden in het geloof. Paulus' geinspireerd naschrift op de Brief
aan de Romeinen maakt dit overduidelijk, en veel dominees en
Bijbel-leraren en hun volgelingen bewijzen dat elke dag. Teveel bezig met hun
eigen zaken dan om aandacht te schenken aan de goddelijke Wegenkaart, gaan zij
voort op de verkeerde theologische weg met haar doolhof van doodlopende
straten. Moge God deze broeders overtuigen van deze zonde en hen nog tot de
kennis en vreugde brengen van "de prediking van Jezus Christus naar de
openbaring van het geheimenis".
DE EENHEID IN PAULUS' BOODSCHAP
Nog
een woord dient te worden gezegd over de eenheid van Paulus' boodschap,
want sommigen zijn tot een ander uiterste geraakt, terwijl zij het verschillend
karakter van zijn bediening erkennen, maar de eenheid ervan niet zien.
Resultaat: verwarring die net zo groot is als onder Fundamentalisten in het
algemeen.
Deze
mensen, waarvan velen oprecht ernstig zijn, redeneren dat Paulus twee boodschappen
en bedieningen had, dat hij eerst, voor Hand.28:28, een koninkrijksbediening
had net als de twaalven en praktisch onder hun boodschap werkte en Israel het
koninkrijk aanbood. Zij beweren dat "het geheimenis" niet eerder aan
Paulus werd geopenbaard of door hem werd verkondigd dan na Hand.28.
Echter
achtgevend op de verwijzingen van de Apostel naar het Lichaam van Christus in de
brieven die hij schreef voor Hand.28, hebben deze broeders geconcludeerd
dat er twee "Lichamen" in de brieven van Paulus moeten zijn.
Verder hebben zij besloten dat wat
Paulus schreef over de maaltijd des Heren, de Opname, het Hogepriesterlijk werk
van onze Here etc. geen directe betrekking heeft op ons, omdat dit alles wordt
gevonden in zijn vroegste brieven, toen hij nog "een koninkrijks
bediening" had.
Maar
Paulus zelf zegt nergens dat hij twee boodschappen of bedieningen had.
Op zijn laatste reis naar Jeruzalem drukt hij zijn verlangen uit: "Opdat
ik MIJN LOOP met blijdschap mag VOLBRENGEN, en DE DIENST (enkelvoud)
die ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen HET EVANGELIE (enkelvoud)
van de genade van God" (Hand.20:24).
En
in Eph.3:1-3 verbindt hij duidelijk deze "bedeling van Gods genade"
met het "geheimenis" dat hem "bekend gemaakt
was", "door openbaring".
Heeft
hij ooit het geheimenis verkondigd vóór Hand.28? Zeer zeker heeft hij dat.
Naast vele gelegenheden waar hij deze waarheden bespreekt en het woord
"geheimenis" gebruikt, spreekt hij met velen over de samenstellende
delen van het geheim in al zijn eerdere brieven. Neem de brief aan de
Romeinen alleen al als een voorbeeld: Daar bespreekt hij zijn uniek apostelschap
met de heidenen (11:13), zijn unieke boodschap, "mijn evangelie"
(2:16; 16:25), onze doop in Christus (6:3), de zegen van de heidenen door de val
van Israel (11:11), "geen verschil" tussen Jood en heiden voor zover
het betreft genade (10:12), het "ene lichaam" (12:5), het tijdelijk en
voorbijgaand karakter van deze huidige heiden bedeling (11:25,26), etc. Al
deze waarheden werden in feite geheim gehouden totdat zij aan en door
Paulus geopenbaard zijn, en allen zijn zij direct geassocieerd met, of
identiek aan, de grote waarheden van zijn gevangenisbrieven.
Wat
betreft Paulus' geregeld aanbieden van het koninkrijk aan Israel, is er geen
enkel geval van zo'n aanbod vermeld in de Handelingen of in zijn brieven. Hoe
kon hij inderdaad het koninkrijk aan Israel (het volk) hebben aangeboden
zoals de twaalven dit deden? Om dit te doen zou hij op z'n minst moeten zijn begonnen
bij Jeruzalem, maar hem was uitdrukkelijk gelast Jeruzalem te verlaten met
spoed voordat hij zelfs een gelegenheid had gehad om daar een bediening
te beginnen (Hand.22:18,21).
Maar
ging hij dan niet bij zijn eerdere bediening altijd eerst naar de Joden? Ja, om
hen Christus aan te bieden, zodat het volk, de hele tijd, tot Rome toe,
zonder verontschuldiging zou zijn als God begon te handelen met de heidenen,
zonder hun bemiddeling.
Maar
bewees hij de Joden dan niet dat "Jezus is de Christus", de Messias?
Zeer zeker, en zou niet iedere gelovige Christen dit vandaag ook doen wanneer
hij met een Jood te maken krijgt? Als een Jood, zelfs vandaag, weigert te
geloven dat de gekruisigde Jezus de Christus is, hoe kan hij Hem dan vertrouwen
als zijn Redder?
Maar
bevestigde Paulus dan de Joden niet voortdurend Petrus' boodschap van het
koninkrijk gedurende het begin van zijn bediening? Natuurlijk, en dat doen wij
vandaag ook.
Maar
te zeggen dat dit alles een deel was van een gescheiden eerdere boodschap en
bediening die aan Paulus was opgedragen voordat hij de openbaring van het
geheimenis ontving, is een ernstige fout. Hij bevestigde Petrus' boodschap en
bewees dat Jezus de Christus was, net zoals wij dit doen, om zijn toehoorders te
brengen tot datgene waartoe hij speciaal was gezonden om te verkondigen:
"het evangelie van Gods genade" en al de rijke zegeningen daaraan
verbonden.
We
hebben een goed voorbeeld hiervan in het eerdere hoofdstuk van Hand.13 waar we
zijn eerste vastgelegde prediking, gesproken in een Joodse synagoge hebben, zo'n
twintig jaren voor zijn gevangenschap te Rome. Na het lezen van de wet en de
profeten vroeg de leider van de synagoge Paulus en Barnabas of zij wellicht
"enige woorden van vertroosting" voor het volk hadden. Toen antwoordde
Paulus met te spreken over Israels geschiedenis, over Johannes de Doper en de
Christus die door Israels leidslieden was verworpen, maar die God uit de doden
had opgewekt. Maar was dit het thema van zijn boodschap? Nee, het was
slechts het punt van contact, een gewone benadering - dezelfde benadering die
wij vandaag zouden gebruiken als we ons tot een gezelschap Joden in een synagoge
zouden richten. Het thema van zijn boodschap, datgene wat hij hun op
het hart wilde drukken, vinden we in V.38,39:
"ZO
ZIJ U DAN BEKEND, MANNEN BROEDERS, DAT DOOR DEZE U VERGEVING VAN ZONDEN
VERKONDIGD WORDT, "EN DAT VAN ALLES, WAARVAN U NIET KON GERECHTVAARDIGD
WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, DOOR DEZE EEN IEDER DIE GELOOFT, GERECHTVAARDIGD
WORDT."
Dit
is zeer zeker niet het evangelie van het koninkrijk. Het is het evangelie van
Gods genade dat niemand vóór Paulus gepredikt had of kon hebben gepredikt; het
goede nieuws van redding door genade, door geloof, zonder de wet.
Maar
vinden we geen hogere, meer gezegende waarheden in Paulus' brieven uit de
gevangenis dan in zijn eerdere geschriften? Ja, dat is waar, maar dat komt niet
door een verandering in zijn boodschap, maar eerder door een vollere
ontwikkeling ervan toen hij openbaring na openbaring ontving.
Laat
ons niet vergeten dat toen onze Here voor het eerst aan Paulus verscheen, Hij
hem uitzond om te zijn "een getuige van de dingen, beide die gij gezien
hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen" (Hand.26:16).
Wij
kunnen veel van die openbaringen waarin de Here hem verscheen, vanuit het
verslag nagaan, vanaf de eerste dag, toen de geslagen Saul Hem zag als de
verheerlijkte Here, ver boven alles (wat de twaalven Hem nimmer hadden gezien)
tot aan de slot-openbaringen in de gevangenis te Rome. Geleidelijk zien we de
glorieze boodschap ontvouwd, als de oude bedeling volledig voorbijgaat. Zij
die de voortgang, het proces, de ontwikkeling in het ontvouwen van
dit grote "mysterie" niet zien, missen een groot deel van de
blijdschap, en ook een groot stuk licht in hun onderzoek van de Schriften.
Nog
een enkel commentaar over extreem zicht op bedeling. Enigen van hen die beweren
dat Paulus twee bedieningen had, zijn tot de vreemde conclusie gedreven dat het
laatste naschrift van de Romeinenbrief moet zijn toegevoegd door Paulus na zijn
gevangenschap in Rome, waar wordt verondersteld dat hij de openbaring van het
geheimenis zou hebben ontvangen. Maar waarom het dan toevoegen? Hijzelf was onder
hen. Waarom dan aan een brief nog toevoegen die (zoals extremisten
beweren) het geheimenis niet bevat, een verklaring dat het door het geheimenis
is dat mensen worden bevestigd? Sommigen,
die deze onbestaanbaarheid zien, hebben geconcludeerd dat een ander iemand
het naschrift op een later tijdstip heeft toegevoegd. Op dit alles antwoorden
wij: als iemand anders dit naschrift aan Paulus' brief heeft toegevoegd was
hij een vervalser; als Paulus het schreef voegde hij het zeker toe aan de verkeerde
brief - als de Romeinenbrief de waarheid van het geheimenis niet
bevat.
SLOT
Ziende
de wonderlijke harmonie van Gods Woord en ons verbazend over Zijn genade om met
zondige mensen die Zijn genade willen ontvangen zo te handelen, beëindigen we
dit boek zoals Paulus het zijne deed:
"De
alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Amen"
|