De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

 H O O F D S T U K  XVI  -  R O M. 16:1-27

DE DRIE NASCHRIFTEN

HARTELIJKE GROETEN

"En ik beveel u Phebe, onze zuster, die een dienares is van de gemeente die te Kenchreeën is, "opdat gij haar ontvangt in de Here, zoals het heiligen betaamt, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig mocht hebben; want zijzelf heeft bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf. "Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus, "die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben; die niet alleen ik dank, maar ook al de gemeenten van de heidenen. "Groet ook de gemeente in hun huis. Groet Epénetus, mijn beminde, die de eerste­ling is van Achaje in Christus. "Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. "Groet Andronikus en Junias, mijn verwanten en medegevangenen, die vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn. "Groet Amplias. mijn beminde in de Here. "Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde. "Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen die van het huisgezin van Aristobulus zijn. "Groet Herodion, mijn bloedverwant. Groet hen die van het huisgezin van Narcissus zijn, hen namelijk, die in de Here zijn. "Goet Tryfema en Tryfosa, vrouwen die in de Here arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in de Here. "Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, en zijn moeder en de mijne. "Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die met hen zijn. "Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen die met hen zijn." Rom. 16:1-15.

De Brief aan de Romeinen bevat niet minder dan drie naschriften! Zij eindigt met de zegen van 15:33. Dan zend de Apostel een lange lijst van groeten aan zijn medeheiligen in Rome, terwijl hij afsluit met de zegen van 16:20. Dan het tweede naschrift dat groe­ten bevat van hen die in Corinthe bij hem zijn, en sluit dan met de zegen van 16:24. En tenslotte het derde naschrift, een van het allergrootste belang en een zegen op zich, om af te sluiten met de zegen van 16:27.

Het is verbazingwekkend dat hoewel Paulus nog nooit in Rome geweest was, hij zoveel van de heiligen daar persoonlijk kende. In zijn groeten noemt hij 27 personen en verwijst naar vele anderen. Tenminste 9 van de genoemden zijn vrouwen, en de eerste die hij noemt is een vrouw.

Omdat de Schriften de vrouw een zeer speciale ere­plaats geven, is de bewering dat Christenheid de vrouw heeft "vrijgemaakt" van haar onderda­nige positie, zonder meer fout. Geen enkele Bijbelschrijver bespreekt met zoveel nadruk dit onderwerp als Paulus, noch verklaart iemand anders zo diepzinnig de goddelijke redenen voor de verhouding manvrouw en de echtgenoten onderling. Toch worden hier in zijn afsluitende groeten aan de Romeinse heiligen minstens 9 vrouwen met name genoemd waarmee Paulus blijkbaar in goede relatie stond. Wij geloven dat dit bevestigt wat deze schrijver gedurende vele jaren van Christendienst heeft waargenomen, dat geestelijke Christenvrouwen geen zin hebben zich aan de van Godontvangen autoriteit - en

 verantwoordelijkheid van de man te ontworste­len. Zij willen dat hij de leiding neemt. Dit is een verkwikkende gedachte, vooral waar we zo omringd zijn met de aanspraken van vele wereld­se vrouwen voor "gelijke rechten".

Het schijnt dat er te Rome blijkbaar drie plaatse­lijke gemeenten waren. Priscilla en Aquila hadden een gemeente in hun huis (V.3-5). De vijf broeders in V.14 worden genoemd samen met "al de broeders die met hen zijn". En tenslotte, in V.15, groet de Apostel nog een groep van vijf, drie mannen en twee vrouwen, "en al de heiligen die met hen zijn". Op z'n minst zes van de genoemden waren verwanten van Paulus (V.7, 11,21). Het is mogelijk dat Rufus (V.13) de zoon was van Simon die het kruis van onze Here droeg toen Hij er onder bezweek (Mark.15:21), maar er is daarvan geen bewijs.

Interessant is dat de Apostel Petrus niet wordt genoemd - en zou Paulus hem wellicht overgesla­gen hebben als hij de gemeente te Rome zou hebben gesticht, zoals sommigen beweren? Inderdaad werden sommigen van de Schriften door Johannes later, klaarblijkelijk in 95 n.Chr.

ge­schreven, en geen ervan noemt Petrus, en nog minder zijn beweerde tegenwoordigheid te Rome. Wij vermelden deze feiten niet om Petrus op een of andere manier te kleineren, maar het feit dat hij niet genoemd wordt, geeft een ander sterk argument tegen de traditionele aanspraken van de Rooms Katholieke Kerk betreffende Rome en het pausdom.

Phebe was ongetwijfeld, zoals we hebben gezien, de bezorgster van de Brief aan de Romeinen (V.1,2). Zij was klaarblijkelijk een gefortuneerde zakenvrouw uit Kenchrea, de haven van Corinthe, en een diakones[i] van de gemeente daar (V.1). De Apostel vermaant de Romeinse Christenen niet alleen haar te "ontvangen", maar haar "bij te staan" in wat voor zaken ook, omdat zij een "helpster"[ii] van velen was geweest, met inbegrip van hemzelf (V.2).

Het is vanzelfsprekend dat Priscilla en Aquila vervolgens op de lijst voorkomen van hen die de Apostel groeten zendt. Welke gezegende herinneringen moeten er in zijn gedachten geweest zijn toen hij hun namen noemde! Sedert de tijd dat hij voor het eerst werk had gekregen bij hen in Corinthe (Hand.18:1-3) waren zij toegewijd aan de boodschap van genade en aan Paulus persoonlijk.

Zij waren ook door God gebruikt om de grote en voortreffelijke Apollos, een man die reeds "machtig was in de Schriften" in een meerder verstaan van de hogere waarheden te leiden die Paulus hen had geleerd (Hand.18:24-26). Zij waren het blijkbaar die Paulus verborgen hielden gedurende het grote oproer in Ephese (Hand.19:23,31; 20:1. Vandaar dat Paulus als hij nu aan de Romeinse gelovigen schrijft, spreekt van Priscilla en Aquila als hen "die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben" (Rom.16:4; d.i.,

________

1*\Het woord "dienares" (V.1) is in het Grieks diakonon. De plaatselijke kerken hadden zowel diakonessen als diake­nen om de gemeenten op velerlei wijzen te dienen: zieken­bezoek, ar­men­hulp, zorg voor inrichting en gebouwen, etc. 2*\ Letterlijk, protectress, d.i. zij had de verantwoordelijkheid op zich genomen voor hun lijfelijk en materieel welzijn. Vine noemt dit woord prostatis, dat is "een woord voor waardigheid, blijkbaar gekozen [om aan te geven] de hoge dunk die men van haar had."

zij hadden zich blootgesteld aan ernstig persoonlijk gevaar om hem te redden; "die niet alleen ik dank", zo zegt hij, "maar alle gemeenten der heidenen" (V.4), met inbe­grip van hen te Rome - voor het beschermen van het leven van iemand die zo duidelijk door God gebruikt is voor hun redding.

De Apostel laat niet na om ook degenen die "in de gemeente in hun huis zijn", groeten te zenden (V.5). Deze lieve mensen hadden hun huis geopend voor de samenkomst van gelovigen in Corinthe (1 Cor.16:19), en nu weer in Rome (Rom.16:5) en zonder twijfel ook in Ephese en elders. Wat een bediening! Hoeveel plaatselijke gemeenten zijn aangevangen met huissamenkomsten! (Cf.Col.4:15; Phile.2).

Hoe goed herinnerde Paulus zich de eerste bekering tot Christus in Achaje (de provincie in Azië)! Hij noemt hem "mijn beminde Epénetus" (V.5), nu wonend in Rome.

Welke Maria wordt bedoeld in V.6 ? Wij weten het niet. Al wat wij weten is dat zij "veel werk verricht heeft" voor Paulus en zijn helpers. Maar het beweegt onze harten dat nu, na 1900 jaren, Christengelovigen nog steeds herinnerd worden aan haar "veel werk", gedaan aan Paulus terwille van Christus.

Het is veelbetekenend te ontdekken dat Andronicus en Junia, twee van Paulus' bloedverwanten, ook medegevangenen waren. Ook zij hadden gevangenschap geleden terwille van Christus, hoewel het te betwijfelen is of zij ten volle de beteke­nis van Paulus' apostelschap en boodschap hebben verstaan. Zij waren "in Christus" vóór hem (hij zegt niet "in het Lichaam van Christus") en blijkbaar hoog gewaardeerd onder de Apostelen te Jeruzalem. Wij geloven niet dat Paulus hier degenen bedoelt die door sommigen "de apostelen van het Lichaam" worden genoemd, want iemand naast Paulus zou slechts apostel zijn geweest in de tweede graad.

Waarom heeft de Apostel geen compliment voor Amplias en Stachys (V.8,9)? Ongetwijfeld kun­nen zij dit beter beantwoorden dan wij. In elk geval noemt hij hen beminnelijk hetgeen, als zij gefaald zouden hebben, of ontrouw geweest, hen zeer zal hebben bemoedigd. Urbanus is op z'n minst "onze helper in Christus" genoemd, maar ook hier is er schijnbaar enige reserve.

Wat betreft Apelles (V.10), lag er een schaduw over zijn verslag dat Paulus zeggen moest dat hij "beproefd was in Christus"? En wat het huisge­zin van Aristobulus betreft, kan nauwelijks verwacht worden dat hij hen allen persoonlijk heeft gekend. Hij zendt hen alleen zijn groet.

In V.11 groet de Apostel Herodion, ook een bloedverwant, maar blijkbaar­ kan hij van hem niet zeggen dat hij voor Christus geleden heeft. Misschien is het daarom dat hij hem niet samen met de anderen noemt, maar wacht tot later om hem te noemen. Het kan zijn dat hetzelfde het geval is met het huisgezin van Narcissus, die klaarblijkelijk de samen­komsten bezocht, maar niet iets bijzonders gedaan heeft waardoor hij de speciale aanbeveling van de Apostel verkreeg.

Op dit punt moeten we onszelf afvragen: behoren wij tot degenen die de plaatselijke samenkomsten bezoeken, loflie­deren zingen, ons verheugen in de waarheden van Gods Woord, maar eigenlijk weinig doen om de zaak van Chris­tus te bevorderen. Hoe zouden wij dan worden vermeld op de lijst van Rom. 16?

Tryphema en Tryphosa worden beschouwd als zusters die voor de Here in Rome arbeidden, maar speciale groeten worden gezonden aan "de geliefde Persis [een vrouw] die veel voor de Here gewerkt heeft" (V.12). Met het woord "gewerkt" in de verleden tijd, schijnt het dat zij bekend was wegens trouwe dienst voor de Here. Zij was zeer zeker niet in het bijzonder Paulus' "beminde", maar bemind door de hele gemeente.

Er is een gevoelig en delicaat iets bij V.13. Er wordt niets gezegd over Rufus dan alleen dat hij was "uitverkorene in de Here", maar Rufus' moeder was even­goed voor Paulus een moeder geweest, en hij was dankbaar. Als Rufus' vader werkelijk de Simon geweest is die het kruis van de Here droeg toen Hij er onder bezweek, had hij ook nog een beroemde vader.

In V.14,15 zendt de Apostel groeten aan twee groepen van elk vijf mensen die innige relaties schijnen te hebben met de andere plaatselijke samenkomsten in Rome. Deze groepen waren misschien georganiseerd of/en door hen onderhouden.

                       DE HEILIGE KUS

               EN GEDEELDE BROEDERS

"Groet elkaar met een heilige kus. De gemeenten van Christus groeten u. "En ik bid u, broeders, geeft acht op hen die tweedracht en ergernis­sen aanrichten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt en wijkt af van hen. "Want zulke mensen dienen onze Here Jezus Christus niet, maar hun eigen buik; en verlei­den door schoonspre­ken en loftaal de harten van de eenvoudigen. "Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan over u; en ik wil dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade. "En de God des vredes zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Here Jezus Christus zij met u. Amen." - Rom.16:16-20

Voordat hij de groeten van zijn medewerkers in Corinthië overbrengt aan de heiligen in Rome, vermaant de Apostel de Romeinse gelovigen: "Groet elkaar met een heilige kus" (V.16).

Daar is een reden voor. Blijkbaar trachtten reeds sommigen verdeeld­heden te veroorzaken onder de gelovigen te Rome, zodat er onderstromingen waren van ongezonde gevoelens onder sommigen van hen. Bijbelcommentators hebben breeduit geschreven over Rom.16:16 en aanver­wante passages en zijn over het algemeen tot twee grondconclusies gekomen:

1. Omdat het elkaar groeten met een kus in die tijd blijkbaar een plaatselijke gewoonte was - zoals ook vandaag nog in sommige landen b.v. in Frankrijk, bindt ons de passage niet om dit op gelijke wijze te plegen. Een parallel hiervan zal ongetwijfeld zijn, een hartelijke handdruk.

2. In elk geval werd de passage direct tot de "broeders" gericht, en leert niet, of staat niet toe, het kussen zonder onderscheid tussen mannen en vrouwen.

Wij geloven echter, dat in het licht van de contekst deze passage heel wat meer leert dan techniek voor een gewoonte van groeten.

Paulus had zijn warme groeten aan velen van hen gezonden; nu hoopte hij dat zij evenveel warmte voor elkaar zouden voelen. Hij had vele compli­men­ten gemaakt over degenen die hij noemde; nu hoopte hij dat zij ook elkaars deugden in overwe­ging namen en niet koel zouden worden ten opzichte van elkaar.

Heeft de lezer ooit een samenkomst bezocht waar de atmosfeer koud en gereserveerd was? Niemand zei "Goede morgen, ik ben blij u te zien" of gaf u een vriendelijke handdruk? Na de dienst gingen zij allen in de rij naar buiten, nauwelijks met elkaar of tot u sprekend. Voelde u ervoor om die gemeente nog eens te bezoeken?

Er dreigde zo'n gevaar zich onder de gelovigen in Rome te ontwikkelen. Vandaar dat de Apostel terecht zegt: "groet elkander hartelijk".

Hoe moet dit samenkomsten aanspreken waar echte broederlijke liefde verdwenen is! "Groet elkaar met een warme, hartelijke handdruk", zou hij ongetwijfeld vandaag tegen ons zeggen.

In menige gemeente groeten de leden elkaar met een enkel woord of een knik, maar dit alleen al kan de kilte van de atmosfeer doen toenemen. Als Jim de deur binnenkomt ziet hij Jan, die hij niet uit kan staan! "Morgen Jan" zegt hij, en Jan antwoordt even koel, en beiden gaan hun weg met de gedachte: "Dat was een koele groet!"

Het had heel anders geweest wanneer Jim een warm woord tegen Jan zou hebben gezegd, sa­men met een warme handdruk en een "Goede morgen". Dan zou Jan ongetwijfeld met warmte hebben geantwoord, en beiden zouden veel beter voor elkaar hebben gevoeld.

Dit is in het licht van de contekst wat de Heilige Geest ons door vermaning wil leren, "Groet elkaar met een heilige kus" (V.16) d.i., Groet elkaar warm en hartelijk. En hij geeft de "topper" als hij groeten zendt van andere heidengemeenten die gezegd hadden: "Doe zeker de groeten aan de heiligen in Rome van ons wanneer je hen schrijft".

V.17 geeft een goede raad voor het omgaan met tweedracht zaaiende, of ergernis verwekkende broeders: "Wijkt af van hen".

De eenheid van het Lichaam van Christus is een kostbare zaak, en wij zijn gehouden te "ijveren om de eenheid van de Geest te behouden door de band des vredes" (Eph.4:3). Vandaar dat de Apostel aan de Corinthische gelovigen schrijft: "Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Here Jezus Christus, dat gij allen hetzelf­de spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt, één van zin en één van gevoelen" (1 Cor.  1:10).

Dit is een hoge standaard om te handhaven, maar ernstige gelovigen dienen serieus te proberen om scheidingen en verdeeldheid over persoonlijke zaken in de samenkomst te weren. Paulus zelf had hard gestreden voor de waarheid, en toen de Judeërs zijn heidenbekeerlingen wilden binden met besnijdenis en de Wet, hadden hij en Barnabas "geen kleine weerstand en twist tegen hen" (Hand.15:2), en Paulus zou hetzelfde ge­daan hebben ten tijde dat hij de Romeinse gelovigen schreef over degenen die verdeeldheid onder hen wilden brengen. De contekst verklaart het verschil. Paulus schrijft in Rom.16 aan de Ro­meinse gelovigen over enkelen onder hen die hij kende, waarbij hij zijn liefde en achting tot uit­drukking brengt, en hen allen dringt om elkander dezelfde liefde te bewijzen. Het is in deze contekst dat hij hen aanraadt om hen te "mijden" die onder hen scheiding veroorzaken "tegen de leer die gij van ons hebt geleerd", d.i. de leer van het ene Lichaam; de leer van de eenheid der gelovigen in Christus (12:5). Hij gaat niet verder met te zeggen dat verschillen wat leer betreft er niet toe doen; hij wijst eerder op tweedracht aanrich­tende personen die niet de Here dienen, maar "hun eigen buik", d.i., zij leven slechts voor hun eigen genoegens, en aarzelen niet "de harten van de eenvoudigen te verleiden" door "mooie woorden en loftaal" (16:18). Het is in het belang van de gemeenschap en het Lichaam van Christus in zijn geheel, dat zulken bekend en gemeden worden. Een verkeerde "liefde" moge zulke verstoorders verdragen, maar het is waar, Schriftuurlijke liefde voor de heiligen en voor de Here zal de noodzake­lijkheid inzien om zo ie­mand toch aan zichzelf over te laten. Inderdaad lijkt het hier vermelde geval op dat wat Paulus schrijft in 2 Thess.3:14: "Maar indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent hem en gaat niet met om, opdat hij beschaamd wordt."

Zo'n discipline is noodzakelijk voor de bescher­ming van het werk van God, hetwelk Satan graag zou willen vernietigen.

In V.19 prijst de Apostel de Romeinse gelovigen voor hun geloof in de waarheid, maar hij "wil dat zij wijs zijn in het goede, doch onnozel in het kwade". Hij wil dat zij objectief zijn in hun houding. Vandaar het bemoedigend woord: "En de God des vredes zal de Satan weldra onder uw voeten verplet­teren. De genade van onze Here Jezus Christus zij met u. Amen" (V.20).

Hij wijst hier niet op de komst van Christus voor Zijn heiligen. Eerder gaat hij door met hetzelfde onderwerp. Let op de uitdrukking "de God des vredes". Vrede is wat de scheurmakende broeder tracht kapot te maken, maar "de God des vredes" zal weldra dit werk van Satan vernietigen.

                   NOG MEER GROETEN!

       - VAN DE HEILIGEN IN CORINTHE!

"U groeten Timotheus, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Sosipater, mijn bloedver­wanten. "Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in de Here. "U groet Gajus, de gastheer van mij en van de hele gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus. "De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen. Amen." - Rom.16:21-24

Nu zeggen degenen die bij Paulus zijn, "Vergeet niet hun de groeten te doen"! Onder hen is Ti­motheus, Paulus' trouwe "medewerker", die ooit in de eerste dagen getuige was van de wrede en valse slagen die Paulus ontving door de handen van de magistraten in Philippi, toen zij de kleren van zijn rug scheurden, hem in de gevangenis "wierpen" en de bewaarder hem in een kerkerput "gooide" en zijn voeten in blokken (Hand.16:22-24) boeide. Ook waren daar nog drie van Paulus' eigen stamgenoten bij: Lucius, Jason, en Sosipater (V.21). Het is opmerkelijk dat zoveel van zijn eigen verwanten tot kennis van Christus waren gekomen! En dan slipt Tertius, zijn secretaris, er tussen met zijn eigen groeten! Blijkbaar dicteerde Paulus dikwijls zijn brieven aan anderen[iii] maar on­dertekende die zelf (2 Thess.2:2; 3:17).

________

3*\Misschien wel door een oogletsel (Zie Gal.4:15; 6:11; zie met welke grote letters...met eigen hand geschreven").

Tenslotte zendt Paulus groeten van Gajus, zijn edelmoedige gastheer en van zovele andere medewerkers, en van Erastus, de rentmeester van de stad. Ook van "Quartus, een broeder"! Zij kenden hem blijkbaar niet, maar hij wilde hen groeten! Zo is de liefde die voorop staat tussen de leden van het Ene Lichaam. Bedenk eens! Al deze gelovigen groeten elkander op grote afstand als leden van de enige ware Gemeente, het Lichaam van Christus! En het is met de bede: "De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen" dat hij zijn tweede naschrift besluit.

               HET LAATSTE NASCHRIFT

En nu komen we tot het derde en laatste naschrift bij de Brief aan de Romeinen. Wat zal dat bevatten? Wat is het allerbelangrijkste wat hij tenslotte kan zeggen? Met welke zegenbede kan hij afscheid van hen nemen? Het antwoord hierop heeft duizenden ernstige gelovigen zegen

gebracht. "Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van de verborgenheid die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest, "maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften [van de profeten, K.J.V. naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt; "De alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen."- Rom.16:25-27

Naschriften zijn spreekwoordelijk het belang­rijkst. Een naschrift behoeft niet aan te geven dat enige zaak van onze­kere betekenis over het hoofd gezien werd en dan als een nagedachte toege­voegd is. Integendeel, deze schrijver ge­bruikt naschriften juist om speciale en laatste attentie te vragen voor zaken van dringend belang.

Wij geloven dat dit het geval was met Paulus' laatste na­schrift in de Romeinenbrief. Zeer zeker is dit naschrift van diepgaande betekenis, want het betreft datgene wat gelovigen in het geloof bevestigt, en wat God heeft "bekend gemaakt aan alle alle heidenen tot gehoorzaamheid des geloofs" (V.26).

Maar wat is het dat God bovenal gebruikt om Zijn volk in het geloof te bevestigen, en aan alle volken bekend gemaakt heeft tot gehoorzaamheid des geloofs?

gelovigen worden bevestigd door:

1. Die boodschap die Paulus noemt "mijn evangelie" d.i. "de prediking van het kruis" en "het evangelie van Gods genade" (V.25).

2. "en de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis" (V.25).

3. "en...de Geschriften van de profeten" (V.26). Toegegeven uiteraard, dat "al de Schrift van God is ingegeven en nut­tig is." geloven wij echter dat een nauwkeuriger be­schouwing van het laatste naschrift van Paulus in zijn brief, zal openbaren dat de Apostel hier niet de hele Bijbel in gedachten had, maar eerder dat bijzondere stuk waarheid wat aan hem en door hem was geopenbaard.

           DE APARTHEID VAN PAULUS' 

                          BOODSCHAP

In de eerste plaats maakt Paulus' evangelie en het geheime­nis dat hij verkondigde, samen met de geschriften van de profeten, niet het gehele Woord van God uit. Wat dan met de Pentateuch [de 5 boeken van Mozes], de his­torische boeken van het Oude Testament, de vier "evangeliën", de brieven van Jakobus, Petrus, Johannes en Judas, het boek Openbaringen en de brieven die hijzelf had geschreven, zijn die ook niet nuttig overeenkomstig 2 Tim.3:16?

Ten tweede was "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis", Paulus' evangelie - "het evangelie van Gods genade". Dit kon nauwelijks duidelijker worden gesteld dan in Eph.3:1-3: "Om deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, die heidenen zijt. "Indien gij maar gehoord hebt van DE BEDELING VAN DE GENADE VAN GOD, DIE MIJ GEGEVEN IS VOOR U. "DAT HIJ MIJ DOOR OPEN­BARING HEEFT BEKEND GEMAAKT DEZE VER­BORGENHEID."

De bedeling van Gods genade, toen aan Paulus toevertrouwd, was het geheimenis. Ten derde worden "de Geschriften van de (Oud Testamenti­sche) profeten" nu niet "bekend gemaakt aan alle volkeren tot gehoorzaamheid des geloofs".

Ten vierde geeft het woord en (Gr.,kai) in het Nieuwe Testament niet altijd iets toegevoegds aan. Dikwijls wordt het gebruikt bij wijze van nadruk leggen, verklaring, of als uitbreiding. Soms wordt dit woord weergegeven als "evenzo" in andere vertalingen. Zo is de uitdrukking "de prediking van Jezus Christus naar de openba­ring van het geheimenis" een uitbreiding van de term "mijn evangelie".

Ten vijfde is het woord weergegeven met "profeten" in V.26 in werkelijkheid een bijvoeglijk naamwoord, niet een zelfstandig naam­woord, zodat de zin eigenlijk luidt "profetische Geschriften" (Zie S.V.), en omdat Paulus zelf een profeet, spreker namens God, was, slaat het blijkbaar op zijn eigen geschriften, waardoor zijn bood­schap werd "bekend gemaakt aan alle volkeren tot gehoorzaamheid des geloofs" (V.26).

Zo verklaart de apostel in zijn laatste naschrift aan de Romeinen, dat "zijn evangelie" en "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis" was "verborgen van de tijden van de eeuwen [sedert de grondlegging der wereld]", maar "nu werd bekend gemaakt en door (zijn eigen) profetische Geschriften...bekend gemaakt aan alle volkeren tot gehoorzaamheid des geloofs".

Dat dit "geheimenis", geopenbaard aan en door Paulus, de bijzondere openbaring is die Gods volk bevestigt en de hele Bijbel voor hen verlicht, moet wel duidelijk zijn aan degenen die zijn brieven met een open helder verstand bestuderen.

Hoeveel ernstige gelovigen zijn er die nog nala­ten om het bijzonder karakter van Paulus' apostelschap en boodschap, te onderkennen! Resultaat: de kerk is gegrepen door de ergste verwarring. Zij hebben abusievelijk geconcludeerd dat "het evangelie" een en hetzelfde is, het doet er niet toe waar we de term ook aantreffen. Door verkeerd lezen van Gal.1:8,9 zeggen zij: "Het evangelie is het evangelie. Er is slechts één evangelie, niet twee". Zij beweren dat "het evangelie" waarmee de twaalven werden uitgezonden om te verkondigen in Luk.9:1-6, hetzelfde moet zijn geweest als dat wat Paulus later verkondigde.

Maar hoe kan dat? Na hun "evangelie"[iv] [of goede nieuws] ongeveer twee jaren gepredikt te hebben, wisten de twaalven niet dat Christus zou sterven en weer opstaan (Luk.18:31-34). Bovendien vereiste "het evangelie" dat de twaalven predikten als hun "grote opdracht", waterdoop "tot vergeving van zonden" (Hand.2:38; cf.Mark.16:16). Jammer dat veel Christelijke leidslieden Mark.16:16 en Hand.2:38 zo veranderen dat deze in hun theologische systemen passen, en wanneer wij aantonen dat Gal.2:2-9 uitsluitend te doen heeft met twee verschillende evangeliën, het ene verkondigd door de apostelen der besnijdenis aan de besnedenen, en het andere door Paulus aan de heidenen, zij dat veranderen. De uitdrukkingen "evangelie aan de onbesnedenen" en "evangelie aan de besnedenen" maken zij tot één evangelie dat zowel aan heidenen als aan Joden verkondigd moet worden, alleen door twee verschillende kanalen. Maar ALS dit mogelijk zou zijn - en dat is het niet - zou deze passa­ge dan toch niet een verandering in bedeling leren met het oog op de "grote opdracht"? Want in Gal.2:1-9 wordt één feit kristalhelder: Waar de twaalven eerst naar "alle volken", "de gehele wereld" en "ieder schepsel" gezonden waren, werd Paulus daar erkend als Gods apostel voor de volkeren, terwijl zij, de twaalven, instemden met het beperken van hun bediening tot Israel.

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~           

Als de verschillende evangeliën in het Nieuwe Testament allemaal hetzelfde zijn, waarom noemt God deze dan verschillend:

 

"Het evangelie van het koninkrijk", "het evan­gelie van de besnij­denis", "het evangelie van de onbesnedenen", "het evangelie van Gods genade", etc.? Hij heeft dit duidelijk gedaan om onderling onder­scheid te meken. Op conserven worden toch ook geen verschillende labels ge­plakt als de inhoud eender is! Het zal zeker niet smakelijk zijn wan­neer peren, tomaten, kersen, uitjes en erwten vermengd geconserveerd zouden zijn! Toch is dit precies wat de meeste funda­mentalis­tische gelovi­gen - en hun leidslieden - gedaan hebben met de verschillende evangeliën die in de Schriften zijn opgenomen.

_______

*\ D.i. "het evangelie van het koninkrijk".         

 

Het woord "evangelie" betekent heel eenvoudig goed nieuws. Wij dienen danook altijd vast te stellen welk goed nieuws wordt bedoeld door op te merken hoe het wordt genoemd of door de contekst erbij te betrekken.

           

Als "het evangelie" overal waar de term wordt genoemd, hetzelfde betekent, waarom zou Paulus dan, door goddelijke inspriratie schrijven over:

 

"mijn evangelie" -drie keer;

"ons evangelie - drie keer;

"dat evangelie dat ik u verkondigd heb" (1 Cor.15:1). "het evangelie dat door mij verkon­digd is" (Gal.1:11). "dat evangelie dat ik pre­dik onder de heide­nen" (Gal.2:2). "dat [evan­ge­lie] wat wij u verkondigd hebben" (Gal.1:8).

           

In deze zinsbouw komt zeker onderscheid uit tussen het "evangelie" dat hij en zijn medewer­kers verkondigden en dat wat anderen tevoren hadden gepredikt.

           

Als wij het goede nieuws van Paulus over het kruis en zijn prediking van Jezus Christus over­eenkomstig de openbaring van het geheimenis, niet onder­scheiden van het goede nieuws dat de twaalven verkondigd hebben, zullen we zeer zeker nooit bevestigd worden in het geloof. Paulus' gein­spireerd naschrift op de Brief aan de Romeinen maakt dit overduidelijk, en veel domi­nees en Bijbel-leraren en hun volgelingen bewij­zen dat elke dag. Teveel bezig met hun eigen zaken dan om aandacht te schenken aan de god­delijke Wegenkaart, gaan zij voort op de ver­keerde theologische weg met haar doolhof van doodlopende straten. Moge God deze broeders overtuigen van deze zonde en hen nog tot de kennis en vreugde brengen van "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis".

 

    DE EENHEID IN PAULUS' BOODSCHAP

 

Nog een woord dient te worden gezegd over de eenheid van Paulus' bood­schap, want sommigen zijn tot een ander uiterste geraakt, terwijl zij het verschillend karakter van zijn bediening erken­nen, maar de eenheid ervan niet zien. Resultaat: verwarring die net zo groot is als onder Funda­mentalisten in het algemeen.        

 

Deze mensen, waarvan velen oprecht ernstig zijn, redeneren dat Paulus twee boodschappen en bedieningen had, dat hij eerst, voor Hand.28:28, een koninkrijks­bediening had net als de twaalven en praktisch onder hun boodschap werkte en Israel het koninkrijk aanbood. Zij beweren dat "het gehei­menis" niet eerder aan Paulus werd geopenbaard of door hem werd verkondigd dan na Hand.28.

           

 

Echter achtgevend op de verwijzingen van de Apostel naar het Lichaam van Christus in de brieven die hij schreef voor Hand.28, hebben deze broeders geconclu­deerd dat er twee "Licha­men" in de brieven van Paulus moeten zijn. Verder hebben zij besloten  dat wat Paulus schreef over de maaltijd des Heren, de Opname, het Hogepriesterlijk werk van onze Here etc. geen directe betrek­king heeft op ons, omdat dit alles wordt gevonden in zijn vroegste brieven, toen hij nog "een konink­rijks bediening" had.

           

Maar Paulus zelf zegt nergens dat hij twee bood­schappen of bedieningen had. Op zijn laatste reis naar Jeruzalem drukt hij zijn verlangen uit: "Opdat ik MIJN LOOP met blijd­schap mag VOLBRENGEN, en DE DIENST (enkelvoud) die ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betui­gen HET EVAN­GELIE (enkelvoud) van de genade van God" (Hand.20:24).

           

En in Eph.3:1-3 verbindt hij duidelijk deze "bedeling van Gods genade" met het "geheime­nis" dat hem "bekend gemaakt was", "door openbaring".

           

Heeft hij ooit het geheimenis verkondigd vóór Hand.28? Zeer zeker heeft hij dat. Naast vele gelegenheden waar hij deze waarheden bespreekt en het woord "geheime­nis" gebruikt, spreekt hij met velen over de samenstellende delen van het geheim in al zijn eerdere brieven. Neem de brief aan de Romeinen alleen al als een voorbeeld: Daar bespreekt hij zijn uniek apostelschap met de heidenen (11:13), zijn unieke boodschap, "mijn evangelie" (2:16; 16:25), onze doop in Christus (6:3), de zegen van de heide­nen door de val van Israel (11:11), "geen verschil" tussen Jood en heiden voor zover het betreft genade (10:12), het "ene lichaam" (12:5), het tijdelijk en voorbij­gaand karakter van deze huidige heiden bedeling (11:25,26), etc. Al deze waarheden werden in feite geheim gehouden totdat zij aan en door Paulus geopen­baard zijn, en allen zijn zij direct geassocieerd met, of identiek aan, de grote waar­heden van zijn gevangenisbrieven.

           

Wat betreft Paulus' geregeld aanbieden van het koninkrijk aan Israel, is er geen enkel geval van zo'n aanbod vermeld in de Handelingen of in zijn brieven. Hoe kon hij inderdaad het koninkrijk aan Israel (het volk) hebben aangeboden zoals de twaalven dit deden? Om dit te doen zou hij op z'n minst moeten zijn begonnen bij Jeruzalem, maar hem was uitdrukkelijk gelast Jeruzalem te verlaten met spoed voor­dat hij zelfs een gele­genheid had gehad om daar een bedie­ning te beginnen (Hand.22:18,21).

           

Maar ging hij dan niet bij zijn eerdere bediening altijd eerst naar de Joden? Ja, om hen Christus aan te bieden, zodat het volk, de hele tijd, tot Rome toe, zonder verontschuldi­ging zou zijn als God begon te handelen met de heidenen, zonder hun bemiddeling.

           

Maar bewees hij de Joden dan niet dat "Jezus is de Chris­tus", de Messias? Zeer zeker, en zou niet iedere gelovige Christen dit vandaag ook doen wanneer hij met een Jood te maken krijgt? Als een Jood, zelfs vandaag, weigert te geloven dat de gekruisigde Jezus de Christus is, hoe kan hij Hem dan vertrou­wen als zijn Redder?

           

Maar bevestigde Paulus dan de Joden niet voort­durend Petrus' bood­schap van het koninkrijk gedurende het begin van zijn bediening? Natuur­lijk, en dat doen wij vandaag ook.

 

Maar te zeggen dat dit alles een deel was van een geschei­den eerdere bood­schap en bediening die aan Paulus was opgedragen voordat hij de open­baring van het geheimenis ontving, is een ernsti­ge fout. Hij bevestigde Petrus' boodschap en bewees dat Jezus de Christus was, net zoals wij dit doen, om zijn toehoorders te brengen tot datgene waartoe hij speciaal was gezonden om te verkondigen: "het evangelie van Gods genade" en al de rijke zegeningen daaraan verbonden.

           

We hebben een goed voorbeeld hiervan in het eerdere hoofdstuk van Hand.13 waar we zijn eerste vastgelegde prediking, gesproken in een Joodse synagoge hebben, zo'n twintig jaren voor zijn gevangenschap te Rome. Na het lezen van de wet en de profeten vroeg de leider van de syna­goge Paulus en Barnabas of zij wellicht "enige woorden van vertroosting" voor het volk hadden. Toen antwoordde Paulus met te spreken over Israels geschiedenis, over Johannes de Doper en de Christus die door Israels leidslieden was verworpen, maar die God uit de doden had opge­wekt. Maar was dit het thema van zijn bood­schap? Nee, het was slechts het punt van contact, een gewone benadering - dezelfde benadering die wij vandaag zouden gebruiken als we ons tot een gezelschap Joden in een synagoge zouden rich­ten. Het thema van zijn bood­schap, datgene wat hij hun op het hart wilde drukken, vinden we in V.38,39:

 

"ZO ZIJ U DAN BEKEND, MANNEN BROE­DERS, DAT DOOR DEZE U VERGEVING VAN ZONDEN VERKONDIGD WORDT, "EN DAT VAN ALLES, WAARVAN U NIET KON GERECHTVAARDIGD WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, DOOR DEZE EEN IEDER DIE GELOOFT, GERECHT­VAAR­DIGD WORDT."

 

Dit is zeer zeker niet het evangelie van het ko­ninkrijk. Het is het evangelie van Gods genade dat niemand vóór Paulus gepredikt had of kon hebben gepredikt; het goede nieuws van redding door genade, door geloof, zonder de wet.

           

Maar vinden we geen hogere, meer gezegende waarheden in Paulus' brieven uit de gevangenis dan in zijn eerdere geschriften? Ja, dat is waar, maar dat komt niet door een verandering in zijn boodschap, maar eerder door een vollere ont­wik­keling ervan toen hij openbaring na openba­ring ontving.

           

Laat ons niet vergeten dat toen onze Here voor het eerst aan Paulus ver­scheen, Hij hem uitzond om te zijn "een getuige van de dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen" (Hand.26:16).

Wij kunnen veel van die openbaringen waarin de Here hem verscheen, vanuit het verslag nagaan, vanaf de eerste dag, toen de geslagen Saul Hem zag als de verheer­lijkte Here, ver boven alles (wat de twaalven Hem nimmer hadden gezien) tot aan de slot-openbaringen in de gevangenis te Rome. Geleidelijk zien we de glorieze boodsc­hap ontvouwd, als de oude bedeling volledig voorbij­gaat. Zij die de voort­gang, het proces, de ont­wikkeling in het ontvouwen van dit grote "mys­terie" niet zien, missen een groot deel van de blijdschap, en ook een groot stuk licht in hun onderzoek van de Schriften.  

Nog een enkel commentaar over extreem zicht op bedeling. Enigen van hen die beweren dat Paulus twee bedieningen had, zijn tot de vreemde conclusie gedreven dat het laatste naschrift van de Romeinenbrief moet zijn toegevoegd door Paulus na zijn gevangenschap in Rome, waar wordt veronder­steld dat hij de openbaring van het geheimenis zou hebben ontvangen. Maar waarom het dan toevoegen? Hijzelf was onder hen. Waarom dan aan een brief nog toevoeg­en die (zoals extremisten beweren) het geheimenis niet bevat, een verklaring dat het door het gehei­menis is dat mensen worden bevestigd?  Sommi­gen, die deze onbestaan­baarheid zien, hebben geconcludeerd dat een ander iemand het naschrift op een later tijdstip heeft toegevoegd. Op dit alles antwoorden wij: als iemand anders dit naschrift aan Paulus' brief heeft toege­voegd was hij een vervalser; als Paulus het schreef voegde hij het zeker toe aan de verkeerde brief - als de Romeinenbrief de waarheid van het gehei­menis niet bevat.

SLOT

  Ziende de wonderlijke harmonie van Gods Woord en ons verbazend over Zijn genade om met zondige mensen die Zijn genade willen ontvangen zo te handelen, beëindigen we dit boek zoals Paulus het zijne deed: "De alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijk­heid tot in eeuwig­heid. Amen"

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011