H O O F D S T U K XV
- R O M. 15:8-3
DE BEDIENING VAN PAULUS AAN DE HEIDENEN
EN AAN DE JODEN TWEE "DIENAREN"
"En
ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is van de besnijdenis, vanwege
de waarheid van God, opdat Hij de beloften aan de vaderen zou bevestigen.
"En opdat de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden
verheerlijken,
zoals geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam
lofzingen. "En weer zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn
volk!"En weer: Looft de Here, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij
volken! "En weer zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Isaï, en Die
opstaat, om over de heidenen te heersen, op Hem zullen de heidenen hopen.
"Moge de God nu van de hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in
het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht van
de Heilige Geest. "Doch, mijn broeders, ook ikzelf ben verzekerd van u,
dat gij ook zelf vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om
ook elkaar te vermanen. "Maar ik heb u ten dele wat vrijmoedig
geschreven, broeders, als om u weer te herinneren, om de genade die mij door
God gegeven is, "dat ik een dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de
heidenen, om het evangelie van God te bedienen, opdat de offerande van de
heidenen aangenaam wordt, geheiligd door de Heilige Geest." Rom.15:8-16
DE BEDIENING VAN CHRISTUS AAN
ISRAEL
EN DE BEDIENING VAN PAULUS AAN DE HEIDENEN
Wij
zijn nu gekomen tot een zeer belangrijke passage in de Brief aan de
Romeinen, een passage waarin Paulus, door goddelijke inspiratie, onze
Here Jezus Christus "een dienaar van de Besnijdenis [de Jood]"
noemt (V.8), en zichzelf "de dienaar van Jezus Christus
onder de heidenen"[i]
(V.16).
Er
dient op te worden gelet, dat Paulus hier verklaart dat "Jezus
Christus
een dienaar der besnijdenis WAS" (V.8). Dit plaatst niet alleen de
vermelde bediening in het verleden, maar geeft ook aan dat er een verandering
heeft plaats gehad. Toen onze Here op aarde was, verklaarde Hijzelf dat Hij
alleen gezonden was "tot de verloren schapen van het huis Israel"
(Matt. 15:24), en toen Hij eerder Zijn twaalf apostelen uitzond, beval Hij
hen: "Gij zult niet heengaan op de weg der heidenen...Maar
gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel"
(Matt.10:5,6). Het was pas na Zijn hemelvaart, inderdaad na Pinksteren
dat Hij een andere apostel verwekte, Paulus, om naar de heidenen te gaan.
Daarnaast
dient te worden opgemerkt dat onze Here tot Israel werd gezonden "voor
de waarheid Gods", d.i., om Zijn waarachtigheid te tonen, "volgens
de beloften gedaan aan de vaderen."
Toen
onze Here op aarde was zei Hij geen enkel woord over het tegenwoordige
"samengestelde Lichaam", of van de "ene doop", of over
"geen verschil" tussen Joden en heidenen, of over een hemelse
roeping en positie, of over redding door genade los van religie of
werken. Dit was alles deel van het grote "geheimenis" of de
verborgenheid, later geopenbaard aan en door Paulus.
Gedurende
Zijn aardse bediening bevestigde onze Here van het begin tot het einde "de
beloften, gedaan aan de vaderen." Dit was Zijn roeping als
Israel's Messias:
_________
1*\
Hier dient iets gezegd te worden ten aanzien van de term heidenen. Het
Hebreeuwse goy en het Griekse ethnos zijn de "Oud
Testamentische"
en de "Nieuw Testamentische" woorden die meestal worden
weergegeven met heiden in de Oude Vertaling, bij beiden echter
met de betekenis van, volk. Tenminste acht keren echter wordt in
het "Oude Testament", en verschillende malen in het
"Nieuwe", Israel zelf zo genoemd. Wellicht is echter het
belangrijkste feit te erkennen, dat speciaal in het "Nieuwe
Testament", het woord "heidenen" meestal gebruikt wordt
voor nietIsraelitische mensen als zodanig, om hen te
onderscheiden van Israel als degenen die niet de verbonden, de Wet,
de besnijdenis, en de eredienst, etc. bezaten. Wij geloven daarom dat over
het algemeen aan heiden, de gebruikelijke Staten-Vertaling voor goy
en ethnos, de voorkeur dient te worden gegeven.
Toen
Hij werd geboren in Bethlehem
(Matt.2:4-6),
Toen
Hij werd opgenomen in Egypte (Matt.2:15),
Toen
Hij werd opgevoed in Nazareth (Matt.2:23),
Toen
Hij het goede nieuws predikte en de zieken genas (Luk.4:17-21),
Toen
Hij stierf aan het kruis (1 Cor.15:3),
Toen
Hij werd begraven (1 Cor.15:4),
Toen
Hij opstond uit de dood (1 Cor.15:4),
Toen
Hij ten hemel voer (Hand.2:34-36),
Toen
Hij de Heilige Geest zond op Pinksteren (Luk.24:49);
In
dit alles, van Zijn geboorte in Bethlehem tot aan het zenden van de
Heilige Geest op Pinksteren, voerde Hij Zijn door God-gegeven bediening
uit, om "de beloften gedaan aan de vaderen, te bevestigen".
Sommigen
houden het ervoor dat de huidige bedeling begon op Pinksteren, of bij de
opstanding, of aan het kruis, - of zelfs met Johannes de Doper, maar al
dezen zijn in het licht van het bovenstaande volstrekt abuis. Ook
Pinksteren betekende niet het begin van een nieuwe bedeling, eerder
bevestigde het oude beloften gedaan aan Israel. Zij die ervan uit
gaan dat de huidige bedeling der genade begon op Pinksteren of eerder, zien
over het hoofd, dat in die tijd de twaalf apostelen[ii],
net als hun Meester, doorgingen met "de beloften gedaan aan de
vaderen te bevestigen", en niet redding door genade, door
geloof in het volbrachte werk van Christus predikten (Zie Hand.1:16,20-22;
2:14-21,29-31; 3:19-25; 4:11,25-28,etc.). Paulus vervolgt dan ook:
"En
opdat de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden
verheerlijken,
zoals geschreven is..." (V.9). Let wel, "beloften" aan
de vaderen, maar "barmhartigheid" aan de heidenen
(V.8,9).
_________
2*\Matthias
werd terecht verkozen om de plaats van Judas in te nemen en werd toen
"vervuld met de Heilige Geest" (Hand.1:24-2:4). Zie het
commentaar
van de auteur hierover in "Het Boek Handelingen, beschouwd in het
licht van de bedeling van Gods genade" Deel I, Uitg. Genade Bijbel
Stichting Nieuwegein. Het was nadat de bediening van de twaalven werd
afgewezen, dat God Paulus verwekte, die andere Apostel, om "het
evangelie van Gods genade" aan alle mensen te verkondigen.
Aan
de heidenen werden geen beloften gedaan. Het was alleen vanwege "de
beloften aan de vaderen gedaan", dat de heidenen barmhartigheid zouden
vinden. Op die wijze, naar de oorspronkelijke belofte aan Abraham, zei God, "in
u zullen alle geslachten van de aarde gezegend zijn" (Gen.12:3).
Dit
was geen "mysterie", geen geheim, en hier valt Paulus'
vasthoudendheid op als hij "telkens...en telkens weer" aanwijst
dat deze zegen voor de heidenen door de profeten werd voorspeld:
"Zoals
geschreven is...ik zal U belijden onder de heidenen. "En weer...Weest
vrolijk, gij heidenen, met Zijn volk! "En weer: Looft de Here, al gij
heidenen, en prijst Hem, al gij volken! "En weer...Er zal zijn de wortel
van Isaï...op Hem zullen de heidenen hopen"
(V.9-12).
Zo
was de bediening van onze Heere in overeenstemming met de beloften die voor Israël
bestonden, zodat de heidenen God zouden verheerlijken voor Zijn
barmhartigheid.
Dit is een beeld van het Duizendjarig Rijk. Onze Heere "bevestigde de
beloften" gedaan aan Israël, en zij die zelf niet verblind waren
herkenden Hem als hun langbelofte Messias. Deze beloften zullen echter niet
eerder vervuld worden, dan nadat Hij is teruggekeerd naar de aarde om
te regeren. Dan, en alleen dan, zullen de heidenen "vrolijk zijn...met
Zijn volk", Israël. Zoals ook Jes.60:3 zegt met betrekking tot Israëli's
herrijzen: "...de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot
de glans, die u is opgegaan."
Het
is jammer dat de New Scofield Reference Bible, die daarin andere
vertalingen volgt, het woord "volk" in V.11 veranderd heeft in
"volken" en ook de passage die wordt aangehaald (Ps.117:1) zo
verandert dat daar "volken" gelezen wordt. In beide gevallen dient
"volk" gelezen te worden, verwijzend naar het volk Israël, zoals in
Rom.15:10 "Zijn volk" staat. Zie Hand.4:25-27 voor het
onderscheid.
De
heidenen, of wel de volkeren, verheugen zich zeer zeker vandaag niet met
Zijn volk en zullen dat ook niet doen voordat Christus terugkomt om over Israëli
en de wereld te regeren.
Maar
nu komen we tot een vreemd en wonderlijk vers. "Moge de God nu van de
hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij
overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest" (V.13).
Blijdschap
en vrede in het geloven" - welk geloven? Geloven in de beloften
die gedaan werden in Vers 9-12? In de eerste plaats werden deze niet gedaan
tot de heidenen, en ten tweede werden zij nog niet vervuld. De Here Jezus had
deze zeer zeker wel bevestigd, maar Israël had zowel Hem als daarmee
de beloften verworpen.
Wat
moest een geestelijk hongerende heiden nu doen? Ach, Paulus werpt hen op
"de God van de hoop", die de beloften had gedaan waardoor
Israel zou bewijzen een zegen voor de heidenen te zijn. Hij zou een weg vinden
- Hij had de weg gevonden, lang verborgen gehouden om nu te worden
geopenbaard. Als er een "flessehals" was omdat Israël weigerde om
het kanaal van zegen te zijn voor de heidenen, zou Hij de "nek" breken,
en de zegen direct uit Zijn liefdehart naar de heidenen doen vloeien. En dit
is nu precies wat Hij deed door de zegen tot de heidenen niet door de verrijzenis
van Israël, maar door haar val te zenden, zoals we reeds zagen bij het
bestuderen van Rom.11:11-15. Zo redt Hij nu heidenen, los van de
verbonden, los van de profetie, los van Israël bemiddeling, uitsluitend door
genade, op basis van het volbrachte werk van Christus op Golgotha.
Hiertoe
verwekte Hij Paulus, de voornaamste der zondaars, gered door genade, door hem
te belasten met "het prediken van het kruis", om te
verkondigen "verzoening door Zijn bloed, de vergeving der zonden
naar de rijkdom Zijner genade" (Eph.1:7), verzoening aanbiedend aan
zelfs Zijn bitterste vijanden (2 Cor.5:14-21).
Geen
wonder dat Paulus hier schrijft tot deze heidenen die in zo'n schijnbaar
onmogelijke positie zijn achtergelaten door Israël afwijzing van Christus: "Moge
de God nu van de hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in geloven"
(V.13).
En
dan gaat de Apostel verder door aan te tonen hoe God het probleem
uitwerkt (zoals wij dat nu weten - voordat het eens voltooid zal zijn!).
Maar
waarom voegt de Apostel in deze context een paragraaf in over de "goedheid"
en de "kennis" van zijn lezers en hun in staat zijn om "elkaar
te vermanen" (V.14)? Wij geloven dat het "Maar" in V.15
uitleg geeft. Hij zegt, als het ware, "Dit slaat niet zo zeer op u, maar
ik heb u iets te vertellen wat u klaarblijkelijk nog niet weet, of nog niet
ten volle hebt gewaardeerd."
"Maar
ik heb u ten dele wat vrijmoedig geschreven, broeders, als om u weer te
herinneren, om de genade die mij door God gegeven is, "dat ik een
dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de heidenen..." (V.15,16).
Op
het grote Jeruzalem convent hadden Petrus en de andere leiders van de Joodse
gemeente de bijzondere genade die aan Paulus was geschonken als Apostel
voor de heidenen (Gal.2:7,9) erkend. Inderdaad hadden Jakobus, Petrus en
Johannes hem in een openbare, officiële overeenkomst de
rechterhand
gegeven, daarbij Paulus erkennende als de Apostel van God voor de heidenen,
terwijl zij voortaan hun bediening zouden beperken tot "de
Besnijdenis" (Gal.2:9). Hier trad de "grote opdracht" aan de
twaalven om "heen te gaan in de gehele wereld", onder leiding van de
Heilige Geest, terug voor de grotere aan Paulus gegeven (2 Cor.5:18,19). Hoe
spijtig dat de meeste van onze grote theologen dit simpele feit nog niet zien,
en dat velen dit zelfs tegenstaan!
De
Apostel herinnert zijn lezers nu aan "de genade...mij door God
gegeven, dat ik een dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de
heidenen" (Rom.15:15,16).
Zoals
"Jezus Christus een dienaar van de Besnijdenis was", was
Paulus, door genade, nu de aangewezen "dienaar van Jezus Christus
onder de heidenen" en dit was een klaarblijkelijk feit (V.16-19).
"De
offerande van de heidenen" aan God was op deze wijze zeer zeker niet de
vervulling van profetie met betrekking tot de heidenen; het was eerder wat
Paulus noemt "deze verborgenheid onder de heidenen"
(Col.1:27) en niet alleen was deze "offerande...acceptabel,
doordat zij door de Heilige Geest was geheiligd", maar God zegt dat Hij
wilde, dat Zijn heiligen zouden weten "welke zijn de rijkdommen van de
heerlijkheid van deze verborgenheid."
Hoe
verdrietig dat de meeste leiders van het Christendom zelf, weinig notie of
begrip hebben van deze grote waarheid, die zo kostbaar is in het hart van God
en voor degenen van Zijn kinderen die hierin zijn ingeleid!
Voordat
we dit gedeelte verlaten willen we nog teruggaan naar V.13, naar Paulus'
zegening: "Moge de God nu van de hoop u vervullen met alle blijdschap
en vrede in het geloven..." Als dit betrekking heeft op deze
heidenen, die klaarblijkelijk in een volstrekt hopeloze positie waren door Israël
verwerping van Christus, hoeveel temeer moet dit dan slaan op ons, die Zijn
plan hebben gezien, zo prachtig ontvouwd voor hen in de opwekking van
Paulus! Wanneer de situatie hopeloos schijnt, vertrouw dan in "de
God der hoop" en Hij zal "u vervullen met alle
blijdschap en vrede," en de oorzaak zijn, "dat gij
overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest".
HET APOSTOLISCH DOEL VAN PAULUS
"Zo
heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. "Want
ik zou niet durven iets te zeggen, dat Christus door mij niet gewerkt heeft,
tot gehoorzaamheid van de heidenen, met woorden en werken. "Door kracht
van tekenen en wonderen, en door de kracht van Gods Geest, zodat ik, van
Jeruzalem af en rondom, tot Illyrikum toe, het evangelie van Christus
vervuld heb. "En zeer begerig geweest ben om het evangelie te
verkondigen,
daar waar Christus nog niet genoemd was, opdat ik niet op het fundament van
een ander zou bouwen. "Maar zoals geschreven is: Zij aan wie van Hem niet
verkondigd was, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, zullen
het verstaan. "Daarom ben ik ook menigmaal verhinderd geweest tot u te
komen. "Maar nu ik in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele
jaren groot verlangen heb om tot u te komen, "zal ik, wanneer ik naar
Spanje reis, tot u komen; want ik hoop op de doorreis u te zien, en door u
daarheen geleid te worden, als ik eerst van uw tegenwoordigheid enigermate
verzadigd zal zijn."-
Rom.15:17-24
"In
die dingen, die God aangaan", had Paulus inderdaad veel om zich op te
beroemen, "in [door, K.J.V.] Christus Jezus", zoals hij zegt
in V.17. Wij mochten wensen dat wij allen genoeg enthousiast waren met de
wonderen van "het geheimenis" om daarover te roemen! Mochten
wij, net als Paulus, reden vinden om alleen te roemen in dat wat Christus
op Golgotha volbracht! (Cf. Gal.6:14).
Let
op de treffende uitspraak: "Ik zou niet durven iets te zeggen, dat
Christus door mij niet gewerkt heeft..." (V.18).
Het
voorbeeld van Paulus hierin is een berisping voor de meeste van ons. Hoe trots
zijn velen van ons om voordeel te accepteren voor dat wat niet helemaal door
ons tot stand kwam, en dat wat God door ons gedaan heeft, te
overdrijven! Het zou ons ernstig gebed moeten zijn om van deze zonde te worden
bevrijd.
Als
we echter Paulus' uitspraak nauwkeuriger bekijken, voelen we aan dat hij een
bijzondere situatie op het oog had, die niet door hem was bewerkt. Hij
was inderdaad gebruikt "om heidenen gehoorzaam te maken, met woorden
en werken" (V.18). Vóór hem echter, waren de twaalf apostelen van het
koninkrijk machtig gebruikt in Judea, en de gemeente daar was sterk
vermenigvuldigd
in aantal. Het was niet zijn verlangen om hun bediening in de schaduw te
stellen. Zijn doel was eerder om de genade van God te verheerlijken
door heidenen te redden ook zonder Israël bemiddeling of enige belofte
daaromtrent tevoren gedaan.
Het
was om deze bediening van Paulus autoriteit te schenken, dat God hem
"machtige tekenen en wonderen" gaf en de duidelijke "kracht van
de Geest van God" (V.19). Inderdaad waren de wonderen bij Paulus'
bediening
in de aanvang zodanig dat zij wijd en zijd erkend werden. Volgens het verslag
in de Handelingen werden de tekenen door Petrus gewrocht meer dan overtroffen
door die welke door Paulus verricht werden. Zo vermeldt Hand.19:11 dat "God
ongewone krachten door de handen van Paulus deed". Als we de
ruimte hadden zou het interessant zijn om de wonderen die Petrus persoonlijk
deed te vergelijken met die welke Paulus deed en zien hoe geweldig machtig
"de tekenen van een apostel" aan Paulus zijn verricht.
Wat
te denken van deze Geest-bekrachtigde man, zo volledig gebruikt door God om
het evangelie in wijde kringen te verkondigen van Jeruzalem tot Illyricum toe,
ver in het noorden en westen, tot boven Macedonië. Wij weten uit Handelingen
dat dit betrof Syrië, Cyprus, Galatië, Cilicië, Pisidië, Phrygia, Mysia,
Griekenland, Macedonië en de vele bevolkte streken en verschillende grote
steden daarin. In onze dagen van snel en comfortabel reizen is het
moeilijk voor te stellen wat de Apostel heeft moeten verduren bij zijn
onophoudelijk pogen om de heidenen te bereiken met "het evangelie van
Gods genade". Wij weten dat hij in die tijd reeds meerdere geselingen en
gevangenschappen, slagen, stenigingen en schipbreuken, vele soorten gevaren,
vermoeidheden en pijn, honger en dorst, koude en naaktheid - en nog veel meer,
geleden had (Zie 2 Cor.11:21-30). Wij Christengelovigen van vandaag, zouden
God moeten smeken om net zo'n hart vol liefde als de Apostel Paulus dreef om
dit alles te kunnen doormaken.
Hij
wil zeer zeker niet de indruk maken in V.20, dat het verkeerd zou zijn om
Christus te prediken waar Hij reeds verkondigd was. Waarom zouden dan al die
gemeenten zijn gegrondvest? Zeker verwachtte hij van zijn medewerkers dat zij
zouden bouwen op de grondslag die hij gelegd had in Corinthe (1 Cor.3:10).
Behalve
echter het fundament te leggen van plaatselijke gemeenten, had hij ook het
fundament gelegd van de Gemeente van de huidige bedeling, zodat het zijn
wens was om eerst zo veel als mogelijk was te bereiken in de geest van
Jes.52:15 (V.21).
Dit
alles was wat hem zo lang verhinderd had om naar Rome te gaan. "Maar
nu", nadat hij deze streken had doorreisd, en hij "sinds vele jaren
een groot verlangen had" om de heiligen in Rome te zien (V.23; cf.1:11),
was hij van plan naar Spanje te gaan en op doorreis over Rome te gaan (V.24)
om zich met hen een tijd in gemeenschap te mogen verheugen.
Let
op de woorden "van uw tegenwoordigheid enigermate verzadigd zal
zijn" (V.24). Dat "enigermate" wijst erop dat hij
zich verantwoordelijk voelt om naar Spanje te gaan zonder al teveel uitstel,
en toch tonen de volgende woorden, "verzadigd van uw
tegenwoordigheid" aan, dat hij ongraag de Romeinse gelovigen verlaat!
Wat een boek zouden we kunnen schrijven over Het Hart van de Apostel Paulus!
DE ARME HEILIGEN TE JERUZALEM
"Maar
nu reis ik naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen;
"Want die van Macedonië en Achaje hebben goed gedacht een blijk
van gemeenschap te doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem
zijn. "Want wij hebben het goed gedacht, ook zijn zij hun schuldenaars;
want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen,
dan zijn zij ook schuldig hen van stoffelijke goederen te dienen. "Als
ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, dan zal ik door
uw stad naar Spanje gaan. "En ik weet, dat als ik tot u kom, ik met volle
zegen van het evangelie van Christus komen zal. "En ik bid u, broeders,
door onze Here Jezus Christus en door de liefde van de Geest, dat gij met mij
strijdt in de gebeden tot God voor mij. "Opdat ik mag bevrijd worden van
de ongehoorzamen in Judea, en dat deze dienst van mij, die ik aan Jeruzalem
doe, voor de heiligen aangenaam mag zijn. "Opdat ik met blijdschap,
door de wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden. "En de
God van de vrede zij met u allen. Amen." Rom.15:25-33
"De
armen onder de heiligen [arme heiligen K.J.V.] die te Jeruzalem zijn"! Dit
is vreemd vergeleken met de grote voorspoed waarin deze heiligen zich
verheugden
na Pinksteren. Over die tijd lezen we, "Er was ook niemand onder hen
die gebrek had" (Hand.4:34); geen enkele arme was onder hen. Wat was
er gebeurd dat Paulus nu moest gaan en daar de "arme heiligen" van
dienst moest zijn, en dat inderdaad de veraf gelegen heidengemeenten collectes
afstonden voor hen?
Het
is belangrijk dat we hier de achtergrond van deze situatie in aanmerking
nemen, zodat we een beeld krijgen in duidelijk perspectief.
Toen
onze Here op aarde was, heeft Hij Zijn discipelen geleerd "niet bezorgd
te zijn" voor hun eten of kleding (Luk.12:22-24). Zijn aanwijzingen
waren: "Maar zoekt het Koninkrijk van God, en al deze dingen zullen u
toegeworpen worden." en verzekert hen, "Vreest niet, gij
klein kuddeke! want het is het welbehagen van uw Vader, u het koninkrijk te
geven (V.31,32).
Kan
er iets duidelijker zijn voor de gelovige lezer? Het koninkrijk afgenomen
van de hogepriesters en Farizeën (Matt.21:43) en gegeven aan het
"kleine kuddeke" van Zijn volgelingen. Onze Here had inderdaad de
regeerders die met Hem in dat koninkrijk regeren zouden, reeds aangewezen (Matt.19:28).
De discipelen dienden dus niet "bezorgd te zijn" voor alledaagse
levensbehoeften, maar moesten "het koninkrijk zoeken" met de
verzekering dat in "al deze dingen" zou worden voorzien.[iii]
Velen,
die de Bergrede beschouwen als toepasselijk voor onze dagen, geven de woorden "zoek...
het koninkrijk van God" weer, als te betekenen: zoek de dingen
van God, en de woorden "het koninkrijk geven" als te betekenen:
overwinning geven, of een geestelijke zegen. Maar zij stoppen allen bij het
volgende vers (V.33), wat zegt:
"Verkoop
wat ge hebt en geeft aalmoes"!
Het
lijkt wel of zij liever niet over deze passage spreken, want niemand van
hen gehoorzaamt eraan, en andere uitleg zal doorzichtig zijn. Niettemin
besloot onze Heere dit alles binnen Zijn Bergrede en zelfs zond Hij Zijn
apostelen uit om te prediken met de instructies:
"Voorziet
u niet van goud, noch zilver, noch kopergeld in uw gordels"
(Matt.10:9).
Hoe
zouden onze zendelingen kunnen uittrekken zonder hen te voorzien van
ook maar een gulden, een stuiver, of zelfs een cent voor reiskosten? En toch was
dit één van grondbeginselen van leven in het koninkrijk. De Bergrede,
terecht genoemd "de oorkonde van het koninkrijk", leerde gemeenschap
van goederen[iv]
waarbij ieder betrokken was bij het welzijn van zijn medebroeder.
________
4*\
Vlak voor de kruisiging werd dit programma kortweg onderbroken (Luk.22:
35-37). Het werd weer opgenomen met de komst van de Heilige Geest (Hand.2:
44,45).
5*\Niet
te verwarren met modern communisme. Het communisme zegt: "U hebt meer dan
genoeg; ik zal er wat van nemen", maar onze Here leert in de Bergrede
het tegenovergestelde: "Ik heb overvloedig; neem van Mij."
De
menselijke natuur geeft niet gaarne zijn rijkdom over voor hen die behoeftig
zijn, en dit zou ook niet goed zijn in "deze tegenwoordige boze tijd"
(Zie 1 Tim.5:8). Maar op Pinksteren, toen "zij allen vervuld waren met de
Heilige Geest" (Hand.2:4), leefden de duizenden Messiaanse gelovigen
werkelijk spontaan de een voor de ander, "niemand zei
dat iets van wat hij had, zijn eigen was", met als resultaat dat
niemand enig gebrek had (Hand.4:32,
34).
Zoals
we echter weten verwierp Israël de Koning en Zijn koninkrijk, waardoor dit
programma niet lang duurde en er een economisch probleem ontstond. Velen
van hen waren nu arm.[v]
Enige
jaren tevoren, op het grote Jeruzalem Convent, hadden de Judese leiders
Paulus gevraagd om de armen bij hun te gedenken, "wat ik", zegt
Paulus, "mij ook beijverd heb te doen" (Gal.2:10). Het was in de
vervulling van deze belofte dat Paulus nu een flinke liefdeofferande van de
heidengemeenten voor de "arme heiligen" in Jeruzalem bevorderde.
__________
6*\Het
is een ernstige dwaling zoals een populair Fundamentalist van de vorige
generatie leerde dat: "God ons het boek Handelingen gegeven had als een
soort model van Christelijk getuigenis, zending bedrijven, wereldevangelisatie
en stichten van gemeenten - een goed voorbeeld tot navolging... hoe
nauwkeuriger wij alles zouden ordenen aan dit heilig voorbeeld, des temeer zegen
zal op onze inspanning volgen". (Dr.H.A.Ironside in Lectures on the
Book of Acts,P.10). Als deze nog steeds populaire uitlegging van
Handelingen juist is, waarom volgt dan niemand dit "heilig voorbeeld"?
Handelingen brengt een veranderend programma; het is een boek van overgang
van de oude bedeling naar de nieuwe. Als wij dit "model" volgen
zullen wij, met Petrus, bekering en doop tot vergeving prediken (Hand.2:38),
of "het evangelie van Gods genade", met Paulus (Hand.20:24). Zullen we
alleen tot de Joden gaan, zoals de discipelen deden in het eerste
gedeelte van Handelingen (Hand.11:19), of zullen we zeggen, "Uw bloed
zij op uw hoofd...ik zal tot de heidenen heengaan", zoals Paulus deed
(18:6)? Zullen wij al onze bezittingen te gelde maken en "alle dingen
gemeen" hebben (Hand.2 en 4), of zullen we onze eigendommen behouden en
"ieder naar zijn vermogen" daarvan afstaan voor de Here (11:29)?
Als wij dit patroon volgen kunnen wij ervan verzekerd zijn dat geen van ons gebrek
zal hebben (4:34), of zullen we eindigen als de arme heiligen in Jeruzalem (Rom.15:26)?
Voor een diepere bespreking van deze kwestie, zie van de auteur het boek "Handelingen,
beschouwd in het licht van de bedeling van Gods genade", Voorwoord.
Hoe
simpel om de tegenstelling van Hand.4:34 (waar niemand gebrek had) kloppend te
maken met Rom.15:25,26 (de arme heiligen) wanneer we het Woord der waarheid
recht snijden! De gelukkige, voorspoedige manier van leven die de Pinkstergelovigen
voor een tijd genoten, was een voorsmaak van het komende koninkrijk, wanneer
allen "vervuld zullen zijn met de Heilige Geest" (Joel 2:28,29; cf.Hand.2:4,17).
Maar, zoals we reeds zeiden, dit programma verdween van het toneel bij Israels
verwerping van Christus en de verwekking van Paulus om genade voor de heidenen
te verkondigen.
De
Apostel verklaart dan ook dat deze gelovigen uit de heidenen werkelijk verblijd
waren om in staat te zijn de heiligen in Judea te helpen en, inderdaad hun
schuldenaars te zijn (V.27). En hiermee leert hij een les die ter harte dient
te worden genomen door degenen die ontrouw waren als beheerders van hun door
God-gegeven rijkdom: "Want indien de heidenen aan hun geestelijke
goederen deel hebben gekregen, dan zijn zij ook schuldig hen van stoffelijke
goederen te dienen" (V.27).
Hoeveel
gelovigen zijn er die zich verblijden in de rijkdommen van Gods genade, maar
weinig bijdragen in de kosten om dit anderen te verkondigen! Hoevelen
ontvangen licht en zegen van degenen die door God geroepen zijn om het Woord te
verkondigen, maar laten na om hun "plicht" te vervullen in "de
bediening van hen met stoffelijke goederen"! Dit is het ongetwijfeld
waarom de Apostel zoveel heeft te zeggen over de belangrijkheid van Christelijke
vrijgevigheid - bijna twee hele hoofdstukken alleen al in 2 Corinthiërs. Eén
ding is zeker, dat "de gemeenten in Macedonië" die, indien Paulus het
had toegelaten, "boven hun krachten" zouden hebben gegeven als een
blijk van die vrijgevigheid, een "overvloeiende blijdschap" (2 Cor.8:2,3).
Geen wonder! Zij hadden eerst zichzelf aan de Here en aan Paulus gegeven (V.5).
Geve God dat zo'n "vrijgevigheid uit liefde" in ons allen overvloedig
zij (V.7).
Zoals
echter de Apostel schrijft over zijn gaan naar Jeruzalem em Rome, heeft hij
vaste zekerheid over een zaak, maar ernstige zorg over een andere. Wat zijn
bediening in Rome betreft, zegt hij: "En ik weet, dat als ik tot u kom,
ik met volle zegen van het evangelie van Christus komen zal" (Rom.15:29).
Paulus
was geen geestelijke zwerver, zoals zoveel geestelijken die op de kansel staan
maar geen echte levende boodschap voor hun toehoorders hebben. Hij kon
nauwelijks
wachten, als het ware, om de Romeinen de glorierijke boodschap te verkondigen
die hem opgedragen was te prediken. Deze boodschap vervulde zijn hart
overvloeiend.
Vanaf
vers 30,31 echter is het duidelijk dat hij ernstige bezwaren koesterde
betreffende
zijn reis naar Jeruzalem. De onwedergeboren Joden beschouwden hem nog steeds
als de grote verrader van hun volk, terwijl het schijnt dat de leiders van de
gemeente daar niet de vriendelijkste houding ten opzichte van Paulus innamen,
aangezien hij, eerder dan zij, aangewezen was om naar de heidenen te gaan.
Zoals
bleek waren de bezorgdheden van Paulus niet zonder grond, want niet alleen werd
de gift van de heidengemeenten niet hartelijk door de Joodse broeders ontvangen,
maar het was hier in Jeruzalem dat Paulus formeel belast werd van godslastering
en tenslotte in ketenen naar Rome werd gezonden. Hier halen we een stuk aan uit Handelingen,
beschouwd in het licht der bedeling van Gods genade:
"Toen
Paulus Jakobus en de oudsten begroette, was er een oppervlakkig vertoon van
harmonie, maar daarachter verborgen zich elementen van verdenking en
onbegrip. Het was niet Jakobus geweest, die zijn huis voor Paulus geopend had.
Hij was niet bij degenen die samengekomen waren om de grote apostel de vorige
dag te verwelkomen. En zijn partij had het Paulus in de laatste jaren niet
gemakkelijk gemaakt.
"Maar
nu zou misschien de atmosfeer wat worden opgeklaard als de apostel
"speciaal" i.c. in detail aan hen overbracht "wat grote
dingen God door zijn bediening onder de heidenen had gewrocht".
Het moet wel boeiend geweest zijn om de grote apostel te horen vertellen van
afgoden die uitgeworpen werden, verkeerde boeken verbrand, met kwade
praktijken opgehouden, en Christus ontvangen en verheerlijkt werd in stad na
stad. De delegaties van de verschillende gemeenten zullen toen wellicht hun
giften gegeven hebben; een flink bedrag, en een toegewijd bewijs van hun
genegenheid tot de broeders in Judea.
"De
reactie? "Zij verheerlijkten de Here en spraken" - direct daarna van
onderwerp veranderend, over een zaak die de apostel slechts in verlegenheid
kon brengen. Het verslag zegt geen enkel woord over hun instemming om Judese
gelovigen te helpen Paulus en zijn door God geschonken bediening te begrijpen.
Evenmin een woord tot uitnodiging aan hem om ook hun te vertellen wat
God door hem gewrocht, noch een woord om hem en de heidengemeenten te bedanken
voor zo'n grootmoedig nakomen van hun belofte van enige jaren geleden (Gal.2:10)
- en niets zou meer vanzelfsprekend geweest zijn binnen het raam van het
verslag van Lukas, als dat plaats gevonden zou hebben." (Vierde Deel, blz.2).
De
volgende dag reeds werd Paulus in de tempel gegrepen en beschuldigd van
godslastering tenslotte in ketenen naar Rome gezonden om te worden gevonnisd
door de wrede Nero.
Hier
moet niet over het hoofd worden gezien dat Paulus zijn Romeinse broeders ernstig
gesmeekt had "terwille van de Here Jezus Christus" en "vanwege
de liefde van de Geest" zich bij hem aan te sluiten "in
gemeenzaam
streven" in hun gebeden voor hem, dat hij zou mogen bevrijd worden
van degenen in Judea die niet geloofden, en dat zijn inspanning ten behoeve
van de heiligen daar goed ontvangen zou mogen worden, zodat hij te Rome zou
mogen aankomen met vreugde en te worden verfrist door hun gemeenschap. Zoals
we weten werd geen van deze gebeden in bevestigende zin beantwoord; een klare
blijk dat de bedeling van de "wat gij ook bidt" beloften (Matt.21:22)
voorbij was.[vi]
werkte alle dingen uit ten goede voor Paulus, zodat hij vanuit zijn
Romeinse gevangenis kon schrijven: "...dat wat aan mij is geschied, meer
tot bevordering van het evangelie gekomen is" (Phil.1:12, en het was
vanuit zijn gevangenschap in Rome dat God hem gebruikte om die brieven te
schrijven die de gelovige opneemt tot de hoogste plaats van zegening, "in
de hemelse gewesten] in Christus Jezus" (Eph. 2:6).
Hoe
passend eindigt de Apostel deze brief met de zegenspreuk: "En de God des
vredes zij met u allen. Amen. (V.33).
_________
7*\
Voor een meer uitgebreide bespreking van Onverhoord Gebed zie de brochure
van de auteur onder deze titel (Genade Bijbel Stichting).
|