De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XIV  -  R O M. 14:1-15:7

  DE CHRISTEN

EN GEWETENSZAKEN

                ETEN EN FEESTDAGEN

"Neemt nu hem, die zwak is in het geloof, aan, maar niet tot twistige samensprekingen. "De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. "Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen. "Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. "De een acht wel den enen dag boven de andere dag; maar de ander acht al de da­gen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen ge­moed ten volle verzekerd. "Die de dag waar­neemt, die neemt hem waar voor de Here; en die dag de dag niet waarneemt, neemt hem niet waar voor de Here. Die daar eet, eet voor de Here, want hij dankt God; en die niet eet, eet niet voor de Here, en hij dankt God. "Want niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf. "Want hetzij dat wij leven, wij leven voor de Here; hetzij dat wij sterven, sterven wij voor de Here. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Here. "Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weer levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou. "Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor de rech­terstoel van Christus gesteld worden. "Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Here; voor mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. "Zo zal dan een ieder van ons voor zichzelf aan God rekenschap geven." - Rom.14:1-12

       IEDER ZAL VOOR GOD REKENSCHAP

                 VOOR ZICHZELF GEVEN

  Rom.14 doet een ernstig beroep op genade en begrip van gelovigen onderling in zaken van gedrag en houding die niet specifiek in het Woord van God worden behandeld. Het woord "ontvangen" (Gr.,proslambano) in V.1 betekent niet alleen accepteren of toelaten in de vergade­ring.        De broeder die zwak is in geloof is zonder twijfel reeds een lid van de vergadering. Proslambano is een inniger woord, en betekent iemand tot zich ontvangen, omarmen. Vine zegt het zo, "het betekent een speciale interesse, uitgaande van de ontvanger".

Wanneer deze broeder aldus met warmte ontvangen is, begin dan niet te betuttelen voor wat betreft zaken die discutabel zouden kunnen zijn. Ach­tergronden, gewoonten, etc. oefenen grote invloed uit op ons denken en onze houding, maar deze mogen niet in de plaats komen van het Woord van God. Het is fout om zo anderen te oordelen in zaken die niet in de Schrift staan uitgestippeld.

In Rom.14 gaat het om twee dingen: "de ene gelooft" en "de ander gelooft", d.i. "de ene gelooft" het ene, en "de ander gelooft" wat anders. Dit heeft sommigen ertoe geleid te veronderstellen dat geloof in het leven van een Christen er weinig toe doet; dat liefde en goede wil de essentieכle grondslagen zijn. Niets is verder af van de waarheid. Het is "door geloof" dat we in de eerste plaats gered zijn, en het is geloof dat ons karakter vormt en ons gedrag regelt. In de diepste zin zijn we wat we geloven.

Maar hier in Rom.14 wijst de Apostel op ver­schil van mening, of zelfs van overtui­ging be­trekking hebbend op praktijken die niet direct in de Schrif­ten worden besproken, en omdat het de heilige Schriften zijn die het hoogste gezag hebben in zaken van geloof en gedrag, moeten we veel consideratie hebben in zaken die niet daarin worden behandeld.

Wat betreft het verschil tussen de broeder die "gelooft dat hij alle dingen   eten mag" en de "zwakke" broeder, die gelooft God te behagen als vegetariכr, die alleen "groen" eet, stelt de Apostel duidelijk:

1. "Laat hem die eet, hem die niet eet niet

verachten".

2. "Laat hem die niet eet, hem die eet niet oordelen, want God heeft hem aangenomen".

Christelijke vrijheid is een onbetaalbaar bezit. Mits ordelijk gebruikt, is het een steedsovervloeiende bron van geestelijke vreugde en kracht. Maar het kan worden toegepast "als een aanlei­ding voor het vlees" (Gal.5:13), waarbij hoogmoed de plaats inneemt van de liefde die het zou moeten voortbrengen. Daarom vermaant de apostel de broeder die alles eet om de broeder die dit niet doet te verachten - de broeder die weigert deel te nemen aan het eten van bepaald voedsel omdat hij voelt daarmee God te mishagen.

Aan de andere kant zou de broeder die geen vrijheid heeft om alles te eten, zichzelf gewetensvoller kunnen achten in zijn Christelijk gedrag dan de broeder die wel de vrijheid heeft om dat te doen, en hij zou zichzelf hierom hoger achten en geneigd zijn om zijn broeder te oordelen wegens zijn "onverantwoordelijkheid". Dit kan spoedig leiden tot pharizeeןsme. Voor hem heeft de Apostel dan ook een strengere vermaning: "...die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangeno­men. "Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen" (V.3,4).

Nu verder over de kwestie van de dagen, zegt de Apostel: "De een acht wel de ene dag boven de andere dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd" (V.5).

Het is zonder meer duidelijk dat de brieven van Paulus die het program­ma van God met het Lichaam van Christus bevatten, niet de ene dag boven de andere stellen. De sabbat van het Oude Testament werd nimmer aan de heidenen of aan het Lichaam van Christus voorgehouden. Het was een teken alleen tussen God en Israel (Ex.31:13,17). De Apostel schreef dan ook aan de Galatische Christenen die "verlangden" om onder de Wet te zijn: "Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. "Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb (Gal.4:10­,11). "Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem [lett. mijn toon] mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u" (V.20).

Toch is het waar dat we van de Wet mogen leren dat het goed is om elke week een dag vrij te nemen van ons dagelijks werken en deze geheel te wijden aan Christelijke gemeenschap en dienst. Er is werkelijk niets verkeerds in het nemen van een dag voor aanbidding en Bijbelstudie. Het was inderdaad een treurige dag voor onze landen toen vele Christenen begonnen met naar "andere plaatsen" te gaan en "dingen te doen" op zondag, en de "onderlinge samenkom­sten gingen verzaken" (Hebr.10:25).

De narigheid met de Galatische gelovigen was, dat zij de sabbat en andere dagen en gelegenheden onder­hielden in een verlangen om onder de Wet terug te keren (Gal.4:9,21). Hiervoor berispte Paulus hen ernstig en smeekte hen: "Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen" (Gal.5: 1).

Dit was duidelijk niet het geval met hen die hij in Rom.14 aanschrijft. Zij "bestemden" de ene dag boven de andere, of "bestemden" ze alle gelijk, de eersten maakten veel van ייn of meerdere speciale dagen, de laatsten hielden het ervoor dat al onze dagen dienen te worden bestemd voor de Here en dat het daarom verkeerd zou zijn de ene dag boven de andere te "stellen". Tot diegenen zegt de Apostel: "...een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd (V.5).

Dan de hele zaak opsommend, verklaart hij: "Die de dag waarneemt, die neemt hem waar voor de Here; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar voor de Here. Die daar eet, eet voor de Here, want hij dankt God; en die niet eet, eet niet voor de Here, en hij dankt God" (V.6).

Laat ieder de Schriften onderzoeken en vragen om de leiding van de Geest en zo "ten volle verzekerd zijn in zijn gemoed", zowel waar het "spijze" als "dagen" betreft, want in elk geval zal de ernstige gelovige zeker willen doen wat hij gelooft wat de Here welgevallig zal zijn. Dit brengt alle dispuut op hetzelfde niveau. "Want niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf. "Want hetzij dat wij leven, wij leven voor de Here; hetzij dat wij sterven, sterven wij voor de Here. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Here.

"Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weer levend geworden, OPDAT HIJ [HERE ZOU ZIJN, K.J.V.] beiden over doden en levenden heersen zou (V.7-9).

Let wel, de woorden "niemand van ons leeft voor zichzelf", etc., betekenen hier niet dat onze levens die van anderen zouden beןnvloeden, hoewel dit wel gebeurt. Eerder openbaren de voorgaande en volgende verzen duidelijk, dat V.7 betrekking heeft op ons leven en sterven in onze relatie tot de Here. Vandaar V.9: "Want daartoe is Christus ook gestorven en weer opgestaan, opdat HIJ Here (de Ene boven allen) zou zijn, beiden over doden en leven­den" (Cf.Eph.1:22). Als we dan zien dat wij leven en sterven "voor de Here", volgen V.10-12 vanzelfsprekend.

Voor hen, aan beide zijden betrokken bij het onderwerp van Christelijke vrijheid, zijn er in V.10, indringende vragen. "Waarom oordeelt gij uw broe­der?" vraagt hij aan de ene, en "Waarom stelt gij uw broeder als minder?", zo vraagt hij de ander - en beiden in het licht van het feit dat we allen zullen staan voor de oor­deelstroon van Christus."[i]

Sommigen leren abusievelijk dat gelovigen niet zullen worden opgeroepen om voor God reken­schap af te leggen over zichzelf, omdat, zo rede­neren zij, "...er geen veroordeling is voor hen die in Christus Jezus zijn".

De Apostel weerlegt deze leer in V. 11 en 12 met de woor­den "iedere knie...iedere tong" en "ieder van ons". Rom.8:1 gaat over oordeel voor zon­de (die de Here voor ons heeft gedra­gen). Hier­van zijn gelovigen gezegend ontslagen.

Maar wij dienen rekenschap af te leggen over onze dienst en ons gedrag als Christenen. De Apostel Paulus ver­maant ons dan ook in 1 Cor.4:5:

-------

1* Hij verwijst hier niet naar het oordeel van de Grote Witte Troon, want daar zullen alleen de ongelovigen geoordeeld worden. Deze passage slaat eerder op de bema, of dais, voor welke gelovigen zullen verschijnen om hun dienst en gedrag als Christenen beoordeeld te zien en waarbij zij, of een "beloning ontvan­gen", ofwel "verlies zullen lijden" (1 Cor.3:9-15; 2 Cor.5:10). Dit onderwerp wordt uitgebreid be­handeld in het boek van de auteur Man, His Nature and Destiny, Chap­ter VIII. 

"Zo dan, oordeelt niets vףףr de tijd, totdat de Here komt, Die ook in het licht zal brengen wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de overleggingen van de harten. En dan zal een ieder lof hebben van God".

De gedachte in de laatste zin van dit vers is niet dat de Here eenvoudig allen zal prijzen die voor Hem verschijnen. 1 Cor.3:15 alleen al ontkent dit. De gedachte is eerder dat ieder dan verschul­digde eer zal ontvangen, of wat dat ook mag zijn.

                    WANDEL IN LIEFDE

  "Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij de broeder geen aanstoot of ergernis geeft. "Ik weet en ben verzekerd in de Here Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; die dan iets onrein acht te zijn, voor die is het onrein. "Maar indien uw broeder om het [uw, K.J.V.] eten bedroefd wordt, dan wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf niet met uw eten hem voor wie Christus gestorven is. "Laat dan van wat voor u goed is, niet gelasterd worden. "Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar recht­vaardig­heid en vrede en blijdschap, door de Heilige Geest. "Want wie Christus in deze dingen dient is welbehaaglijk, en bij de mensen aangenaam. "Laten wij dan jagen naar wat tot de vrede en wat tot de stichting onder elkaar dient. "Verbreek het werk Gods niet ter wille van voedsel. Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad voor de mens die door het eten aanstoot geeft. "Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drin­ken, noch iets te doen waaraan uw broeder zich stoot of geכrgerd wordt, of waarin hij zwak is. "Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelf voor God. Zalig is hij die zichzelf niet oordeelt in wat hij voor goed houdt. "Maar wie twij­felt, indien hij eet, is veroor­deeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat niet uit het geloof is, is zonde." - Rom.14:13-23

De woorden "niet meer", in V.13, tonen aan hoe geneigd wij zijn om elkander te bekritizeren, want zij hebben de betekenis van "laat ons niet blijven kritiseren", of "houdt op met kritiseren". "Maar oordeelt dit liever", zegt de Apostel, "dat gij de broeder geen aanstoot of ergernis geeft". Wij kunnen weerstand opwekken door onze eigen zin te doen, maar wij kunnen dit voorkomen door bedachtzaam op onze broeders te zijn.

Al sprekend voor zichzelf verklaart de Apostel dat hij weet en overtuigd is door de Here Jezus dat niets op zichzelf onrein is, maar haast zich eraan toe te voegen: "Maar voor hem die iets onrein acht te zijn, voor die is het onrein" (V.14). Wij geloven dat hij dit zegt, niet alleen ter verdediging van de zwakkere broeder, maar ook als waarschuwing voor de broeder die denkt dat hij sterk is, en niettemin toegeeft aan praktijken die hij in zijn binnenste als verkeerd, en beschouwt, en zo schuldig staat. En dan rede­nerend met de "sterkere" broeder, zegt hij: "Maar indien uw broeder om het eten bedroefd wordt, dan wandelt gij niet meer naar liefde [d.i. door toch te eten]. Verderf niet met uw eten hem voor wie Christus gestorven is."

Het is een merkwaardige gedachte dat dingen waaraan ik zou toegeven, een broeder zouden kunnen verderven voor wat betreft zijn geestelij­ke ge­steldheid[ii]. Paulus wijst aan hoe laakbaar zo'n onbedachtzaamheid is wanneer hij woorden gebruikt als "uw eten" tegenover de woorden "Christus stierf". Waar het welnemen van uw broeder in het spel is, zegt hij, acht dan niet uw eten van meer waarde dan Christus Zijn leven heeft gewaardeerd. Wat een oneer voor God als de vrijheid waarin gij u verheugt wordt "gelasterd" (Gr. blasphemeo, lasteren) vanwege  een klein genoegen waaraan gij uzelf over­geeft! "Het koninkrijk van God"[iii], zo verklaart hij (bijna verachtelijk!), "is niet eten en drinken maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door de Heilige  Geest [het natuurlijk resultaat van de vrede die komt door bedachtzaamheid ten opzichte van elkander!]" (V.17).

Dit is inderdaad een prachtig vers om te beschouwen in het licht van haar contekst. Hoe zeer natuurlijk volgen daarna verzen 18,19:

  __________

2* \ Uiteraard kan hij niet worden verdorven voor wat betreft zijn leven in Christus (Joh.3:36; 5:24; Rom.8:1; Eph.2:4-7). 3*\ Hij gebruikt hier eigenlijk de term van Gods rege­ring over onze harten, niet de wat beperkter term, "hemels koninkrijk", die te maken heeft met de toekom­stige regering van Christus op aarde.

  "Want wie Christus in deze dingen dient, is voor God welbehaaglijk, en bij de mensen aangenaam. "Laten wij dan jagen naar wat tot de vrede en wat tot de stichting onder elkaar dient."

Begrijp het niet verkeerd. De Apostel verwijst nog steeds naar het zuiver gebruik van Christelijke vrijheid als gelovigen onder elkaar. Zeker zouden mensen zoals Paulus ons niet vermanen om "na te volgen", of te jagen naar "de dingen die tot vrede dienen" in onze stand voor het Woord van God of ons getuigenis voor Christus. Eerder dringt hij ons om "de gehele wapenrusting Gods" aan te doen en stevig te staan waar het betreft als "goede soldaten van Jezus Christus" te strijden (Eph.6:10-20; 2 Tim.2:3). Er zijn al teveel onstandvastige Christelijke leidslieden die hun ontrouw verontschuldigen met de woorden: "Jaag naar de dingen die de vrede dienen" - buiten hun contekst genomen! God­dank is het niet zo gemakkelijk om het tweede gedeelte van het vers te omzeilen! Het gaat niet door "mijn rechten uit te oefenen", maar door "van mijn rechten af­stand te doen", dat God mij zal gebruiken om "op te voeden", of om mijn zwakkere broeder op te bouwen.

Wat het leren betreft zijn Paulus' door Godgenspireerde woorden duidelijk: "Laat dan niemand u oordelen in spijs of in drank, of inzake een feestdag, of nieuwe maan of sabbatten, "die een schaduw zijn van de toekomstige dingen, maar het lichaam is van Christus" (Col.2:16,17).

Maar ten aanzien van onze vrijheid in zaken die niet specifiek in de Schrift behandeld worden, moet gezegd worden dat de Apostel op zelfverloochening eerder nadruk legt dan op een weigering om te worden "geoordeeld". Dr. Harry Bultema verklaarde een generatie geleden: "We hebben geen recht om onze kostbaarverkregen vrijheid op te geven, maar we hebben wel de vrijheid om onze rechten op te geven."

Maar er is nog iets wat meer af te keuren is dan mijn broeder te "verderven" door vast te houden aan mijn eigen weg gaan. In V.15 zegt de Apos­tel, "Verderf hem niet", maar in V.20 zegt hij, "Verbreek het werk van God niet", en het is mogelijk om dit te doen met een weinig zelf-verheffing en eigenwil. Daarom zegt hij opnieuw, bijna ongeduldig, "Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad voor de mens die door het eten aanstoot geeft." Op een zelfde krachtige wijze schrijft hij aan de vleselijke Corinthische gelovigen: "Maar ziet toe, dat deze macht van u niet misschien een aanstoot wordt voor hen, die zwak zijn" (1 Cor.8:9).

V.21 geeft ons de enige reden waarom Christe­nen, bekeerd van het heiden­dom in de dagen van Paulus, vegetariכrs werden. Voor het eerst ko­men we het woord "vlees" (Gr.kreas) tegen. Het woord "eten", gebruikt in een eerder gedeelte van het hoofdstuk, is een algemeen woord voor vast voedsel van wat voor soort ook (Zie Luk.3:11; 9:13). We gebruiken het woord vlees voor dierlijk voedsel.

Veel van het vlees dat verkocht werd op de "slachthuizen", of vleesmarkten in Paulus' dagen, werd eerst aan afgoden geofferd. Het is dan ook heel natuurlijk dat sommige gelovigen het aanvoelden als onterend voor God om daaraan deel te hebben.

In 1 Cor.8:4 verklaart Paulus dat "een afgod niets is", omdat "er geen andere God is dan ייn". In V.7 echter spreekt hij van "Doch": "Doch de kennis is niet in allen; maar sommi­gen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten het als afgodenoffer; en hun geweten, omdat het zwak is, wordt bevlekt." Het is niet moeilijk hun gevoelens in deze zaak te waarderen.

De Apostel zegt dan ook terecht in Rom.14:21: "Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets te doen waaraan uw broeder zich stoot of geכrgerd wordt, of waarin hij zwak is".

Let op de woorden "waaraan...stoot," d.i. door zijn navol­ging van mij tegen zijn geweten in, op die manier zijn groeiproces tegenstaand; "gergerd" d.i. verlegen ermee, of in een moeilijke positie gebracht; "zwak zijnde", geraakt, en minder stabiel in zijn meningen of gedragingen. Hieruit kunnen we zien hoe gemakkelijk het is om geestelijk leven van een jonge en zwakke gelovige, ook door ons voorbeeld, te ontwrich­ten. Daarom verklaart de Apostel in 1 Cor.8:13: "Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, dan zal ik in eeuwig­heid geen vlees[iv] eten, opdat ik mijn broeder niet erger."

Er zijn gelovigen genadig bevrijd van de binding van de kindheid en hun is de vrijheid van volwassen zonen (Gal.3:24; 4:1-7) geschonken, maar deze bevordering van kindschap naar vol­wassenheid sluit de beginnende zin voor verantwoordelijkheid in zich. Vandaar de herhaalde ver­maningen van de Apostel tot sterkere heiligen, om zich verantwoordelijk te gevoelen voor het welzijn van hun zwakkere broeders.

In V.22,23 gaat hij zelfs verder met het verdedigen van hen die terwille van hun geweten niet deel kunnen hebben aan zeker voedsel: "Hebt gij geloof?" vraagt hij aan de "sterkere" broeder: "hebt dat... voor God". Vreemd dat wij veel meer op onze knieכn voor God bekennen, dan staande voor onze broeders. Hoe sterk is dan ons geloof in Zijn oog? En nog dieper onderzoekend, zegt hij:

"Zalig is hij die zichzelf niet oordeelt in wat hij voor goed houdt. "Maar wie twijfelt, in­dien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat niet uit het geloof is, is zonde (V.22,23).

Klaarblijkelijk is dit niet gericht tot de zwakkere broeder, maar tot de broeder die zichzelf sterker denkt te zijn. De Apostel waarschuwt tegen het verwarren van vrijheid met losbandigheid want, zegt hij, als wij ons zelf oordelen in datgene wat wij ons veroorloven, staan wij ook daarin veroordeeld voor God, omdat wij het niet hebben gedaan in geloof, maar in eigen wil. Christelijke vrijheid bestaat niet slechts in datgene te doen wat wij wensen. Het is veel objectiever. Zo vermaant Paulus de Galatische gelovigen - en ook ons:

"Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broe­ders, alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar DIENT ELKAAR DOOR DE LIEF­DE " (Gal.5:13).

_______

4*

(Rom.14:21 en 1 Cor.8:13 zijn de enige twee passages waar dit woord "vlees" (Gr. kreas) voorkomt.)        

 

                    OPROEP TOT SLOT

"Maar wij die sterk zijn, zijn schuldig [behoren] de zwakheden van de nietsterken te dragen, en niet onszelf te behagen. "Laat dan een ieder van ons zijn naaste behagen ten goede, tot stichting. "Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven is: De smaadheden van hen die U smaden, zijn op Mij gevallen. "Want al wat tevoren geschreven is, is tot onze lering tevoren geschreven, opdat wij door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop zouden hebben. "Moge de God van de volharding en van de vertroosting u geven dat gij eensgezind zijt onder elkaar naar Christus Jezus. "Opdat gij eendrachtig, uit ייn mond, moogt verheer­lijken de God en Vader van onze Here Jezus Christus. "Daarom, neemt elkaar aan, zoals ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid van God." - Rom.15:1-7

  In de eerste zeven verzen van Rom.15 hebben we een krachtige opsomming van de grote waarheden die ons geleerd zijn in Hoofdstuk 14. Let wel op de woorden "behoren": het is alleen redelijk en recht dat we dit doen. Hij zegt ook niet dat wij de moeiten van de zwakken "behoren mee" te dragen; Hij zegt "wij behoren de zwak­heden van de nietsterken te dragen, en niet onszelf te behagen" d.i., wij dienen niet alleen de zwakkere broeder toe te laten, maar hem te helpen.

Dit herinnert aan de woorden van de Apostel in 1 Cor.13:5, waar hij zegt, dat liefde "zichzelf niet zoekt", en 1 Cor.10:24: "Laat niemand zoeken wat van hemzelf is; maar laat een ieder zoeken wat van de ander [hem ten goede] is".

Toch weer, altijd met de contekst in gedachten, "Laat dan een ieder van ons zijn naaste behagen ten goede, tot stichting," - niet alleen tot zijn opvoeding, of opbouw, maar tot opvoeding van de samenkomst, want zo'n bedacht­zaamheid aan de zijde van allen leidt tot opbouw van het werk van God zowel als van ieder per­soonlijk. Slopen is over het algemeen veel gemakkelijker dan opbouwen, maar het laatste is meer aan te bevelen. Trots roemt op zijn vrijheid en staat op zijn rechten, maar liefde denkt aan zijn naaste en doet alles wat hem kan helpen.

Zelfs Christus, die alleen het recht had om Zich­zelf te behagen, deed dit niet, maar droeg gewillig, niet alleen de zwakheden van Zijn vrienden, maar de smaadhe­den van Zijn vijan­den (V.3). Zeker  "behoort" dan de "sterke" gelovige de zwakheden van zijn beste en innigste vrienden, zijn broeders in Christus te dragen, zelfs als zij hem voorkomen zwakker te zijn in het geloof dan hijzelf.

"Want al wat tevoren [in de Schriften] geschre­ven is, - en Paulus had veel van zulke passages aangehaald - is tot onze lering tevoren geschre­ven, opdat wij, door volharding en vertroosting van de Schriften, hoop zouden hebben" (V.4.). Het woord "troost" hier komt voor in passages zoals Joh.14:16,26, waar de Heilige Geest wordt genoemd de "Vertrooster" d.i., aan iemands zijde geroepen of tot zijn hulp aanwezig. Het Nieuwe Testament heeft verschillende woor­den voor "troost", maar dit hier (Gr. paraklesis) staat er het meest en heeft de zin van vertroosting of bemoediging. De naam Barnabas betekende "zoon der vertroosting" (Hand.4:36; zelfde woord), iemand die vertroost, of bemoedigt degenen die in de geest neerslachtig zijn. Klaarblijkelijk had hij een passende naam (V.37). In het Grieks zijn de woorden " volharding en vertroosting" (Rom.15:4) precies dezelfde als in V.5. Dit is duidelijk, want het is de "God van de volharding en vertroosting" (V.5), die ons de "volhar­ding en vertroosting van de Schrif­ten" schenkt (V.4) - die Hij schreef - opdat wij daardoor "hoop zouden hebben".

Bedenk eens! "De God van volharding"! "Belangrijke" mensen staan open voor ongeduld, maar God is de "God van geduld [volharding]". Welk een geduld toonde Hij in Zijn handelen met de aartsvaders, met Israel, en nu met ons! En hoe weinig geduld beoefenen wij dikwijls ten opzichte van anderen! Zijn wij dan belangrijker dan Hij? En met Zijn geduld heeft God geregeld gehaast, als het ware, om ons bemoediging te schenken in welke kleine zaak ook waarin wij Hem zouden hebben behaagt! Laten wij dan met Paulus bidden, dat "de God van volharding en vertroosting" ons moge schenken "eensgezind te zijn onder elkaar naar [in navolging van] Christus Jezus".

Het is belangrijk acht te slaan op de woorden "naar Christus Jezus" in V.5 als we duidelijk willen verstaan wat hij bedoelt met "eensgezind te zijn onder elkaar". Hij bedoelt niet dat een gelovige persoonlijk dezelfde instelling moet hebben als de broeder ten opzichte van hem heeft. Eerder is de gedachte dat in hun relatie tot elkaar beiden de gezindheid van Christus ten opzichte van elkaar dienen te hebben (V.3), en zo de een tot de ander "gelijkgezind

zou zijn". De Apostel zegt in Phil.2:4,5, als hij pleit voor wederzijds begrip onder gelovigen: "Laat een ieder niet zien op het zijne, maar laat een ieder ook zien op wat van de anderen is. "Want laat dat gevoelen in u zijn, dat ook in Christus Jezus was."

En volgens deze woorden in Phil.2 somt de Apostel de zeven grote neerwaart­se stappen op waarmee onze Here daalde vrijwillig vanuit Zijn heerlijkheid in de hemel af naar "de dood aan het kruis" (V.6-8). Hoe weinig medeleven tonen in het licht van deze passage de besten van ons ten opzichte van onze broeders in Christus!

Dat de Apostel de opvoeding van de gemeente op het oog heeft is ook duidelijk uit V.6: "Opdat gij eendrachtig, uit ייn mond moogt verheerlijken de God en Vader van onze Here Jezus Christus." Hoe belangrijk voor God is toch de eenheid van de Geest in het Lichaam van Christus! Aan de gelovige Philippenzen schreef Paulus:

  "Alleen wandelt waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken hoor, dat gij staat in ייn geest, met ייn gemoed gezamenlijk strijdt door het geloof van het evangelie. "En dat gij in geen ding verschrikt wordt door de tegenstanders... (Phil.1:27,28).

Zo'n eenheid is bestemd om God te verheerlijken (Rom.15:6). God - en God alleen - verdient alle glorie van onze gedachten en onze monden - en harten. Hij is geen monster, naar wie moeten kijken als zijnde wreed en wraakzuchtig. Hij is "de Vader van onze Here Jezus Christus", die geliefde en enige Zoon die Hij overleverde ten oordeel en tot smaad, opdat "een ieder die in Hem gelooft, niet verderven zou, maar het eeuwig leven heeft" (Joh.3:16).

En de Zoon, die ייn met de Vader is, was van dezelfde gezindheid, gaf Zichzelf tot lijden, schande en dood "opdat wij zouden leven door Hem." Hoe passend zijn dan ook de laatste woorden van deze bewogen vermaning: "Daarom, neemt elkaar aan, zoals ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid van God" (V.7.).

Moge God, in Zijn genade, ons in staat stellen om in waarheid deze geliefde verzen te zingen:

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011