De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XII  -  R O M . 12:1

HET BEGIN VAN HET

PRAKTISCHE GEDEELTE VAN ROMEINEN

 UW REDELIJKE GODSDIENST

 "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke of­ferande, dat is uw redelijke godsdienst. "En wordt aan deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed, opdat gij moogt beproeven wat de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil van God is." - Rom.12:1,2

 Het is typisch Paulus om leer te laten volgen door vermaning, om zijn onderwij­zingen op een praktische manier toe te passen. Dit is echter te meer het geval, waar het zijn Brief aan de Romeinen betreft, want de oproep tot praktijk van de hoofdstukken waarmee hij afsluit, bren­gen de reeks logische argumenten, die de brief omvat­ten, tot een conclusie. Deze argumenten worden gaande­weg in de volgende stappen gepresenteerd: "Daarom zijt gij niet te veront­schul­digen" (2:1), "Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem" (3:20), "Daarom [dan] besluiten wij, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet" (3:28), "Daarom [dan], ge­rechtvaar­digd uit het geloof, hebben wij vrede met God door onze Here Jezus Christus" (5:1), "Zo is er dan [daarom] geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn" (8:1), "Ik bid u dan [daarom], broeders,...dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbe­haaglijke offerande" (12:1).

 De oproep bij de opening van dit slotgedeelte van de Romeinenbrief is als de tekst van een preek. Elke zin, elk woord, is vol betekenis. Wie is de "Ik" die, geinspireerd door de Heilige Geest, deze oproep doet? Het is niemand anders dan de Apostel Paulus, die zichzelf bij goddelijke beschikking tot lijfeigene, en slaaf van Christus had gesteld, met geen andere wil dan die van zijn Here; die gewillig "alles opgaf" om Christus, en al die dingen schade gerekend heeft (Phil.3:8). Deze oproep, tot ons gezonden door zulk een instrument, bevat niets minder dan de grondslag, Gods Woord aan ons, Zijn kinderen.

"Ik bid u". Niet "ik beveel", of "ik wijs aan", maar "ik smeek, ik bid". De brieven van Paulus bevatten geen bevelen en aanwijzingen, maar omdat het overgave van levens aan Christus betreft, schrijft de door God-geinspireerde Apostel zoals hij deed aan Philemon, "hoewel ik grote vrijmoedigheid heb...te bevelen...nochthans bid ik liever door de liefde..." (Phil.8,9). Welk een verbazend woord van God is dit, Die in oneindige genade ons gered heeft uit onze veroordeelde staat en ons tot de Zijnen maakte! Hij had het volste recht om ons, net als Israel, onder de ijzeren hand van de Wet te plaatsen maar, ons gered hebbend uit genade, gaat Hij voort ons eeuwig met genade te behandelen.

 "Ik bid u". Wie zijn die "gij" anders dan "heide­nen in het vlees", nog kort tevoren "zonder Chris­tus...zonder hoop en zonder God in de wereld", inderdaad "vervreemd en vijandig... door boze werken" (Eph.2:11,12; Col.1:21). Zeer zeker was onze verzoening met Hem door Christus een genade­gift, genade voldoende om Hem tot in eeuwigheid te prijzen. En toch gaat Hij door Zich met ons in genade te behandelen, overvloediger dan ooit enig ras of volk betoont.

 "Door de ontfermingen Gods". Welk een grond voor zijn oproep! Misschien dienen we de eerste elf hoofdstukken van Romeinen opnieuw over te lezen om de kracht van het dringende verzoek te waarderen - samen met alles wat hij geschreven heeft! "Gerechtvaardigd van alle dingen", "gedoopt in Christus", "gezeten in de hemelse gewesten", "gezegend met alle gees­telijke zege­ningen"; deze en duizend andere weldaden wor­den aangeboden op basis van zijn oproep: "Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen van God..."

 "Dat gij uw lichamen stelt." Wenst Hij dan niet evenzo onze ziel en geest? Natuurlijk doet Hij dat (1 Thess.5:23), maar het woord "stelt" zorgt daarvoor, want als we inderdaad onze lichamen aan Hem overgeven, heeft Hij de hele mens! Het kan zijn dat een mens een slaaf heeft die hem dient met grote innerlijke weerstand. Hij mag inwendig opstandig zijn. Maar dit zal zeker niet het geval zijn wanneer wij gewillig onze lichamen overgeven aan God, want door dit te doen hebben we de inwendige mens reeds aan Zijn wil onderworpen.

"Een levende offerande". Dit staat natuurlijk in tegenstelling met de geslach­te offeranden die van Israel werden geכist. God wil dat wij dag in dag uit een Hem toegewijd leven leiden. Hij wil dat wij onszelf offeren. Paulus kon terecht deze oproep doen, want hij wist wat het was om standvastig voor Christus te worstelen. Hij had voor zijn Here "moeite en leed...honger en dorst...koude en naakt­heid" geleden, maar hoewel hij dikwijls ontmoedigd moet zijn geweest, hij kon niet ophouden. Hij zei: "De liefde van Christus dringt ons" (2 Cor.5:14). Hoe teleur­stellend dan om vandaag gelovigen te zien die blijkbaar geen begin kunnen maken met een opoffering van hun leven voor Degene Die alles -Zichzelf - gaf voor hen.

"Voor God welbehagelijke offerande". Het woord weergegeven met "heilig" betekent "apart gesteld als geheiligd". God wil dat wij onszelf aan hem aan­bieden als diegenen die Hij voor Zich apart gesteld heeft, Zijn eigen geheiligd bezit. Eigenlijk wil Hij dat wij onszelf Hem aanbieden, omdat Hij ons liefheeft, en wij Hem liefhebben. Alleen zo'n offerande is voor Hem "acceptabel", net als een man niets anders verlangt van zijn vrouw dan een leven voor hem omdat zij hem liefheeft.

"Dat is uw redelijke godsdienst". Het woord "dienst" hier, staat ook in Rom.9:4, waar ons wordt verteld dat aan Israel behoorde, "de dienst van God". Het woord betekent eigenlijk "heilige dienst" (Hebr.9:1), of aanbid­ding. En het woord "redelijk" is datgene wat van ons woord logisch is afgeleid. Denk er eens over na. Vertelt alle logica en reden ons niet, dat een leven vol met aanbiddende offerande verplicht is aan Degene die in medelijden en liefde voor ons de schande en het lijden droeg, die onze schuld was?

"En wordt aan deze wereld niet gelijkvormig". In Gal.1:4 lezen we, dat onze Here "Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit deze tegenwoordige boze wereld".

Toch zijn wij altijd geneigd onszelf aan te passen aan ons milieu. Vandaar de vermaning van de apostel: "en wordt niet gelijkvormig".

Veel Christenen veronderstellen dat zij de verlo­renen beter voor Christus kunnen winnen als zij zich aanpassen aan hun wereldse omgeving en blijven omgaan met hun ongeredde vrienden om hen te tonen dat zij niet verschillen. Maar God zegt, "Wees anders. Wees niet gelijkvormig". Het is inderdaad zo, dat als mensen zien dat wij anders zijn, zij onder de indruk komen van ons getuigenis. Daarom vervolgt de apostel:

"Maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed".  2Cor.  3:18 drukt het zo mooi uit. Als we bezig gehouden worden met Christus, worden wij "naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid. Deze transformatie vindt plaats "door de vernieuwing van uw gemoed".

 "...omdat gij uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken, "en aangedaan hebt de nieu­we mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het beeld van Hem, Die hem geschapen heeft." "Opdat gij moogt beproeven wat de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil van God is." Aanvaardt hier de opwindende kracht van Paulus' woorden. Hij zegt eigenlijk: "Indien u uzelf voor God wil aanbieden als een levende offerande, voor Hem heilig en aanvaardbaar, zult gij voor uzelf ontdekken, dat Zijn wil goed is, en welbehaaglijk, en volmaakt" - voor u! Terugziende zult u in staat zijn te zeggen, "Ik kon mij geen beter iets wensen. Ik zou het op geen andere manier meer willen." Zo genadig heeft God ons geluk voor tijd en eeuwigheid uitgestippeld!

                     HET ENE LICHAAM

       EN DE FUNCTIES VAN ZIJN LEDEN

 "Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan een ieder die onder u is, dat hij niet wijs moet zijn boven wat men wijs behoort te zijn, maar dat hij wijs moet zijn tot matigheid, zoals God aan een ieder de maat van het geloof toebedeeld heeft. "Want zoals wij in ייn lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben,  "zo zijn wij velen ייn lichaam in Christus, maar elk afzonderlijk zijn wij elkaars leden. "Daar wij nu verscheidenen gaven hebben, naar de genade die ons gegeven is, "laat ons die gaven besteden; hetzij profetie, naar de maat van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; "hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die leiding geeft, in ijver; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid." - Rom.12:3-8

Veel commentators houden het ervoor dat V.6-8 doelt op de bedieningen van de uitverkoren of aangewezen ambten in de kerk, maar zou er een ambt van "barmhartigheidbewijzer" kunnen be­staan (V.8)? Hoe meer deze schrijver zich over deze hele passage buigt, om zo meer is hij over­tuigd dat dit te doen heeft met de verschillende "ambten", of functies, van een levend lichaam, het Lichaam van Christus (V.4).

Na ons vermaand te hebben om te worden "veranderd door de vernieuwing van [ons] gemoed", heft de Apostel, als het ware, zijn vinger op, om een zeer belangrijke mededeling te doen aan ieder mens onder ons over dit vernieuwd gemoed en zijn relatie tot Christelijke dienst en gemeenschap. Zich beroepend op zijn Apostolische autoriteit, zegt hij: "Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan een ieder die onder u is, dat hij niet wijs moet zijn boven wat men wijs behoort te zijn, maar dat hij wijs moet zijn tot matigheid, zoals God aan een ieder de maat van het geloof gedeeld heeft (V.3).

In veel Christelijke samenkomsten zijn er enkele personen die dit probleem hebben. Zij overschatten zichzelf, en dit beinvloedt in het algemeen hun denken. Zij zijn geneigd van zichzelf te denken dat zij intellectueel zijn, en dit leidt tot een tegengesteld effect wat betreft de eenheid van de samenkomst en op hun eigen bediening voor Christus. Daarom vermaant Paulus "een ieder die onder u is" zich niet te overschatten, maar om te zijn, "wijs tot matigheid, zoals God aan een ieder de maat van het geloof gedeeld heeft" (V.3).

Het woord "matigheid" is hier zeer toepasselijk, want in de Schrift staat het dikwijls tegenover extase, en zelfs gelovigen zijn soms geneigd te overdrij­ven, eerder dan reeכl te zijn voor wat betreft hun natuurlijke mogelijkheden. "Wees wijs tot matigheid" zegt de Apostel, naar de mate van het geloof dat God, in Zijn voorzienigheid, gegeven heeft om uw gaven voor Hem te gebrui ken. Paulus zelf was het grootste voorbeeld van zulk nuchter denken (Zie 1 Cor.2:1,4,5).

Rom.12:4,5 geeft duidelijk aan dat de Apostel dit alles zegt met het oog op de eenheid van het Lichaam. Zoals V.3 begint met het woord "want", zo V.5 eigenlijk ook. Hij gaat voort in dezelfde gedachte. Er zijn veel leden in het menselijk lichaam, zo zegt hij, toch hebben zij niet allen dezelfde taak. Inderdaad is er praktisch geen gelijkheid in het lichaam. Toch werken alle leden met en voor elkaar omdat allen wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. Wanneer er een verwond is, of in gevaar, komt het andere on­middellijk te hulp. "Zo zijn wij velen", zegt hij, "ייn lichaam in Christus, maar elk afzonderlijk zijn wij elkaars leden" (V.5). "Daar wij nu verscheidene gaven hebben, naar de genade die ons gegeven is", laat ieder van ons zijn gave gebruiken tot het grootste nut voor de groei van het Lichaam en de glorie van God. Dit is de zin van V.6-8.

Nu de Schriften compleet zijn, is de gave der profetie voorbij, overeen­komstig 1 Cor.13:8. Maar profetie was toen goed, staat zelfs op de eerste plaats hier, net als in 1 Cor.14:1. De Apostel vermaant hier dus hen die deze gave hebben om haar te gebruiken "naar de mate van geloof", d.i. om te verkondigen wat de Geest hem heeft geopenbaard, niet toestaand dat menselijke trots de openbaring van de Geest hoe ook zal veranderen.      

"Bediening" (V.7) is eenvoudig dienst, hulp. Heeft de lezer een gave van hulp, misschien een nederige dienst aan anderen in de kerk? Dan, zegt Paulus, "Geef uzelf daarvoor". Sommigen geven zich met vreugde een tijd in lief­dedienst in de samenkomst, maar al gauw beginnen zij te ontdekken dat hun dienst minderwaardiger is dan die van anderen, aan wie God andere posities gegeven heeft. Dit is een nare vergissing, want God eert de geringste taak die voor Hem wordt gedaan. Inderdaad lijkt het erop dat Hij die meer eert dan de in het oog lopende ondernemingen.         

Op dezelfde manier dient hij, aan wie gegeven is te onderwijzen, zich in te zetten om te leren, en hij aan wie de gave gegeven is van vermaning - ook een belangrijke bediening - om te vermanen (V.7,8).

Maar is "geven" een "gave" (V.8)? Ja, het is een gave die alle gelovigen "ernstig zouden dienen te begeren". Geven mag echter nooit met uiterlijk vertoon, of met een bedoeling ge­schieden. Eerder dient het te worden gedaan "in eenvoudigheid". Sommigen hebben de woorden en haploteti "met gulheid" weergegeven, wellicht omdat geven "in eenvoud" zo gauw edelmoedig kan worden. Er is ייn ding dat deze schrijver steeds heeft waargenomen gedurende meer dan vijftig jaren in het werk van de Here: Zij die het trouw­ste en offervaardig geven, doen dat gewoonlijk met zo'n fijne eenvoud, terwijl anderen zo gewend zijn aan offeren op zich, of aan opsparen van hun door God gegeven rijkdommen, dat zij nooit de gave van geven ver­werven. Dit is erg jammer in het licht van 2 Cor.8:9.

"Hij die leiding geeft" (V.8). Het Griekse ho proistamenos betekent voorop staan, leiden (niet hetzelfde als episcopos, bisschop of opzichter). Dit, zegt de Apostel, moet geschieden "met ijver", d.i. "zorgvuldig". Dit is belang­rijk, om­dat zoveel leiding in Christelijke samenkomsten zorgeloos, op goed geluk wordt gedaan, zodat de stichting in de dienst, waarom het eigenlijk gaat, ontbreekt. Hiermee wordt niet ontkend dat ho proistamenos toepasselijk is voor meer dan het leiden van grote openbare samenkomsten.         

Tenslotte zal "hij die barmhartigheid doet" dit doen "in blijmoedigheid" (V.8). Barmhartig­heid doen met een schijnheilige geest berooft dit juist van haar karakter van barmhartigheid. Laat dan barmhartigheid soepel geschie­den met een blij gemoed, al geschiedt het ook aan de schuldi­ge dan wel aan de behoeftig­e.

           DE VERANTWOORDELIJKHEID

        VAN DE CHRISTEN MET HET OOG

              OP HEMZELF EN ANDEREN

"De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan. "Hebt elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde, gaat in eerbetoon de een de ander voor. "Wees niet traag in de ijver. Weest vurig van geest. Dient de Here. "Verblijdt u in de hoop. Weest geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed. "Deelt mee voor de behoeften van de heiligen. Jaagt naar de gastvrijheid. "Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet. "Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden. "Weest eensgezind onder elkaar. Streeft niet naar de hoge dingen, maar voegt u bij de nederige. Weest niet wijs bij uzelf.

"Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Draagt zorg voor wat eerbaar is voor alle mensen. "Indien het mogelijk is, voor zover in u is, houdt vrede met allen mensen. "Wreekt uzelf niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, zegt de Here.

"Indien dan uw vijand honger heeft, voedt hem; indien hij dorst heeft, geeft hem te drin­ken; want door dat te doen, zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. "Wordt door het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede." Rom.12:9-21

Dit gedeelte van de Brief aan de Romeinen gaat net zo zuiver over genade als de hoofdstukken 5 en 8. Hier hebben we de uitwerking van de genade, Gods genade die schijnt door de gelovi­ge heen. De onnauwkeurige lezer  ziet hier slechts een lijst van vermaningen, maar voor de oprechte, ijverige Schriftonderzoeker is het inderdaad een gezegende passage. Zoals de verzen 3-8 gaan over Christelijk dienen, zo gaat het overige deel van het hoofdstuk over Christelijk gedrag.

Het eerste wat ons treft als we deze verzen be­schouwen is, dat de karakteris­tieken die hier behandeld worden lijnrecht tegenovergesteld zijn aan die welke door de wereld als belangijk worden beschouwd. Liefde, menselijk­heid, hoop, gebed, verdraagzaamheid - deze worden door de wereld nu niet direct als succesvol aanbevolen! Bij de wereld gaat het eerder om zelf-vertrouwen, agressiviteit, op je rechten staan, etc. Maar op een of andere manier kan de onwedergeboren mens niet zien dat dit nu juist de reden is waar­om de wereld in zijn tegenwoordige deplorabele toestand is, met hebzucht, strijd, haat, opstand en geweld dreigt zich van ons te ontdoen. Laat ons dan met bedacht­zaamheid en onder gebed bezien wat God zou willen dat wij, zijn geliefde kinderen, zullen zijn en zullen doen.  

"Geveinsd" in V.9 is natuurlijk hypokriet. In de wereld om ons heen is veel met een laagje vernis bedekt, veel duidelijke hypokrisie en standophouden binnen menselijke relaties. Mevr. Smit vertelt aan mevr. Jansen hoe gelukkig zij is om haar nog eens te zien en hoe erg lief zij er vandaag uitziet, en loopt grommend in zichzelf over die vrouw die zij niet kan verdragen, weg! En veel mannen doen hetzelfde op een andere manier. "Laat dit onder u niet zo zijn" zegt de Apostel: "Laat de liefde ongeveinsd zijn". En Petrus stemt hiermee in met die mooie woorden in 1 Petr.1:22: "hebt elkaar vurig lief uit een rein hart".            

Toen Mrs. Howard Taylor vele jaren geleden voor het eerst als zendelinge naar China ging, was zij teleurgesteld te ontdekken dat het leek alsof het veel moeilijker was de Chinezen in haar directe omgeving lief te hebben dan voor­heen op een afstand. Toen zij zich realiseerde dat dit een ernstig beletsel vormde voor haar bediening onder hen, bad zij wanhopig: "Here, ik heb dit Chinese volk niet echt lief, en ik ben er zeker van dat zij gevoelen dat ik hen niet werkelijk lief heb. Laat mij hen alstublieft hartelijk liefhebben; anders kan ik wel teruggaan naar Engeland." Dit was het begin van Mrs. Taylors geweldige zendingsdienst in China.

De woorden "afkeer" en "aanhangen", in V.9 zijn ook hoogst belangrijk. Merk op hoe vol­strekt tegengesteld zij zijn. Raak het ene zelfs niet aan; beschouw het met afkeer, maar houdt het andere stevig vast en laat het niet gaan! Hetzelfde idee wordt gevonden in 2 Tim. 2:22: "ontvlucht de begeerlijkheden der jeugd; en jaag naar rechtvaardigheid...". Ontvlucht het ene als voor je leven, maar achtervolg het ander als wild een prooi.            

De uitdrukking "hebt een afkeer van het boze" en "hangt het goede aan" dient ernstig onder gebed te worden overwogen door die Christenen, die gauw klaar staan om zich met deze wereld te conformeren, voortdurend flirtend met de dingen die God niet eren, om te zien hoe innig zij er mee om kunnen gaan.  

In V.10 gaat de Apostel van agape liefde (V.9) naar "broederlijke liefde". In het Grieks is het philadelphia, hetgeen verschilt van agape in verschillende subtiele aspecten. Misschien helpt ons het "broederlijk" nog het meest om de betekenis van deze term hier te begrijpen. De liefde van broeder tot broeder is niet precies hetzelfde als die tussen man en vrouw (cf.Eph.5:25, waar het is agape) maar niettemin sterk is, en gelovigen dienen aldus  "vriendelijk toegenegen" onder elkaar te zijn, gaarne de ander voor te laten gaan als er eer in het spel is. In Phil.2:3 zien we dezelfde fundamentele vermaning:  

"Doet geen ding uit partijzucht of ijdele eer, maar laat in ootmoedigheid de ייn de ander uitnemender achten dan zichzelf".  

We hebben een uitstekend voorbeeld van kwaliteit in het gedrag en de omgang van twee Christen gentlemen: Apollos en Paulus zelf. Apollos, een "welsprekend" man, en "machtig in de Schriften", was duidelijk grotelijks door God gebruikt om zegen tot de Corinthische gelovigen te brengen. Kort daarna echter rezen er geschillen tussen de Corinthiכrs onderling over het volgen van Paulus, Apollos, Petrus, of Christus (1 Cor.1:12). Om deze toestand op te lossen schreef Paulus aan de Corinthiכrs en vermaan­de hen wegens hun sectarisch gedrag en verzekerde hen dat er tussen hem en Apollos, de twee hoofdpersonen, geen afgunst was, hen herinnerend aan de gezegende waarheid die hij reeds eerder aan hen verteld had, dat gelovigen nu in Christus ייn lichaam zijn.  

Terwijl er inderdaad geen afgunst was tussen hem en Apollos, bleef echter het feit bestaan, dat Apollos onwillekeurig "de harten gestolen" had van de gelovigen daar, en bij wijze van spreken, Paulus in de schaduw had gezet. Toch lezen we bij dit alles in 1 Cor.16:12 dat Paulus "sterk verlangde" dat Apollos naar Corinthe terug zou gaan om daar het Woord te bedienen. Wat een zelfloosheid! En Apollos toonde dezelfde nederi­ge geest, want de passage gaat voort en zegt, dat "het in het geheel niet zijn wil was, dat hij nu zou komen." Klaarblijkelijk had hij besloten geen voordeel te trekken van zijn populariteit in Corinthe. Dit was inderdaad actieve "broederlijke liefde" en genade!  

V.11 heeft in werkelijkheid niets te doen met zakelijke aangelegenheden zoals wij denken over zakendoen. Het slaat eerder op wat voor behoef­ten ook. In datgene wat God ons te doen geeft zullen wij niet traag zijn in ijver, maar "vurig van geest, in dienst van de Here". Wat moet intellectuele scherpzinnigheid, of welsprekendheid of wat voor menselijk vermogen ook, doen om de nodige zegen te brengen in de harten van hen met wie wij in contact komen, als deze door Godgegeven vermogens niet gecombineerd gaan met een warme, gevoelig bewogen, ijverige geest van iemand die oprecht "de Here dient"?  

Hoe mooi gaan de drie delen van V.12 samen! "Verblijden in de hoop; geduldig in de verdruk­king; volhardend in het gebed". De wereld weet niets van blijdschap in de hoop! Zij blijven hoogstens hopen op het beste, niet wetend van de "hoop die wij hebben als een anker der ziel, zeker en vast" (Hebr.6:19). Zij hopen - als zij er ooit over nadenken -, dat God ten leste vriendelijk met hen zal handelen, maar zijn onwetend van de hoop in de Bijbel, het verlangend uitzien naar dingen die vast en zeker zullen geschieden.

Indien wij geroepen worden om "verdrukking" te doorstaan, mogen wij dit doen met "geduld". Verdrukking wordt in Gods voorzienigheid inderdaad gebruikt om ons geduld te leren. Daarom,  

"...wij roemen ook in de ver­druk­kingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt; "en de volharding beproefdheid, en de beproefd­heid hoop, "en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven" (Rom.5:3-5).

En onderwijl zullen wij doorgaan, "volhardend in gebed". Nergens wordt ons in Paulus' brieven geleerd om lange tijd achter elkaar te bidden. De Apostel vraagt ons eerder om "volhardend [instantelijk K.J.V] te zijn in gebed". Is er een pro­bleem?  Bidt er voor, onmid­dellijk, direct! Komt een knecht des Heren in uw gedachten? Bidt voor hem - nu, terwijl u aan hem denkt. Hebt u licht nodig op het Woord? of leiding in uw leven? of bijzondere genade voor een moei­lijke situatie? Bidt - nu.            

V.13 heeft te doen met edelmoedigheid. Let wel, hij wekt niet op tot roekeloze overdrijving. Hij spreekt van "bijdragen aan de behoeften der heiligen", t.w. aan behoeftige heiligen. Merk op dat de nadruk valt op de heiligen. Anders zouden we allen heel gauw bankroet zijn! In de vijf gevallen dat Paulus ons maant tot edelmoedigheid is het altijd vrijgevigheid aan de heiligen. Hij zelf verzamelde grote collecten vanuit de heidengemeenten om te voorzien in de noden van "de arme heiligen die te Jeruzalem zijn" (Rom. 15:26). Hij bedoelt niet dat wij onverschil­lig moeten zijn voor het lijden van de mensheid, maar eenvoudig dat onze eerste verantwoordelijk­heid is naar onze broeders in Christus. Gal.6:10 stelt het duidelijk: "Zo dan, terwijl wij tijd [gelegenheid] hebben, laat ons goed doen aan allen, maar het meest aan de huisgenoten des geloofs."  

Dit is het antwoord op het sociaal evangelie van de neoevangelikalen en liberalen. Veel van hen denken dat het in de eerste plaats de kerk is die de lichamelijke en materiele behoeften van de wereld moet verlichten. Daarom wordt aan millioenen financiכle hulp gegeven, of zij wel of niet willen werken (cf.2 Thess.3:10), onverschillig hoe zij de fondsen die zij ontvangen, besteden. Ondertussen worden de gelden van de kerk steeds minder gebruikt om onze van Godgegeven boodschap van genade aan vele millioenen, rijk en arm, te brengen die zonder Christus en zonder hoop leven. Onze materiכle hulp dient in de eerste plaats te dienen om "de behoeften der heiligen" te verlichten, opdat wij tezamen beter in staat zullen zijn om aan de nog grotere nood, de geestelijke nood van de massa's om ons heen die verloren zijn, tegemoet te komen.  

Nadat de vader van de auteur bijna 50 jaren had gespendeerd aan werk in  stadsevangelisatie, vroeg hij ons: "Welke tak van onze bediening denken jullie dat geestelijk het meest productief geweest is: de georganiseerde meetings, de Bijbelconferenties, de vrouwennaaicursussen (waar we de materialen beschikbaar stelden en hen hielpen kleren voor hun huisgenoten te ma­ken), de gratiskleding uitdeling, de gratisvoedsel uitdeling - welke?" Er werd niet lang nagedacht voor het antwoord op de vraag kwam. De Bijbel­conferenties, met Godsmannen zoals Mr. Newell, Dr. Gaebelein, Dr. Ironside, en later Pastor J.C.O'Hair, die het Woord onderrichtten waren geestelijk verreweg het meest  productief - in het omkeren van levens en zielen "van duister­nis tot licht", van oordeel naar rechtvaardiging, van eeuwige vervloeking tot eeuwig leven, en de bewuste vreugde van zondevergeving.  

De woorden "Jaagt naar de gastvrijheid" gaan door in dezelfde geest. De gelovige zal zijn "toegewijd aan gastvrijheid" , snel om een vriend of vreemdeling in de warmte en ge­meen­schap van zijn huisgezin op te nemen, vooral een andere gelovige. Wij ontkennen niet het feit dat dit in onze dagen steeds moeilijker wordt door voortgaande geldontwaarding die sommige vrou­wen­ praktisch noodzaakt om werk in de wereld aan te nemen om hun gezin naar behoren te onderhouden. Ongetwijfeld wordt dit door God begrepen, zoals Hij ook de moeiten begrijpt die verbonden zijn aan gehoorzaamheid aan andere Schriftuurlijke vermaningen. Niettemin is het jammer dat in deze jachtige dagen de ouderwetse gastvrijheid bijna niet meer bestaat en we veel verloren hebben door dit vaarwel te zeggen of hebben moeten zeggen. Iedere gelovige zal zeker een gastvrije geest hebben, gelegenheid zoekend om anderen in huis uit te nodigen voor Christelij­ke gemeenschap. Werkers in de kerk, zegt de Apostel, zullen in het bijzonder "gaarne herbergen" (Tit.1:8).  

Klaarblijkelijk doelend op mogelijke vervolging door buitenstaanden, maar toch handelend over onze eigen hartelijkheid als gelovigen, gaat de Apostel verder en zegt: "Zegent hen die u ver­volgen; zegent en vervloekt niet" (V.14).

In 1 Petr.2:23 lezen we van onze Here, dat, "...toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde..."  

En Paulus zegt hetzelfde van zichzelf in 1 Cor.4:12: "...worden wij gescholden, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij verdragen".

Deze zelfverloochening is een deugd die de wereld ongetwijfeld veracht boven alles, maar die God eert en zegent.

V.15 is een schitterende passage over Christelijke sympathie. Sprekend over psychologie, hier hebt u geheiligde psychologie! Hoevelen van ons, zelfs onder pastors en Christenwerkers, dienen te leren dat niemand een belast hart slechts kan troosten door alleen vrolijk te zijn, evenmin brengt iemand zegen aan een blij hart door "een koude douche"! Sympathie is deelhebben, een begrip van andermans gevoelens, en dit is precies wat dit vers bedoelt. "Verblijdt u met de blijden", zegt de door de Geest geןnspireerde Apos­tel, "en weent met de wenenden." Dit is de genadige uitwerking van dat wat we vinden in 1 Cor.12:26 met betrekking tot het Lichaam van Christus: "En hetzij dat ייn lid lijdt, dan lijden al de leden mee; hetzij dat ייn lid verheerlijkt wordt, dan verblijden zich al de leden mee."  

En V.16 van Rom.12 vervolgt heel natuurlijk: "Weest eensgezind onder elkaar", d.i., laat liefde en vertrouwen, sympathie en interesse, wederkerig zijn. "Laat een ieder niet zien op het zijne, maar laat een ieder ook zien op wat van de anderen is" (Phil.2:4).

Dit is zeer belangrijk, want wij zijn allen er op uit om zelfzuchtig te zijn, weinig interesse, of helemaal niet, in de dingen die de ander betreffen. En de Apostel gaat voort om dit te benadrukken in het licht van zijn oorspronkelijke vermaning in V.3: "Streeft niet naar de hoge dingen, maar voegt u bij de nederige. Weest niet wijs in eigen ogen." Los van Christen zijn, is dit een wijze raad. Spr.26:12 zegt: "Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is? Van een zot is meer verwachting dan van hem."  

Wat heeft onze Apostel in zijn brieven veel te zeggen over hoogmoed! Hoe dikwijls waarschuwt hij voor eigendunk! En hoe berispt hij hier onze pretentie om op anderen neer te zien!          

"Vergeldt niemand kwaad voor kwaad" (V.17). Let wel, "niemand". Wij dienen zelfs niet kwaad met kwaad te vergelden aan de goddelozen. Paulus benadrukt dit in 1 Thess.5:15: "Ziet toe, dat niemand een ander kwaad met kwaad vergeldt; maar jaagt te allen tijde het goede na, zowel jegens elkaar als jegens allen." "Draagt zorg voor wat eerbaar is voor alle mensen" (V.17).

Paulus zelf was een goed voorbeeld hiervan. Niet alleen was zijn integriteit onbesproken, maar er waren gevallen dat hij, terwille van zijn bedie­ning, zeker stelde dat anderen  wisten dat dit zo was, speciaal in geldelijke zaken.          

Zoals we weten uit Rom.15:25,26, was Paulus op weg naar Judea met een offerande "voor de arme heiligen...in Jeruzalem." Arme heiligen - in Jeruzalem? Ja, en dit bevestigt de waarde van Paulus' apostelschap en boodschap. Toen het Pinksterprogramma van kracht was lezen we van deze zelfde heiligen:  

"Er was ook niemand onder hen die gebrek had" (Hand. 4:34)­. Maar nu dit programma snel voorbij ging en de heiligen in Judea, die hnn huizen en land verkocht hadden terwille van de gemeenschap van goederen, behoeftig geworden waren, was er nood ontstaan. Paulus kwam zo zijn overeen­komst na met de leiders van de gemeente in Jeruzalem (Gal.2:10), door een massale collec­te te organiseren voor deze behoeftige heiligen. De heidengemeenten in Macedoniכ en Achaje (Rom.15:26), samen met die in Galatiכ (1 Cor.16:1) en andere, namen allen deel aan dit grote offer uit liefde.            

Deze onderneming plaatste Paulus voor een grote verantwoordelijkheid. Omwille dus van zijn getuigenis, schikte hij het zo dat hij zeker was dat niemand ooit zijn financiכle integriteit in deze zaak kon betwijfelen. Toen hij hierover schreef naar de gemeente in Corinthe, had hij reeds "order gegeven aan de gemeenten van Galatiכ" (1 Cor.16:1) over de procedure.            

Zij moesten de collecten verzamelen totdat Pau­lus zou komen (met delegaties van andere ge­meenten). "Ik zal hen, zei hij, die gij bekwaam acht, met brieven zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen" (1 Cor.16:3). Merk op, dat de gemeente te Corinthe geschreven bewijzen van de gedelegeerden die zij hadden gekozen om naar Jeruzalem te gaan met hun offeranden, moest overleggen. En dan voegt hij er zeer bescheiden aan toe: "En indien het de moeite waard is, dat ik ook zelf reis, dan zullen zij met mij reizen" (V.4). Natuurlijk konden zij ook apart gaan!            

Paulus zou zeker degene zijn die het transport van de grote offerande van alle heidengemeenten aan de Judese heiligen kon overzien. Was hij niet de promotor van deze hele onderneming? Maar niet dient te worden vergeten dat nog kort tevoren sommigen daar zijn apostelschap in twijfel getrokken hadden. Daarom nam hij het bovenstaande ook niet als toegestaan maar, in een delicaat verwoorde suggestie, waarin hij zijn rol als leider terecht handhaaft, zegt hij, "Als het schikt dat ik ook reis, zullen zij met mij reizen".            

In 2 Cor.8:20,21 wijst hij opnieuw op de zorg die hij heeft om te zien dat deze grote offerande Jeruzalem zou bereiken zonder enige mogelijk­heid van blaam wegens het aan de anderen die het overgaven, gebonden te zijn: "Om dit te voorkomen, dat iemand ons zou lasteren in deze overvloed die door ons wordt bediend. "Daar wij zorg dragen voor wat eerlijk is, niet alleen voor de Here, maar ook voor de mensen."            

Een geweldige les in fiscale verantwoordelijk­heid, en een goed voorbeeld van de belangrijk­heid van zijn eigen woorden hier in Rom.12:17: Draagt zorg voor wat eerbaar is voor alle mensen." De Apostel geeft uiteraard toe, dat ook de ernstigste overtuiging en motieven niet begre­pen kunnen worden, of ook wel verkeerd uitge­legd. Hij vervolgt dan ook: "Indien het moge­lijk is, voor zover het in u is houdt vrede met alle mensen" (Rom.12:18).            

Als het mogelijk is om vreedzaam met anderen te leven, zo sluit hij hierbij in, wees dan op zijn minst zeker dat de moeilijkheid niet aan uw kant ligt. En dan komt hij, met een ontroerende uit­drukking van zijn liefde voor hen, om geraakte gevoelens te verzachten over kwaad wat hen door anderen is aangedaan, met zijn vermaning tot de conclusie: "Wreekt uzelf niet, beminden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, zegt de Here. "Indien dan uw vijand honger heeft, voedt hem; indien hij dorst heeft, geeft hem te drinken; want door dat te doen, zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. "Wordt door het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede" (V.19-21).            

Het is een natuurlijke zaak bij de meesten van ons, om toorn te wederstaan en ook de persoon die ons kwaad wil doen. Maar dit zou gevaarlijk dicht komen bij het vertonen van hetzelfde ge­drag wat onze tegenstander laat zien - en dat zou verkeerd zijn. Laten wij eerder de toorn van de tegenstander de rug toekeren; geef hem de ruimte. "Geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden, zegt de Here." Het zou een fout zijn om onze problemen uit Zijn handen te nemen, alleen omdat wij boos zijn.            

In V.25 citeert de Apostel uit Spr.25:21,22 waar echter de woorden zijn toegevoegd, "en de Here zal het u vergelden"! Door uw vijand voedsel te geven wanneer hij honger heeft en hem te drinken te geven als hij dorstig is, zult gij "vurige kolen op zijn hoofd hopen", een beeldspraak voor het berouw wat door bekering wordt bewerkt. Hoe passend zijn de woorden van de Apostel: "Wordt door het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede" (V.21). Als wij tegenstaan, en hen uitdagen die ons zouden willen vervolgen, worden wij juist overwonnen door het kwaad. Maar als wij onze vijanden tot vrienden maken, zullen wij het kwade overwinnen met het goede.            

Er wordt een geschiedenis verteld van een vroe­gere generaal die tot zijn verslagen vijand zei, "Ik zal je vernietigen", en daarna een voortreffelijk feest bereidde. Toen zij samen dineerden, zei zijn "vijand", "ik verstond dat u zei mij te zullen vernietigen". "Dat is ook zo" antwoordde de generaal. "Heb ik mijn vijand niet vernietigd en hem tot mijn vriend gemaakt?!"           

Dit is inderdaad de manier waarop God Zijn grootste vijand op aarde, Saulus van Tarsen, "vernietigde". Hij redde hem en beroofde de tegenstand van hun leider en maakte van Saulus de grote Apostel Paulus, de heraut, en het levende voorbeeld van Zijn genade voor zondaars.

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011