"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

H O O F D S T U K  XI -  R O M. 11:1-36

ISRAEL EN DE HEIDENEN IN GODS PROGRAMMA

ISRAELS HUIDIGE POSITIE; NIET HELEMAAL VERWORPEN

"Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. "God heeftZijn volk niet verstoten dat Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israel door te zeggen: "Here, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven. "Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baהl niet gebogen hebben. "Zo is er dan ook een overblijfsel naar de verkiezing van de genade. "En indien het door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer; en indien het uit werken is, dan is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer. Rom.11:1-6

EEN INLEIDEND WOORD

aangezien de vervulling der beloften aangaande Israel schijnbaar ophielden na Hemelvaart en Pinksteren, zijn veel theologen tot de slotsom gekomen dat God niet precies kan hebben gemeend wat Hij zei toen Hij beloof­de dat Christus zou zitten als Koning van Israel op de troon van David in Jeruzalem.

Zij geloven dat God volledig en voor altijd afgedaan heeft met Israel, en dat alle beloften die aan hen gedaan zijn, in "geestelijke" zin dienen te worden verstaan. Terwijl zij het aardse Jeruzalem verwarren met "het Jeruzalem dat van boven is", stellen zij dat Christus nu op de troon van David zit, dat Kanaan de hemel is, de kerk het "geestelijk" Israel, etc., al met al een onduidelijke beeld van nauwelijks te herkennen symbolische taal!

Wij wijzen deze hele manier van uitleg af. Het is net zo ongeldig alsof een mens zou beloven zijn zoon een gouden horloge op zijn verjaar­dag te geven, maar boos op zijn zoon geworden voordat de verjaardag komt, "houdt hij zijn belofte" door aan een ander iemand een grootvaders klok te geven!

Er is in feite niets geestelijks aan deze uitleg van de Schriften. Zij is vleselijk en zondig, doordat zij probeert Schriftuurlijke moeilijkheden te omzeilen door willekeurige verandering van Gods klare Woord. Wij houden het ervoor, dat een mooie naam "vergeestelijking" wordt gegeven aan een manier van Bijbeluitleg die niets anders is dan vals.

Jaren geleden brachten wij in ייn van de Richmond Hill Conferenties de tekst Zach.8:23 naar voren, waar we lezen dat tien mannen uit alle volkeren de slip van een Joodse man zullen grijpen, smekend om met hem mee te mogen gaan. Onze opponent "verklaarde" deze passage door haar te veranderen. Hij  hield vast dat deze profetie nu vervuld wordt. De Bijbel werd geschreven door de Jood, en de heidenen komen nu door Christus en de Bijbel tot zegening.

Wij antwoordden dat het 13 de. vers over ditzelfde volk zegt: "...GELIJK GIJ GEWEEST ZIJT EEN VLOEK ONDER DE HEIDENEN... ZO ZULT GIJ EEN ZEGENING WEZEN." Waren Christus en de Bijbel ooit een vloek voor de heidenen? Moest God Christus of wel de Bijbel redden om deze tot een zegening te maken! Als we naar de "Nieuw Testamentische" Schriften gaan, vinden we de duidelijke zuivere uitleg van deze "Oud Testamentische" profetieכn. Toen de geboorte van onze Here naderde, kondigde de engel aan: "...God, de Here, zal Hem de troon van Zijn vader David geven; En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn" (Luk.1:32,33).

Er zouden wel een dozijn aanhalingen uit de "Nieuw Testamentische" Schriften zijn aan te wijzen die hierop doelen. Maar de vergeestelijkers  veranderen ook deze, bewerend dat Christus nu regeert over "het huis van David" d.i. de kerk, Zijn "verbondsvolk" vandaag, en dat het "Lichaam van Christus" hetzelfde is als het "koninkrijk van Christus", waarover Hij voor eeuwig zal regeren. Veel vergeestelijkers beweren dat de discipelen van onze Here ongeestelijk waren toen zij vroegen, na Zijn opstanding: "Here, zult Gij in deze tijd aan Israel het Koninkrijk weer oprichten?"

(Hand.1:6). Het is moeilijk te ontkennen dat deze discipelen niets anders verwachtten dan de oprichting van de theocratie in groter glorie, met Christus als Koning. Maar was dit een teken van onwetendheid of gebrek aan geestelijk begrip? Dat geloven wij niet. Wij lezen juist over het gesprek van onze Here met Zijn dicipelen na Zijn opstanding: 'Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden" (Luk.24:45). En dan, met hun ogen geopend tot verstaan van de Schriften, bracht onze Here "veertig dagen" met hen door, "sprekende over de dingen die het Koninkrijk van God aangaan" (Hand.1:3). Hoe konden zij dan zo vleselijk of onwetend geweest zijn om deze vraag van Hand.1:6 te stellen? In feite zijn het  de zogenaamde "vergeestelijkers", vleselijk bij het veranderen van het klare Woord van God, en onbekend met de grote waarheden, die zo'n volstrekt nutteloze koers bepalen. Als iemand het geheimenis aan Paulus geopenbaard, ziet en erkent, bestaat er geen behoefte om enige profetie te veranderen  teneinde deze in overeenstemming te brengen met de huidige bedeling.

De "vergeestelijking" van het profetische Woord is een ernstige fout om drie belangrijke redenen:

1. Het maakt ons afhankelijk van de genade van theologen. Als de Schriften niet menen wat zij klaarblijkelijk en vanzelfsprekend blijken te bedoe­len, wat zullen zij dan anders bedoelen, en wie heeft de autoriteit om dat te beslissen? Dan is wellicht redding tenslotte niet door genade. Misschien is zij toch uit werken. Misschien bedoelen de Schriften toch iets anders - en wie heeft de autoriteit om ze voor ons uit te leggen?

Als "vergeestelijking" van de Schriften geoorloofd is, zijn wij werkelijk aan de ongenade van de theologen overgeleverd, en toekomstige theologen mogen datgene wat de theologen van vandaag ons toestaan, morgen weer afnemen. Evenmin zal het goed zijn om tot de Schriften terug te gaan om te zien wat God zegt, want God meent niet altijd wat Hij zegt, en alleen ervaren theologen kunnen Zijn Woord correct voor ons uitleggen! Dit is de positie die de kerk van Rome inneemt, die zichzelf de uiteindelijke autoriteit aanmatigt in geestelijke zaken. Dit leidt inderdaad tot een vicieuze cirkel, want waar zou Rome haar autoriteit vandaan hebben?!

2.  Zij tast Gods waarachtigheid God aan. Het is eigenlijk een dolksteek naar Zijn eer. Als niet meer wordt gesteund op de eerlijke, natuurlijke bedoeling van de beloften in het "Oude Testament", hoe kunnen we dan  op enige belofte van God vertrouwen? Dan zou Hij, wanneer Hij zegt, dat "Christus stierf voor onze zonden", ook iets anders kunnen bedoelen. Dit is ondenkbaar voor God. Het is alleen correct dat degene aan wie beloofd wordt, een goed begrip heeft van de belofte, want iets toegezegd zijnde, zal hij het recht hebben om precies te  mogen claimen wat hem beloofd is. Een klein kind, verward door een dubbelzinnige uitlegging van een Schriftgedeelte, wordt verondersteld de vraag te stellen: "Als God niet meende wat Hij zei, waarom zegt Hij dan niet wat Hij bedoelde?"

3. Zij is de moeder van de afvalligheid. Wanneer Luk.1:32,33 wordt "vergeestelijkt", stemt de Modernist of Liberaal er van harte mee in. Hij geeft toe dat de troon van David en het huis van Israel in deze passage dient te wor­den gezien in "geestelijke" zin - en evenzo de direct daarop volgende paar verzen! Dan werd Christus niet werkelijk uit de maagd geboren. Dit is slechts een getekend beeld om ons de zuiverheid van Zijn persoon te tonen!

En de Modernist ontkent de opstanding op dezelfde manier. Wat betreft Hand.2:30-32 wordt geredeneerd dat Christus blijkbaar niet werkelijk de troon van David zal bezetten en evenmin werkelijk uit de dood is opgestaan! De Schriften die dit zo zeggen dienen "geestelijk" te worden uitgelegd!

En dan komt een "Jehova's Getuige", die er aanspraak op maakt ייn van de 144000 te zijn. Vraag hem van welke stam hij is, en hij zal verklaren, dat niet lijfelijke, maar "geestelijke" Israכlieten worden bedoeld in de profetie van de 144000. Toch wordt ons duidelijk verteld dat er zullen zijn, 12000 van iedere stam, en de stammen met name genoemd!  Rome gebruikt dezelfde redenering. Zij verzoekt het koninkrijk van Christus op aarde te vestigen - waarbij zij zelf dat koninkrijk is!

Zij die toevlucht zoeken onder de "vergeestelijking" van de profetische Schriften omdat zij op geen andere manier de blijkbare onderbreking van hun vervulling in deze tegenwoordige tijd kunnen verklaren, zullen de oplossing van hun probleem vinden in de erkenning van het "Geheimenis". Wij herhalen: Erken het Geheimenis en de behoefte om de profetie te veranderen bestaat niet meer.

In Rom.11 rekent de apostel Paulus, aan wie het Geheimenis werd geopenbaard, af met de leer dat God afgedaan heeft met Israel en al haar zegeningen overgegeven heeft aan de kerk, het Lichaam van Christus.

HET GELOVIG OVERBLIJFSEL

De grote waarheden in Rom.11 zijn essentieel tot het verkrijgen van een duidelijk begrip van Gods programma voor deze en de toekomende tijd. Hoofdstukken 9 en 10 verklaren waarom God tenslotte Israel opgaf (tijdelijk) en ophield om met haar als een volk te handelen. Dit is, zoals we gezien hebben, de oorzaak die sommigen tot de conclusie bracht dat God met Israel heeft afgedaan, en de kerk, het Lichaam van Christus, in haar plaats heeft opgericht. Paulus geeft antwoord op deze vergissing in Hoofdstuk 11 en laat zien dat "haar verwerping" niet volstrekt is, noch blijvend.

Het latere gedeelte van Vers 1, samen met V.2-5 en V.15, tonen duidelijk de zin van V.1 aan.

"Heeft God Zijn volk verstoten?"

hetgeen betekent volkomen en blijvend? En het antwoord is, "Dat zij verre!". V.15 geeft aan dat God het volk Israel heeft verworpen, maar het argument van Paulus dat God een overblijfsel voor Zichzelf gereserveerd heeft (V.2-5) toont dat hij in V.1 bedoelt dat God niet heel Israel heeft verworpen.

Om dit te bewijzen verklaart hij, "Ik ben ook een Israeliet", d.i. God heeft mij niet verworpen! Zeer zeker was niemand beter geschikt dan Paulus om dit argument te gebruiken, want hij was niet alleen een volbloed zoon van Abraham, maar hij behoorde tot de kleine, maar nobele, stam van Benjamin.

Het feit dat hij niet zegt "gij zijt zelf Israכlieten" of "Er zijn onder u menige gelovige Israכlieten" (klaarblijkelijk het beste bewijs dat God Israel niet in haar geheel had verworpen), is nog een bewijs dat de kerk te Rome was samengesteld uit overwegend gelovigen uit de heidenen, en niet uit Joodse bekeerlingen die voor de Messias gewonnen waren door enkelen die na Pink­steren naar Rome teruggekeerd waren. Dit wordt verder bevestigd door zijn woorden in V.13, waar hij zegt, "Want ik spreek tot u, heidenen..."

Er is een verleiding om de woorden "Zijn volk dat Hij tevoren gekend heeft" alleen te betrekken op het overblijfsel; zij waren niet verworpen. De erop volgende context echter wijst duidelijk aan, dat de apostel nog steeds het hele volk bedoelt, dat God inderdaad tevoren had gekend, en dat vanwege Zijn plannen met het volk, Hij niet allen verworpen had. Veel "Oud Testamentische" Geschriften bevestigen dit gezichtspunt, zoals:

1 Sam.12:22: "Want de Here zal Zijn volk niet verlaten, om Zijn groten Naam wil; dewijl het de Here beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken." Jer.31:37: "Zo zegt de Here: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de Here."

Deze en andere "Oud Testamentische" passages bewijzen dat God bedoeld had om Israel nimmer geheel te verwerpen of voor altijd. Niettemin tonen andere passages aan, zoals 2 Kon.23:27, dat Hij er toen reeds aan toe was om het volk tijdelijk terzijde te stellen zoals: "En de Here zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen."

Herinnert dit niet aan de bedroefde woorden van onze Here in Matt. 23:37­-39: "Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en stenigt wie tot u gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw

kinderen willen bijeen-vergaderen, zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert onder haar vleugels; en gij hebt niet gewild. "Zie, uw huis wordt u woest gelaten. "Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heren! Dit alles bevestigt Paulus' redenering in Rom.11:1-5.

De woorden "verworpen" in V.12 (Gr.apotheo) betekenen, van zich wegduwen, wegdoen door middel van afwijzing, en wij zouden juist deze hun volle kracht eerder dienen te laten behouden dan ze te verminderen met termen zoals "terzijde gesteld". Dezelfde term in V.15 is een lichtelijk verschillend Grieks woord (apobole), maar is zo zeer synoniem, dat het net zo onvruchtbaar is om het te gebruiken teneinde de feiten van Gods handelen met Israel te willen verzachten.

Het punt in deze passage is, dat God niet alle Israכlieten heeft verwor­pen. Eens dacht Elia dat Hij dat gedaan had! De verering van Baal was praktisch Israכl staatsreligie geworden. Onder Achab en Izebel boog de menigte voor deze heidense god. Elia had moedig deze slechte, afgodische religie uitgedaagd, en had "glorieus getriomfeerd", maar bijna onmiddellijk daarna moest hij vluchten voor zijn leven voor de boze Izebel, en toen God hem vond, volkomen ontdaan, zei hij, als het ware, "Here, waar was U? Ik heb zeer naar U uitgezien, maar welk een bemoediging hebt Gij mij gegeven?"

"...zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn leven" (V.3; cf.1 Kon.19:10,14).

Gods antwoord aan Zijn ontdane profeet is hartverwarmend en majes­teitelijk:

"Ik heb Mijzelf nog zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben" (V.6). Zoveel mannen moedig genoeg om te weigeren te knielen voor Baal? En onder zo'n druk?! Ja, door de genade van God!

Het is treurig dat in het moderne evangelisme van vandaag zoveel toegeeflijkheid voor komt. Weinigen, als ze er al zijn, van de Neo-evangelischen hebben uitgezien en de genade ontdekt om "Nee" te zeggen tegen de druk van een afglijdend Chris­telijk leiderschap. Eerder hebben zij zelf de kerk tot zo'n laag geestelijk peil gebracht.

Let echter wel: God zei niet, "Gelukkig dat er ongeveer 7000 oprecht zijn gebleven." Hoe konden zij oprecht blijven dan alleen door genade? Eerder zei Hij, "Ik heb voor Mijzelf zevenduizend mannen gereserveerd". Zo laat het verslag in de Schrift niet alleen de heldhaftigheid van dit gelovig overblijfsel zien, maar Gods bedoeling om hen voor Zichzelf te reserveren. Alle roem moet voor Hem zijn, zonder Wie het overblijfsel net zo laf en slecht geweest zou zijn als de rest.

In de dagen van Paulus moesten vele Joden die in Christus geloofden als hun Redder, en oprecht voor Hem stonden, veel lijden verduren van hun stamgenoten. Dit konden zij alleen maar doen door Gods genade, net zoals zij gered waren door Gods genade. Niettemin moeten wij "genade tot hulp" (Hebr.4:16) niet verwarren met reddende genade. Daarom vervolgt de apostel

"Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing van de genade. "En indien het door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer; en indien het uit werken is, dan is het geen genade meer, anders is het werk geen werk meer" (V.5,6).

Genade is geen genade als het vermengd is met werken. De twee principes zijn wederkerig uitgesloten (Rom.4:4,5). Zo is er bij redding geen "eigen deel" te doen; het is de gave van Gods liefde die wordt ontvangen in eenvoudig geloof (Rom.6:23; Eph.2:8,9). Heeft een lezer misschien besloten om gered te worden door eigen inspanning? Dan zal die lezer door al het lijden moeten gaan wat Christus heeft doorgemaakt om de straf te betalen voor zijn zonden - en dat zal een eeuwigheid duren in "de poel des vuurs"

Paulus zelf was een deel van het overblijfsel overeenkomstig de verkie­zing van genade. Hij verdiende het meest om verworpen te worden samen met zijn opstandige volksgenoten, maar hij werd gered door Gods genade (1 Tim.  1:13-16). Dit zou voor ons, heidenen in het vlees, veel betekenen, want wij verdienen zeker niet om te worden geteld onder het volk van God.

 ONGELOVIG ISRAEL  GERECHTIG VERBLIND 

"Wat dan? Wat Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard gewor­den, "[Zoals geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen], tot op de huidige dag. "En David zegt: Laat hun tafel worden tot een strik en tot een val en tot een aanstoot en tot een vergelding voor hen. "Laat hun ogen verduisterd worden om niet te zien en laat hun rug voor altijd krom zijn." - Rom.11:7-10

"Wat dan? Of, "Waar leidt dit alles heen?" Het antwoord is: "Israel heeft niet verkregen waarnaar zij zoekt, maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden" (V.7).

Wat was het waarnaar Israel zocht maar niet verkreeg? Gerechtigheid. Zij verkregen het niet "omdat zij hun eigen gerechtigheid trachtten op te richten", zij weigerden om "zich aan de rechtvaardigheid Gods te onderwer­pen" (Rom.10:3). Zij

"zochten de wet van de rechtvaardigheid", maar faalden om rechtvaardigheid te bekomen. "Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want ZIJ HEBBEN ZICH GESTOTEN AAN DE STEEN DES AANSTOOTS" (Rom.9:31,32).

Zij wilden niet Gods gerechtigheid aannemen, toegerekend door genade, en zoals we zojuist gezien hebben, als het door genade is, is het niet door werken, en als het door werken is, dan is het niet door genade (V.6).

Opmerkelijk is dat V.7 niet zegt dat "de rest blind was", maar dat zij "verblind werden"[i]. Als zij blind geweest waren, was er een zeker excuus voor hun gedrag geweest, maar zij waren niet blind. Zij wisten dat zij hadden gefaald, dag aan dag, jaar na jaar, om Gods Wet te houden, maar onwillig om "op te geven" en God aan te roepen om barmhartigheid, gingen zij door met "hun eigen gerechtigheid op te richten". God gaf hen uiteindelijk op en liet toe dat een gerechtigde blindheid over hen kwam. Om de betekenis van het woord "blindheid" (Gr.,poroo) in V.7 te begrijpen, dienen de laatste woorden van V.7 aansluitend te worden gelezen met V.8: "...en de rest is verblind geworden (K.J.V.) [Zoals geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien  en oren om niet te horen...]" ]

Hier hebben we nog twee van Paulus' beeldspraken. In Rom.10:8-10 was het de mond en het hart; hier is het het oog en en de oren. En betekenisvol, waar "slaap" overmant, zijn niet alleen de ogen, maar ook de oren betrokken.

Wanneer iemand in slaap valt, wordt hij blind, en ook doof voor de dingen om hem heen. Zo gaf God Israel op aan haar eigenblindheid en gaf haar "de geest van diepe slaap...tot op de huidige dag" (V.8). In V.9,10 haalt de apostel Paulus David aan in Ps.69, om een nog grotere nadruk te leggen op de dwaasheid van eigengerechtigheid en toont hoe God, oordelend, de zegeningen van Israel omkeerde in vloeken vanwege deze houding.

In Davids dagen zaten de meeste mensen eenvoudig op de grond om te eten, meestal in het rond, met het voedsel voor zich en bij hen. Vanwege het warme klimaat in Palestina aten zij dikwijls buiten, op lakens en kleden. Dit was een welkome gelegenheid voor een vijand om het te overvallen, gezeten op de grond en omringd door borden, eten, etc. In zo'n geval werd hun "tafel" tot een "strik" en een "aanstoot", want onder zulke omstandigheden zou het moeilijk zijn om vlug op te staan. Zij zouden struikelen over de borden, het voedsel, de bedienden en andere obstakels. Toegepast op Israel in de dagen van Paulus en op het religieuze maar ongeredde volk in onze dagen, zou gezegd kunnen worden, "Laten hun speciale privileges hun tot een strik worden. Laat hun bezit van Gods Woord en hun vorm van aanbidding voor hen, niet een zegen, maar een vloek worden; een "vergelding" voor hun zelfgerechte houding en gedrag". De apostel vervolgt:

_________ 

8*\ Wij kunnen niet de definitie van het Griekse poroo en porosis als "ver­harden" en "hardheid" accepteren dan alleen in de zin van verdoving of hard­heid van zinnen. In het algemeen wordt dit woord verbonden met een gebrek aan geestelijk begrip, en dit is uiteraard verbonden met blindheid. Bovendien definieert de apostel zelf het in het volgende V.8, met een "geest van diepe slaap".

Laat hun ogen verduisterd worden om niet te zien en laat hun rug voor altijd krom zijn" (V.10).

Hoe tekenend! Zij wilden hun zondige toestand niet erkennen; zij stonden erop zaligheid te verkrijgen door eigen inspanning. Daarom zegt God, "Laat hun ogen verduisterd worden", zodat zij hun toestand niet zullen erkennen, en "krom hun rug voor altijd" met een last die zij onmogelijk kunnen dragen, d.i. zij werden gerechtelijk verblind, en moeten de waardeloosheid van hun eigengerechtigheid dragen.

ISRAELS VAL EN HERSTEL

"Ik zeg dan: Zijn zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid voor de heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken."En indien hun val de rijkdom is van de wereld, en hun vermindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer hun volheid! "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk; "of ik zo mogelijk mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht. "Want indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal de aanneming zijn anders dan leven uit de doden? "En indien de eerstelingen heilig zijn, dan is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, dan zijn ook de takken heilig." Rom.11:11-16

Er dient te worden opgemerkt dat bovenstaande passage niet voornamelijk over de zegen van de heidenen handelt door de val van Israel, hoe belangrijk dit feit ook is. Eerder handelt het in beginsel over het feit dat God nog steeds Israel op Zijn hart heeft en in Zijn plannen opgenomen; dat Hij haar zal herstellen van haar huidige gevallen positie en tot grote glorie zal brengen. Zie de scherpte van zijn betoog als hij doorgaat met zijn redenering dat God het geliefde volk niet voor eeuwig heeft verworpen:

1. "Zijn zij gestruikeld opdat zij vallen zouden[ii] [d.i. zonder herstel] (V.1). a. "Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid voor de heidenen­ geworden om hen tot jaloersheid te verwekken" (V.11). b. "En indien hun val de rijkdom is van de wereld, en hun ver­ mindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!" (V.12).

2. "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk" (V.13). a. "of ik zo mogelijk mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht" (V.14). b. "Want indien hun verwerping de verzoening is van de wereld, wat zal de aanneming zijn anders dan leven uit de doden?" (V.15).

En hier voegt hij aan toe: "En indien de eerstelingen heilig zijn, dan is ook het deeg heilig; en indien de wortel heilig is, dan zijn ook de takken heilig" (V.18).

Wij nemen aan dat hier de "eerstelingen" diegenen zijn die op Pinksteren de redding van de volkeren vooraf schaduwden, "het deeg". Evenzo is het met de "takken", hoewel in het licht van de erop volgende contekst de "wortel" in dit geval helemaal tot Abraham zou kunnen teruggaan.

Hier is een korte maar belangrijke uitwijding noodzakelijk. Omdat het waar is dat er ייn reden was waarom Paulus zijn bediening als apostel der heidenen bevestigt, dit was om zijn stamgenoten uit te dagen tot jaloersheid (dat zij zouden benijden wat hij had). Staan blijft dat hij schreef door goddelijke inspiratie: "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk" (V.13).

Het is van doorslaggevende betekenis om dit vast in gedachten te houden. Wij leven in dagen waarin het unieke karakter van Paulus' apos­telschap gering wordt geacht, zo niet ontkend. Hij wordt beschouwd als niet meer dan "ייn van de apostelen". Sommigen denken zelfs dat de elven een vergissing begingen door Matthias te kiezen om de plaats van Judas te vervul­len - dat Gods bedoeling was dat Paulus de twaalfde apostel zou worden.

_________

9*\ Het Grieks voor "val" hier, is niet hetzelfde als dat wat staat in de vol­gende twee zinnen. Hier is het woord ptaio, vallen zonder mogelijkheid van herstel. Het staat voor dreigen en duidt op een aanstaande val. Maar in de volgende twee gevallen staat er paraptoma, omvallen, of uitvallen, zoals een soldaat uit het gelid valt, Beide woorden echter worden gebruikt in een morele of gees­telijke zin. Inderdaad worden zij soms beiden weergegeven als "beledig­ing" in de K.J.V.    

We hebben echter reeds aangetoond in veel Searchlight artikelen, zowel als in onze boeken, "Dingen die daarvan verschillen", "Mozes en Paulus", "Onze Grote Opdracht", en "Handelingen, beschouwd in het licht van de bedeling van Gods genade", dat het apostelschap van Paulus volledig gescheiden en verschillend was van dat van de twaalven, en dat hij inderdaad niet gekwalificeerd was voor een plaats onder hen.

Zij die de het onderscheid van Paulus' apostelschap en bediening niet onderkennen of ontkennen, of nalaten om dit de nodige aandacht te schenken, geringschatten wat God heeft verheerlijkt. Zeer zeker is het ondermijnen van de plaats van Paulus als de door God aangewezen apostel der genade eveneens de ondermijning van de "bedeling van Gods genade" zelf, want Paulus was het levend bewijs van de genade die hij verkondigde. Vandaar zijn strijden ter verdediging van zijn apostelschap. Echter dient te worden opgemerkt dat terwijl hij inder­daad zijn bediening heerlijk maakte, hij nooit zichzelf omhoog stak.  

Nu terug naar Israels val en herstel.

                HUN VERMINDERING

De tegenwoordige "vermindering" van Israel, genoemd in V.12, heeft ongetwijfeld te doen met zowel haar nationaal, als geestelijk verlies. Tegenwoordig Israel is niet het "hoofd" temidden van de grote volken van de wereld (Deut.28:13); eerder is zij de "staart" (28:44). En in plaats van geestelijk licht uit te stralen naar de volken, is zijzelf verblind, zoals we hebben gezien.                         

Wij geloven echter, dat de "vermindering" van Israel slaat op hun numerieke vermindering. Dit was, overeenkomstig Ex.34, Lev.26, Deut.28, en andere Oud Testamentische passages, een van de belangrijkste blijken van Gods ongenoegen met Israel, wanneer zij Hem veronachtzaamde. Deze pas­sages waarschuwen Israel in detail dat God, Die heeft beloofd hen te vermenig­vuldigen en hun grenzen te vergroten, als zij Hem zouden verlaten, hen voor een tijd zou afsnijden, door pestilentie, honger en zwaard, tot zij zouden worden "klein in getal" en hun grenzen op tragische wijze verkleind zouden zijn.

Hoe opvallend is dit in het bestaan van het uitverkoren volk vervuld sinds zij zich in opstand tegen God en Christus bij de heidenen gevoegd hebben (Ps.2:1-3; cf. Hand.4:25-27)!

De totale bevolking van de Joden, ofwel Israelieten is vandaag ongeveer 14.353.790. Klinkt dit als een groot aantal? Vergelijk het dan met de bevol­king van andere religieuze groepen:

Christenen....................................  954.766.700

Moslims...........................................      538.213.900

Hindoes...........................................      524.273.500

Boedhisten..................................... 249.877.300

Confucianen...........................................      186.104.300

Israelieten...............................................        14.353.790

Israel is dus numeriek verminderd wanneer we haar vergelijken met de andere grote religies van de wereld. Er zijn meer dan 66 maal zoveel "Christenen" in de wereld, meer dan 37 maal zoveel Moslims, en zelfs meer dan 13 maal zoveel Confucianen. Toch was het aan het volk van Israel dat God beloofde dat zij zou worden vermenigvuldigd "als de sterren aan de hemel en als het zand van de zee".

Of vergelijk eens nationaal de bevolking, naar raming, van:

China.................................................      864.000.000

India.....................................................      625.000.000

USSR.................................................      258.000.000

Japan...................................................      113.000.000

Duitsland......................................... 61.000.000

Italiכ.....................................................        56.000.000

Frankrijk.................................................        53.000.000

Egypte.................................................        38.000.000

Israel.....................................................           3.700.000

Uit het vorenstaande kan duidelijk worden gezien dat zelfs de bevolking van landen als Japan, Duitsland, Italiכ en Frankrijk, vele malen meer is dan Israel. Zelfs Egypte heeft een tienmaal hogere bevolking, en vergeleken met China en India is zij inderdaad minimaal. Zoals wij hebben gezegd, beloofde God het zaad van Israel te vermenig­vuldigen "als de sterren aan de hemel en als het zand aan de zee". Inderdaad was hun aantal, 3500 jaren geleden, nadat Israel in slavernij geweest was gedurende 400 jaren (Hand.7:6) en velen waren omgekomen aan hun ontberin­gen of ter dood gebracht (Ex.1:22), zelfs toen, gedurende 430 jaren in Egypte, hun aantal was toegenomen van 70 zielen tot naar schatting twee tot drie miljoen[iii] (Zie Ex.12:40,41; Deut.10:22). Toch nu, na drie en een half mil­lennia is hun aantal minder dan 15.000.000 zielen, waardoor andere volken en religies hen grotelijks overtreffen.

Geef hiervan de schuld aan Hitler en alle vervolgers van Israel, al de eeuwen door - en dat is ook zo - maar toch blijft het feit dat God het toeliet, en dat telkens weer Israels eigen Geschriften ons de reden ervan vertellen. In aanvulling op de vele beloften van Israels vermenigvuldiging hebben we in de boven-genoemde hoofdstukken drie passages die hier dienen te worden aan­gehaald met betrekking op Israels voorspoed in tegenstelling tot haar "ver­mindering": Ex.34:24: "Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren."

De vermenigvuldiging en vergroting van Israel zou haar deel zijn als zij God geloofde en gehoorzaamde. Door ongeloof en ongehoorzaamheid echter zou het volgende haar lot zijn - en is dit geworden: Deut.28:62: "En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij aan de stem des Heren uws Gods niet gehoorzaam geweest zijt." Lev.26:17: "Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben en gij zult vlieden als u niemand vervolgt."

Hoe dikwijls zijn in de voorbije eeuwen deze laatste twee passages vervuld geworden! Zelfs vandaag heeft nog maar een kleine minderheid der Israelieten slechts een bedreigd houvast op een klein deel van het eens aan haar beloofde land. Als slechts zij van het eensuitverkoren volk konden zien dat dit de vervulling is van Gods waarschuwingen die zo dikwijls in hun eigen Schriften herhaald zijn - en indien zij de woorden van de apostel Paulus, de Hebreeכr uit de Hebreeכn, die hen zo oprecht liefhad, ter harte zouden nemen, en redding zouden ontvangen door genade door geloof in Christus!

Als we spreken van een klein getal, is inderdaad het "overblijfsel naar de verkiezing der genade", net als in de dagen van Jesaja, "een weinig overblijfsel" (Jes.1:9), zo klein dat in de duizenden spreekbeurten in "heiden"kerken die de auteur de jaren door vervuld heeft, heel weinig gelovende Joden met ons samenkwamen. Zo gering was hun aantal, dat waar slechts twee of drie tegenwoordig waren, de predikant van de kerk geneigd was voorover te leunen en te fluisteren, "We hebben enige Joodse gelovigen in deze gemeente".

Halen wij al deze statistieken en feiten aan om Israel te kleineren? In geen geval! want de auteur had reeds jaren een speciale liefde in zijn hart voor de Joden, en ziet met groot verlangen uit naar de dag wanneer God haar opnieuw tot grote heerlijkheid zal opwekken, en Zijn oorspronkelijke beloften voor haar vervuld zullen zijn, als "de heidenen [volkeren] tot [haar] licht zullen gaan, en koningen tot de glans, die [haar] is opgegaan" (Jes.60:3). Geen wonder dat de apostel Paulus de tegenwoordige stand van zaken noemt: "dit geheimenis onder de heidenen" (Col.1:27), want het is zeker niet de vervulling van de profetie over hen! (Zie Rom.11:25; cf. 15:8,9). De Oud Testamentische profetie zegt niets over de redding van de heidenen door Israכl val. Dit is de gave van Gods genade, en wij, heidenen naar het vlees, dienen elke keer nederig dankbaar te zijn als we samenkomen met gelovigen uit de heidenen om Israכl God en haar Messias, nu het hoofd van "de Gemeente die Zijn Lichaam is", te aanbidden.

We hebben niet genoeg ruimte beschikbaar om hier de grootse inhoud van de Oud Testamentische profetie te bespreken aangaande Israels herstel, maar dit is wel het grote punt in Paulus' redenering in Rom.9:1 en speciaal in hoofdstuk 11. God heeft Israel niet verworpen, niet gedeeltelijk en niet voor altijd, maar slechts "gedeeltelijk" en "totdat" (Rom.11:25), d.i. haar gerech­telijke verblinding is slechts gedeeltelijk en tijdelijk. Zij zal in heerlijkheid hersteld worden, veel groter dan zij ooit in het verleden heeft gekend.

En dit zal eveneens de volkeren betreffen, want "indien hun val nu is de rijkdom van de wereld",

_________ 

10*\is geschat vanuit het feit dat kort na hun bevrijding uit Egypte het totaal aantal mannen "van twintig jaren en ouder", die "in staat waren in de oorlog te gaan" 603.550 was (Num.1:45,46).

denk dan eens aan de rijkdommen die tot de volkeren zullen stromen door Israels redding en opstanding! De Oud Testamentische profetie is vol met beschrijvingen van deze wonderbare tijd van zegening onder de regering van de Messias

[iv]. Beschouwen we slechts enkele van Paulus' verklaringen in­ Rom 11:

V.2: "God heeft Zijn volk niet verstoten [d.i. niet blijvend of geheel] dat Hij tevoren gekend heeft.

V.5: "...een overblijfsel naar de verkiezing der genade."

V.7: "Wat Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uit­verkorenen hebben het verkregen..."

V.12:"En indien hun val de rijkdom is van de wereld, en hun ver­mindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!"

V.15:"Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming zijn anders dan leven uit de doden?"

V.26:"En zo zal heel Israel gered worden, zoals geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden van Jakob afwenden."

Wij hebben ons dikwijls afgevraagd wat onze "vergeestelijkende" broeders doen met passages zoals Rom.11:7,12,15 - en hebben nooit een duidelijk antwoord gelezen op de verklaringen van de apostel in deze verzen. Zeer zeker moet de "uitverkiezing" in V.7 slaan op de verkiezing uit Israel.

Voor wat betreft V.12, hoe kan "hun volheid" iets anders zijn dan de "volheid" van hetzelfde volk dat was "gevallen" en was "verminderd"? En moet het tweede "hun" in V.15 niet op hetzelfde volk slaan als het eerste "hun"? Toegegeven dat het tweede "hun" niet in het Grieks wordt gevonden - is daar ook niet nodig - maar zeker wel in het Engels [en Neder­lands, vert.] als noodzakelijke stijlfiguur. Ontegenzeggelijk leert dit vers dat aangezien Israels "verwerping", "de verzoening van de wereld"[v] met zich bracht, de "aanneming van hen", zal zijn "leven uit de dood".

________

11*\De auteur heeft over dit onderwerp meer geschreven in zijn Things that differ, Pp 49-53. (vert. Dingen die daarvan verschillen).

Hoe kan het tweede "hun" dan, waar ook, "ver-geestelijkt" slaan op een andere verbinding?

DE ZEGENING VAN DE HEIDENEN VANDAAG

Omdat het hoofddoel van de apostel in hoofdstuk 11 is te bewijzen dat God niet "afgedaan heeft met Israel", zoals de "vergeestelijkers" leren, is het verhelderend te kijken wat hij zegt met betrekking tot de zegening van de heidenen tijdens deze tegenwoordige "bedeling van Gods genade". Laten we dit bezien in het licht van haar achtergrond.

In overeenstemming met verbond en profetie zouden de heidenen -en zijn dit nog steeds - gezegend zijn door de verheffing van Israel. Zie slechts op de twee volgende Schriftpassages:

"...Ik zal u grotelijks zegenen en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand, dat aan de oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten. "EN IN UW ZAAD ZULLEN GEZEGEND WORDEN ALLE VOLKEN DER AARDE..." (Gen.22:17,18). "Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. "Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volken; DOCH OVER U ZAL DE HERE OPGAAN, EN ZIJN HEERLIJKHEID ZAL OVER U GEZIEN WORDEN. "EN DE HEIDENEN ZULLEN TOT UW LICHT GAAN, EN KONINGEN TOT DE GLANS, DIE U IS OPGEGAAN." (Jes.60:1-3).

Dit zal in de toekomst plaats vinden, maar vandaag gebeurt het zeker niet. Vandaag is de situatie inderdaad geheel anders. Al zal aan Israel, naar de profetie, suprematie over de volken worden gegeven (Jes.60:10-12; 61:6), is dit vandaag niet zo.*

_________

12*\Let wel: "de verzoening der wereld", niet alleen de verzoening van de heidenen (Cf.Rom.11:32). In 2 Cor. 5:19 lezen we dat (op Golgotha) "God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende was", maar historisch gezien kon Hij hen niet met Zichzelf verzoenen, totdat Israel, zowel als de heidenen, "verworpen" waren (Rom.11:12), want aan verzoening gaat vervreemding vooraf. Vandaar dat het door het kruis was dat God alzo de wereld met Zich verzoende, maar historisch, als Israel was "verworpen". Deze verzoening is natuurlijk Gods deel in de verzoening van God en mens met elkaar, want Hij zendt ons uit naar Zijn vijanden, met de bediening van verzoening, hen smekend in Zijn naam, "Laat u verzoenen".

Israel is als volk buiten Gods gunst gesteld, zoals de heidenen dat eeuwen tevoren werden, maar aan beiden, Joden en heidenen, wordt nu persoonlijk verzoening aangeboden uit genade door het vergoten bloed van Christus (2 Cor.5:14-21; cf.Rom.11: 32,33).

Volgens verbond en profetie zullen de heidenen worden gezegend door middel van Israel (Gen.22:17,18; Zach.8:13), maar vandaag worden zij gezegend door Israels afwijzing (Hand.13:44-46; Rom.11:28-32). Volgens profetie zullen de heidenen worden gezegend door Israels verheffing (Jes.60:1-3; Zach.8:22,23). Maar vandaag worden de heidenen gezegend door hun val: "door hun val is de zaligheid [redding] voor de heidenen geworden" (Rom.11:11; cf.V.12,15).

Zo is de zaligheid [redding] der heidenen - en Joden - vandaag niet gebaseerd op enig verbond, maar alleen op Gods genade, niet op de vervulling van enige profetie, maar op Zijn eeuwig doel, "het geheime­nis ...ver­borgen sinds het begin van de wereld", maar op de bestemde tijd bekend gemaakt door de apostel Paulus (Rom.11:25; Eph.3:1-4).

DE OLIJFBOOM, DE WORTELS, EN DE TAKKEN

"En zo enige van de takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in hun plaats zijt ingeכnt, en aan de wortel en de vet­tigheid van de olijfboom mede deelachtig zijt geworden, "beroem u dan niet tegen de takken; en indien gij u beroemt, gij draagt de wortel niet, maar de wortel u. "Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou geכnt worden. "Het is terecht. Zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees. "Want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare. "Zie dan de goedertierenheid en de strengheid Gods; de strengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden. "Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeכent worden; want God is machtig ze weder in te enten. "Want indien gij afgehouwen zijt uit de olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeכnt, hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geכnt worden!" - Rom.11:17-24

Met het gebruik van de bekende figuur van de olijfboom stelt de apostel verder zijn argument dat God Israel niet verstoten heeft, niet geheel of ten laatste - en hij waarschuwt gelovige heidenen niet hoogmoedig te zijn, omdat God, voor een bepaalde tijdsduur, ongelovig Israel bij hen heeft geplaatst. Om precies vast te stellen wie bedoeld wordt met de olijfboom, haar wortel, haar natuurlijke takken en de ingeכnte takken, zal het goed zijn ons te herinneren dat in Rom.9-11 de apostel vanuit de positie van bedeling spreekt, niet vanuit de leer van rechtvaardiging door geloof.

In het algemeen wordt verstaan dat met de oorspronkelijke olijfboom Israel bedoeld wordt; met de afgebroken takken ongelovig Israel, waarvan de meerderheid "verworpen" werd; de overgebleven takken, het gelovig overblijf­sel. Dit stemt overeen met het eerste gedeelte van het hoofdstuk: "Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel naar de verkiezing van de genade" (V.5). "Wat dan? Wat Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard gewor­den" (V.7).

Maar wie zijn de takken van "de wilde olijfboom" die "tegennatuurlijk" ingeכnt zijn in "de goede olijfboom"? Dit zijn zeker niet de heidenvolken want (1) van hen wordt gezegd dat zij gelovigen zijn. (2) De volkeren zullen niet worden "afgebroken", maar gezegend wanneer gelovig Israel gered is en opnieuw ingeכnt, en (3) de heidenvolken vandaag leven zeer zeker niet van "de wortel en de vettigheid van de olijfboom". Zouden de ingeכnte takken dan de Gemeente, het Lichaam van Christus, vertegenwoordeigen, zoals sommigen leren? Weer nee, want (1) het Lichaam bevat het gelovig overblijfsel die waren overgebleven in de olijfboom. (2) De Joodse gelovigen in de Gemeente, het Lichaam van Christus, kwamen niet van de "wilde olijfboom", en (3) het zijn de heidengelovigen, niet de Gemeente als zodanig , die gewaarschuwd worden dat zij "afgebroken" worden, zo dat die Joden, die "niet in ongeloof blijven" weer zullen kunnen worden ingeכnt.

Bij het bezien van het beeld van de olijfboom, zouden we onze lezers eraan willen herinneren dat aangezien de Gemeente van vandaag een "samen­gesteld lichaam" is van Joodse en heidense gelovigen, waarbij de een net zo welkom is als de ander, het een eenvoudig feit is dat de Joodse gelovigen een zeer kleine minderheid van het geheel vormen, zoals we gezien hebben. Praktisch gesproken noemt Paulus Gods werk vandaag "dit geheimenis onder de heidenen" (Rom.11:25). Dit is niet vreemd wanneer we de kleine minderheid beschouwen van heidense proselieten onder de Joden toen Israel Gods volk was.

 Wij zijn het eens met Dr. Arthur C.Constance dat de olijfboom symbolisch verbonden is met de geestelijke geschiedenis van Israel. Met de wortel wordt ongetwijfeld Abraham uitgebeeld, en met "de vettigheid", de zegeningen die over hem kwamen door geloof. Omdat echter het volk dat uit hem sproot, niet doorging in geloof, werd de grote meerderheid van de takken "afgebroken". Intussen werden heiden-gelovigen, "takken" van een "wilde olijfboom", ingeכnt tussen de gelovige takken die waren overgebleven in de goede olijfboom.

Dit komt prachtig overeen met wat de apostel zelf zegt over gelovige heidenen in het Lichaam van Christus:

"En hij [Abraham] heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, dat hem in de onbesneden staat was toegerekend; opdat hij vader zou zijn van allen die in de onbe­sneden staat geloven, teneinde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend zou worden" (Rom.4:11). "En indien gij van Christus zijt, dan zijt gij Abrahams zaad, en naar de belofte erfgenamen" (Gal.3:29).

Heidenen, Abrahams zaad?! Natuurlijk, als zij in Christus zijn. Was Hij niet uit Abrahams zaad? Nogmaals moeten wij echter onze lezers eraan herinneren, dat de apostel, wanneer hij dit beeld van de olijfboom gebruikt, met zijn "afgebroken" en "ingeכnte" takken, spreekt vanuit de positie van bedeling, niet vanuit de leer van rechtvaardiging door geloof, anders zou dit zeker leren dat gelo­vigen weer verloren kunnen gaan, daarmee juist de leer die hij zo nadrukkelijk in Hoofdstuk 8 verkondigt, verwerpend: de eeuwige zekerheid van de gelovige in Christus. Maar de beeldspraak van de olijfboom in Rom.11 is volledig in harmonie met de onderrichtende hoofdstukken in de Romeinenbrief als we het aspect der bedeling van hoofdstuk 11 zien.

Als de apostel zich hier aan de leerstellingen zou houden, zouden de afgebroken takken zeker niet worden ingeכnt, want de werkelijke takken die afgebroken waren zouden, daar zij op Pinksteren de Heilige Geest weerstaan hadden, niet te vergeven geweest zijn in die tijd, "noch in de toekomende e­euwen". Zij zouden een onvergeef-lijke zonde gepleegd hebben (Matt.12:31, 32; cf. Hand.7:51). Zo zullen dus diegenen die "afgebroken" waren niet "opnieuw ingeכnt" worden.

Zij leefden en stierven zonder Christus. Maar Paulus doelt hier niet op persoonlijke redding, en zegt dan ook dat indien "zij" d.i. het volk, "niet in het ongeloof blijven", zij weer ingeכnt zullen worden (Rom.11:23). Op dezelfde wijze zullen de gelovigen uit de heidenen die ingeכnt waren, in die positie slechts "blijven", alleen door geloof, en indien zij niet blijven "in Zijn goedertierenheid", zullen zij eveneens worden "afgehouwen" (V.22). De passage leert duidelijk dat de "ingeכnte" takken weer afgehouwen zullen worden, en de "afgehouwen" takken in "hun eigen olijfboom" geכnt worden.

Gezien in de bedeling gaat deze passage in geen geval in tegen de leer van eeuwige zekerheid. Dit opent een uitzicht wat te weinig is overwogen, n.l. op de Opname van de Gemeente. Deze "gezegende hoop" maakt blij, en zal het hart van iedere ingeleide en ernstig gelovige verheugen. Er zijn echter twee aspecten aan de Opname die op ons een ontnuchterend effect zullen hebben.

Ten eerste, is het duidelijk dat er bij de Opname heidense takken[vi] zullen worden afgehouwen, zodat Israel opnieuw kan worden ingeכnt.

_________ 

13*\ Joodse gelovigen in het Lichaam van Christus zullen uiteraard ook worden opgenomen bij de Opname, want zoals we boven gezegd hebben: "Het Lichaam bevat het gelovig overblijfsel dat overgebleven is in de olijfboom". Zoals we echter gezien hebben, is het Lichaam overwegend samengesteld uit heidenen in het vlees en wordt daardoor praktisch gezien als een Heidengemeente (Hand. 2­8:28; Col.1:27; Rom.11:25). 

Te weten, wanneer de heidense takken ophouden om te "blijven in Zijn goeder­tieren­heid", en nalaten hun van God gegeven functie te vervullen, zullen zij worden "af­gehou­wen" en uit deze wereld worden weggenomen. Gelovigen die bekennen de Here Jezus lief te hebben, dienen ernstig het feit te onderkennen dat onze opname naar de hemel een eind zal betekenen aan onze mogelijkheid om onze medemens met het evangelie van Gods genade te bereiken.

Ten tweede zal het zijn, dat "op die dag" alle leden van het Lichaam, dood dan wel levend, zullen worden opgenomen voor een ontmoeting met de Here in de lucht, om "beloning te ontvangen" of "verlies te lijden" vanwege hun gedrag en hun dienst voor Christus (1 Cor.3:9-15; 2 Cor.5:10; cf.1 Thess.4:­17; 1 Cor.4:5; 2 Tim.4:8). Dit zijn belangrijke feiten om in ogenschouw te nemen, omdat God, in Zijn genade ons hier doet zijn om voor de Here Jezus Christus te werken en te getuigen.

WEES NIET HOOGMOEDIG

"Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. "En zo zal heel Israel zalig worden, zoals geschreven is: De Ver­losser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. "En dit is voor hen een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen. - Rom.11:25-27

Om Gods plan voor de tijden, en voor de tijd waarin wij leven te verstaan, moeten we het feit erkennen, dat de fundamentele scheiding in het Woord van God niet is tussen de zogenaamde Oude en Nieuwe Testamenten. Het is eerder die tussen profetie en "het geheimenis"; tussen dat wat "God heeft gespro­ken bij monde van al Zijn heilige profeten sinds de grondlegging van de wereld" (Hand.3:21), en dat wat "verzwegen is geweest van de tijden der eeuwen" totdat het geopenbaard werd door de apostel Paulus (Rom.16:25).

De profeten in de "Oud Testamentische" tijden hadden veel te zeggen over de zegeningen van de heidenen door de opgang van Israel (Jes.60:1-3), maar hoegenaamd niets over de zegening van de heidenen door de val van Israel zoals we hierover vernemen in Rom.11. Dit laatste was een geheim (Gr.musterion) pas bekend gemaakt aan en door Paulus. Zo is dus dat wat God doet vandaag geen vervulling van Oud Testamentische voorspellingen, maar van Zijn verborgen, eeuwig doel in Christus; het is niet gebaseerd op verbon­den, maar alleen op Gods genade.

Onze Here zei, toen Hij op aarde was, tegen de Samaritaanse vrouw: "Gij aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de ZALIGHEID [REDDING] IS UIT DE JODEN" (Joh.4:22). Maar nadat Paulus grotelijks tevergeefs had getuigd tot de Joden van Jeruzalem tot Rome, zei hij: "Het zij u dan bekend, dat DE ZALIGHEID [REDDING] VAN GOD TOT DE HEIDENEN GEZONDEN IS, en dezen zullen horen" (Hand.28:28). Dit laatste, de redding van de heidenen door Israels verwerping van Christus, was nimmer geprofeteerd; het was een geheim, "verborgen in God" (Eph.3:9). "verborgen geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Col.1:26), "in andere eeuwen de kinderen der mensen niet bekend gemaakt" (Eph.3:5), "de verborgenheid die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest" (Rom.16:25), totdat God dit bekend maakte door Paulus. Wij kunnen ons nauwelijks een beter voorbeeld van deze scheiding tussen profetie en het geheimenis wensen dan dat wat gevonden wordt in Rom.11:25-27.

Wat betreft Gods handelen met de mensen vandaag, zegt de Apostel: "Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn" (V.25). Let wel: wij gelovigen uit de heidenen dienen "dit geheimenis" te begrij­pen, willen we niet verwaand worden, want ons werd nimmer iets beloofd (Eph.2:11,12). Wij zijn gered door genade en gedeeltelijke[vii] verblinding is Israel

___________ 

14*\ Er is over gedebatteerd of het woord "gedeeltelijk" (V.25) betekent dat slechts een deel van het volk verblind was, of dat alleen het ongelovige volk gedeeltelijk verblind was. Wij geloven dat een nauwkeurig onderzoeken van Rom.11, en speciaal de verzen 5 en 7, het antwoord geeft. Niet allen, maar slechts een "deel", toch wel het grootste deel, werd verblind.   

overkomen, maar totdat de volheid der heidenen zal toegebracht zijn. En dan: "...zal heel Israel zalig [gered] worden, ZOALS GESCHREVEN IS: de Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. "En DIT IS VOOR HEN EEN VERBOND VAN MIJ, als Ik hun zonden zal wegnemen" (Rom.11:26,27).

Hier gaan we weer terug naar het geheimenis, met haar rijkdommen van niet beloofde genade, naar profetie en Gods verbond met Israel. "Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk" (V.29). Het zal de terugkeer van Christus naar de aarde zijn, niet de pogingen van de kerk of van de staatslieden van de wereld, die tenslotte het duizendjarig Rijk met haar vrede en voorspoed zal brengen. Van hen die deze zegeningen verwachten door menselijke inspanning zei eens wijlen J.C.O'Hair: "Als onze bestuurders of wetenschapsmensen, of religieuze leiders denken dat zij het koninkrijk zullen aanbrengen, zullen zij daarop terug moeten komen, want zeer zeker gaat het niet langs deze weg!" De door God geleerde gelovige weet dat de Bevrijder uit Sion zal komen, niet uit Washington, Moskou, Parijs of Rome.

Er dient echter nauwkeurig te worden opgemerkt, dat "geheel Israel" zal worden gered wanneer de Verlosser komt om "de goddeloosheden van Jakob af te wenden". Israel heeft altijd uitgeholpen willen worden - van tirannie, vanuit vervolging, vanuit moeite - maar heeft geen verlangen getoond om van haar zonde verlost te worden. Toch zal zij nooit van haar beproevingen verlost worden, tenzij zij bevrijd zal zijn van haar zonden. Veel Schriftgedeelten bevestigen dit feit; waaronder ook het volgende:

"...gij zult Zijn naam noemen JEZUS [JESJOEA], want Hij zal Zijn volk zalig maken [redden] VAN HUN ZONDEN" (Matt.1:21)."God heeft, na Zijn Zoon opgewekt te hebben, Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt VAN UW BOOSHEDEN" (Hand.3:26). "...De Verlosser zal uit Sion komen en zal de GODDELOOSHEDEN afwenden van Jakob" (Rom.11:26).

Dit alles moet ons, heidenen zowel als Joden, aanspreken, want wij allen zijn ook geneigd om "wijs in onze eigen ogen" te worden. Als wij, gelovigen uit de heidenen, Gods genade aannemen in echte nederigheid, zullen wij ons verheugen bij het uitzicht op Israels toekomstige verzoening. Welk een dag zal dat voor hen zijn - en voor de heidenvolkeren!

"...indien hun val de rijkdom is van de wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, HOEVEEL TE MEER HUN VOLHEID!" (Rom.11:12).

Voordat we doorgaan met dit gedeelte van Rom.11, dient te worden erkend dat wij, in de Bijbel gelovende Christenen, wel op de hoogte zijn dat wereldse mensen ons uitlachen vanwege ons geloven dat Christus zal terug­keren naar deze aarde. Wij kunnen echter hun opmerkingen doorbreken. Inderdaad mogen wij om hen lachen, zoals zij vertrouwen in de leiders, die plechtig vredespacten ondertekenen, alleen maar om deze weer te verscheuren, zoals zij dit al duizenden jaren gedaan hebben. Denken zij dat God zal toelaten dat deze aarde voor altijd een schouwspel van ziekte en ellende en dood, van hebzucht en haat en intrige, van oorlog en bloedvergieten en ontreddering zal zijn?

DE SCHRIFTUURLIJKE REDEN TOT JODENZENDING

"Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, ter wille van u; maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, terwille van de vaderen. "Want Zijn genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwlijk. "Want zoals ook gij vroeger aan God ongehoorzaam zijt geweest, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaamheid van dezen, "zo zijn ook dezen ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid, barmhartigheid zouden verkrijgen. "Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. "O diepte van rijkdom, beide van de wijsheid en de kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! "Want wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? "Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden? "Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen! - Rom.11:28-36.

Bij het behandelen van Rom.1:16 zagen we dat de woorden "Eerst de Jood" in die passage, niet betekent dat de Jood vandaag prioriteit heeft voor wat betreft het evangelie, of dat dit de Schriftuurlijke aanleiding is tot zen­dingswerk onder de Joden. Eerder wordt in de bovenaangehaalde passage de Bijbelse aanleiding gevonden tot zending onder de Joden. Hier leren we dat "zij zijn vijanden" d.i., zij zijn van God vervreemd, "terwille van u", hoewel nog steeds "de geliefden om der vaderen wil"[viii] (V.28). Hieruit volgt de grote beweegreden tot zendingswerk onder de Joden: "Want zoals gij [heidenen] vroeger aan God ongehoorzaam zijt geweest, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongehoorzaam­heid van dezen, "zo zijn ook dezen ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid, barmhartigheid zouden verkrijgen" (V.30,31).

In deze tegenwoordige bedeling, waarin God miljoenen heidenen tot Zich brengt, zal Zijn genade aan ons, in ons een grote liefde tot Israel bewerken.

Wat een heilige aansporing voor de gelovige uit de heidenen om het evangelie aan de Joden te brengen! Welk een extra licht en kracht zal dat aan ons getuigenis geven! Gezegend is de zendeling naar Israel die verstandelijk door de bovengenoemde waarheid werd gemotiveerd!

Vertel de Jood dat hij een voorkeur aanspraak op God heeft en hij zal met u instemmen, maar niettemin Christus afwijzen. Maar toon hem de Schriften waarom Israel in haar tegenwoordige positie verkeert, waarom het schijnt alsof God haar reeds negentien honderd jaren verlaten heeft, waarom zij nu niet het hoofd der volkeren is; toon hem dan dat het voor zijn eigen bestwil was dat God het volk gedurende een tijd heeft opgegeven -

Toon hem dat de heidenen "opgegeven" werden, veel eerder dan de Joden, en dat God hen nu allen besloten heeft in ongeloof alleen daarom, opdat Hij allen barmhartig zal zijn en mensen persoonlijk overal, zowel Joden als heidenen, verzoening door genade zou aanbieden, door geloof in Christus, Die stierf voor ons - toon hem aan dat het het heilig oogmerk is om "Joden en heidenen samen te verzoenen tot God in ייn lichaam door het kruis, de vijandschap daarbij gedood hebbend" (Eph.2:16), en met deze Schriftuurlijke benadering bent u meer geschikt, resultaten te bewerken.

Wij moeten echter niet vergeten dat tenminste zes keer in Rom.11 de Apostel ons heiden gelovigen waarschuwt, opdat wij niet zouden denken dat wij eerder onderwerpen zouden zijn dan voorwerpen van Gods zegen. "Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn" (Rom.11:32). Bij de toren van Babel besloot God de heidenen in ongeloof, gaf hen op en verstrooide hen over de ganse aarde (Gen.11:9; cf.Rom.1:24,26,28). Later besloot Hij Israel in ongeloof (Hand.22:18) en gaf het volk op en verstrooide hen over de gehele aarde, waar wij ze vandaag nog vinden (Hand.28:25-27). En wat hebben we nu? een wereld van persoonlijk verloren zondaars aan wie God redding aanbiedt door genade, door de dood van Zijn Zoon op Golgotha voor onze zonden. Geen wonder dat de uitroep volgt in V.33: "O DIEPTE VAN RIJKDOM, BEIDE VAN DE WIJSHEID EN DE KENNIS VAN GOD, HOE ONDOORGRONDELIJK ZIJN ZIJN OORDELEN, EN ONNASPEURLIJK ZIJN WEGEN!"

Wie zou hebben kunnen denken aan dit verbazende plan om zondaars hun behoefte aan Christus aan te tonen? Wie anders dan God heeft inderdaad zo'n plan tot onze redding kunnen bedenken? Er wordt wel gezegd dat God de engelen gevraagd zou hebben, vanaf Michael en Gabriel en zo verder naar onder: "Wat kan Ik doen om deze zondaren te redden en toch Mijn rechtvaardigheid te handhaven? En wat kan ik dan doen om hen hun behoefte tot redding aan te tonen? Niet ייn engel, zo wordt gezegd, had een voorstel. Alleen God kon zo'n plan bedenken, want "God is liefde". Alleen Hij kon bedenken Zelf in de wereld te komen als ייn van ons, om ons te vertegenwoor­digen en onze schuld voor ons te betalen. Ook Zijn gerichten over de volken en over Zijn eigen volk zijn "onnaspeurlijk", want Hij "besloot hen allen in ongeloof, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn", en wierp hen uit - in de armen van zijn genade!

__________

15*\Niet "om der vaderen wil", maar "terwille van de vaderen." Zij zijn nog steeds geliefden vanwege de beloften gedaan aan hun vaderen: Abraham, Izak en Jakob. "Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwlijk" (V.29).  

De Apostel gaat inderdaad verder het boven aangegeven gevoel uit te drukken, als hij vraagt, "Wie heeft de zin van de Here gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?" (V.34), of "Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden?" (V.35). God zal nimmer iemand iets schuldig zijn. Hij is de Grote Gever, de Grote Weldoener. Zelfs als wij Zijn vrije gift van eeuwig leven aannemen, en dan onze levens in onverdroten dienst voor Hem inzetten, zal Hij ons toch overweldigen door ons rijkelijk te belonen voor "de rechterstoel van Christus" (1 Cor.3:14). De beloningen die de gelovigen zullen ontvangen voor trouwe dienst en getuigenis gaat alles te boven in "de gift van God", welke is "eeuwig leven, door Jezus Christus onze Heere."  

"Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen" (V.36).

Dit sluit in de schepping, haar geschiedenis en hoogtepunt, maar hier gaat het in het bijzonder om onze redding, die voortkwam uit Hem, uitgevoerd door Hem en eens zal bijdragen tot Zijn eeuwige Glorie! Zo sluit de Apostel dit belangrijke deel van zijn epistel met de woorden: "Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen."

Als mijn opgewekte ziel, O mijn God, Al Uw barmhartigheden overziet, Tezamen met het uitzicht, verlies ik mijzelf  in verwondering, liefde en lofprijzing!