H O O F D S T U K X
-
R O M. 10:1-21
ISRAELS FALEN ONDER DE WET HAAR
ONGELOOF EN TEGENSTAAN VAN DE GENADE
"Broeders,
de wens van mijn hart en het gebed dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun
zaligheid. "Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver voor God
hebben, maar niet met verstand. "Want daar zij Gods rechtvaardigheid niet
kennen, en hun eigen gerechtigheid trachten op te richten, hebben zij zich aan
de rechtvaardigheid van God niet onderworpen. "Want het einde van de wet
is Christus, tot rechtvaardigheid voor een ieder die gelooft." - Rom.10:1-4
Verlangt
"het hart van Paulus en zijn gebed" hier naar de redding van het volk
Israel of naar dat van personen binnen dit volk? In zekere zin is de vraag
academisch, want de redding van het volk zou alle personen daarin bevatten,
omdat de redding van individuen in feite de redding van het volk zou zijn.
In het licht van de profetische Geschriften echter is de kwestie meer dan
academisch, want de redding van Israel als volk is nauw verbonden met
de terugkeer van Christus naar de aarde om te regeren (Zie 11:26).
Er zijn
inderdaad sommigen die leren dat Paulus verkondigde en ook Israel het
koninkrijk aanbood tot op Hand.28. Dit is een vergissing. Paulus deed precies
wat wij zouden - of zouden moeten - doen wanneer wij tot Joden spreken; hij
bevestigde de boodschap van Petrus en bewees dat "Jezus de Christus
is", als de basis voor de prediking van rechtvaardiging door
geloof zonder de Wet (Hand.13:38,39). Er is geen Schriftuur die aangeeft dat
Paulus ooit het koninkrijk aan Israel verkondigde, nog minder aanbood zoals
Petrus deed op Pinksteren (Hand.2:29-36), noch zou hij dat hebben kunnen doen,
want God had hem weggezonden uit Jeruzalem, de zetel van de regering,
met de woorden, "zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18-21).
In
Paulus' aanvankelijke brieven stelt hij reeds dat in Judea, waar de hoofdstad
van het land was, en waar de bestuurders samen kwamen, Israel "haar
zonden vol gemaakt had", en dat "toorn over haar gekomen was tot het
einde" (1 Thess.2:16).
Klaarblijkelijk
was alle hoop voor Israels redding op dat moment vervlogen, want de apostel
stelt dat de meerderheid van het volk "verblind" was (11:7),
en dat God hen gerechtelijk "de geest van diepe slaap" (11:8)
gegeven had, dat zij "gestruikeld" zijn (11:11,12), "verworpen"
waren (11:15), "afgebroken" (11:19,20), "niet
gespaard" (11:21), en waren besloten... onder ongeloof" (11:32).
De
apostel gaat inderdaad nog verder en verklaart dat het volk niet eerder gered
zal worden, dan nadat "de Verlosser uit Sion zal komen en de
goddeloosheden zal afwenden van Jakob" (11:26). Dit alles bewijst
tenslotte dat Paulus deze keer niet kon hebben gebeden voor de redding van
Israel nationaal. Eerder is het nu zijn "hartelijk verlangen en gebed tot
God" dat hij zal mogen worden gebruikt om "enigen van hen te
redden" (11:14).
RELIGIEUZE
IJVER - MAAR VERLOREN
"Want
ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver voor God hebben,..." (V.2). Een treurige toestand! IJverig in de dingen van
God, maar niet gered! Paulus wist hier iets vanaf, en was ermee
vertrouwd. Enige tijd later, als hij zich richt tot een menigte in Jeruzalem,
zei hij: "Ik ben een Jood...opgevoed in deze stad, aan de voeten van
Gamaliël onderwezen naar de nauwgezetste wijze van de vaderlijke wet, en ik
was EEN IJVERAAR VOOR GOD, zoals gij allen heden zijt" (Hand.
22:3).
En aan de
Galaten schreef hij: "Ik nam toe in het Jodendom boven velen van mijn
leeftijdgenoten in mijn geslacht, daar ik OVERVLOEDIG IJVERIG was voor mijn
vaderlijke inzettingen (Gal.1:14). Maar in zijn intense ijver voor God,
vervolgde Paulus de Gemeente van God. Hoor naar zijn eigen
getuigenis: "...dat ik de Gemeente van God uitermate vervolgde en haar
verwoestte" (Gal.1:13). Lukas bevestigt zijn getuigenis: "En
Saulus verwoestte de Gemeente..." (Hand.8:3). Zijn toestand toen, net
als van velen nu, kwam voort uit twee factoren die meestal samengaan: onwetendheid
en tegenstand.
Zij waren
onbekend met Gods gerechtigheid en weigerden zich daaraan te onderwerpen
(V.3). Oh, zij kenden wel alle details van de Wet, maar zij hadden de ware bedoeling
van de Wet niet begrepen - noch bleken zij dit te willen. Dit is een treurig
beeld. De Jood, met Gods Boek in zijn hand, gewillig blind voor wat het Boek
zegt over zijn schuldig zijn voor God.
Toch
doorgaand "met hun eigen gerechtigheid te vestigen", zegt de
apostel, "hebben zij zich niet aan Gods gerechtigheid
onderworpen". Net als de Farizeeërs en wetgeleerden in de dagen van
onze Here, "verwierpen zij de raad van God tegen zichzelf" (Luk.7:30).
Israels "doorgaan" en "niet onderwerpen" laat hun
"willen" en "lopen" in 9:16 zien. Net als massa's
religieuze, maar ongeredde mensen vandaag! Zich niet realiserend dat
goddelijke gerechtigheid volmaaktheid vereist, en zich dan niet realiserend
dat zij een Redder nodig hebben, gaan zij door met "hun eigen
gerechtigheid te vestigen". In hun tegenstand stellen zij: "Ik
kan dat, ik kan dat volbrengen", en weigeren om "zich
te onderwerpen aan de gerechtigheid Gods"
Maar noch
het volk Israël, noch enkelingen in Israël, noch de zondaars van vandaag,
kunnen worden gered als zij "de raad Gods tegen zichzelf verwerpen".
Slechts nadat iemand zijn eigen wanhopige toestand, onder het oordeel van de
zonde erkent en zich in geloof tot Christus wendt, Die stierf voor onze
zonden, is redding mogelijk.
Het volk Israël
wachtte ongeduldig om te worden gered - uit hun moeilijkheden, maar niet van
hun zonden. De Schriften maken dit onmiskenbaar duidelijk. De engel die de
geboorte van onze Heere aan Jozef verkondigde, zei: "...gij zult Zijn
naam noemen Jezus: want Hij zal ZIJN VOLK ZALIG MAKEN [REDDEN] VAN HUN
ZONDEN" (Matt.1:21). Toen Petrus op Pinksteren het koninkrijk aan Israël
aanbood, zei hij:
"God
heeft, na Zijn Kind opgewekt
te hebben, Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, DOORDAT HIJ EEN
IEDER VAN U AFBRENGT VAN UW BOOSHEDEN" (Hand.3:26).
Ook
verklaarde Paulus dat wanneer Israel tenslotte gered zal zijn: "De
Verlosser zal uit Sion komen en zal DE GODDELOOSHEDEN AFWENDEN VAN JAKOB
(Rom.11:26)
CHRISTUS HET
EINDE VAN DE WET TOT RECHTVAARDIGHEID
Bedoelt
Vers 4 dat Christus de vervulling van de Wet zou zijn, of de beëindiging
van de Wet "voor een ieder die gelooft"? In werkelijkheid geldt
het voor beiden. Christus is "het einde van de Wet" in die
zin dat Hij het Doel was waartoe de Wet leidde: "Zo dan, de wet
is onze tuchtmeester geweest tot op Christus, opdat wij uit het geloof zouden
gerechtvaardigd worden" (Gal.3:24). Maar in deze zelfde contekst gaat
de apostel verder en zegt: "Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij
niet meer onder de tuchtmeester" (V.25). Zo is Christus dus ook de beëindiging
van de Wet tot rechtvaardiging voor een ieder die gelooft:
"toen
Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gedaan heeft, namelijk de wet van de
geboden die in inzettingen bestaat; opdat Hij die twee in Zichzelf tot één
nieuwe mens zou scheppen, vrede makend" (Eph.2:15). "Hij heeft uitgewist het handschrift, dat tegen ons
was vanwege de inzettingen, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en Hij
heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis te nagelen" (Col.2:14).
Pogingen
om de Wet te houden zullen nimmer iemands gerechtigheid bevestigen; eerder
zullen zij zijn ongerechtigheid aantonen. Gods gerechtigheid, bij Wet
vereist, werd alleen door Christus bevestigd, in Wie onze zonden op
Golgotha werden geoordeeld, door Wie hun straf volledig werd betaald,
en door Wie wij nu gerechtvaardigd zijn door geloof. Hierom verklaart
Paulus dat het zijn verlangen is: "in Hem bevonden te worden, niet in
het bezit van mijn rechtvaardigheid die uit de wet is, maar van die door het
geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het
geloof" (Phil.3:9).
DE
GERECHTIGHEID UIT DE WET
tegenover
DE
GERECHTIGHEID UIT GELOOF
"Want
Mozes beschrijft de rechtvaardigheid die uit de wet is en zei: De mens die
deze dingen doet, zal daardoor leven. "Maar de rechtvaardigheid die uit
het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel
opklimmen? Dat is Christus van boven afbrengen. "Of, Wie zal in de
afgrond neerdalen? Dat is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij?
Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het
geloof dat wij prediken." - Rom.10:5-8.
Hier
noemt de apostel de naam van Mozes, ongetwijfeld vanwege de grote eerbied die
de Joden voor hem hadden. Onder het aanhalen van Lev.18:5, zegt hij dat
Mozes voor ons de rechtvaardigheid uit de Wet heeft beschreven, d.i. de
rechtvaardigheid te verkrijgen door het houden van de Wet. En hoe wordt
deze "rechtvaardigheid uit de wet" verkregen? Door te doen,
zegt Mozes, niet door erover te praten. "De mens die deze dingen doet,
zal daardoor leven" (Rom.10:5). Eigenlijk staat er in Lev.18:5,
"INDIEN de mens dezelve zal doen, die zal door dezelve
leven". Dit is inderdaad een "belangrijk INDIEN"! De
apostel haalt dan ook in Gal.3:10 opnieuw Mozes aan (Deut.27:26) en zegt:
"Want
zovelen die uit de werken der wet zijn, zijn onder de vloek; want er is
geschreven: Vervloekt is een ieder die niet blijft in al wat geschreven is in
het boek der wet, om dat te doen." In
V.6-8 van onze tekst haalt Paulus niet aan, maar verwijst naar een andere
verklaring door Mozes die "de rechtvaardigheid uit geloof"
beschrijft. De passage, Deut.30:11-14 luidt:
"Want
ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en
dat is niet verre. "Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor
ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late,
dat wij het doen? "Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen:
Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale,
en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? "Want dit woord is zeer
nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen."
Wat Mozes
hier zegt is eigenlijk: "Deze wet is 'niet verborgen voor u'; zij is
simpel en duidelijk. U behoeft niet iemand naar de hemel te zenden om deze op
uw niveau te brengen, of uw filosofen overzee te sturen naar andere landen om
hun geleerde meningen erover te horen. God heeft haar tot u gebracht en
als gij dit ontvangt als zijnde Zijn woord, zijt gij gered." Is
het niet veel betekenend dat onmiddelijk na deze woorden in Deut.30:11-14,
Mozes zegt: "Want Hij is uw leven." (V.20). Veel Israelieten
probeerden ernstig de Wet te houden, elke tittel en elke jota - teneinde
hun zielen te redden. Hun hoofddoel was niet God, maar zichzelf. Zij
waren daarom verloren, omdat zij de Wet tot middel maakten om rechtvaardigheid
te bereiken en volledig faalden de Wet te houden.
Maar er
waren anderen, zoals David, die eenvoudig geloofden dat de Wet het Woord
van God tot hen was, en op grond daarvan trachtten dit na te komen.
Dit was "de gehoorzaamheid des geloofs", en dat gaf hen vreugde
om de Wet na te komen, ondanks veel fouten, en lust om haar te overdenken, dag
en nacht (Ps.1:2). Zij waren bovenal de beste "Wetsgetrouwen."
Zo werd juist voor hen de Wet "het Woord des geloofs", en Paulus
zegt, "Dit is wat wij prediken" bij de verkondiging van
Christus.[i]*
Het woord van God tot ons: "Doch hem die niet werkt, maar
gelooft...wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5),
is vandaag nog even gezaghebbend als het woord van God was tot Abel om een
bloedoffer te brengen, of het woord van God door Mozes om de Wet te houden.
Wanneer God zegt: "Breng een bloedoffer als verzoening voor uw
ziel", wat zal het geloof dan doen? Het zal een bloedoffer
brengen.
________
5*\Het
eerste hoofdstuk van het boek van de auteur, Things that Differ (vertaald,
Dingen die daarvan verschillen, uitgave Genade Bijbel Stichting Nieuwegein),
toont aan hoe alle Oud Testamentische heiligen gered werden door geloof, zoals
dit werd gedemonstreerd bij hun naderen tot God op de wijze die Hij had
voorgeschreven. Hier is het voldoende te zeggen dat de lijst in Hebr.11 van
diegenen die "goed getuigenis verkregen" van God veel varieteiten
bevatten, maar één constante. Abel bracht het juiste offer, Henoch wandelde
met God, Noach bouwde een ark, etc. "maar zij allen verkregen goed
getuigenis" alleen omdat deze werken hun geloof in Gods Woord tot hen
aantoonden. Vandaar het herhaalde "door geloof", wat in het hele
hoofdstuk terugkomt.
Wanneer God zegt, "Bekeert u en wordt gedoopt tot vergeving van
zonden", wat zal geloof doen? Het zal zich bekeren en gedoopt worden (Zie
Mark.1:4; Hand.2:38). Wanneer God zegt, "Hem die NIET werkt, maar gelooft
in Hem die de goddelozen rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot
rechtvaardigheid", wat zal geloof doen? Geloof zal zich verblijden en
zeggen, "Wat een genade!" Dit is wat Paulus benadrukt in Rom.10:6-8.
Niemand behoeft naar de hemel te gaan om Christus van boven af te brengen, of
in de afgrond te dalen om Christus uit de doden op te halen, alsof Hij nog
niet de levende opgestane Redder zou zijn. Ach, nee.
Alles wat
wij over Hem dienen te weten is te vinden in onze Bijbels; in onze mond als
wij het hardop lezen, en in ons hart als we het geloven.
UIT
WERKEN TENSLOTTE?
"Indien
gij met uw mond zult belijden de Here Jezus , en met uw hart geloven dat God
Hem uit de doden opgewekt heeft, dan zult gij zalig worden [gered zijn
K.J.V.]. "Want met het hart gelooft men tot rechtvaardigheid en met de
mond belijdt men tot zaligheid [redding K.J.V.]. "Want de Schrift zegt:
Een ieder die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. "Want er is
geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Here van
allen, rijk over allen die Hem aanroepen. "Want een ieder die de Naam des
Heren zal aanroepen, zal zalig [gered] worden."-
Rom.10:9-13
In deze
schitterende woorden zet de apostel Paulus Gods eenvoudige plan tot redding in
deze "bedeling van Gods genade" uiteen. Dit is, zegt hij, "het
woord des geloofs, hetgeen wij prediken". Hoe dankbaar zouden wij
moeten zijn dat zowel Joden als heidenen besloten zijn in dit
programma, terwijl Gods zegeningen voor Israel als volk worden
uitgesteld! De nare verwijdering die echter gekomen is omdat de Kerk Paulus'
"evangelie van Gods genade" heeft verlaten, is duidelijk uit het
feit dat zelfs vandaag veel Fundamentalisten, die beweren "het woord des
geloofs" te prediken, in de woorden van Paulus in V.9-11 het element van
verdienstelijke werken hebben ingebracht.
Hoe
dikwijls worden babies in Christus gedrongen op te staan om in het openbaar
getuigenis af te leggen op grond van deze woorden! Zij worden er op gewezen
dat op hun geloof volgt, "indien gij met uw mond belijdt,...zult
gij zalig worden [gered zijn] (Rom.10:9). Dikwijls ook ondersteunen
Christenwerkers die het Woord der waarheid niet recht snijden dit argument met
een beroep op de woorden van onze Here in Matt.10:32,33: "Een ieder
dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn
Vader Die in de hemelen is. "Maar wie Mij verloochenen zal voor de
mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader Die in de hemelen
is."
En zo
wordt het element van verdienstelijke werken binnengebracht in "het woord
des geloofs, dat wij prediken". Aan nieuwgeboren babies in Christus wordt
het gevoel geschonken dat geloof alleen niet genoeg is om zeker te zijn; dat
pas als zij in het openbaar opgestaan zijn tot getuigenis, hun
redding bevestigd is.
Omdat er
maar weinigen van onze Fundamentalistische leiders voor een uitgesproken
standpunt hierin willen uitkomen, durven wij te zeggen dat de mesten van hen
in hun commentaar op deze verzen de indruk wekken dat het zo zou zijn. Maar
wat bedoelt dan Paulus met deze woorden? Zegt hij eenvoudigweg, "Indien
gij zult belijden...zult gij gered zijn"? Ja, maar ook hier weer, net
als met vele andere passages van de Schrift, is een traditionele betekenis
boven de werkelijke woorden van God gesteld. Wat betekent eigenlijk het woord
"belijden"? Eenvoudig "erkennen", "toegeven". En
dit is precies wat het oorspronkelijke Griekse woord ook betekent. Evenmin
zegt Rom.10:9,10 iets over belijden voor mensen.
Het
bezwaar is, dat het idee van belijdenis veranderd is in verkondiging -
zelfs openbare verkondiging - en velen zijn de tradities van de vaderen
gevolgd in plaats van het Woord te onderzoeken om te zien wat dat werkelijk zegt.
Op die manier is "het woord des geloofs" geweld aangedaan. Maar er
zou kunnen worden tegengeworpen dat de apostel toch duidelijk zegt,
"Indien gij met uw mond belijdt...zult gij gered zijn"? Inderdaad
doet hij dat, en voegt er aan toe, "en met uw hart geloven."
Laat ons
dit nu eens nauwkeurig bezien. Geloven we met ons fysieke orgaan dat bloed in
onze aderen pompt in Christus als onze Redder? Nee! Iedereen zal toegeven dat
dit figuurlijk gesproken is; dat op de een of andere manier het hart verbonden
is met geloven. Toch houden sommigen vol, dat het met onze werkelijke
mond is dat we moeten belijden om gered te zijn. Kunnen stommen dan niet
worden gered? En wat bedoelt de apostel in Hand.28:27, waar hij Jesaja's
woorden aanhaalt: "En hun ogen hebben zij toegedaan"?
Dienen
wij niet te zien dat het hart en de mond in Rom.10 beiden symbolisch worden
gebruikt? Omdat geloven vanzelf verbonden is met het hart, houdt belijden
uiteraard verband met de mond. Indien de apostel inderdaad bedoelde dat met de
mond openbaar "belijdenis" tot redding dient te worden gedaan, dan
is redding niet uitsluitend door geloof alleen, maar door geloof plus
werken. Als, niet alleen voor mensen, maar ook voor God, een vraagteken
geplaatst word achter de naam van de gelovige die niet voor mensen heeft
beleden, dan is redding vast en zeker niet "het woord des geloofs
dat wij prediken".
De
apostel zegt dat we moeten belijden en geloven dat we gered
zijn. Dat is een verschil, en hierbij worden het hart en de mond heel
natuurlijk symbolisch van belang. Alsof hij vooruit loopt op het
misverstaan van zijn woorden gaat de door de Geest geïnspireerde apostel
verder: "Want de Schrift zegt: Een ieder die in Hem GELOOFT, die zal
niet beschaamd worden" (V.11). "Want een ieder die de Naam
des Heren zal AANROEPEN, zal zalig worden [gered zijn] (V.13).
Dit is "het woord des geloofs dat wij prediken". Het
is als de zondaar aan het eind van zichzelf komt en belijdt, erkennend
dat Jezus de Here is, en in Hem gelooft als de opgestane,
levende Redder, dat hij gered is. Elk werk der gerechtigheid dat hij zou
willen toevoegen tot redding zou nutteloos zijn, want redding is "door
genade...door geloof...niet uit werken" (Eph.2:8,9). En dus:
"GELOOFT
men met het hart"[ii]* (V.10). "Met de mond wordt BELEDEN" (v.10).
"Een ieder die in Hem GELOOFT, zal niet beschaamd worden (V.11). "Want...ieder
die de naam des Heren zal AANROEPEN, zal zalig [gered] worden" (V.13).
Jaren
geleden bleef een Christenvrouw bij haar ongeredde man aandringen om de
grote evangelische diensten op Zaterdagavond bij te wonen. Hij ging week op
week om haar een plezier te doen. Het kwam haar echter na een tijd voor dat
hij diep onder de indruk was gekomen en zo vroeg zij hem op weg naar huis,
"Lieve man, waarom ging jij vanavond niet naar voren?" Hij
antwoordde, "Ik geloof dat ik een lafaard ben. Misschien volgende
week." Maar is redding dan door moed of door geloof? door een menselijk
pogen, of door geloof in het volbrachte werk van Christus? Toch waren deze man
en zijn vrouw samen gered door in een evangelische samenkomst naar voren te
gaan, net zoals zeer velen.
Wij
willen in geen enkel opzicht de belangrijkheid van het Christelijk getuigenis
geringschatten. Alleen, willen wij Gods geliefde kinderen geen vrees aanjagen
om voor Hem te moeten getuigen. Wij willen hun redding niet betwijfelen als
zij niet de moed hebben om openlijk te getuigen, noch hen het gevoel geven dat
redding niet compleet zou zijn zonder menselijk toedoen. Sommige van de
fijnste mensen - en de beste Christenen - zijn zeer teruggetrokken, en vinden
het moeilijk zichzelf in het openbaar te uiten. Boven alles willen wij de
boodschap van genade niet vervalsen of het geschreven Woord van God
veranderen.
Rom.10:9-13
lezen zoals het er staat, vervalst in geen geval "het evangelie
van Gods genade". Lezen zoals het is laat Gods eenvoudig, wonderbaar
plan zien van redding voor arme, verloren zondaars in "deze tegenwoordige
boze wereld".
TWEE
TWEETALLEN
Rom.10:12,13
bevatten twee belangrijke tweetallen die eerst dienen te worden bezien voordat
we verder gaan naar het slot van dit hoofdstuk. Deze zijn:
1."Er
is geen verschil."
2."Een
ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig [gered] worden."
_________
6*\
Intellectuele uitspraken hebben betrekking op het hoofd, morele
uitspraken op het hart.
ER IS
GEEN VERSCHIL
Deze
stelling wordt tweemaal in Paulus' Brief aan de Romeinen gevonden:
eenmaal in verband met zonde en eenmaal in verband met genade.
In Rom.3:22,23 toont ons de apostel waarom rechtvaardiging noodzakelijk
"door [Gods] genade, door de verlossing die is in Christus Jezus"
moet zijn, omdat hij aantoont in Rom.10:12,13 hoe deze uit vrije gunst
is over ons allen, die "de Naam van de Here aanroepen". ER IS GEEN
VERSCHIL WANT ALLEN HEBBEN GEZONDIGD EN DERVEN GODS HEERLIJKHEID (Rom.3:22,23)
Tijdens
de eerste jaren van de uitgave van het tijdschrift Berean Searchlight
had de auteur een Joodse vriend, Sam genaamd, van wie hij geregeld papier
betrok voor het drukken van het tijdschrift. Op een keer, toen we
"discussieerden" over prijzen, zei Sam, "Als je me nog lager
prijst ga ik failliet",
waarop
ik antwoordde, "Als ik ooit een zoon van Abraham in zaken overtroef, ben
ik vast en zeker een scherpe zakenman!" en daarna, "Sam, zijn jij en
ik familie van elkaar?" Hij knipoogde toen hij zei: "Nee, ik ben een
zoon van Abraham". "Dat is zo", antwoordde ik, "maar
vertel me eens, ben jij toevallig ook een zoon van Adam?" Hij kende de
Hebreeuwse Schriften goed genoeg om te zien waar het om ging, en zei,
"Deze keer heb je mij te pakken!" Sam en ik waren familie
van gevallen Adams wege, en dus waren wij beiden zondaars, want door
één mens kwam de zonde in de wereld, en door de zonde de dood; en zo is de
dood tot alle mensen doorgegaan, doordat allen gezondigd hebben" (Rom.5:12).
Er was
dus nimmer enig essentieel verschil tussen Jood en heiden, want allen
hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Maar het is interessant
om te zien hoe God dit historisch in de bedelingen demonstreerde; hoe Hij een
verschil maakte, om te laten zien dat er geen essentieel
verschil is. Zeer zeker maakte God een verschil toen Hij Abraham verkoos uit
de hele heidenwereld en zei: "En Ik zal u tot een groot volk maken, en
u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen" (Gen.12:2). "En
in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,..." (Gen.22:18).
En zeker
was er een groot verschil tussen Israel en de rest van de wereld, toen God
zei: "Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe ik
u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb. "Nu dan,
indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden,
zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;
"En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk
zijn." (Ex.19:4-6)
Het doel
van profetie was Christus als Koning over Israel, en Israel als hoofd der
volkeren (Jer.23:5,6), en het eerste vers van het "Nieuwe Testament"
stelt ons Christus voor als "de zoon van David, de zoon van
Abraham" (Matt.1:1), de patriarch aan wie respectievelijk het
koninkrijk en het land Kanaan was beloofd. Het is daarom niet vreemd dat
Paulus verklaart:"En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden
is van de besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, OPDAT HIJ DE BELOFTEN AAN DE
VADEREN ZOU BEVESTIGEN. "En opdat de heidenen God vanwege de
barmhartigheid zouden verheerlijken..." (Rom.15:24).
Daar
hebben we het profetisch programma: Christus bevestigt - en zal eens vervullen
- Gods beloften aan Israel, en de heidenen zullen Hem verheerlijken vanwege
Zijn barmhartigheid. Let er echter wel op dat de heidenvolkeren God niet
zullen verheerlijken voor Zijn barmhartigheid ten opzichte van hen, dan nadat
de beloften aan Israel vervuld zijn, want het is door verlost Israel
dat de volkeren tenslotte gezegend zullen worden.
Er was
dus toen onze Here op aarde diende een verschil tussen Israel en de volkeren.
Toen een heidense vrouw naar Hem toekwam om hulp, antwoordde Hij door te
zeggen, "Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis
van Israel" (Matt.15:24).
Omdat Hij
medelijden had met de vrouw, hielp Hij haar, maar niet dan nadat Hij zowel
haar als de discipelen het feit had duidelijk gemaakt, dat zij geen enkele
aanspraak op Hem kon maken. Zo ging het ook, toen Hij eerder Zijn twaalf
discipelen uitzond en zei: "Gij zult niet heengaan op de weg der
heidenen, en gij zult geen stad van Samaritanen binnengaan. "Maar gaat
veel meer [eerder] heen tot de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.10:5,6).
Zoals we echter weten werden de Koning en Zijn heerlijk koninkrijk afgewezen
omdat Israel haar eigen Messias afwees en Hem ter dood veroordeelde. In
oneindige barmhartigheid bad Hij voor hen vanaf het kruis, en smeekte de Vader
hen te vergeven (Luk.23:24).
Zo kwam
het dat na de hemelvaart van onze Here er nog een groot verschil was,
positioneel gezien, tussen Israel en de heidenen. Dit is duidelijk uit het
feit dat Petrus, in zijn grootse Pinksterboodschap zich uitsluitend richtte
tot zijn Joodse volksgenoten (Hand.2:14,22,36), hen verklarend dat God
Christus had opgewekt uit de dood om te zitten op de troon van David
(V.29-31), en later tot hen zei: "Gij zijt kinderen van de profeten,
en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot
Abraham zei: En in uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend
worden. "God heeft, na Zijn Kind opgewekt te hebben, Hem eerst tot u
gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt van uw
boosheden" (Hand.3:25,26).
Het is
allerbelangrijkst op te merken dat tot op dit punt Petrus nooit zei dat er
"geen verschil" was tussen Jood en heiden. Wij vinden dit niet
eerder, dan nadat Paulus werd opgewekt. Maar toen Stefanus gestenigd werd en
er een boodschap werd gezonden, na de opstanding van Christus, luidende, "Wij
willen niet dat deze over ons koning zal zijn" (zie Luk.19:14) had
Israel als volk zeker van zichzelf bewezen niet verschillend te zijn van de
heidenen voor wat betreft zonde. Het had nu historisch aangetoond dat "er
geen verschil is, want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid
Gods" (Rom.3: 22,23), en Paulus gebruikt dit laatste om te bewijzen
dat rechtvaardigheid uiteraard zal zijn door vrije gunst van God en door de
verlossing die is in Christus Jezus (Rom.3:22-24; cf.Gal.3:22).
ER IS
GEEN ONDERSCHEID WANT DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM
AANROEPEN (Rom.10:12)
Heidenen
konden in Oud Testamentische worden gered, maar alleen door via Israel tot
God te gaan, daarbij Israels tempel erkennend als Gods aangewezen plaats van
aanbidding, en door zich te onderwerpen aan besnijdenis en Wet. Dit wordt in
Jes.56:6,7 duidelijk gesteld: "En de vreemden, die zich tot den Here
voegen, om Hem te dienen, en om de Naam des Heren lief te hebben, om Hem tot
knechten te zijn; al wie de sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die
aan Mijn verbond [besnijdenis] vasthouden. "Die zal Ik ook brengen tot
Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers
en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal
een bedehuis genoemd worden voor alle volken." Maar nu Israel zich
bij de heidenen had gevoegd in hun opstand tegen Christus en samen met de
heidenen waren opgegeven, redde God in genade Saulus
de aanvoerder van de opstand, en zond hem uit als Paulus de apostel,
met een boodschap van "genade en vrede" overal tot alle
mensen. We hebben hier dus een tweede toepassing van de uitdrukking "er
is geen onderscheid" in Rom.10:12. Zoals de apostel in Rom.3:22,23
verklaart dat "er geen onderscheid is, want allen hebben
gezondigd", zo verkondigt hij nu in Rom.10:
12,13 de blijde boodschap: "Want ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN
GRIEK; WANT DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN.
"WANT EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG
WORDEN."
EEN IEDER
DIE AANROEPT
Rom.10:12,13
op haar beurt brengt ons tot nog een belangrijk tweetal, want de verklaring, "Ieder
die de naam des Heren zal aanroepen zal behouden worden", een
aanhaling uit Joel 2:32, wordt tweemaal in het "Nieuwe Testament"
gevonden: in Hand.2:21 en hier. Een vergelijking van deze twee is openbarend.
Eenmaal
wordt zij aangehaald door Petrus en eenmaal door Paulus; eenmaal
aan het begin van Handelingen en eenmaal aan het eind; eenmaal
omdat God nog steeds met Israel pleitte om haar Koning aan te nemen, en eens
nadat een gerechtelijke blindheid over het volk gekomen was; eens omdat Israel
Gods verbondvolk was, en eens nadat God begonnen was de scheidsmuur tussen
Jood en heiden af te breken, en Paulus, als Gods aangewezen apostel der
genade, uitgezonden was om te verklaren, dat "er geen onderscheid is
tussen Jood en Griek". We moeten eerst de aanhaling van deze passage
bezien om het wonder van de toepassing door Paulus, enige jaren later te
ontdekken.
DE
AANHALING DOOR PETRUS
]Eerst
dient te worden opgemerkt dat Petrus het vers samen met de voorgaande context
aanhaalt. Dit is een zeer belangrijk punt om de toespraak van Petrus in Hand.2
te verstaan. De passage in Joel gaat over Pinksteren en de Verdrukking, en de
voorspelling over Pinksteren zoals deze door Petrus wordt aangehaald wordt
onmiddellijk gevolgd door die aangaande de verdrukking: "En Ik zal
wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde, bloed en vuur en
rookdamp. "De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed,
voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. "En het zal zijn dat
een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zalig [gered] zal worden" (Hand.2:19-21).
Is dit
reeds gebeurd? Zien we vandaag deze tekenen? Is de Dag des Heren nu
aangebroken?
Iedere
ernstige onderzoeker van de Bijbel zal op alle drie vragen met "Nee"
antwoorden. Toch moeten we wel bedenken dat het in verband is met deze
verschrikkingen die zouden worden - en zijn -ingevoegd op "de Dag des
Heren", dat de profeet zegt: "En het zal zijn dat een ieder die
de Naam des Heren zal aanroepen, gered zal worden".
Het is
zeker dat deze profetie nog niet werd vervuld. Dit waren niet "de
tijden van de tekenen" en zeker was dit niet "de Dag des
Heren", maar de dag van de mens. Daarom gaan oorlog en bloedvergieten
praktisch zonder onderbreking door, en onze bekwaamste staatsmannen komen
tevergeefs samen om de plannen tot vrede en veiligheid te bespreken.
Maar God
had een verborgen voornemen dat Petrus nog niet kende. De tekenen van
de Verdrukking zouden niet onmiddellijk volgen op die van Pinksteren.
Inderdaad zouden de tekenen van Pinksteren weer verdwijnen, en God zou zijn
vijanden overal verzoening door genade aanbieden door het bloed van het
kruis, dat binnen het eeuwig doel, "de vijandschap te niet
gedaan" had, die was tussen God en mens,en het voor Hem mogelijk
gemaakt had om "Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze
tegenwoordige tijd;
opdat Hij
rechtvaardig zij, en rechtvaardigende hem, die uit het geloof van Jezus is.
(Rom.3:26).
Hier is het dat Paulus' aanhaling van Joel 2:32 wordt ingebracht.
DE
AANHALING DOOR PAULUS
Het valt
op dat Paulus het gestelde van Joel geheel buiten haar context citeert. Dit
zou als een onwettig gebruik van de Schrift kunnen worden beschouwd, ware het
niet dat hij schreef door goddelijke inspiratie, en dat het God Zelf was die
nu deze zelfde stelling gebruikt in een meest wonderbare zetting:
"WANT
ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT DEZELFDE IS HERE
VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN. "WANT EEN IEDER DIE DE NAAM
DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG [GERED] WORDEN" (Rom.10:12,13).
Nu vragen
wij opnieuw: Heeft dit al plaats gehad? en iedere heilige roept:
"Ja, Hallelujah! Zijn wij niet enigen van "een ieder?"
Hoe belangrijk het ook is dat Petrus deze stelling aanhaalt in zijn
profetische context, het is nog belangrijker dat Paulus deze nu aanhaalt in
deze nieuwe zetting. De tekenen die op Pinksteren begonnen verdwenen tenslotte
weer, en de voorspelde verschrikkingen vonden niet plaats - en hebben nog niet
plaats gevonden. God redt nu niet een ieder die tot Hem roept in de zin als
voorspeld door Joel en verkondigd door Petrus.
Het
wonderbare feit echter is, dat God nu een "tot ieder" aanbod van
eeuwige redding gezonden heeft
vanwege
Zijn onderbreking van het door Joel voorspelde programma, en de invoeging van
de huidige bedeling van genade. Hoe gezegend is ons lot! Hoeveel meer hebben wij, Joodse en heidense
gelovigen, dan Petrus ooit gedroomd heeft op de Pinksterdag! Te bedenken dat
in "deze tegenwoordige boze wereld" redding wordt aangeboden als
vrijelijk geschonken gave van God, en dat de vuilste zondaar
"vrijelijk
door Zijn genade gerechtvaardigd wordt, door de verlossing welke is in
Christus Jezus",
volstrekt gescheiden van vrome werken! En te bedenken dat gelovigen, als
ambassadeurs voor Christus, de hoge eer hebben om deze boodschap door te geven
aan de verlorenen![iii]*
GODS
GEDULD MET ISRAEL
"Hoe
zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij
in Hem geloven van Wie zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen zonder
iemand die hun predikt? "En hoe zullen zij prediken indien zij niet
gezonden worden? Zoals geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen die
vrede verkondigen, van hen die het goede verkondigen!
"Doch
niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Here, wie
heeft onze prediking geloofd? "Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het
gehoor door het Woord van God. "Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord?
Ja toch, hun geluid is over de hele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de
einden van de wereld. "Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes
zegt eerst: Ik zal u tot jaloersheid verwekken door hen die geen volk zijn; door
een onverstandig zal ik u tot toorn verwekken."En Jesaja verstout zich,
en zegt: Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden
aan hen die naar Mij niet vroegen. "Maar tegen Israel zegt Hij: De hele dag
heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend
volk."
Rom.10:14-21.
Het
bovenstaande is nog een belangrijke passage aangaande Israel. In feite
draaien de hoofdstukken 9, 10 en 11 alle drie om het volk Israel. Israel nam een
zeer voorname plaats in Gods programma in, en op een zekere dag - wie
weet hoe spoedig - zal zij het centrum zijn van deze aardse heerlijkheid. Maar
het is een levend feit dat Israel nu niet boven de volkeren verheven is. Eerder
worstelt zij juist om vaste voet in het haar eens beloofde land. Waarom is dit?
Het antwoord vinden we in Rom.9-11, en speciaal in de bovenstaande passage.
Verzen 14
en 15 worden over het algemeen uit de context gelicht en gebruikt als een
roeping voor zendingsdienst in de vreemde. Zonder twijfel kan de passage
rechtmatig worden aangepast om zo'n toepassing te maken, maar de context
toont duidelijk, dat de apostel dit argument gebruikt om te bewijzen dat
Israel zelf, niet God, schuld heeft aan haar huidige toestand.
Hij stelt
dat "het evangelie des vrede en ...verkondiging van het goede" aan hen
gepredikt was door van God geordineerde predikers, dus waren zij verantwoordelijk
voor het niet aanroepen van de naam van de Here om te worden gered (V.13-15).
"Doch
niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geweest, want Jesaja zegt: Here, wie
heeft onze prediking geloofd?" (V.16).
Inderdaad
toont de laatste zin van het voorgaande vers aan, zoals hoofdstuk 9 doet, dat
slechts een kleine minderheid geloofd had, terwijl het gehele volk als zodanig
gesloten was voor het goede nieuws. Bij de opsomming van Vers 14,15 zegt de
apostel:
"Zo
is dan het geloof uit het gehoor, en gehoor door het Woord van God" (V.17). Veel mensen halen deze passage aan zonder
werkelijk bedenken of deze te verbinden met de voorgaande context, in het
bijzonder de verzen 14,15. Het punt is, dat iemand alleen kan geloven wat hij
hoort (of leest), en hij kan alleen horen wat gezegd werd. Evenzo komt
geloof in God slechts door God te horen, en wij kunnen slechts horen (en
lezen) wat Hij gezegd heeft.
Zo
besluit de apostel nu zijn redenering over Israël ongeloof en weerstand in
een passage waar wij allen goed op moeten letten, Verzen 18-21. Let er op dat
drie van deze verzen beginnen met het woord "Maar". Het zijn antwoorden
op tegenwerpingen, die kunnen zijn gerezen bij het verdedigen van Israels
ongeloof.
"Maar
ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde
uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld" (V.18).
________
Terwijl
hij hier Ps.19:1-4 aanhaalt, redeneert de apostel dat sedert de kennis van God
tot de einden der aarde gegaan is, het mogelijk is dat Israel,
Zijn uitverkoren volk, het evangelie niet zou hebben gehoord? Zij zouden
immers de eersten zijn die een boodschap van God hoorden.
"Maar
ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot
jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn, door een onverstandig
volk zal Ik u tot toorn verwekken" (V.19).
Toegegeven
dat Israel het goede nieuws gehoord heeft, "verstond"
zij, "begreep" zij het? Bij het beantwoorden van deze vraag
citeert de apostel Deutr.32:21 en past dit toe op de tegenwoordige positie van
Israel. Israel begreep zeer goed, want God had haar tot jaloersheid verwekt door
de kleine kudde van Zijn Joodse volgelingen. In Matt.21:43 hebben we de woorden
van onze Here tot de leidslieden van Israel: "Daarom zeg Ik ulieden, dat
het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn
vruchten voortbrengt." Dit wordt dikwijls uitgelegd als te slaan op de
redding, gezonden tot de heidenen. Maar onze Here spreekt niet van redding. Hij
verklaart dat het koninkrijk zou worden weggenomen van de
leidslieden in Israel. En Hij zei niet dat dit koninkrijk aan de heidenen zou
worden gegeven, maar aan "een volk dat zijn vruchten
voortbrengt". De heidenen waren niet "een volk", nog minder een
volk dat vruchten voortbrengt van het koninkrijk. Het "volk" waar Hij
hier op doelt wordt inderdaad duidelijk genoemd in Luk.12:32, waar Hij zegt tot
de kleine kudde van Zijn volgelingen:
"Vreest
niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het
Koninkrijk te geven." In dit
verband moet niet worden vergeten dat onze Here reeds twaalf apostelen had
aangewezen als de hoofdbestuurders in dit koninkrijk, direct naast Hemzelf (Matt.19:28).
Dienovereenkomstig
verwijst de apostel hier in Rom.10:19 niet naar de heidenen , maar naar een volk,
door de bestaande bestuurders beschouwd als "een onverstandig volk",
"geen volk". Wat zal het bij de leden van het Sanhedrin gestormd
hebben toen de "kleine kudde" in hun midden Christus en de opstanding
predikte en duizenden tot geloof in Hem leidden! Verdergaande met zijn
redenering zegt de apostel: "En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben
gevonden door hen die Mij niet zochten; Ik
ben openbaar geworden aan hen die naar Mij niet vroegen" (V.20).
Dat dit niet
kan slaan op het zenden van redding aan de heidenen is duidelijk uit twee
belangrijke feiten. Ten eerste is dit vers en V.21 genomen uit Jes.
65:1,2, een passage die duidelijk op Israel slaat, niet op de heidenen. Ten te
weede zegt de apostel niet, "Jesaja is zeer genadig" of "zeer
vriendelijk", alsof deze passage betrekking heeft op het zenden van het
evangelie aan de heidenen. Hij zegt, "Jesaja VERSTOUT zich", en
de woorden die erop volgen tonen aan dat Hij verwijst naar de aanbieding van
Christus gedurende de Pinkstertijd aan hen die niets met Hem te doen wilden
hebben, t.w. de leids lieden van Israel. Dit is in het bijzonder duidelijk uit
het volgende gedeelte van Jes.65:1:
"Ik
heb gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik, tot het volk dat naar Mijn
Naam niet genoemd was."
Zo is het
duidelijk dat het woord "Maar" in V.21 niet bedoelt een verandering
van onderwerp van de heidenen naar Israel. Eerder is het het vierde antwoord van
de apostel op elke mogelijke tegenspraak. Voor de vier de maal beginnend met het
woord "Maar" redeneert hij dat God tot Israel zegt (in Jes.65:2):
"De
hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend
volk" (V.21).
Had
Israel niet gehoord (V.18)? Of had zij het misschien niet begrepen? Onmogelijk!
Jesaja gebruikt inderdaad "zeer stoute" taal waarin God tot het
tegenstrevend Israel zegt, "Gij wilde Mij niet, maar hier ben Ik, ziet,
hier ben Ik!" Maar tenslotte moest God dit volk opgeven, althans voor
heden, met de woorden: "De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot
een ongehoorzaam en tegensprekend volk" (V.21). Hoe veelbetekenend dat
deze passage ten laatste spreekt, niet over Gods soevereine recht om
Israel terzijde te stellen, maar eerder als een rechtvaardiging van Zijn doen,
omdat zij geen gehoor wilden geven aan Zijn sterk aandringen om Jezus
Christus als hun Redder en Heere te erkennen. En dit blijft een oproep aan alle
ongelovigen van vandaag.
|