H
O O F D S T U K I - R O M: 1:1-17
PAULUS EN
DE GELOVIGEN TE ROME
ZIJN APOSTELSCHAP EN BOODSCHAP
"Paulus,
een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot
het evangelie van God, "[Hetwelk Hij tevoren beloofd had door Zijn
profeten, in de heilige Schriften] "Van Zijn Zoon, [Die geworden is uit
het zaad van David, naar het vlees; "Die krachtelijk bewezen is te zijn
de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der
doden] namelijk Jezus Christus, onze Here; "[Door Welken wij hebben
ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder
al de heidenen, voor Zijn Naam." -
Rom.1:1-5
PAULUS' APOSTELSCHAP
Als
we onze Bijbels openen bij de Brief aan de Romeinen, trekt het woord Paulus
eerst onze aandacht. Hij maakt zich direct bekend als Paulus, een
dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel."
Maar
wie is deze Paulus? Kan hij werkelijk een apostel van Jezus
Christus zijn!? Had onze Heere niet een vol aantal van twaalf apostelen
aangewezen om over de twaalf stammen van het volk Israel te regeren? Is het
niet zo dat nadat Judas een verrader is geworden dat Matthiaseen is inplaats
geworden. Wie kan dit ontkennen, als het Schrift zelf duidelijk zegt dat
"het lot op Matthias viel, en hij werd gerekend tot de elf
apostelen...en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest"
(Hand.1:26;2:4).
Hoe
moeten we dan de komst van een nieuwe apostel verklaren? Zouden wij tegelijk
na het lezen van de z.g. 4 evagelieen
de
Brief aan de Romeinen gaan lezen, dan zou dit inderdaad moeilijk te
begrijpen zijn. Het boek Handelingen, "het tussenliggende
boek", verklaart dit!
Het
is inderdaad dit boek, dat de aanstelling van Matthias vermeldt om het
aantal van de apostelen van de Messias weer op twaalf te brengen, zodat
later Paulus' unieke apostelschap, los van de bediening der twaalven, geen
vraag zou zijn. Handelingen vermeldt de verwekking van deze "andere
apostel", en verklaart hiervan de reden van Gods zijde.
Dat
Paulus niet Gods keuze voor de plaats van Judas was, is duidelijk,
niet alleen vanuit eerdergenoemd Hand.2:4 is dit duidelijk, maar uit het
feit dat Paulus in geen geval gekwalificeerd was om Judas' plaats in te
nemen. Matt.19:28, Luk.22: 28-30 en Hand.1:21,22 geven aan, dat de twaalven,
die met Hem zouden regeren, mannen moesten zijn die steeds met
Christus "mee omgegaan" waren, gedurende Zijn aardse bediening,
te beginnen bij Zijn doop door Johannes [de eerste dag van Zijn
bediening] tot "die zelfde dag" dat Hij opvoer naar de hemel [de laatste
dag van Zijn aardse bediening].
Paulus
had dus Christus niet trouw gevolgd; hij was in de tijd van zijn bekering,
na Pinksteren, inderdaad de meest verbitterde vijand van onze Here op aarde.
Hoe kon hij dan gekwalificeerd zijn als een van de twaalven?
Handelingen
geeft verder het antwoord op de vraag van Paulus' apostelschap, als wordt
aangegeven hoe de boodschap van de twaalven en hun heenwijzing naar het
koninkrijk op Pinksteren, werd verworpen, en hoe, als gevolg daarvan, de
stichting van het koninkrijk werd uitgesteld [een goddelijk gepland uitstel]
en in afwachting werd gehouden tot een toekomstige tijd.
Handelingen
toont aan hoe God iets wonderbaars deed, toen alles klaar was voor het
geprofeteerde oordeel van God over Israel en de wereld wegens hun afwijzing
van Christus: Hij redde Paulus, de voornaamste van de zondaren, de
vurige aanvoerder van de opstand tegen Christus, en zond hem uit naar alle
volkeren om "het evangelie van Gods genade" te verkondigen
(Hand.20:24), gebaseerd op het verlossingswerk van Christus op Golgotha. Zo
werd een nieuwe bedeling ingevoegd, "de bedeling van Gods
genade" (Eph.3:2,3).
Nu,
in het licht van Handelingen,
beginnen we de inleiding tot de Romeinen, te begrijpen: "Paulus, een
dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het
evangelie van God (Rom.1:1).
God
wist hoe verbitterd een vijand als Saulus van Tarsen kon zijn voor Zijn
gezalfde Zoon, en had hem verkoren binnen de Raad van de Drieכenheid,
om de heraut en het levend voorbeeld te worden (cf.Gal.1:15,16) van Zijn
barmhartigheid, liefde en genade. Hoe kostbaar worden nu de woorden van deze
man, in passages als Rom.5:20,21, Eph.2:4-7 en 1 Tim.1:12-16!
PAULUS' BOODSCHAP
Als
we de verzen 1 en 3 samenvoegen - Vers 2 is een tussenzin - zien we dat de
Apostel Paulus geroepen werd om "het evangelie [goede nieuws] van
God, van Zijn Zoon, Jezus Christus, onze Here" te verkondigen. Hij
werd "afgezonderd" voor de verkondiging van deze boodschap.
Paulus
sprak altijd over Christus; zijn brieven zijn vol met Christus;
Christus, was alles in zijn bediening en boodschap. Minstens een
dozijn keren wordt het gesteld, hetzij van Paulus, of door hem,
dat hij "Christus predikte", en dit feit wordt heel
duidelijk, als we het laatste gedeelte van de Handelingen en de brieven van
zijn hand lezen.
Dit
staat in treffend contrast tot veel moderne evangelisatie, die eerder
mensgericht dan Christusgericht is. Wijlen Dr.A.W.Tozer had gelijk toen hij
zei:
"De
fout in de tegenwoordige evangelisatie ligt in haar humanistische
benadering...Zij wordt openlijk geboeid door de grote, lawaaierige,
agressieve wereld met haar grote namen, haar heldenverering, haar rijkdom en
verwaandheid...
"Dit
concept van Christenheid is een radicale vergissing, en omdat zij de zielen
van mensen raakt, is het een gevaarlijke, zelfs dodelijke
vergissing...Uiteindelijk is zij weinig meer dan zwak humanisme, verbonden
met weke Christelijkheid teneinde haar een kerkelijk respect te
verlenen...Onveranderlijk begint het met de mens en zijn noden, en dan kijkt
zij rond naar God" [Zoals aangehaald door Devern F.Fromke in The
Ultimate Intention, P.187].
We
doen er goed aan hiervan nota te nemen wanneer we onze studies in de Romeinenbrief
gaan beginnen, want het evangelie dat Paulus verkondigde was Gods goede
nieuws over Christus en Zijn glorieuze overwinning door het verslaan
van Satan, overwinning van de dood, het aan het kruis nagelen van de Wet, en
het verwerven van redding, vol en vrij, voor zondaars.
Dit
is de reden waarom de Apostel zijn boodschap noemt "het goede nieuws
van de heerlijkheid van Christus" (2 Cor.4:4) en "het goede
nieuws van de heerlijkheid van de zalige [gezegende] God" (1 Tim.1:11).
Op deze waarheid van het goede nieuws verstandelijk ingaan, geeft aan het
menselijk hart de ervaring van de grootst mogelijke zegen.
EEN GEPROFETEERD EVANGELIE?
Vers
2, de tussenzin, brengt voor menigeen een probleem, want het stelt, dat het
evangelie van Paulus "tevoren beloofd werd door [Gods] profeten in de
Heilige Schriften". Voor sommigen is dit een teken dat (1) Paulus
"het evangelie van het koninkrijk" verkondigde tijdens het begin
van zijn bediening, of dat (2) "het evangelie van Gods genade" in
de Oud Testamentische Geschriften werd geprofeteerd.
Zij
die deze gezichtspunten vasthouden, maken meestal een tegenstelling tussen
"het evangelie... tevoren beloofd", waarnaar de verzen in de opening
van Romeinenbrief verwijzen, en wat Paulus noemt "mijn evangelie...de
verborgenheid...geheim gehouden sinds het begin der wereld", genoemd in
de verzen bij de afsluiting van de brief.
Deze
zienswijze slaat bij velen aan, maar zij kan de toets van de Bereכrs om
verschillende redenen niet doorstaan:
1.
Er is geen bewijs, dat Paulus ooit "het evangelie van het
koninkrijk" predikte. Hij toonde zijn Joodse toehoorders aan, dat Jezus
de Christus was; dat zouden wij ook, want hoe kan een Jood geloven in
Christus als zijn Redder, als hij niet gelooft dat Hij de ware Messias was?
Maar
ook in Paulus' eerste geschreven verslag van de prediking in de
synagoge in Pisidisch Antiochiכ, lag de climax van zijn boodschap,
daar waar al het overige heen leidde, bij recht-vaardiging door genade,
door geloof in Christus, gescheiden van de Wet (Zie Hand.13:38,39).
2.
"Het evangelie van Gods genade" werd niet geprofeteerd in
de Oud Testamentische Schriften. Paulus stelt duidelijk dat "de
bedeling van Gods genade" een "verborgenheid" was, geheim
gehouden totdat zij aan hem werd bekend gemaakt "door openbaring"
(Eph.3:2,3).
3.
De essentie van het goede nieuws van Paulus in de Romeinenbrief werd niet
geprofeteerd in de Oud Testamentische Geschriften. Waar lezen we in het
Oude Testament over Gods gerechtigheid, naar voren gekomen door de dood van
Christus, of over rechtvaardiging zonder de werken der wet[i] * , of omtrent Joden en
heidenen voor God op hetzelfde niveau geplaatst, of over de doop der
gelovigen in Christus, of over het ene samengevoegde lichaam? Dit alles
wordt behandeld in de Brief aan de Romeinen.
4.
In zowel zijn vroege als latere epistels spreekt de Apostel voortdurend van "mijn
evangelie dat ik u gepredikt heb", "dat evangelie dat ik
predik onder de heidenen", etc. Nergens is er een aanwijzing dat
hij twee evangeliכn gepredikt
heeft, een vroeger en een ander later. In Hand 20:24 kijkt hij inderdaad
terug en vooruit, en spreekt het verlangen uit:
"...opdat
ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst die ik van de Here
Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie van de genade van
God."
*1 (Er wordt soms meer in Rom.4:6,7 gelezen dan er staat.
David "beschrijft", in het geval van zijn zonde met Bathseba,
het gezegend zijn van de man aan wie de Here gerechtigheid toerekent los van
werken, maar als David het volk Israel geleerd zou hebben, dat zij de
ceremoniele wet niet zouden behoeven te gehoorzamen, zou hij ter dood
gestenigd zijn wegens godslastering.
Deze verklaring, gebracht tegen het einde van zijn
bediening over zijn ganse bediening, verleden en toekomstige, kon
nauwelijks duidelijker het feit bevestigen, dat aan de Apostel ייn evangelie
werd opgedragen, waarvan de volle inhoud hem inderdaad eerst geleidelijk werd
ontvouwd. (Zie Hand.26:16; 2 Cor.12:1).
5. "Het evangelie" hier in Rom.1:1-5, dat in de
gedachten van sommigen slaat op Paulus' eerdere boodschap, wordt gesteld
dezelfde oorspronkelijke boodschap te zijn, als die hij predikte vlak
voor zijn martelaarsdood te Rome. Merk nauwkeurig op:
Rom.1:1-4 : "...het evangelie van God...aangaande
Zijn Zoon, Jezus Christus onze Here, geworden uit HET ZAAD VAN DAVID naar
het vlees [zo was Christus bekend], en VERKLAARD TE ZIJN DE ZOON VAN
GOD MET KRACHT...DOOR DE OPSTANDING UIT DE DOOD."
2 Tim.2:7,8: "Merk wat ik zeg; doch de Here geve u
verstand in alle dingen. Houd in herinnering, dat Jezus Christus, DIE UIT
HET ZAAD VAN DAVID IS, UIT DE DODEN IS OPGEWEKT, NAAR MIJN EVANGELIE."
In beide passages is het duidelijk, dat Jezus Christus
"uit het zaad van David" [zoals Hij bekend was geweest],
door Paulus in voller licht werd gepredikt. Petrus had immers, op
Pinksteren, Christus gepredikt als opgestaan uit de doden, om te zitten op
de troon van Zijn vader David (Hand.2:29-31). Aan Paulus werd voller licht
geschonken op de opstanding, door de verkondiging van Christus, opgestaan
met betrekking tot "onze rechtvaardiging" (Rom.4:25), verklarende
dat, "ook toen wij dood waren in zonden [God] ons heeft levend
gemaakt, samen met Christus [uit genade zijt gij gered geworden], "en
heeft ons samen [met Hem] opgewekt, en heeft ons samen [met Hem]
gezet in de hemel in Christus Jezus" (Eph.2:5,6; ).
6. Zowel aan het begin als aan het einde van de Brief
aan de Romeinen verklaart Paulus, dat zijn evangelie Gods boodschap is,
om te ontvangen in de "gehoorzaamheid des geloofs" onder
"alle volkeren" (Rom.1:5; 16:26). Klaarblijkelijk werden "het
evangelie van het koninkrijk", en "het evangelie van Gods
genade" niet beiden gepredikt door dezelfde apostel tot
"gehoorzaamheid des geloofs onder alle volken" in zo'n korte tijd.
Het "evangelie" waar hij naar verwijst zowel in
de aanvang en het slot van zijn brief, is dan ook ייn boodschap,
die hij noemt "mijn evangelie...de prediking van Jezus Christus naar
de openbaring van de verborgenheid [het geheimenis]", "het
evangelie van Gods genade." Waarom zegt de Apostel dan, dat zijn
evangelie ook "tevoren beloofd" was door de profeten in de heilige
Schriften? In het licht van het Woord van God in zijn geheel, en speciaal in
de Brief aan de Romeinen zelf, is het duidelijk dat Paulus hier
verwijst, niet naar de inhoud van zijn evangelie, maar
eenvoudig naar het feit dat God voorzegd had dat Hij wonderbaar goed nieuws
voor de mensheid in petto had. Dit wordt gecompleteerd door 1 Cor.2:9,10.
Verwijzende naar Jes.64:4, zegt de Apostel: "Maar zoals geschreven
is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het
hart van de mensen niet is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die Hem
liefhebben."Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest..."
Wonderbaar nieuws voor de mensheid, glorieuze zegeningen voor de Zijnen!
En dit goede nieuws, en deze zegeningen, heeft God nu aan ons geopenbaard
door Zijn Geest, in Zijn Woord. Wij dienen te trachten om tot meer en
vollediger waardering te komen van dit goede nieuws en deze kostbare
zegeningen, wanneer we doorgaan met onze studies in de Brief aan de
Romeinen.
GETROUWE EN GELIEFDE HEILIGEN
"waaronder gij ook zijt, geroepenen van Jezus
Christus. "aan allen die te Rome zijt, geliefden van God, en geroepen
heiligen; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Here Jezus
Christus. "Eerst dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen,
omdat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. "Want God is mijn
Getuige, Die ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik
zonder ophouden u gedenk, "terwijl ik altijd in mijn gebeden bid, of
mogelijk mij nu eens goede gelegenheid gegeven werd, door de wil van God,
tot u te komen. "want ik verlang om u te zien, opdat ik enige
geestelijke gave mocht meedelen, opdat gij versterkt zoudt worden. "Dat
is, om mee vertroost te worden onder u, door elkaars geloof, zowel dat van u
als dat van mij."
- Rom.1:6-12.
GELIEFDEN VAN GOD
GEROEPEN HEILIGEN
"De geroepenen van Jezus Christus...geliefden van
God, en geroepen heiligen."
Wat een gezegende positie om in te verkeren! Maar hoe
uitgebreid misverstaan, want vele religieuze mensen zijn ertoe geleid om te
geloven dat alle heiligen in de hemel zijn!
De Roomse Kerk heeft zichzelf het gezag toegeכigend om
zekere personen tot heiligen te verheffen. In de Rooms Katholieke leer is
een heilige "iemand wiens heilige levenswandel en heldhaftige deugd
zijn bevestigd en erkend door de officiele processen van zaligspreking en
canonisatie"
Zo kan dus volgens de Roomse Kerk, niemand een
heilige zijn, dan na canonisering van de Kerk, over het algemeen honderden
jaren na zijn dood.
In werkelijkheid is een heilige [Gr.,hagios] niet
iemand die iets bereikt heeft, maar eerder iemand die apart gesteld is
door God als heilig voor Hemzelf. Dat dit zo is voor iedere ernstige
gelovige in Christus, wordt bevestigd door het overweldigend getuigenis van
de Schrift met betrekking tot de heiligen (o.a. Hand.9:13; 26:10; Rom.12:13;
15:25,26; 16:2; Eph.3:8; Phil.4:22). Zo zijn dus gelovigen in Christus, met
al hun gebreken en zonden, toch "de geliefden van God", Zijn eigen
geheiligd bezit[ii]
en Hij wil dat wij tot de blijdschap van deze kostbare waarheid komen. Ons
bijzonder kenmerk zou moeten zijn, dat wij van Hem zijn.
Wat betreft het woord "geroepen" [Gr., kleetos],
in V. 6,7, verklaren veel commentaren, zonder reserve, dat dit woord altijd
wordt gebruikt voor een "uitroeping", en betekent gekozen,
of uitverkoren. Dit is niet juist. We hebben inderdaad in Matt.22:14
de woorden van onze Here: "velen zijn geroepen maar weinigen
uitverkoren"!
_____
*2
God heeft alle mensen lief; Hij heeft hen inderdaad zo lief, dat Hij Zijn
Zoon gaf om voor hen te sterven (Joh.3:16; Hebr.2:9), maar de Zijnen zijn
"de geliefden van God" in speciale zin, net zo als een man zijn
vrienden en naburen kan liefhebben - zelfs zijn vijanden, maar zijn vrouw is
"zijn geliefde" in speciale zin.
Dit zou ons moeten leren om geen radicale stellingen te
poneren, die niet door de Schrift kunnen worden gewaarmerkt, of om
blindelings te accepteren wat een leraar Grieks zonder meer stelt.
Wij ontkennen niet dat er een uitverkiezing besloten is in
Rom.1:6,7, maar hier wijst het woord "geroepen" er eerder
op dat de gelovigen in Rome de heiligheid niet zichzelf hadden
aangematigd; zij waren heiligen door een goddelijke roeping, net als
Paulus zich niet aanmatigend als een apostel had aangewezen, maar door
God werd geroepen op die plaats. Toen de gelovigen in Rome Gods
roeping beantwoordden, werden zij de "geliefden van God, geroepen
heiligen."
GENADE EN
VREDE
Veel misverstand is er ontstaan rondom de woorden: "Genade
zij u en vrede van God,
onze Vader, en de Here Jezus Christus" (V.7).
Vele jaren geleden dacht de auteur na over deze mooie,
geestelijke begroeting. In werkelijkheid is zij veel meer dan dat. Zij is
een officiכle proclamatie door de apostel van genade, van de
verworpen Vader, en van Zijn verworpen Zoon. Daarom wordt zij gevonden onder
de openingsverzen van elke brief van Paulus, ondertekend met zijn naam.
Maar waarom wordt deze proclamatie door de Vader en de
Zoon gezonden, maar niet door de Heilige Geest? Twee bekende Oud
Testamentische passages geven hierop het antwoord.
Psalm 2 schildert de volkeren en het volk, Israel,
oorlogvoerend "tegen de Here en tegen Zijn Gezalfde" [d.i. tegen
de Vader en de Zoon], en verklaart dat:"Die in de
hemel woont, zal lachen; de Here zal hen bespotten. "Dan zal Hij tot
hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen
verschrikken" (V.4,5).
In Psalm 110 vinden we een dergelijke passage. Hier zegt
de Vader tot de Zoon: "...Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw
vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten" (V.1).
Zo moest de oorlogsverklaring van de mens aan God en Zijn
Christus - en zo zal het ook geschieden - bezocht worden met verschrikkelijk
oordeel. God zal een tegenverklaring van oorlog doen aan een
Christusverwerpende wereld in de Grote Verdrukking die te komen staat.
Op Pinksteren verklaarde Petrus dat de laatste dagen
gekomen waren - en dat was ook zo - en dat, toen God Zijn Geest
"uitstortte" op de Zijnen, Hij oordeel zou uitgieten over Zijn
vijanden (Hand.2:16-20). In genade echter onderbrak God het geprofeteerde
programma, juist op het moment, dat het toneel werd klaar gemaakt voor het
vallen van het oordeel. De Geest werd inderdaad uitgestort, maar de toorn - nog
niet. God boog Zich eerder neder toen Israels beker van ongerechtigheid
overvloeide, om Saulus van Tarsen te redden, de vurige aanvoerder van
de opstand tegen Christus, en zond hem uit als een speciale gezant naar alle
volkeren, een apostel der genade, om vrede aan te bieden aan Zijn
vijanden overal, door geloof in Christus. Dit is waarom we in 2 Cor.5:19
lezen: "...Want God was in Christus de wereld met Zichzelf
verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der
verzoeningin ons gelegd."[iii]
En zo is het ook, dat Paulus al zijn brieven [behalve aan
de Hebreeכn] begint met de wonderbare proclamatie: "Genade zij u en
vrede." Deze gezegende boodschap is ook voor ons. Wij zijn, net als
Paulus, ambassadeurs van genade en vrede, en wij proclameren dit
genadig aanbod van God de Vader en Zijn verworpen Zoon, door de Geest
die in ons woont, en op het gezag van het Woord, waarvan Hij de Auteur is.
Zo werkt de Geest op aarde om mensen de genadige houding van de Vader en de
Zoon te openbaren aan een wereld van zondaren.
Nadat deze "bedeling van Gods genade" zijn loop
heeft volbracht, zal God Zijn profetisch programma weer opnemen. Met het
terugroepen van Zijn ambassadeurs (1 Thess.4:16-18) zal Hij oorlogvoeren
tegen Zijn vijanden, door het uitgieten van Zijn toorn op de aarde (1 Thess.5:1-3;
cf. Openb.16:1).
Als de gelovige om zich heen ziet, weet hij dat de wereld
regelrecht op die verschrikkelijke dag afgaat, voortsnellend naar de dag van
gericht, met een steeds grotere snelheid.
3)De lezer dient zorgvuldig de rest van deze verbazende
passage, de verzen 20,21 te lezen en te overdenken.
Hoe dringend is dan onze verantwoordelijkheid om de
verlorenen te bereiken met de gezegende boodschap van "genade en
vrede", zolang het tijd is, "de tijd uitkopende, want de
dagen zijn boos" (Eph.5:16).
DANKZEGGING EN GEBED
De verklaring van de Apostel in vers 8, is veelbetekenend:
"omdat uw geloof verkondigd wordt in de hele
wereld"
-
uiteraard in de "wereld" van Paulus' dagen.
Denk eens aan! Paulus had zelfs nog nooit Rome bezocht om
daar de gelovigen te bemoedigen en te bevestigen, en toch was hun geloof in
Christus zodanig, dat het wereldwijd aandacht trok en besproken werd!
Als God geloofd en behaagd werd, bewerkte dat ook, dat
Paulus' hart overvloeide van dankzegging en gebed in liefde voor deze
geliefde heiligen (V.8,9). Christenen zeggen soms zo gemakkelijk tegen
elkaar, "Ik zal voor je bidden", maar Paulus kon deze gelovigen
herinneren aan zijn trouwe dienst aan God, en kon hen in Zijn naam zweren,
dat hij voor hen bad "zonder ophouden", d.i. dat hij nooit ophield
met voor hen te bidden. Met bijzondere ernst bad de apostel, dat hem
"nu eens" [na vele teleurstellingen V.13] "een goede
gelegenheid gegeven werd", tot hen te komen, want hij verlangde hen te
zien en met hen te zijn (V.10,11).
"Ik verlang om u te zien."
Hoe groot en liefhebbend was het hart van de Apostel! Hij
verlangde er niet naar om naar Rome te gaan om de hoofdstad van de wereld[iv]
te zien, of om een persoonlijke wens te vervullen; hij "verlangde"
hen te zien. Hier zouden we ons dienen te buigen over passages als
Phil.1:8, 1 Thess.3:6 en 2 Tim.1:4, om een inzicht te krijgen in het hart
van de apostel der genade.
* 4 Uit bovenstaande passage, uit Hand.23:11, en uit alles
wat wij weten over Paulus, is het duidelijk, dat de uitdrukking, "Ik
moet ook Rome zien" in Hand.19:21, niet alleen een verlangen
insluit om "bezienswaardigheden" in Rome te bekijken.
Het was ook meer dan een verlangen naar
Christengemeenschap dat het hart van de Apostel naar Rome trok. Het was
eerder een verlangen dat hij met hen de zegeningen van zijn door God gegeven
boodschap mocht delen en om hen verder in het geloof te bevestigen (V.11).
Velen van hen waren nog in hun "eerste liefde". Hun geloof was
vurig en opwindend, maar nu wilde de Apostel hen verder leiden in de
wwarheid, opdat hun geloof meer grondig gefundeerd zou zijn, en zij
onbeweeglijker zouden staan.
Als dit werd gerealiseerd, door Gods genade, zouden zij en
hij de vruchten daarvan oogsten. Zoals altijd, zou de leraar net zo
rijkelijk gezegend worden als de leerlingen. Hier legt hij drievoudig de
nadruk op in V.12: "...om mee vertroost te worden onder u, door
elkaars geloof, zowel dat van u als dat van mij."
De Apostel vertrouwde zo op God dat Hij hem zou gebruiken
om geestelijke zegeningen aan hen uit te delen, dat hij kon zeggen:
"En ik weet, dat als ik tot u kom, ik met volle zegen
van het evangelie van Christus komen zal" (Rom.15:29).
De Romeinse Christenen hadden toen veel om naar uit te
zien: Paulus bracht zegen tot hen, en zij aan hem!
PAULUS' VERDEDIGING VAN ZIJN
HEIDEN-APOSTELSCHAP
"Doch ik wil niet, dat u onbekend is, broeders, dat
ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en tot nog toe verhinderd ben
geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de
andere heidenen. Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben
ik een schuldenaar. Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om ook u, die
te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen. Want ik schaam mij het Evangelie
van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die
gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.
Want de rechtvaardigheid Gods wordt erin geopenbaard uit
geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het
geloof leven". Rom.1:13-17
God wilde niet dat Zijn volk onwetend zou zijn - speciaal
niet met betrekking tot Zijn geopenbaard programma. Tot zes maal toe vinden
we in Paulus' brieven: "Ik wil niet dat jullie onbekend zou
zijn." Vijf keer op een bepaalde manier in relatie met zijn grote
boodschap, "het geheimenis", en drie ervan
hebben te doen met ייn enkel aspect van het geheimenis: Gods programma
voor de huidige bedeling. Niet leuk om te zeggen, maar die zaken waarvan
God zegt, "Ik wil niet dat jullie onwetend zouden zijn",
zijn juist de zaken die bij Gods kinderen het minst bekend zijn.
Naar welke waarheid verwijst dan de Apostel in deze passage,
als hij zegt: "Ik wil niet dat u onbekend zal zijn"? Wij
geloven dat hij bedoelt, de geldigheid van zijn bediening onder de heidenen.
"EERST DE JOOD"
De bovenstaande passage is bekend bij alle
Bijbelstudenten, en V.16 is van alle het meest bekend - en wijdverbreid
het meest misverstaan. Uit dit vers wordt de conclusie getrokken dat de Jood
voorop staat in Gods programma voor evangelisatie tijdens de huidige
bedeling. Het "eerst de Jood" is inderdaad het wachtwoord
van menige organisatie tot zending onder de Joden.
De auteur heeft vele Joodse vrienden en in zijn hart een
zeer speciale plaats voor de Jood, maar hier moeten we allen bij het
onderwerp blijven, en dan zien wat deze passage, in de context, werkelijk
zegt.
Wij weten dat de Jood op de eerste plaats was in
Gods programma. Het grootste deel van het zogenaamde Oude Testament heeft te
doen met Israכl. Het grootste deel van het zogenaamde Nieuwe Testament heeft
te doen met Israכl. Vanuit beiden, Oud en Nieuw Testament, is het duidelijk
dat Israכl Gods uitverkoren volk is, en dat Hij grote dingen voor haar in
petto heeft.
Toen het koninkrijk van de Messias op aarde werd
geproclameerd door Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, werd het alleen
aan Israכl verkondigd. In de eerste "grote opdracht" aan de
twaalven onderrichtte Hij hen niet naar de heidenen te gaan, zelfs
niet naar de Samaritanen, toen Hij zei:
"Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van
het huis van Israel"
(Matt.10:5,6).
Wat Hemzelf betreft, zei Hij: "Ik ben alleen
gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:24).
Was dit omdat Hij de heidenen haatte, of onvoldoende
liefde voor hen had? Nee, het was omdat Hij de verbonden, en profetiכn in
de Oud Testamentische Geschriften begreep. Hij kende uit Gen. 22:17,18 en
honderd en ייn andere Oud Testamentische passages, dat het Gods bedoeling
was, de volkeren te zegenen door Israכl.
Dit verklaart waarom Hij zei, toen een heidense vrouw naar
de Here kwam om hulp: "Laat eerst de kinderen verzadigd
worden..."(Mark.7:27). Het verklaart ook waarom, zelfs na Zijn
opstanding, Hij Zijn discipelen beval dat "bekering en vergeving van
zonden gepredikt zou worden in Zijn naam onder alle volken, te beginnen
bij Jeruzalem" (Luk.24:47).
In begin van Handelingen vinden we,dat de twaalven dit ook
doen. In Hand.3:25,26 verklaart Petrus aan de "mannen van Israel":
"Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met
onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw zaad zullen
alle geslachten der aarde gezegend worden. "God heeft, na Zijn kind
opgewekt te hebben, Hem EERST TOT U gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat
Hij een ieder van u afbrengt van uw boosheden."
Paulus bevestigt de verklaring van Petrus enige jaren
later, toen hij tot de Joden in Pisidisch Antiochiכ zei: "Het was
nodig dat EERST tot u het Woord van God gesproken werd..." (Hand.13:46).
Waarom was dit noodzakelijk? Eenvoudig omdat
volgens verbond en profetiכn, en volgens de woorden van de Here Jezus
Christus, de heidenen zouden worden, - en eenmaal zullen zijn - gezegend door
verlost Israel, met Christus als Koning.
Zoals we echter gezien hebben, verwierp Israel de Koning
en Zijn koninkrijk, zelfs na Zijn opstanding en na het komen van de Heilige
Geest met wonderbare kracht. Toen was het dat God Saulus redde, de
leider van de opstand, en hem uitzond om overal "het evangelie van
Gods genade" te verkondigen aan alle mensen.
OOK VANDAAG "EERST DE JOOD"?
Dit alles heeft een grote draagkracht in Rom.1:16.
Sommigen die Joden liefhebben - zoals ook de schrijver -hebben deze passage
uitgelegd te betekenen dat het evangelie van Gods genade nu "eerst
tot de Jood" gezonden dient te worden. Dit is in de kern van de zaak,
en in het licht van de contekst, een abuis.
"De bedeling van Gods genade" is in de eerste
plaats tot niemand eerst. Zij is onbeperkt, zoals Gods afdoening voor
zonde onbeperkt was. Zo wordt zij ook aan allen gelijkelijk aangeboden, "want
er is geen onderscheid...want Dezelfde is Here van allen, rijk over allen
die Hem aanroepen" (Rom.10:12).
Maar laat ons teruggaan naar Rom.1:16 en deze tekst bezien
in het licht van zowel de eigenlijke tekst als de verdere context.
Zoals we gezien hebben, was de gemeente in Rome
samengesteld uit voornamelijk heidenen (Rom.11:13). Daarom
schrijft de Apostel dan ook in 1:13, hierboven: "Doch ik wil niet
dat u onbekend is, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te
komen [en tot nu toe verhinderd ben geweest], opdat ik ook ONDER U enige
vrucht zou hebben, ZOALS OOK ONDER DE ANDERE HEIDENEN."
Paulus wenste niet dat de gelovigen in Rome onkundig waren
van het feit, dat zijn apostelschap fundamenteel tot de heidenen was,
en dat hij dikwijls had getracht om hen in Rome ook in zijn reisplannen op
te nemen, maar deze plannen waren verhinderd geworden. Dan doorgaand over
zijn apostelschap voor de heidenen, schrijft hij: "Van beiden
Grieken en Barbaren, van beiden wijzen en onwijzen ben ik een
schuldenaar" (V.14).
Let wel, hij noemt hier niet eens de Joden, maar alleen de
"Grieken" en de "Barbaren". Dit niet omdat hij zich geen
schuldenaar ten opzichte van de Joden vindt. Dat had hij reeds volledig
bewezen te zijn. Het was eerder omdat hij, hoewel zelf een Hebreeכr,
zichzelf "ook een
schuldenaar van de heidenen" voelde. God had hem uitgezonden met
een boodschap van genade voor allen, en hij voelde zich verplicht deze aan
allen te verkondigen: Heidenen zowel als Joden. Toen hij eindelijk in
boeien te Rome aankwam, schreef hij vanuit zijn gevangenis aan andere
heidengelovigen als "de gevangene van Jezus Christus voor u heidenen"
(Eph.3:1).
Zo zegt hij dan hier: "ik ben een schuldenaar",
en gaat voort met te verklaren dat hij bereid is zijn schuld af te doen,
zijn verplichting na te komen:
"Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u die te
Rome zijt, het evangelie te verkondigen"
(V.15). In het licht van dit alles dienen we Vers 16 te
lezen:
"Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus
niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft,
eerst de Jood, en ook de Griek."[v]
De Joden, als volk, hadden Christus verworpen, maar Paulus
schaamde zich niet voor Hem; ook schaamde hij zich niet het goede nieuws
over Hem te verkondigen. Dit goede nieuws[vi],
zegt hij, "is de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die
gelooft, eerst [voor] de Jood, en ook [voor] de Griek."
Er dient in het licht van het bovenstaande op te worden
gelet, dat de nadruk hier niet is op de woorden "eerst de
Jood", het was eerst naar de Jood gegaan. De nadruk ligt dus
meer op de woorden "ook de Griek"
Paulus beschouwde zichzelf een "schuldenaar",
en hij was "klaar", om met alles wat in hem was, deze
schuld te delgen, want hij had datgene waarmee hij deze kon inlossen! Hij schaamde
zich niet over onbekwaamheid om te betalen, want de geweldige boodschap
die hij droeg was, en is nog steeds, "de kracht Gods tot redding
voor IEDER DIE GELOOFT".
---------
*5 Hier gebruikt hij de term "Griek", omdat de
Romeinse heidenen geen "Barbaren" of ongeletterden waren.
--------------
*6 Merk op dat hij hier, net als in 1:1, een algemene term
gebruikt, niet de afzonderlijke beschrijving, "het evangelie van
Gods genade". Dit is ongetwijfeld omdat "het evangelie van
het koninkrijk" tot de Joden was gegaan, en nu bracht hij "het
evangelie van Gods genade" aan beiden Jood en heiden. Beide
boodschappen waren inderdaad "goed nieuws" over Christus.
GEEN ONDERSCHEID
Als Rom.1:16 leert dat "het evangelie van Gods
genade" eerst naar de Joden dient te gaan, is het in volstrekte
tegenstelling met de brief van de Apostel aan de Romeinen als geheel, en in
het bijzonder met zijn blijde verklaring in Rom.10:12,13: "WANT ER IS
GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT DEZELFDE IS HERE VAN
ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN. "WANT EEN IEDER DIE DE NAAM DES
HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN."
Zijn dit feiten waardoor wij zending onder Joden zullen
doen ophouden? Geenszins! Wij, gelovigen uit de heidenen, dienen onze schuld
ten opzichte van de Joden te erkennen, en nog meer te doen om de wonderbare
boodschap van genade aan hen te brengen. Dit zullen we verdergaand beschouwen
als we bij Rom.11:30,31 komen, waar de Apostel ons de ware basis schenkt voor
zendingswerk onder Gods oude volk.
ondertussen dienen onze Joodse vrienden een belangrijk
levensfeit onder ogen te zien. Tijdens de huidige bedeling van genade, hebben
zij geen prioriteit bij God. Zij dienen, net als wij, God te naderen als arme,
verloren zondaren, vertrouwend op redding in Christus, Die stierf voor onze
zonden.
GODS RECHTVAARDIGHEID
"Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin
geopenbaard"
(V.17).
De Brief aan de Romeinen heeft veel te zeggen over
Gods rechtvaardigheid. In feite is dit het basisthema; al het andere
draait hierom.
Het is spijtig, maar "rechtvaardigheid" is voor
velen een gewichtige theologische term, waarover een gewoon mens zich niet
behoeft druk te maken. Maar integendeel, iedere man en vrouw, ja, iedere
jongen en elk meisje dat tot de jaren van onderscheid gekomen is, behoort te
begrijpen wat de Bijbel leert over Gods rechtvaardigheid.
"Rechtvaardigheid" is een ander woord voor gerechtigheid. God doet
alleen en altijd wat recht [goed] is. Hij kan niet en nimmer,
doen wat niet recht [goed] is.
Zo vergeeft God niet zo maar zondaren en neemt hen
aan in Zijn gunst omdat Hij hen liefheeft of medelijden met hen heeft, want
dit zou niet recht [goed] zijn; het zou niet juist zijn. Bij het
geven van de wet zei Mozes: "Wanneer er tussen lieden twist zal zijn,
en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de
rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen" (Deut.25:1).
Inderdaad verklaart Spr.17:15: "Wie de goddeloze
rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn de Here een gruwel, ja, die
beiden."
Bildad, hoewel zelf een "miserabele trooster",
herhaalde dit grondprincipe, toen hij tot Job zei:
"Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook
de boosdoeners niet bij de hand"
(Job 8:20).
En Job bevestigde dit, want verbitterd antwoordde hij: "Waarlijk,
ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (Job
9:2)
Ja, hier ligt het probleem: Hoe kan God, Die alleen doet
wat recht is, zondaren rechtvaardigen en hen gerechtig noemen?
Hoe? De Brief aan de Romeinen legt uit hoe! Haar boodschap van genade
is Gods antwoord op deze netelige vraag.
DE PARADOX VAN GENADE
In "het evangelie van Gods genade" vinden we een
treffende paradox: God Zelf veroordeelt de gerechtige en rechtvaardigt de
slechte; laat de volmaakte in de steek, en helpt boosdoeners.
Zie het vlekkeloos Lam op Golgotha als Hij roept:
"Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Judas, in
laaghartig verraad, kust Hem; slechte mensen spuwen Hem in het gelaat, geselen
Hem, kronen Hem met doornen, en nagelen Hem aan een paal! En God, de
Rechter van allen, doet niets om hen te stoppen! Hij Zelf trekt Zijn
zwaard uit de schede, en verslaat de enige Persoon Die in de
geschiedenis waarlijk zeggen kon, "Ik heb lust Uw wil te doen, o
God."
En dit is niet alles, want aan de andere kant redt God
Saulus van Tarsen, de bitterste vijand van Christus, "een lasteraar, en
een vervolger, en
onrechtvaardige" zijn handen druipen van het bloed,
als het ware, het bloed van de martelaren. Hem betoont God "genade...zeer
overvkoedig" en "alle lankmoedigheid" (1 Tim.1:13-16).
Inderdaad zendt Hij hem uit om openlijk aan alle mensen te verkondigen,
dat: "Doch degene, die niet werkt, maar geooft in Hem, Die de
goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid"
(Rom.4:5).
Hoe kan dit nu recht zijn? Het antwoord is, dat
Degene die smartelijk stierf op Golgotha, God Zelf was, geopenbaard in
het vlees. Daar, op Golgotha, "was God in Christus, de wereld met
Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenend" (2 Cor. 5:19).
Het was de Rechter Zelf, Die van de troon naar het kruis afdaalde om de
zondaar te vertegenwoordigen, en voor hem de volle straf voor zijn zonden
voldeed.
En wie zal zeggen dat dit onrechtvaardig is? Onrechtvaardig?
Het is perfect terecht en nog meer. Het is genade!
Onder de termen van de wet vinden we God, Die "barmhartigheid
bewijst aan duizenden dergenen die Hem liefhebben, en Zijn geboden bewaren"
(Ex.20:6). Maar genade is oneindig veel meer; het zijn de rijkdommen van Gods
genade en liefde aan "de kinderen der ongehoorzaamheid.. de
kinderen des toorns" (Eph.2:2-7), Die de straf voor hun zonden Zelf
inlost, in volledig akkoord met perfecte en oneindige gerechtigheid!
DE KRACHT VAN HET EVANGELIE
Waarom is het evangelie van Christus "de kracht van
God tot redding [zaligheid]"? Waarin ligt haar machtige kracht om te
redden? Het antwoord is: In het kruis. Hier is het waar God afrekende
met de zonde. De Apostel stelt dit zeer helder in 1 Cor.1: "Want
Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te
verkondigen; niet met wijsheid van woorden, OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET
VERIJDELD WORDE. "Want HET WOORD [DE PREDIKING,] DES KRUISES is wel
dengenen, die verloren gaan, dwaasheid, maar ons, die behouden worden, is het
EEN KRACHT GODS" (V.17,18). "Doch wij prediken CHRISTUS, DE
GEKRUISIGDE [GEKRUISIGD] de Joden wel een ergernis, en de Grieken een
dwaasheid;
"Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en
Grieken, prediken wij Christus, DE KRACHT GODS EN DE WIJSHEID GODS"
(V.23,24).
Zo kon de Apostel in Rom.1:16,17 zeggen: "Want ik
schaam mij des evangelies van Christus niet; WANT het is een kracht Gods tot
zaligheid [redding] een iegelijk, die gelooft....WANT de rechtvaardigheid Gods
wordt in hetzelve geopenbaard..."
IETS OM
VERRUKT OVER TE ZIJN
In werkelijkheid dragen de woorden, "ik schaam mij
niet" een veel grotere kracht uit in het origineel. Paulus was verrukt
over het evangelie dat hij verkondigde, omdat het de rechtvaardigheid
van God openbaarde. Als de lezer zegt: "Ik dacht dat de liefde van
God in het evangelie geopenbaard werd"? Dan antwoorden wij dat inderdaad
de liefde van God is geopenbaard in het evangelie, en de Apostel was
ten diepste dankbaar daarvoor. Maar wat hem zo dolblij maakte in
het evangelie was het feit, dat het God openbaart, juist en recht handelend
met de zonde.
"Ik schaam mij voor het evangelie van Christus
niet...want de rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard."
God heeft Zijn standaard van gerechtigheid niet verlaagd
of, zo te zeggen, "de drempels verlaagd". De Apostel protesteert
tegen elke gedachte van die aard: "Doen wij dan de wet te niet door
het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet" (Rom.3:31).
Het goede nieuws waarmee Paulus werd uit- gezonden was dan
ook de geschiedenis van het glorieuze, afdoende werk van Christus ter wille
van zondaren. Dit was het waarover hij zo verrukt was. Dit was het ene ding
waar hij overal van opgaf, waar hij ook ging, zoals in Gal.6:14:
"Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan
in het kruis van onze Here Jezus Christus..."
Moge dit ook ons motto zijn, want wij zouden
inderdaad trots mogen zeggen tegen zondaars overal: "Voor uw zonden is
betaald door de Here Jezus Christus. U mag gered zijn uit genade, door
geloof."
UIT GELOOF TOT GELOOF
We moeten
deze passage niet afsluiten, zonder de woorden "uit geloof tot
geloof" in V.17, te hebben besproken. "Gods
rechtvaardigheid" zegt hij, wordt geopenbaard in het evangelie, "uit
geloof tot geloof, zoals geschreven is, De rechtvaardige zal uit geloof
leven." Veel commentators hebben een probleem met deze uitdrukking. De
meeste commentaren waar de schrijver kennis van nam leggen uit, dat de woorden
"uit geloof tot geloof" hier klaarblijkelijk bedoelen van een
graad van geloof naar de volgende. Dit heeft echter geen logische
aansluiting met de woorden die onmiddellijk daarvoor en daarna staan. Paulus'
evangelie openbaart de gerechtigheid Gods "uit geloof tot
geloof", zoals beschreven, "De rechtvaardige zal uit geloof
leven." Wij voelen aan dat deze verwarring is ontstaan, omdat zo
weinigen de zin, "het geloof van Christus" begrijpen, waar in
deze zeven passages niet objectief, maar subjectief over wordt
gesproken.
Objectief beschouwd, is geloof eenvoudig een ander iemand
vertrouwen, hetzij in wat een ander iemand gezegd of gedaan heeft. Maar subjectief
geloof, is het karakter dat iemand geloofwaardig maakt. Objectief
geloof is verbonden met wat iemand doet; subjectief betreft
wat hij is. Iemand mag zeggen, "Als ik jou vertrouw, zou jij mij
meer vertrouwen". Elk woordenboek zal deze twee definities van het woord
"geloof" geven, en dit geldt ook voor het Griekse equivalent, pistis.
De Schriften spreken ook van "het geloof", d.i., dat wat geloofd
moet worden (1 Cor. 16:13), maar voor het ogenblik volstaan we bij onze
discussie, bij de tweevoudige betekenis zoals hierboven aangetoond.
In Rom.3:22, Gal.2:16, Gal.3:22 en Phil.3:9 vinden we "het geloof van
Christus" en het geloof van de gelovige in Christus in
hetzelfde vers genoemd, waarbij dan wordt aangetoond dat het een het ander
completeert. Wat jammer dan dat in de moderne versies van de Bijbel
deze kostbare uitdrukking "het geloof van Christus" veranderd
is in "het geloof in Christus".[vii]
--------
*7- Zelfs
het woord getrouw wordt op deze twee manieren gebruikt. Abraham was "getrouw",
d.i. vol van geloof (Gal.3:9), vertrouwend in een "getrouwe"
God (1 Cor.10:13) d.i. Iemand waarop men volledig aan kan.
Werpt het bovenstaande niet een klaar licht op de uitdrukking "uit
geloof tot geloof" in Rom.1:17? In het evangelie dat Paulus bekend
maakte, "de rechtvaardigheid Gods [wordt] geopenbaard uit geloof tot
geloof", d.i. uit Zijn geloof [subjectief] tot ons geloof [objectief],
wordt Zijn geloofwaardigheid geopenbaard als een beroep op ons
vertrouwen. Deze interpretatie klopt inderdaad logisch met de woorden die
voorafgaan en die volgen. Het evangelie van Paulus openbaart Gods
rechtvaardigheid "uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, De
rechtvaardige zal door geloof leven", d.i. vanuit het principe van
vertrouwen, vertrouwen in Hem, Die ons altijd trouw blijft.
CONCLUSIE
Bij een korte terugblik op Rom.1:16,17 ten besluit:
1. Paulus roemt
het evangelie van Christus. Waarom?
2. Omdat "het
de kracht van God tot redding is." En waarom is het
"de kracht Gods tot redding"?
3. Omdat "daarin
de rechtvaardigheid [gerechtigheid] van God wordt
geopenbaard",
4. "Uit
geloof tot geloof", Zijn "geloof" [betrouwbaarheid], beroep
op ons doet, om vertrouwen [geloof] in Hem te hebben.