De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  I - R O M: 1:1-17

PAULUS EN DE GELOVIGEN TE ROME

      ZIJN APOSTELSCHAP EN BOODSCHAP

  "Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het evangelie van God, "[Hetwelk Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften] "Van Zijn Zoon, [Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; "Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden] namelijk Jezus Christus, onze Here; "[Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor Zijn Naam." - Rom.1:1-5

 PAULUS' APOSTELSCHAP

Als we onze Bijbels openen bij de Brief aan de Romeinen, trekt het woord Paulus eerst onze aandacht. Hij maakt zich direct bekend als Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel."

Maar wie is deze Paulus? Kan hij werkelijk een apostel van Jezus Christus zijn!? Had onze Heere niet een vol aantal van twaalf apostelen aangewezen om over de twaalf stammen van het volk Israel te regeren? Is het niet zo dat nadat Judas een verrader is geworden dat Matthiaseen is inplaats geworden. Wie kan dit ontkennen, als het Schrift zelf duidelijk zegt dat "het lot op Matthias viel, en hij werd gerekend tot de elf apostelen...en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.1:26;2:4).

Hoe moeten we dan de komst van een nieuwe apostel verklaren? Zouden wij tegelijk na het lezen van de z.g. 4 evagelieen

de Brief aan de Romeinen gaan lezen, dan zou dit inderdaad moeilijk te begrijpen zijn. Het boek Handelingen, "het tussenliggende boek", verklaart dit!

Het is inderdaad dit boek, dat de aanstelling van Matthias vermeldt om het aantal van de apostelen van de Messias weer op twaalf te brengen, zodat later Paulus' unieke apostelschap, los van de bediening der twaalven, geen vraag zou zijn. Handelingen vermeldt de verwekking van deze "andere apostel", en verklaart hiervan de reden van Gods zijde.

Dat Paulus niet Gods keuze voor de plaats van Judas was, is duidelijk, niet alleen vanuit eerdergenoemd Hand.2:4 is dit duidelijk, maar uit het feit dat Paulus in geen geval gekwalificeerd was om Judas' plaats in te nemen. Matt.19:28, Luk.22: 28-30 en Hand.1:21,22 geven aan, dat de twaalven, die met Hem zouden regeren, mannen moesten zijn die steeds met Christus "mee omgegaan" waren, gedurende Zijn aardse bediening, te beginnen bij Zijn doop door Johannes [de eerste dag van Zijn bediening] tot "die zelfde dag" dat Hij opvoer naar de hemel [de laatste dag van Zijn aardse bediening].

Paulus had dus Christus niet trouw gevolgd; hij was in de tijd van zijn bekering, na Pinksteren, inderdaad de meest verbitterde vijand van onze Here op aarde. Hoe kon hij dan gekwalificeerd zijn als een van de twaalven?

Handelingen geeft verder het antwoord op de vraag van Paulus' apostelschap, als wordt aangegeven hoe de boodschap van de twaalven en hun heenwijzing naar het koninkrijk op Pinksteren, werd verworpen, en hoe, als gevolg daarvan, de stichting van het koninkrijk werd uitgesteld [een goddelijk gepland uitstel] en in afwachting werd gehouden tot een toekomstige tijd.

Handelingen toont aan hoe God iets wonderbaars deed, toen alles klaar was voor het geprofeteerde oordeel van God over Israel en de wereld wegens hun afwijzing van Christus: Hij redde Paulus, de voornaamste van de zondaren, de vurige aanvoerder van de opstand tegen Christus, en zond hem uit naar alle volkeren om "het evangelie van Gods genade" te verkondigen (Hand.20:24), gebaseerd op het verlossingswerk van Christus op Golgotha. Zo werd een nieuwe bedeling ingevoegd, "de bedeling van Gods genade" (Eph.3:2,3).

Nu, in het licht van Handelingen, beginnen we de inleiding tot de Romeinen, te begrijpen: "Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het evangelie van God (Rom.1:1).

God wist hoe verbitterd een vijand als Saulus van Tarsen kon zijn voor Zijn gezalfde Zoon, en had hem verkoren binnen de Raad van de Drieכenheid, om de heraut en het levend voorbeeld te worden (cf.Gal.1:15,16) van Zijn barmhartigheid, liefde en genade. Hoe kostbaar worden nu de woorden van deze man, in passages als Rom.5:20,21, Eph.2:4-7 en 1 Tim.1:12-16!

   PAULUS' BOODSCHAP

Als we de verzen 1 en 3 samenvoegen - Vers 2 is een tussenzin - zien we dat de Apostel Paulus geroepen werd om "het evangelie [goede nieuws] van God, van Zijn Zoon, Jezus Christus, onze Here" te verkondigen. Hij werd "afgezonderd" voor de verkondiging van deze boodschap.

Paulus sprak altijd over Christus; zijn brieven zijn vol met Christus; Christus, was alles in zijn bediening en boodschap. Minstens een dozijn keren wordt het gesteld, hetzij van Paulus, of door hem, dat hij "Christus predikte", en dit feit wordt heel duidelijk, als we het laatste gedeelte van de Handelingen en de brieven van zijn hand lezen.

Dit staat in treffend contrast tot veel moderne evangelisatie, die eerder mensgericht dan Christusgericht is. Wijlen Dr.A.W.Tozer had gelijk toen hij zei:

"De fout in de tegenwoordige evangelisatie ligt in haar humanistische benadering...Zij wordt openlijk geboeid door de grote, lawaaierige, agressieve wereld met haar grote namen, haar heldenverering, haar rijkdom en verwaandheid...

"Dit concept van Christenheid is een radicale vergissing, en omdat zij de zielen van mensen raakt, is het een gevaarlijke, zelfs dodelijke vergissing...Uiteindelijk is zij weinig meer dan zwak humanisme, verbonden met weke Christelijkheid teneinde haar een kerkelijk respect te verlenen...Onveranderlijk begint het met de mens en zijn noden, en dan kijkt zij rond naar God" [Zoals aangehaald door Devern F.Fromke in The Ultimate Intention, P.187].

We doen er goed aan hiervan nota te nemen wanneer we onze studies in de Romeinenbrief gaan beginnen, want het evangelie dat Paulus verkondigde was Gods goede nieuws over Christus en Zijn glorieuze overwinning door het verslaan van Satan, overwinning van de dood, het aan het kruis nagelen van de Wet, en het verwerven van redding, vol en vrij, voor zondaars.

Dit is de reden waarom de Apostel zijn boodschap noemt "het goede nieuws van de heerlijkheid van Christus" (2 Cor.4:4) en "het goede nieuws van de heerlijkheid van de zalige [gezegende] God" (1 Tim.1:11). Op deze waarheid van het goede nieuws verstandelijk ingaan, geeft aan het menselijk hart de ervaring van de grootst mogelijke zegen.

EEN GEPROFETEERD EVANGELIE?

Vers 2, de tussenzin, brengt voor menigeen een probleem, want het stelt, dat het evangelie van Paulus "tevoren beloofd werd door [Gods] profeten in de Heilige Schriften". Voor sommigen is dit een teken dat (1) Paulus "het evangelie van het koninkrijk" verkondigde tijdens het begin van zijn bediening, of dat (2) "het evangelie van Gods genade" in de Oud Testamentische Geschriften werd geprofeteerd.

Zij die deze gezichtspunten vasthouden, maken meestal een tegenstelling tussen "het evangelie... tevoren beloofd", waarnaar de verzen in de opening van Romeinenbrief verwijzen, en wat Paulus noemt "mijn evangelie...de verborgenheid...geheim gehouden sinds het begin der wereld", genoemd in de verzen bij de afsluiting van de brief.

Deze zienswijze slaat bij velen aan, maar zij kan de toets van de Bereכrs om verschillende redenen niet doorstaan:

1. Er is geen bewijs, dat Paulus ooit "het evangelie van het koninkrijk" predikte. Hij toonde zijn Joodse toehoorders aan, dat Jezus de Christus was; dat zouden wij ook, want hoe kan een Jood geloven in Christus als zijn Redder, als hij niet gelooft dat Hij de ware Messias was?

Maar ook in Paulus' eerste geschreven verslag van de prediking in de synagoge in Pisidisch Antiochiכ, lag de climax van zijn boodschap, daar waar al het overige heen leidde, bij recht-vaardiging door genade, door geloof in Christus, gescheiden van de Wet (Zie Hand.13:38,39).

2. "Het evangelie van Gods genade" werd niet geprofeteerd in de Oud Testamentische Schriften. Paulus stelt duidelijk dat "de bedeling van Gods genade" een "verborgenheid" was, geheim gehouden totdat zij aan hem werd bekend gemaakt "door openbaring" (Eph.3:2,3).

3. De essentie van het goede nieuws van Paulus in de Romeinenbrief werd niet geprofeteerd in de Oud Testamentische Geschriften. Waar lezen we in het Oude Testament over Gods gerechtigheid, naar voren gekomen door de dood van Christus, of over rechtvaardiging zonder de werken der wet[i] * , of omtrent Joden en heidenen voor God op hetzelfde niveau geplaatst, of over de doop der gelovigen in Christus, of over het ene samengevoegde lichaam? Dit alles wordt behandeld in de Brief aan de Romeinen.

4. In zowel zijn vroege als latere epistels spreekt de Apostel voortdurend van "mijn evangelie dat ik u gepredikt heb", "dat evangelie dat ik predik onder de heidenen", etc. Nergens is er een aanwijzing dat hij twee evangeliכn  gepredikt heeft, een vroeger en een ander later. In Hand 20:24 kijkt hij inderdaad terug en vooruit, en spreekt het verlangen uit:

"...opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst die ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie van de genade van God."

*1 (Er wordt soms meer in Rom.4:6,7 gelezen dan er staat. David "beschrijft", in het geval van zijn zonde met Bathseba, het gezegend zijn van de man aan wie de Here gerechtigheid toerekent los van werken, maar als David het volk Israel geleerd zou hebben, dat zij de ceremoniele wet niet zouden behoeven te gehoorzamen, zou hij ter dood gestenigd zijn wegens godslastering.

Deze verklaring, gebracht tegen het einde van zijn bediening over zijn ganse bediening, verleden en toekomstige, kon nauwelijks duidelijker het feit bevestigen, dat aan de Apostel ייn evangelie werd opgedragen, waarvan de volle inhoud hem inderdaad eerst geleidelijk werd ontvouwd. (Zie Hand.26:16; 2 Cor.12:1).

5. "Het evangelie" hier in Rom.1:1-5, dat in de gedachten van sommigen slaat op Paulus' eerdere boodschap, wordt gesteld dezelfde oorspronkelijke boodschap te zijn, als die hij predikte vlak voor zijn martelaarsdood te Rome. Merk nauwkeurig op:

Rom.1:1-4 : "...het evangelie van God...aangaande Zijn Zoon, Jezus Christus onze Here, geworden uit HET ZAAD VAN DAVID naar het vlees [zo was Christus bekend], en VERKLAARD TE ZIJN DE ZOON VAN GOD MET KRACHT...DOOR DE OPSTANDING UIT DE DOOD."

2 Tim.2:7,8: "Merk wat ik zeg; doch de Here geve u verstand in alle dingen. Houd in herinnering, dat Jezus Christus, DIE UIT HET ZAAD VAN DAVID IS, UIT DE DODEN IS OPGEWEKT, NAAR MIJN EVANGELIE."

In beide passages is het duidelijk, dat Jezus Christus "uit het zaad van David" [zoals Hij bekend was geweest], door Paulus in voller licht werd gepredikt. Petrus had immers, op Pinksteren, Christus gepredikt als opgestaan uit de doden, om te zitten op de troon van Zijn vader David (Hand.2:29-31). Aan Paulus werd voller licht geschonken op de opstanding, door de verkondiging van Christus, opgestaan met betrekking tot "onze rechtvaardiging" (Rom.4:25), verklarende dat, "ook toen wij dood waren in zonden [God] ons heeft levend gemaakt, samen met Christus [uit genade zijt gij gered geworden], "en heeft ons samen [met Hem] opgewekt, en heeft ons samen [met Hem] gezet in de hemel in Christus Jezus" (Eph.2:5,6; ).

6. Zowel aan het begin als aan het einde van de Brief aan de Romeinen verklaart Paulus, dat zijn evangelie Gods boodschap is, om te ontvangen in de "gehoorzaamheid des geloofs" onder "alle volkeren" (Rom.1:5; 16:26). Klaarblijkelijk werden "het evangelie van het koninkrijk", en "het evangelie van Gods genade" niet beiden gepredikt door dezelfde apostel tot "gehoorzaamheid des geloofs onder alle volken" in zo'n korte tijd.

Het "evangelie" waar hij naar verwijst zowel in de aanvang en het slot van zijn brief, is dan ook ייn boodschap, die hij noemt "mijn evangelie...de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van de verborgenheid [het geheimenis]", "het evangelie van Gods genade." Waarom zegt de Apostel dan, dat zijn evangelie ook "tevoren beloofd" was door de profeten in de heilige Schriften? In het licht van het Woord van God in zijn geheel, en speciaal in de Brief aan de Romeinen zelf, is het duidelijk dat Paulus hier verwijst, niet naar de inhoud van zijn evangelie, maar eenvoudig naar het feit dat God voorzegd had dat Hij wonderbaar goed nieuws voor de mensheid in petto had. Dit wordt gecompleteerd door 1 Cor.2:9,10. Verwijzende naar Jes.64:4, zegt de Apostel: "Maar zoals geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgekomen, wat God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben."Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest..." Wonderbaar nieuws voor de mensheid, glorieuze zegeningen voor de Zijnen! En dit goede nieuws, en deze zegeningen, heeft God nu aan ons geopenbaard door Zijn Geest, in Zijn Woord. Wij dienen te trachten om tot meer en vollediger waardering te komen van dit goede nieuws en deze kostbare zegeningen, wanneer we doorgaan met onze studies in de Brief aan de Romeinen.

GETROUWE EN GELIEFDE HEILIGEN

"waaronder gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus. "aan allen die te Rome zijt, geliefden van God, en geroepen heiligen; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Here Jezus Christus. "Eerst dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. "Want God is mijn Getuige, Die ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder ophouden u gedenk, "terwijl ik altijd in mijn gebeden bid, of mogelijk mij nu eens goede gelegenheid gegeven werd, door de wil van God, tot u te komen. "want ik verlang om u te zien, opdat ik enige geestelijke gave mocht meedelen, opdat gij versterkt zoudt worden. "Dat is, om mee vertroost te worden onder u, door elkaars geloof, zowel dat van u als dat van mij." - Rom.1:6-12.

GELIEFDEN VAN GOD  

GEROEPEN HEILIGEN

"De geroepenen van Jezus Christus...geliefden van God, en geroepen heiligen."

Wat een gezegende positie om in te verkeren! Maar hoe uitgebreid misverstaan, want vele religieuze mensen zijn ertoe geleid om te geloven dat alle heiligen in de hemel zijn!

De Roomse Kerk heeft zichzelf het gezag toegeכigend om zekere personen tot heiligen te verheffen. In de Rooms Katholieke leer is een heilige "iemand wiens heilige levenswandel en heldhaftige deugd zijn bevestigd en erkend door de officiele processen van zaligspreking en canonisatie"

Zo kan dus volgens de Roomse Kerk, niemand een heilige zijn, dan na canonisering van de Kerk, over het algemeen honderden jaren na zijn dood.

In werkelijkheid is een heilige [Gr.,hagios] niet iemand die iets bereikt heeft, maar eerder iemand die apart gesteld is door God als heilig voor Hemzelf. Dat dit zo is voor iedere ernstige gelovige in Christus, wordt bevestigd door het overweldigend getuigenis van de Schrift met betrekking tot de heiligen (o.a. Hand.9:13; 26:10; Rom.12:13; 15:25,26; 16:2; Eph.3:8; Phil.4:22). Zo zijn dus gelovigen in Christus, met al hun gebreken en zonden, toch "de geliefden van God", Zijn eigen geheiligd bezit[ii] en Hij wil dat wij tot de blijdschap van deze kostbare waarheid komen. Ons bijzonder kenmerk zou moeten zijn, dat wij van Hem zijn.

Wat betreft het woord "geroepen" [Gr., kleetos], in V. 6,7, verklaren veel commentaren, zonder reserve, dat dit woord altijd wordt gebruikt voor een "uitroeping", en betekent gekozen, of uitverkoren. Dit is niet juist. We hebben inderdaad in Matt.22:14 de woorden van onze Here: "velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren"!

_____

*2 God heeft alle mensen lief; Hij heeft hen inderdaad zo lief, dat Hij Zijn Zoon gaf om voor hen te sterven (Joh.3:16; Hebr.2:9), maar de Zijnen zijn "de geliefden van God" in speciale zin, net zo als een man zijn vrienden en naburen kan liefhebben - zelfs zijn vijanden, maar zijn vrouw is "zijn geliefde" in speciale zin.

Dit zou ons moeten leren om geen radicale stellingen te poneren, die niet door de Schrift kunnen worden gewaarmerkt, of om blindelings te accepteren wat een leraar Grieks zonder meer stelt.

Wij ontkennen niet dat er een uitverkiezing besloten is in Rom.1:6,7, maar hier wijst het woord "geroepen" er eerder op dat de gelovigen in Rome de heiligheid niet zichzelf hadden aangematigd; zij waren heiligen door een goddelijke roeping, net als Paulus zich niet aanmatigend als een apostel had aangewezen, maar door God werd geroepen op die plaats. Toen de gelovigen in Rome Gods roeping beantwoordden, werden zij de "geliefden van God, geroepen heiligen."

GENADE EN VREDE

Veel misverstand is er ontstaan rondom de woorden: "Genade  zij u en vrede van God, onze Vader, en de Here Jezus Christus" (V.7).

Vele jaren geleden dacht de auteur na over deze mooie, geestelijke begroeting. In werkelijkheid is zij veel meer dan dat. Zij is een officiכle proclamatie door de apostel van genade, van de verworpen Vader, en van Zijn verworpen Zoon. Daarom wordt zij gevonden onder de openingsverzen van elke brief van Paulus, ondertekend met zijn naam.

Maar waarom wordt deze proclamatie door de Vader en de Zoon gezonden, maar niet door de Heilige Geest? Twee bekende Oud Testamentische passages geven hierop het antwoord.

Psalm 2 schildert de volkeren en het volk, Israel, oorlogvoerend "tegen de Here en tegen Zijn Gezalfde" [d.i. tegen de Vader en de Zoon], en verklaart dat:"Die in de hemel woont, zal lachen; de Here zal hen bespotten. "Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken" (V.4,5).

In Psalm 110 vinden we een dergelijke passage. Hier zegt de Vader tot de Zoon: "...Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten" (V.1).

Zo moest de oorlogsverklaring van de mens aan God en Zijn Christus - en zo zal het ook geschieden - bezocht worden met verschrikkelijk oordeel. God zal een tegenverklaring van oorlog doen aan een Christusverwerpende wereld in de Grote Verdrukking die te komen staat.

Op Pinksteren verklaarde Petrus dat de laatste dagen gekomen waren - en dat was ook zo - en dat, toen God Zijn Geest "uitstortte" op de Zijnen, Hij oordeel zou uitgieten over Zijn vijanden (Hand.2:16-20). In genade echter onderbrak God het geprofeteerde programma, juist op het moment, dat het toneel werd klaar gemaakt voor het vallen van het oordeel. De Geest werd inderdaad uitgestort, maar de toorn - nog niet. God boog Zich eerder neder toen Israels beker van ongerechtigheid overvloeide, om Saulus van Tarsen te redden, de vurige aanvoerder van de opstand tegen Christus, en zond hem uit als een speciale gezant naar alle volkeren, een apostel der genade, om vrede aan te bieden aan Zijn vijanden overal, door geloof in Christus. Dit is waarom we in 2 Cor.5:19 lezen: "...Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoeningin ons gelegd."[iii]

En zo is het ook, dat Paulus al zijn brieven [behalve aan de Hebreeכn] begint met de wonderbare proclamatie: "Genade zij u en vrede." Deze gezegende boodschap is ook voor ons. Wij zijn, net als Paulus, ambassadeurs van genade en vrede, en wij proclameren dit genadig aanbod van God de Vader en Zijn verworpen Zoon, door de Geest die in ons woont, en op het gezag van het Woord, waarvan Hij de Auteur is. Zo werkt de Geest op aarde om mensen de genadige houding van de Vader en de Zoon te openbaren aan een wereld van zondaren.

Nadat deze "bedeling van Gods genade" zijn loop heeft volbracht, zal God Zijn profetisch programma weer opnemen. Met het terugroepen van Zijn ambassadeurs (1 Thess.4:16-18) zal Hij oorlogvoeren tegen Zijn vijanden, door het uitgieten van Zijn toorn op de aarde (1 Thess.5:1-3; cf. Openb.16:1).

Als de gelovige om zich heen ziet, weet hij dat de wereld regelrecht op die verschrikkelijke dag afgaat, voortsnellend naar de dag van gericht, met een steeds grotere snelheid.

3)De lezer dient zorgvuldig de rest van deze verbazende passage, de verzen 20,21 te lezen en te overdenken.

Hoe dringend is dan onze verantwoordelijkheid om de verlorenen te bereiken met de gezegende boodschap van "genade en vrede", zolang het tijd is, "de tijd uitkopende, want de dagen zijn boos" (Eph.5:16).

                  DANKZEGGING EN GEBED

De verklaring van de Apostel in vers 8, is veelbetekenend:

"omdat uw geloof verkondigd wordt in de hele wereld" - uiteraard in de "wereld" van Paulus' dagen.

Denk eens aan! Paulus had zelfs nog nooit Rome bezocht om daar de gelovigen te bemoedigen en te bevestigen, en toch was hun geloof in Christus zodanig, dat het wereldwijd aandacht trok en besproken werd!

Als God geloofd en behaagd werd, bewerkte dat ook, dat Paulus' hart overvloeide van dankzegging en gebed in liefde voor deze geliefde heiligen (V.8,9). Christenen zeggen soms zo gemakkelijk tegen elkaar, "Ik zal voor je bidden", maar Paulus kon deze gelovigen herinneren aan zijn trouwe dienst aan God, en kon hen in Zijn naam zweren, dat hij voor hen bad "zonder ophouden", d.i. dat hij nooit ophield met voor hen te bidden. Met bijzondere ernst bad de apostel, dat hem "nu eens" [na vele teleurstellingen V.13] "een goede gelegenheid gegeven werd", tot hen te komen, want hij verlangde hen te zien en met hen te zijn (V.10,11).

"Ik verlang om u te zien." Hoe groot en liefhebbend was het hart van de Apostel! Hij verlangde er niet naar om naar Rome te gaan om de hoofdstad van de wereld[iv] te zien, of om een persoonlijke wens te vervullen; hij "verlangde" hen te zien. Hier zouden we ons dienen te buigen over passages als Phil.1:8, 1 Thess.3:6 en 2 Tim.1:4, om een inzicht te krijgen in het hart van de apostel der genade.

* 4 Uit bovenstaande passage, uit Hand.23:11, en uit alles wat wij weten over Paulus, is het duidelijk, dat de uitdrukking, "Ik moet ook Rome zien" in Hand.19:21, niet alleen een verlangen insluit om "bezienswaardigheden" in Rome te bekijken.

Het was ook meer dan een verlangen naar Christengemeenschap dat het hart van de Apostel naar Rome trok. Het was eerder een verlangen dat hij met hen de zegeningen van zijn door God gegeven boodschap mocht delen en om hen verder in het geloof te bevestigen (V.11). Velen van hen waren nog in hun "eerste liefde". Hun geloof was vurig en opwindend, maar nu wilde de Apostel hen verder leiden in de wwarheid, opdat hun geloof meer grondig gefundeerd zou zijn, en zij onbeweeglijker zouden staan.

Als dit werd gerealiseerd, door Gods genade, zouden zij en hij de vruchten daarvan oogsten. Zoals altijd, zou de leraar net zo rijkelijk gezegend worden als de leerlingen. Hier legt hij drievoudig de nadruk op in V.12: "...om mee vertroost te worden onder u, door elkaars geloof, zowel dat van u als dat van mij."

De Apostel vertrouwde zo op God dat Hij hem zou gebruiken om geestelijke zegeningen aan hen uit te delen, dat hij kon zeggen:

"En ik weet, dat als ik tot u kom, ik met volle zegen van het evangelie van Christus komen zal" (Rom.15:29).

De Romeinse Christenen hadden toen veel om naar uit te zien: Paulus bracht zegen tot hen, en zij aan hem!

PAULUS' VERDEDIGING VAN ZIJN   HEIDEN-APOSTELSCHAP

"Doch ik wil niet, dat u onbekend is, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en tot nog toe verhinderd ben geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen. Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar. Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om ook u, die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen. Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder, die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.

Want de rechtvaardigheid Gods wordt erin geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven". Rom.1:13-17

God wilde niet dat Zijn volk onwetend zou zijn - speciaal niet met betrekking tot Zijn geopenbaard programma. Tot zes maal toe vinden we in Paulus' brieven: "Ik wil niet dat jullie onbekend zou zijn." Vijf keer op een bepaalde manier in relatie met zijn grote boodschap, "het geheimenis", en drie ervan  hebben te doen met ייn enkel aspect van het geheimenis: Gods programma voor de huidige bedeling. Niet leuk om te zeggen, maar die zaken waarvan God zegt, "Ik wil niet dat jullie onwetend zouden zijn", zijn juist de zaken die bij Gods kinderen het minst bekend zijn.

Naar welke waarheid verwijst dan de Apostel in deze passage, als hij zegt: "Ik wil niet dat u onbekend zal zijn"? Wij geloven dat hij bedoelt, de geldigheid van zijn bediening onder de heidenen.

                    "EERST DE JOOD"

De bovenstaande passage is bekend bij alle Bijbelstudenten, en V.16 is van alle het meest bekend - en wijdverbreid het meest misverstaan. Uit dit vers wordt de conclusie getrokken dat de Jood voorop staat in Gods programma voor evangelisatie tijdens de huidige bedeling. Het "eerst de Jood" is inderdaad het wachtwoord van menige organisatie tot zending onder de Joden.

De auteur heeft vele Joodse vrienden en in zijn hart een zeer speciale plaats voor de Jood, maar hier moeten we allen bij het onderwerp blijven, en dan zien wat deze passage, in de context, werkelijk zegt.

Wij weten dat de Jood op de eerste plaats was in Gods programma. Het grootste deel van het zogenaamde Oude Testament heeft te doen met Israכl. Het grootste deel van het zogenaamde Nieuwe Testament heeft te doen met Israכl. Vanuit beiden, Oud en Nieuw Testament, is het duidelijk dat Israכl Gods uitverkoren volk is, en dat Hij grote dingen voor haar in petto heeft.

Toen het koninkrijk van de Messias op aarde werd geproclameerd door Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, werd het alleen aan Israכl verkondigd. In de eerste "grote opdracht" aan de twaalven onderrichtte Hij hen niet naar de heidenen te gaan, zelfs niet naar de Samaritanen, toen Hij zei:

"Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.10:5,6).

Wat Hemzelf betreft, zei Hij: "Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:24).

Was dit omdat Hij de heidenen haatte, of onvoldoende liefde voor hen had? Nee, het was omdat Hij de verbonden, en profetiכn in de Oud Testamentische Geschriften begreep. Hij kende uit Gen. 22:17,18 en honderd en ייn andere Oud Testamentische passages, dat het Gods bedoeling was, de volkeren te zegenen door Israכl.

Dit verklaart waarom Hij zei, toen een heidense vrouw naar de Here kwam om hulp: "Laat eerst de kinderen verzadigd worden..."(Mark.7:27). Het verklaart ook waarom, zelfs na Zijn opstanding, Hij Zijn discipelen beval dat "bekering en vergeving van zonden gepredikt zou worden in Zijn naam onder alle volken, te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47).

In begin van Handelingen vinden we,dat de twaalven dit ook doen. In Hand.3:25,26 verklaart Petrus aan de "mannen van Israel": "Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. "God heeft, na Zijn kind opgewekt te hebben, Hem EERST TOT U gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt van uw boosheden."

Paulus bevestigt de verklaring van Petrus enige jaren later, toen hij tot de Joden in Pisidisch Antiochiכ zei: "Het was nodig dat EERST tot u het Woord van God gesproken werd..." (Hand.13:46).

Waarom was dit noodzakelijk? Eenvoudig omdat volgens verbond en profetiכn, en volgens de woorden van de Here Jezus Christus, de heidenen zouden worden, - en eenmaal zullen zijn - gezegend door verlost Israel, met Christus als Koning.

Zoals we echter gezien hebben, verwierp Israel de Koning en Zijn koninkrijk, zelfs na Zijn opstanding en na het komen van de Heilige Geest met wonderbare kracht. Toen was het dat God Saulus redde, de leider van de opstand, en hem uitzond om overal "het evangelie van Gods genade" te verkondigen aan alle mensen.

OOK VANDAAG "EERST DE JOOD"?

Dit alles heeft een grote draagkracht in Rom.1:16. Sommigen die Joden liefhebben - zoals ook de schrijver -hebben deze passage uitgelegd te betekenen dat het evangelie van Gods genade nu "eerst tot de Jood" gezonden dient te worden. Dit is in de kern van de zaak, en in het licht van de contekst, een abuis.

"De bedeling van Gods genade" is in de eerste plaats tot niemand eerst. Zij is onbeperkt, zoals Gods afdoening voor zonde onbeperkt was. Zo wordt zij ook aan allen gelijkelijk aangeboden, "want er is geen onderscheid...want Dezelfde is Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen" (Rom.10:12).

Maar laat ons teruggaan naar Rom.1:16 en deze tekst bezien in het licht van zowel de eigenlijke tekst als de verdere context.

Zoals we gezien hebben, was de gemeente in Rome samengesteld uit voornamelijk heidenen (Rom.11:13). Daarom schrijft de Apostel dan ook in 1:13, hierboven: "Doch ik wil niet dat u onbekend is, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen [en tot nu toe verhinderd ben geweest], opdat ik ook ONDER U  enige vrucht zou hebben, ZOALS OOK ONDER DE ANDERE HEIDENEN."

Paulus wenste niet dat de gelovigen in Rome onkundig waren van het feit, dat zijn apostelschap fundamenteel tot de heidenen was, en dat hij dikwijls had getracht om hen in Rome ook in zijn reisplannen op te nemen, maar deze plannen waren verhinderd geworden. Dan doorgaand over zijn apostelschap voor de heidenen, schrijft hij: "Van beiden Grieken en Barbaren, van beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar" (V.14).

Let wel, hij noemt hier niet eens de Joden, maar alleen de "Grieken" en de "Barbaren". Dit niet omdat hij zich geen schuldenaar ten opzichte van de Joden vindt. Dat had hij reeds volledig bewezen te zijn. Het was eerder omdat hij, hoewel zelf een Hebreeכr, zichzelf  "ook een schuldenaar van de heidenen" voelde. God had hem uitgezonden met een boodschap van genade voor allen, en hij voelde zich verplicht deze aan allen te verkondigen: Heidenen zowel als Joden. Toen hij eindelijk in boeien te Rome aankwam, schreef hij vanuit zijn gevangenis aan andere heidengelovigen als "de gevangene van Jezus Christus voor u heidenen" (Eph.3:1).

Zo zegt hij dan hier: "ik ben een schuldenaar", en gaat voort met te verklaren dat hij bereid is zijn schuld af te doen, zijn verplichting na te komen:

"Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen" (V.15). In het licht van dit alles dienen we Vers 16 te lezen:

"Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek."[v]

De Joden, als volk, hadden Christus verworpen, maar Paulus schaamde zich niet voor Hem; ook schaamde hij zich niet het goede nieuws over Hem te verkondigen. Dit goede nieuws[vi], zegt hij, "is de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst [voor] de Jood, en ook [voor] de Griek."

Er dient in het licht van het bovenstaande op te worden gelet, dat de nadruk hier niet is op de woorden "eerst de Jood", het was eerst naar de Jood gegaan. De nadruk ligt dus meer op de woorden "ook de Griek"

Paulus beschouwde zichzelf een "schuldenaar", en hij was "klaar", om met alles wat in hem was, deze schuld te delgen, want hij had datgene waarmee hij deze kon inlossen! Hij schaamde zich niet over onbekwaamheid om te betalen, want de geweldige boodschap die hij droeg was, en is nog steeds, "de kracht Gods tot redding voor IEDER DIE GELOOFT".

---------

*5 Hier gebruikt hij de term "Griek", omdat de Romeinse heidenen geen "Barbaren" of ongeletterden waren.

--------------

*6 Merk op dat hij hier, net als in 1:1, een algemene term gebruikt, niet de afzonderlijke beschrijving, "het evangelie van Gods genade". Dit is ongetwijfeld omdat "het evangelie van het koninkrijk" tot de Joden was gegaan, en nu bracht hij "het evangelie van Gods genade" aan beiden Jood en heiden. Beide boodschappen waren inderdaad "goed nieuws" over Christus.

GEEN ONDERSCHEID

Als Rom.1:16 leert dat "het evangelie van Gods genade" eerst naar de Joden dient te gaan, is het in volstrekte tegenstelling met de brief van de Apostel aan de Romeinen als geheel, en in het bijzonder met zijn blijde verklaring in Rom.10:12,13: "WANT ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN. "WANT EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN."

Zijn dit feiten waardoor wij zending onder Joden zullen doen ophouden? Geenszins! Wij, gelovigen uit de heidenen, dienen onze schuld ten opzichte van de Joden te erkennen, en nog meer te doen om de wonderbare boodschap van genade aan hen te brengen. Dit zullen we verdergaand beschouwen als we bij Rom.11:30,31 komen, waar de Apostel ons de ware basis schenkt voor zendingswerk onder Gods oude volk.

ondertussen dienen onze Joodse vrienden een belangrijk levensfeit onder ogen te zien. Tijdens de huidige bedeling van genade, hebben zij geen prioriteit bij God. Zij dienen, net als wij, God te naderen als arme, verloren zondaren, vertrouwend op redding in Christus, Die stierf voor onze zonden.

                GODS RECHTVAARDIGHEID

"Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard" (V.17).

De Brief aan de Romeinen heeft veel te zeggen over Gods rechtvaardigheid. In feite is dit het basisthema; al het andere draait hierom.

Het is spijtig, maar "rechtvaardigheid" is voor velen een gewichtige theologische term, waarover een gewoon mens zich niet behoeft druk te maken. Maar integendeel, iedere man en vrouw, ja, iedere jongen en elk meisje dat tot de jaren van onderscheid gekomen is, behoort te begrijpen wat de Bijbel leert over Gods rechtvaardigheid.

"Rechtvaardigheid" is een ander woord voor gerechtigheid. God doet alleen en altijd wat recht [goed] is. Hij kan niet en nimmer, doen wat niet recht [goed] is.

Zo vergeeft God niet zo maar zondaren en neemt hen aan in Zijn gunst omdat Hij hen liefheeft of medelijden met hen heeft, want dit zou niet recht [goed] zijn; het zou niet juist zijn. Bij het geven van de wet zei Mozes: "Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen" (Deut.25:1).

Inderdaad verklaart Spr.17:15: "Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn de Here een gruwel, ja, die beiden."

Bildad, hoewel zelf een "miserabele trooster", herhaalde dit grondprincipe, toen hij tot Job zei:

"Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand" (Job 8:20).

En Job bevestigde dit, want verbitterd antwoordde hij: "Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (Job 9:2)

Ja, hier ligt het probleem: Hoe kan God, Die alleen doet wat recht is, zondaren rechtvaardigen en hen gerechtig noemen? Hoe? De Brief aan de Romeinen legt uit hoe! Haar boodschap van genade is Gods antwoord op deze netelige vraag.

DE PARADOX VAN GENADE

In "het evangelie van Gods genade" vinden we een treffende paradox: God Zelf veroordeelt de gerechtige en rechtvaardigt de slechte; laat de volmaakte in de steek, en helpt boosdoeners.

Zie het vlekkeloos Lam op Golgotha als Hij roept: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Judas, in laaghartig verraad, kust Hem; slechte mensen spuwen Hem in het gelaat, geselen Hem, kronen Hem met doornen, en nagelen Hem aan een paal! En God, de Rechter van allen, doet niets om hen te stoppen! Hij Zelf trekt Zijn zwaard uit de schede, en verslaat de enige Persoon Die in de geschiedenis waarlijk zeggen kon, "Ik heb lust Uw wil te doen, o God."

En dit is niet alles, want aan de andere kant redt God Saulus van Tarsen, de bitterste vijand van Christus, "een lasteraar, en een vervolger, en

onrechtvaardige" zijn handen druipen van het bloed, als het ware, het bloed van de martelaren. Hem betoont God "genade...zeer overvkoedig" en "alle lankmoedigheid" (1 Tim.1:13-16). Inderdaad zendt Hij hem uit om openlijk aan alle mensen te verkondigen, dat: "Doch degene, die niet werkt, maar geooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5).

Hoe kan dit nu recht zijn? Het antwoord is, dat Degene die smartelijk stierf op Golgotha, God Zelf was, geopenbaard in het vlees. Daar, op Golgotha, "was God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenend" (2 Cor. 5:19). Het was de Rechter Zelf, Die van de troon naar het kruis afdaalde om de zondaar te vertegenwoordigen, en voor hem de volle straf voor zijn zonden voldeed.

En wie zal zeggen dat dit onrechtvaardig is? Onrechtvaardig? Het is perfect terecht en nog meer. Het is genade!

Onder de termen van de wet vinden we God, Die "barmhartigheid bewijst aan duizenden dergenen die Hem liefhebben, en Zijn geboden bewaren" (Ex.20:6). Maar genade is oneindig veel meer; het zijn de rijkdommen van Gods genade en liefde aan "de kinderen der ongehoorzaamheid.. de kinderen des toorns" (Eph.2:2-7), Die de straf voor hun zonden Zelf inlost, in volledig akkoord met perfecte en oneindige gerechtigheid!

DE KRACHT VAN HET EVANGELIE

Waarom is het evangelie van Christus "de kracht van God tot redding [zaligheid]"? Waarin ligt haar machtige kracht om te redden? Het antwoord is: In het kruis. Hier is het waar God afrekende met de zonde. De Apostel stelt dit zeer helder in 1 Cor.1: "Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET VERIJDELD WORDE. "Want HET WOORD [DE PREDIKING,] DES KRUISES is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid, maar ons, die behouden worden, is het EEN KRACHT GODS" (V.17,18). "Doch wij prediken CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE [GEKRUISIGD] de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid;

"Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, DE KRACHT GODS EN DE WIJSHEID GODS" (V.23,24).

Zo kon de Apostel in Rom.1:16,17 zeggen: "Want ik schaam mij des evangelies van Christus niet; WANT het is een kracht Gods tot zaligheid [redding] een iegelijk, die gelooft....WANT de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard..."

IETS OM VERRUKT OVER TE ZIJN

In werkelijkheid dragen de woorden, "ik schaam mij niet" een veel grotere kracht uit in het origineel. Paulus was verrukt over het evangelie dat hij verkondigde, omdat het de rechtvaardigheid van God openbaarde. Als de lezer zegt: "Ik dacht dat de liefde van God in het evangelie geopenbaard werd"? Dan antwoorden wij dat inderdaad de liefde van God is geopenbaard in het evangelie, en de Apostel was ten diepste dankbaar daarvoor. Maar wat hem zo dolblij maakte in het evangelie was het feit, dat het God openbaart, juist en recht handelend met de zonde.

"Ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet...want de rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard."

God heeft Zijn standaard van gerechtigheid niet verlaagd of, zo te zeggen, "de drempels verlaagd". De Apostel protesteert tegen elke gedachte van die aard: "Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet" (Rom.3:31).

Het goede nieuws waarmee Paulus werd uit- gezonden was dan ook de geschiedenis van het glorieuze, afdoende werk van Christus ter wille van zondaren. Dit was het waarover hij zo verrukt was. Dit was het ene ding waar hij overal van opgaf, waar hij ook ging, zoals in Gal.6:14:

"Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus..."

Moge dit ook ons motto zijn, want wij zouden inderdaad trots mogen zeggen tegen zondaars overal: "Voor uw zonden is betaald door de Here Jezus Christus. U mag gered zijn uit genade, door geloof."

                 UIT GELOOF TOT GELOOF

We moeten deze passage niet afsluiten, zonder de woorden "uit geloof tot geloof" in V.17, te hebben besproken. "Gods rechtvaardigheid" zegt hij, wordt geopenbaard in het evangelie, "uit geloof tot geloof, zoals geschreven is, De rechtvaardige zal uit geloof leven." Veel commentators hebben een probleem met deze uitdrukking. De meeste commentaren waar de schrijver kennis van nam leggen uit, dat de woorden "uit geloof tot geloof" hier klaarblijkelijk bedoelen van een graad van geloof naar de volgende. Dit heeft echter geen logische aansluiting met de woorden die onmiddellijk daarvoor en daarna staan. Paulus' evangelie openbaart de gerechtigheid Gods "uit geloof tot geloof", zoals beschreven, "De rechtvaardige zal uit geloof leven." Wij voelen aan dat deze verwarring is ontstaan, omdat zo weinigen de zin, "het geloof van Christus" begrijpen, waar in deze zeven passages niet objectief, maar subjectief over wordt gesproken.

Objectief beschouwd, is geloof eenvoudig een ander iemand vertrouwen, hetzij in wat een ander iemand gezegd of gedaan heeft. Maar subjectief geloof, is het karakter dat iemand geloofwaardig maakt. Objectief geloof is verbonden met wat iemand doet; subjectief betreft wat hij is. Iemand mag zeggen, "Als ik jou vertrouw, zou jij mij meer vertrouwen". Elk woordenboek zal deze twee definities van het woord "geloof" geven, en dit geldt ook voor het Griekse equivalent, pistis. De Schriften spreken ook van "het geloof", d.i., dat wat geloofd moet worden (1 Cor. 16:13), maar voor het ogenblik volstaan we bij onze discussie, bij de tweevoudige betekenis zoals hierboven aangetoond.      In Rom.3:22, Gal.2:16, Gal.3:22 en Phil.3:9 vinden we "het geloof van Christus" en het geloof van de gelovige in Christus in hetzelfde vers genoemd, waarbij dan wordt aangetoond dat het een het ander completeert. Wat jammer dan dat in de moderne versies van de Bijbel deze kostbare uitdrukking "het geloof van Christus" veranderd is in "het geloof in Christus".[vii]

--------

*7- Zelfs het woord getrouw wordt op deze twee manieren gebruikt. Abraham was "getrouw", d.i. vol van geloof (Gal.3:9), vertrouwend in een "getrouwe" God (1 Cor.10:13) d.i. Iemand waarop men volledig aan kan.

Werpt het bovenstaande niet een klaar licht op de uitdrukking "uit geloof tot geloof" in Rom.1:17? In het evangelie dat Paulus bekend maakte, "de rechtvaardigheid Gods [wordt] geopenbaard uit geloof tot geloof", d.i. uit Zijn geloof [subjectief] tot ons geloof [objectief], wordt Zijn geloofwaardigheid geopenbaard als een beroep op ons vertrouwen. Deze interpretatie klopt inderdaad logisch met de woorden die voorafgaan en die volgen. Het evangelie van Paulus openbaart Gods rechtvaardigheid "uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, De rechtvaardige zal door geloof leven", d.i. vanuit het principe van vertrouwen, vertrouwen in Hem, Die ons altijd trouw blijft.

                       CONCLUSIE

Bij een korte terugblik op Rom.1:16,17 ten besluit:

1.  Paulus roemt het evangelie van Christus. Waarom?

2.  Omdat "het de kracht van God tot redding is." En waarom is het "de kracht Gods tot redding"?

3.  Omdat "daarin de rechtvaardigheid [gerechtigheid] van God wordt geopenbaard",

4.  "Uit geloof tot geloof", Zijn "geloof" [betrouwbaarheid], beroep op ons doet, om vertrouwen [geloof] in Hem te hebben.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011