|
PAULUS
EN MATTHIAS
"En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was
Justus, en Matthias" (Hand.1:23).
Er
zijn natuurlijk velen in het Christendom, die de slotsom waartoe wij in het
voorgaande gekomen zijn, afwijzen. Wij geloven dat de meesten van hen ernstige
gelovigen zijn, die de leringen van mensen volgen, zonder de Schriften voor
zichzelf te onderzoeken. Het probleem van blindelings de leer van een mens te
volgen is, dat als hij een verkeerde richting inslaat, ieder hem op die dwaalweg
volgt. Een treffend voorbeeld hiervan zijn diegenen die leren dat Petrus buiten
Gods wil was toen Matthias werd aangewezen tot het apostelambt dat vacant werd
door Judas. Zij beweren dat Petrus buiten zijn bevoegdheid ging, omdat God het
plan had om Paulus tot twaalfde apostel te stellen. Wij geloven echter, dat God
souverein is; dienovereenkomstig kunnen mensen Zijn doeleinden niet ondermijnen.
"En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar
Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is
niemand die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?"
(Dan.4:35). Als God het plan gehad had om Paulus de twaalfde apostel in het
koninkrijk te doen zijn, kon niemand, ook Petrus niet, tussenbeide
gekomen zijn. Overigens leidt de Heilige Geest het hier in Hand.1 zo, dat
van Paulus in het geheel geen sprake is.
Anders dan de andere gelovigen in de bovenzaal, hadden Petrus en de
discipelen de Heilige Geest reeds ontvangen toen onze Here aan hen verscheen
gedurende Zijn bediening vóór de opstanding (Joh.20:22). Volledig onder
de leiding van de Geest staan, betekent dat Hij in de wil van God was in deze
belangrijke zaak.
Petrus als
leider deelt hen die in de opperzaal aanwezig zijn mee, dat het noodzakelijk is
om een andere discipel de plaats te doen innemen die door degene die de Meester
verried werd ingenomen. De vervanger moest voor deze hoge roeping aan twee
voorwaarden voldoen. Allereerst moest hij iemand zijn die hen getrouw gevolgd
was gedurende de hele tijdsduur van de aardse bediening van Christus
(Hand.1:21,22). De tijdsduur wordt aangegeven als "beginnende met
Johannes", omdat Johannes de Doper de eerste was die het komende
koninkrijk aankondigde en verklaarde Christus de Koning van Israel te zijn
(Luk.16:16; Joh.1:49). De periode van trouwe navolging van Christus voor degene
die in aanmerking kwam, gold tot Zijn hemelvaart - "Tot de dag toe, in
welke Hij van ons opgenomen is". Het moest zijn tot de opstanding omdat
onze Here op dat tijdstip alle facetten van het komende koninkrijk had geleerd
(Hand.1:3). De tweede kwalificatie die voor de kandidaat bindend was, was dat
hij ooggetuige moest zijn geweest van de opstanding van Christus in Zijn aardse
bediening, en geloofde dat Hij degene was die zou zitten op de troon van
David. Dit betekende dat degene die in aanmerking kwam voor dit ambt, in staat
moest zijn om te getuigen dat hij de opgestane Christus gezien had. Het
is niet mogelijk dat Paulus aan een of twee van de vereisten zal hebben voldaan.
Zoals wij weten werd hij zelfs pas jaren later gered (Hand.9).
|