"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

HET LICHAAM VAN CHRISTUS

 "U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door de band des vredes. Eén lichaam is het, en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot één hoop uwer roeping; Eén Here, één geloof, één doop, Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen" - Eph.4:3-6

 Bovenstaande Constitutie der Genade bevat zeven fundamentele waar­heden waarop ons geloof rust. De zevenvoudige eenheid des Geestes, zoals zij soms genoemd wordt, is de bindende kracht die onze harten zou moeten samenbinden in de band des vredes. Voordat we verder gaan, zijn er twee belangrijke details over de eenheid des Geestes die niet over het hoofd mogen worden gezien. In de eerste plaats werd dit stuk waarheid samengesteld door de Heilige Geest zonder behulp van een organisatie van naam. Ten tweede moeten alle leerstellige standpunten over de bedeling van Genade in overeen­stemming zijn met deze aangegeven lijn van de Geest.

  Geliefden, als er ooit een leerstellige eenheid onder broeders zal zijn, dienen deze aanwijzingen van de Geest zonder reserve in acht genomen te worden. Jammer dat velen unie verward hebben met eenheid. In de gedachten van gelovigen die instemmen met de hoofdstroom van het Christendom, ook al is het slechts een compromis, geeft dit een gevoel van acceptatie en zekerheid, ook al is het slechts een compromis. Zij redeneren dat als zoveel mensen een bepaalde leer volgen, deze zeker wel recht moet zijn. Zo'n redenering is erg gevaarlijk, speciaal met het oog op het feit dat juist het tegenovergestelde meestal waar is.

  Terug tot in de dagen vóór Christoffel Columbus geloofde de wereld dat de aarde plat was. Slechts een paar moedige mannen durfden deze voorstelling te ontkennen. Wie had gelijk? Verder roemen enkele oosterse religies op grote aantallen die hun mystieke overtuigingen volgen. Hebben zij het aan het rechte eind? Zelfs in de Bijbelse tijden toen de Here onder ons verkeerde, werden honderdduizenden gered, maar slechts 120 zagen de noodzaak om Zijn bevel te gehoorzamen en in Jeruzalem te blijven tot de komst van de Heilige Geest. Onder de kinderen van God zijn degenen die bewaarders van de waarheid geweest zijn altijd in de minderheid geweest, en vandaag is dat nog zo.

 Zo zien we dat zij die verlangen om Gods wil te gehoorzamen in de bedeling van Genade, de zevenvoudige eenheid van de Geest dienen te erken­nen. Eenheid betekent éénzijn, niet samenzijn. En eenheid is het ware kenmerk van hen die zich onder de zeven wonderen van genade stellen. Laten we nooit schuldig zijn aan het offeren van het geloof op het altaar van het compromis, alleen om de kritiek van mensen te ontgaan. Moge God ons helpen te STAAN!

 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid" (2 Cor.4:17).

                EEN BELANGRIJK VERSCHIL

             "Er is één lichaam..." (Eph.4:4).

 Dit is uiteraard de eerste van de zeven eenheden die de Apostel Paulus de mensen op het hart drukt. Gods voornaamste doel in de brieven van Paulus is, dat de heidenen overvloedig mogen zijn in de kennis van het Geheimenis. Dit is de reden waarom de apostel ons in de Philippenzen-brief leert, dat we begrip dienen te hebben van dingen die verschillen. Neem bijvoorbeeld het verschil tussen het volk Israel en het Lichaam van Christus. Dit zijn twee wezenlijk verschillende zaken, die niet moeten worden verward. Wellicht is de eenvoudigste manier om het onderscheid tussen deze beiden te zien door er aan te denken dat wanneer we ons wenden tot de Profetische Geschriften, Israel hoofdzaak is. Aan de andere kant is in Paulus' brieven het Lichaam van Christus hoofdzaak. Laten we dit gegeven eens onderwerpen aan de Bereaer toets om te zien of het blijft bestaan bij onderzoek vanuit de Heilige Schrift.

 1. ISRAEL IN DE PROFETIE

 "En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Here! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten. Doch Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na. Maar Hij antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:22-24).

 In de vroegere tijd verkoos God Abraham om de vader der Joden te zijn. Hij beloofde dat uit Abrahams zaad een groot volk zou voortkomen, waarvan wij wij weten dat het is Israel. Zij was Gods oogappel en aan haar alleen werd de aanneming, de heerlijkheid, de verbonden, de Wet, de eredienst van God en de beloften geschonken. Israel is een wonderlijk volk. Zij ontstond door een wonder (Abraham en Sara waren ver boven de jaren van vruchtbaarheid), werd wonderbaar bewaard en verwacht in de toekomst een wonderbare bevrijding. Wij dienen wel te beseffen dat zij ook onder de oude bedeling een voorname positie innam, ver boven alle heidenvolken der wereld. God sluisde al Zijn grootste zegeningen door haar heen die dan eventueel zouden worden door- gefiltreerd tot de andere volken. De hopeloze positie van de heidenen wordt ons geschetst in Eph.2:11,12:

 "Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees... Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld."

  Als we het Mattheus-evangelie vergelijken met het Markus-evangelie, zijn we in staat om veilig aan te nemen dat de vrouw waarvan hier wordt gesproken­, een Syro-Phenicische was die in Kanaan leefde. Met andere woorden, zij was een heidin die zonder hoop was en zonder God in deze wereld. Maar zij had ongetwijfeld gehoord van de wonderwerken van onze Here en smeekte Hem Zich over haar dochter, die bezeten was van een demon, te ontfermen. En wat was het antwoord op haar smeekbede? "Doch Hij antwoordde haar niet één woord." Hij wilde niet eens tot haar spreken!

 Er waren nog meer gevallen waarin onze Heer de heidenen geen aan­dacht schonk (Joh.12:20-23). Maar de Syro-Phenicische was tamelijk vast­houdend; zij wilde, wat het ook koste, een onderhoud met de Meester! Zij achtervolgde de discipelen, smekend dat zij toch voor haar zouden tussenbeide komen. Ten einde raad vroegen de discipelen de Heer om haar weg te zenden. "Deze vrouw maakt het ons lastig!" Here, genees haar dochter, doe iets dat zij ons met rust laat! Maar Hij antwoordde Zijn discipelen, "Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels."

  Toen kwam de vrouw en aanbad Hem, smekend of de Meester haar dochter, die zij zo zeer liefhad, beter zou maken. Maar onze Here was onvermurwbaar: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen." Een andere manier van zeggen: Is het goed om de lichamelijke en geestelijke zegeningen die rechtens Israel toebehoren, om die een heiden voor te werpen, die toch niet meer is dan een hond? Onnodig te zeggen dat dit scherpe woorden zijn. Let echter op wat deze heidense vrouw antwoordt: "Ja, Here! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren." Deze vrouw wilde elke zegen die van Israels tafel viel accepteren. Zij wist dat Gods zegen op het uitverkoren volk rustte en als zij gered mocht worden, en haar dochter genezen, moest zij deze waarheid bekennen.

 Getroffen door het geloof van de vrouw en haar bereidheid om zich aan Gods plannen en doeleinden te onderwerpen, had onze Here medelijden met haar en genas haar dochter. Uit dit Schriftgedeelte en uit de Profetische Geschriften als geheel, leren we het volgende:

 1. Christus is de Koning van Israel (Gij Zone Davids - V.22).

 2. Aan Israel werd uitnemendheid boven de volken gegeven (V.24).

 3. De heidenen worden gezegend door Israel heen (V.27,28).

 4. Israel werd als eerste op aarde gezegend met lichamelijke zegeningen              (V.28).

 

2. HET LICHAAM VAN CHRISTUS

 Zoals we gezien hebben waren de heidenen in vroegere tijd, vreemdelingen en vervreemd van de zegeningen van God. Als we een ogenblik teruggaan naar Eph.2:13 is het beslissend, dat we kennis nemen van de sleutelwoorden, "Maar nu". Deze woorden geven aan dat er een grote verandering van bedeling heeft plaats gevonden. Sta mij toe een kort commentaar te geven als we deze passage samen lezen. "Maar nu (in de bedeling der Genade) in Christus Jezus, zijt GIJ [i.c. gij heidenen], die eertijds verre waart, nabij geworden (of hebt toegang tot God verkregen) door het bloed van Christus."

In de bedeling der Genade heeft Israel niet langer een positie van uitnemendheid boven de volken. Vandaag redt God mensen uit alle volkeren tot prijs van Zijn heerlijkheid. Het is zeker dat de Schriften, en ook ervaring, de juistheid van deze slotsom bevestigen. Heeft één van onze lezers zich moeten overgeven aan Israel en de Wet van Mozes om gered te worden? Dat deed de Syro-Phenicische vrouw wel.

 Toen wij de verkondiging van het evangelie hoorden, hoe Christus stierf voor onze zonden en weer opstond, geloofden wij dit eenvoudig en werden gered. Genade redde ons van de wrede tuchtmeester der zonde. Op het moment dat wij Christus aannamen als onze persoonlijke Redder, doopte de Heilige Geest ons direct in het Lichaam van Christus.

 "Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden" (2 Cor.5:17).

 Over het algemeen wordt deze passage gebruikt om uit te leggen hoe de gelovige nieuw leven heeft in Christus. De vroegere zondige begeerten zijn voorbij en daarvoor in de plaats is een verlangen gekomen om in nieuwheid des levens te wandelen. Inderdaad wordt in de Paulinische openbaring het verander­de leven geleerd. In de onderhavige passage echter heeft de Apostel Paulus niet het Christen-leven op het oog. Eerder haalt hij de deugden van de Nieuwe Schep­ping naar voren. Hij begint met het woord "Zo dan" wat betekent dat we moeten overwegen wat daarvoor gebeurde.

 Waar de apostel reeds geconcludeerd heeft in de verzen 14 en 15 dat Christus stierf voor "allen", gaat hij voort om in vers 16 te zeggen "Zo dan, wij kennen van nu aan niemand [geen Jood of Griek] naar het vlees." Zo heeft dan God de scheidsmuur der Wet weggedaan en het mogelijk gemaakt voor alle mensen uit alle volkeren om gered te worden door het kruis. "...en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij HEM nu niet meer naar het vlees." Let op hoe de spanning in de zin van het eerste gedeelte verleden tijd is. Wij kennen Christus niet langer als de nederige Jezus die rondging in Palestina, de zieken genas en doden opwekte. Ook kennen wij Hem niet als de Koning der Koningen die eens zal zitten op de troon van David in het duizendjarig rijk.

 Wij hebben Christus in een heel andere zin leren kennen dan onze voorvaderen. Vandaag is Hij de Here der heerlijkheid die een nieuwe positie heeft ingenomen als het Hoofd van de Gemeente, het Lichaam van Christus (Col.1:18). Daardoor staat in V.17 "indien iemand" (d.i. Jood of heiden) in Christus is, maakt hij deel uit van de Nieuwe Schepping. De Nieuwe Schepping is dan het Lichaam van Christus. God verzoent Jood en heiden, zonder onderscheid, in één Lichaam, door het bloed van het kruis. Verder "zijn oude dingen voorbij gegaan [K.J.V.]", hetgeen betekent dat wij niet langer gebon­den zijn aan de voorschriften van de Wet met zijn sacramenteel systeem, sabbatten en dopen.

 "Ziet, het is alles nieuw geworden." Als leden van Zijn Lichaam zijn wij onder genade en dienovereenkomstig verheugen wij ons in een nieuwe relatie met Christus. De Nieuwe Creatie heeft het voorrecht van gezegend te zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemel, waar onze Redder over alles regeert en wij met Hem (Eph.2:6).

 Zoals we gezien hebben in de opsomming, is de eerste volgorde van de zevenvoudige eenheid van de Geest, het unieke karakter van het Lichaam van Christus. Zo zijn dan ook de volgende waarheden uitsluitend in Paulus' brieven te vinden:

 1. Christus is het Hoofd van het Lichaam ofwel de Nieuwe Schepping.

  2. Joden en heidenen zijn op hetzelfde niveau geplaatst.

  3. De heidenen zijn gezegend ondanks Israel.

   4. De allereerste zegeningen van het Lichaam zijn geestelijk.

 Er bestaat een gezegde vanuit het boerenleven, "Doe nooit al je eieren in één mand." Hetzelfde is eveneens toepasselijk op het uitdelen van de geschre­ven openbaring van God. Wij dienen het volk Israel te onderscheiden van het Lichaam van Christus, net zoals we bruine eieren scheiden van witte. Daarna moeten zij voorzichtig in de juiste manden worden gedaan, anders zou het weleens kunnen aflopen met kapotte eieren.

 Bij vele commentators is dit precies wat gebeurd is bij hun onvoorzichtig handelen met de Schriften. Zij hebben de twee programmas van God bescha­digd. Dientengevolge zijn veel dierbare heiligen verward en gefrustreerd bij hun studie van het mooiste verhaal wat ooit is verteld.

 ZIJN IN CHRISTUS

 "Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook vóór mij in Chris­tus zijn geweest" (Rom.16:7).

 Omstreeks de tijd dat wij onze greep op de waarheid beginnen te versterken, komt er een tekst als de bovenstaande op onze weg om ons zicht op de bedeling, nachtmerries te bezorgen. En om de zaak nog ingewikkelder te maken kunnen we er op rekenen dat iemand ons zal vragen hoe het mogelijk is dat iemand in Christus kan zijn vóór Paulus, als die het eerste lid van het Lichaam van Christus was.

 Er zijn natuurlijk vragen die wij onmogelijk kunnen beantwoorden; daarom is het beter en wijzer om verder licht van God af te wachten. Zij die trachten op vragen te antwoorden waarvan zij onvoldoende kennis hebben, zijn als de man die op drijfzand trachtte te lopen - en zonk! Dankbaar aanvaarden wij dat de Geest van God ons genadig veel helpend inzicht heeft gegeven op deze ver­twijfelende Schriftplaats, zodat wij nog meer de veelvuldige wijsheid van God hoog achten.

 VERZOENEND IN CHRISTUS

 Wanneer de Apostel Paulus verwijst naar hen die vóór hem in Christus waren bedoelt hij niet dat Andronicus en Junias reeds vóór hem in het Lichaam van Christus waren. Het verdient onze grootste aandacht dat de Gemeente, het Lichaam van Christus, niet eerder in de wereld werd geïntroduceerd dan na de bekering van Paulus, die het eerste lid was van dat Lichaam (Col.1:24-26; 1 Tim.1:12-16). De uitdrukking in Christus, hier in Rom.16:7 door de Apostel gebruikt, dient te worden verstaan in de breedste zin van de verzoening. Van iedere in het bloed gewassen heilige in alle tijden kan worden gezegd verzoend in Christus te zijn. Hij staat voor God, niet in zichzelf, maar in Christus! De Heilige Geest brengt ons deze waarheid aanschouwelijk bij in de vorm van een typologie uit de dagen van Noach. Wij zouden hier moeten stilstaan om toe te voegen dat een type gedefinieerd wordt als te zijn "een heilige illustratie van een waarheid".

 Als we in gedachten houden dat de Schriften geestelijk te onderscheiden zijn, wie ziet dan niet dat de ark van Noach een type was van Christus? Gedurende 120 jaren waarschuwde Noach, een prediker der gerechtigheid, de mensen van zijn tijd om het oordeel te ontkomen door God te geloven, hetgeen betekende dat zij moesten binnengaan in de bescherming van de ark. Toen de stormige wolken zich verzamelden zei de Here tot Noach, "Ga gij, en uw ganse huis in de ark...zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds...En de Here sloot achter hem toe" (Gen.7:1,7,16).

 Toen Noach en zijn familie veilig in de ark opgesloten waren, begonnen  luchten zwart te worden en veranderde de lach van de mensen in verstij­vende angst. Zoals dat bij de meeste orkanen gaat, viel er een doodse stilte over de aarde. Toen, zonder waarschuwing, brak Gods toorn uit met het openen van de hemelpoorten en een opbruisen van de wateren onder de aarde, hetgeen resulteerde in de algemene zondvloed. Alle godlozen die buiten de ark waren gingen ten onder in verschrikking toen zij in het oordeel werden weggedaan. Degeschiedenis van Noach en de ark is een sprekend voorbeeld van het kind van God dat verzoend is in Christus, hetgeen ons leert dat alle gelovigen buiten bereik zijn van oordeel op grond van Chris­tus' vergoten bloed.

                  DE HELPENDE HAND VAN PETRUS

 "Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

 "Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus" (1 Petr.3: 20,21).

 Petrus reikt ons hier een helpende hand met betrekking tot het onderwerp van de verzoening, als hij hier verwijst naar de dagen van Noach om te openbaren dat er 8 zielen waren die gered werden door het water of wel door het oordeel heen. Hij gaat verder en voegt eraan toe, "waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt". Met andere woorden, de ark van Noach en de doop zijn overeenkomstige waarheden, die de verzoening van de gelovige in Christus bevestigen.

 Maar welke doop bedoelt Petrus hier? Wij dienen niet het feit uit het oog te verliezen dat er 12 verschillende dopen in het Woord van God worden geleerd. Deze doop kon voor zeker niet een waterceremonie zijn. Indien het dat zou zijn, dan zou waterdoop ons redden, en zelfs onze Baptisten-vrienden trekken deze conclusie niet. Wij geloven dat het antwoord wordt gevonden in de eigen woorden van onze Here in Luk.12:50: "Maar ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!"

 Deze woorden werden door de Here uitgesproken tijdens Zijn aardse bediening. Als Hij sprak over "met een doop gedoopt worden" leerde Hij Zijn discipelen over Zijn aanstaande dood aan het Kruis. Indien wij begrijpen dat de term "dopen" betekent "volledige identificatie", dan zien we dat Christus werd geidentificeerd met sterven, opdat Hij de Verzoener van de mensheid zou zijn.

 Terugkerend naar 1 Petr.3:21, is het Christus' identificatie met de dood, die mensen redt in elke bedeling, hoewel dit niet eerder werd geopenbaard dan met Paulus (Rom.3:21,25). Als leden van het Lichaam van Christus delen we dit in gemeenschap met het volk Israel - dit als een van de verbindingen tussen Profetie en het Geheimenis. Dienovereenkomstig wordt geen zondaar gered, onder welke bedeling ook, dan alleen op grond van het bloed dat vrijelijk stroomde op het Kruis van Golgotha. Het was daar, dat Christus Zichzelf gaf als een offerande voor de zonde van de wereld, "zijnde de getuigenis te zijner tijd" door Paulus' evangelie (1 Tim.2:5-7). Verder is het op grond van Christus' volbrachte werk dat wij in staat zijn om een goed geweten ten opzichte van God te hebben. Dit klopt volledig met wat Paulus stelt in het Boek Hebreeën: "Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen?" (Hebr.9:14).

 Petrus is voorzichtig met te beweren dat een mens niet gered is, noch kan hij ooit verwachten een goed geweten tot God te hebben, door het "afleggen van de vuiligheid des lichaams". Zoals we reeds weten wordt het "afleggen van de vuiligheid des lichaams" gedaan door wassen met water om schoon te worden. Hij leert zijn toehoorders dat het de doop van Christus' dood is die hen redt, geen waterdoop, die slechts een afschaduwing is.

                     IN CHRISTUS BEDEELD

"Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, aan de heiligen, die te Ephese zijn, en gelovigen in Christus Jezus.

"Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Eph.1:1,3).

Hier hebben we een volkomen andere zaak. Paulus gebruikt de uitdrukking in Christus in deze passages in een volstrekt andere zin dan hij dat deed in de Romeinenbrief. Als de apostel de geestelijke zegeningen waar wij ons in Christus in verheugen begint te ontvouwen, beperkt hij deze term tot de Gemeente, het Lichaam van Christus. Dit is een belangrijke onderscheiding vanuit bedeling die wij niet uit het oog moeten verliezen. Alleen van gelovigen gedurende deze bedeling der Genade kan worden gezegd dat zij in Christus zijn, als het gaat om het in het Lichaam van Christus zijn. De gemeenschap der heiligen die samen het Lichaam van Christus vormen bestaat alleen uit hen die gered zijn vanaf de bekering van de Apostel Paulus tot aan het geluid van de bazuin bij de Opname (1 Tim.1:15,16; 1 Cor.12:27; 1 Thess.4:13-18). Alleen zij die gered zijn onder de voorwaarden die vermeld zijn in de brieven van Paulus vormen de ware Gemeente van deze bedeling (1 Cor.15:1-4).

 De Heilige Geest doet een heerlijk werk tot ons heil op het moment dat we gered worden, wanneer Hij ons uit Adam in Christus plaatst en ons dan identificeert met Zijn dood, begrafenis en opstanding. Wij zijn geen onderdeel van een herriemakende machinerie van een organisatie; in plaats daarvan zijn wij letterlijk leden van een levend organisme geworden, samengevoegd met andere leden. Christus is het Hoofd van dit Lichaam, die niet alleen leven schenkt, maar ook richting en doel.

 "Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt" (1 Cor.12:13).

 Deze geestelijke doop door de Geest heeft direct betrekking op ons en benadrukt het één zijn, hetgeen wij genieten als resultaat van het verenigd zijn tot het Lichaam. Het is belangrijk op te merken dat de nadruk van dit Schriftvers ligt op het woord "allen". Wij zijn allen door dezelfde Geest gedoopt. Allen worden vervuld door dezelfde Geest. Alle leden van het Lichaam hebben geestelijk leven, omdat allen ertoe gebracht zijn te drinken in één Geest. Daarom verheugen zich gelovigen tezamen wanneer een zondaar Christus vertrouwt als zijn persoonlijke Redder. Aan de andere kant, wanneer een goede vriend, die een mede-gelovige is, wordt weggenomen in de dood, delen wij in de bedroefdheid met de familie.

 "Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam? (1 Cor.12:14,15).

 "Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft" (1 Cor.12:18).

 God plaatst in Zijn souvereiniteit elk lid in het Lichaam zoals het Hem belieft. Als we verder lezen in Hoofdstuk 12 leren we dat de Corinthiërs niet terughoudend waren om hun ongenoegen met hun plaats in het Lichaam naar voren te brengen. Blijkbaar waren velen van hen ontstemd, wilden liever een meer vooraanstaande positie zoals de apostel had. Hun redenering was on­begrijpelijk wanneer we in ogenschouw nemen dat als allen in de gemeente pastors waren, wie zou dan de lofprijzing of de zang of de zangbegeleiding of het collecteren, of wat nog belangrijker is, het luisteren naar het Woord op zich nemen?

 God heeft in Zijn oneindige wijsheid elk lid in het Lichaam daar geplaatst waar hij het meest bruikbaar en productief kan zijn. Indien ieder lid van de ware Gemeente zijn door God gegeven verantwoordelijkheid zou hooghouden, zou zij ongetwijfeld een veel diepere invloed op de wereld hebben dan ooit. Die heiligen die weggestopt zijn op verborgen plaatsen en voor de bediening van de Apostel Paulus baden, schenen niet zo belangrijk te zijn voor de Corinthiërs. Zij realiseer­den zich weinig dat de vruchten van zijn werken dikwijls een direct resultaat waren van de gebeden van deze zogenaamde "stille heiligen".

 Het is onze overtuiging dat waar wij leden zijn van Christus' Lichaam wij allen een verplichting hebben om elkander met het grootste respect te behan­delen. Wij mogen wellicht een kleine leerafwijking zien, of de puntjes anders op de i zetten, maar dat geeft ons niet de vrijheid om met onze broeders en zusters in Christus op een ongenadige wijze te handelen. Toch betekent dit niet dat we nonchalant mogen zijn wat betreft onze verantwoordelijkheid om een on­gezonde leer aan te tonen. Waar het op aan komt is, dat wij niet ongenadig zullen zijn wanneer wij dit doen. Het moet het verlangen van ons hart zijn volledig de eenheid van het Lichaam te erkennen, net zoals wij dit doen met de leden van ons eigen natuurlijke lichaam. Laten we het voorbeeld van Paulus volgen wanneer hij zegt:

 "Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt de zodanige terecht met de geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook gij niet verzocht wordt" (Gal.6:1).

 De gelovigen van deze bedeling hebben de unieke eer niet alleen tot verzoening in Christus te zijn, maar ook in Christus voor zover het betreft het in het Lichaam van Christus zijn. Christus, Die ons Hoofd is, is degene die wij gemeenschappelijk delen - Hij is de gemeenschappelijke benaming.