|
DE
AARDSE BEDIENING VAN CHRISTUS
Paulus
bevestigt, dat toen onze Heer de menselijke arena binnentrad, Hij met opzet Zijn
bediening beperkte tot hen die uit de besnijdenis waren. Lees Rom.15:8 nogeens;
Om kort te gaan, Zijn komen was uitsluitend gericht op Israel teneinde de
beloften die aan Abraham, Izak en Jakob waren gegeven, waar te maken. Omdat de
Hebreeuwse aartsvaders een aardse hoop hadden, is het vanzelfzelfsprekend dat
de aardse bediening van onze Heer door alle profetische bladzijden verweven is.
Als gevolg van Israels afwijzing is deze bediening thans niet operatief.
Nu, in deze tijd, voert onze Heer Zijn hemelse bediening uit, verbonden
met het Lichaam van Christus. Hoe verdrietig, dat velen proberen hun
uiterste best te doen om in de voetstappen te gaan van Christus' aardse
bediening. Zij kunnen uiteraard niet meer doen dan proberen, want het is
onmogelijk om aanwijzingen op te volgen die nimmer in de eerste plaats voor ons
bestemd waren.
"Toen
sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen, zeggende: De Schriftgeleerden
en de Farizeeën zijn gezeten op de stoel van Mozes; daarom, al wat zij u
zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun
werken; want zij zeggen het, en doen het niet" (Matt.23:1-3).
Toen de aardse bediening van onze Heer aan Israel ten einde liep, gaf Hij
de zogenaamde "Grote Opdracht"[1].
Bij deze opdracht leerde Hij hen om "...te onderhouden alles wat Ik u
geboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der
wereld" (Matt.28:19,20). Eén van de hoofdpunten van het geloof die
de Meester aan hen opdroeg, was de noodzakelijkheid van gehoorzaamheid
aan hen die op de stoel van Mozes zitten. Als we aandachtig gedeelten van de
vier evangeliën beschouwen, zien we dat Christus en Zijn volgelingen nauwkeurig
de feestdagen onderhielden zoals die in het Boek Leviticus worden genoemd. Toen
de Grote Heelmeester de armzielige melaatse van zijn melaatsheid genas, beval
Hij hem zich met een offerande aan de priester te vertonen, die alleen het gezag
had hem rein te verklaren (Matt.8:1-4). Deze treffende gebeurtenis wijst erop
dat onze Heer onder de Wet leefde, en maakt verder duidelijk waarom de
discipelen zo bindend werd opgedragen de Wet van Mozes te onderhouden.
In
dankbaarheid voor het terzijde stellen van ongelovig Israel, zijn wij niet
langer onder de Wet, maar onder genade. Misschien denken enkele van onze
lezers die het Geheimenis niet kennen, "Jawel, dat geloof ik!". Goed!
Dan vragen wij ons af: "Wie bracht ons deze wonderbare waarheid?"
Niemand anders dan Paulus zelf, die deze nieuwe openbaring ontving van de
verheerlijkte Heer (Rom.6:14,15).
Zij
die worstelen om overeenkomstig de aardse bediening van Christus te leven, zoals
aangegeven in de eerste hoofdstukken van Handelingen, plaatsen zich onbewust
onder de Wet. Gelovigen vandaag kunnen onmogelijk de bevelen van Christus aan
Israel opvolgen, eenvoudig omdat het volk tijdelijk terzijde is gesteld. Alles
wat overblijft is een lege dop van hetgeen vroeger geweest is (Rom.11:31,32). Er
bestaan geen religieuze leidsmannen die in de stoel van Mozes zitten en
gehoorzaamd moeten worden. De tempel bestaat niet meer en de priesterschap is
een relikwie uit het verleden. Het is inderdaad ontzettend dat zoveel gelovigen
net als schapen zijn, die achter elkaar aanlopen door de ruïnes van Gods
uitgestelde profetisch programma. Het is ons een hartsverlangen dat alle
gelovigen overal zullen komen tot de kennis van het geheimenis!
|