DE
UNIEKE BOODSCHAP VAN PAULUS
"Maar
ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk van mij verkondigd is,
niet is naar de mens. Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch
geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus" (Gal.1:11,12).
De
Apostel Paulus nam geen blad voor de mond toen hij aan de Galaten schreef dat
het evangelie dat hij predikte "niet is naar de mens". Hij
probeerde het volkomen duidelijk te maken dat deze boodschap niet door hem was
opgesteld of door iemand anders. Er kan wel gezegd worden dat de meeste religies
in de wereld hun oorsprong hebben bij de een of andere extremist die door de
duivel werd bedrogen. De wreedheden van de Islam bijvoorbeeld kunnen worden
teruggebracht tot Mohammed, terwijl de vreemde leringen van de Mormonen
grotendeels door Joseph Smith werden gepropageerd. Daarentegen werden alleen
het Judaïsme en het evangelie van Gods genade van boven goddelijk verordineerd.
Omdat
het evangelie van Paulus niet van mensen afkomstig is volgt hier logisch uit dat
hij het nooit ontving noch dat het geleerd werd, door menselijke bemiddeling.
Wij concluderen dan ook dat de apostel nimmer promoveerde in de genade-theologie
aan de Universiteit van Tarsis, noch dat hij leerde aan de voeten van
Gamaliël over het Geheimenis bij zijn bezoeken van Seminars in
Jeruzalem.
Terugkijkend
op de weg van goddelijke openbaring weten we nu dat de bedeling van Genade
voorgeordineerd werd, maar een zorgvuldig bewaard geheim was gebleven. Alleen
God wist wanneer en aan wie Hij de eeuwige raad van Zijn wil voor de hemelen
bekend zou maken. Dienovereenkomstig verkoos God op een heldere, zonnige dag, op
een stoffige weg naar Damaskus, een ongelukkige zondaar met de naam Saul te
redden. Deze goddelijke tussenkomst in de zaken van mensen betekende de
doorbraak van een nieuw tijdperk. Met één handomdraai zette God een
reeks gebeurtenissen in werking die de loop van de geschiedenis zouden
veranderen.
Paulus'
ervaring van bekering is op zichzelf een informatief beeld van de boodschap
waartoe hij werd opgewekt om die te verkondigen. Bijvoorbeeld wachtte God met
het redden van Paulus tot het in zicht komen van een heidense stad, die
representatief is voor zijn komende bediening onder de heidenen
(Hand.26:16 cf.Rom.11:13). Nog een betekenisvolle gebeurtenis is dat onze Here aan de apostel-in spé verscheen
in een hemels gezicht. Dit was uiteraard de start van de hemelse dienst
van Christus, die hemelse hoop geeft aan allen die geloven (Hand.26:16-19
cf.Col.1:5). Verder had Paulus de Here gezien in een verschijning van
glorie zoals Hij nooit tevoren gezien werd. Korte tijd later realiseerde hij
zich dat hij werkelijk de Here der heerlijkheid had aanschouwd, die voor
de allereerste maal Zichzelf openbaarde als het Hoofd van het Lichaam van
Christus (Hand.26:13-15 cf.Eph.1:20-23; Col.1:18). Vóór Paulus' bekering was
hij "blazende nog dreiging en moord tegen allen die de naam van Christus
noemden". Hij was Gods
voornaamste vijand. Maar in plaats van Zijn vijand te vernietigen, manifesteerde
God Zijn lankmoedigheid en redde de leider van de opstand die, bovendien, een
toonbeeld werd voor allen die daarna zouden geloven in Christus (Hand.26:9-12
cf.1 Tim.1:15,16).
Zoals
we zojuist vermeldden, ontving Paulus zijn evangelie niet door menselijke
bemiddeling. Eerder was het door directe openbaring van de Here Jezus
Christus. Het zou voor Petrus onmogelijk zijn geweest om tot Paulus het
Geheimenis te prediken, eenvoudig omdat hij er absoluut geen kennis van had. Dit
verklaart waarom de apostel zo standvastig is wanneer hij verklaart dat hij
werd geroepen om "Zijn (Gods) Zoon in mij te openbaren, opdat ik
Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen; zo ben ik
terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed; En ben niet wederom gegaan naar
Jeruzalem, tot degenen, die vóór mij apostelen waren; maar ik ging heen naar
Arabië, en keerde wederom naar Damaskus" (Gal.1: 16,17).
Naar
alle waarschijnlijkheid verscheen de Here gedurende zijn verblijf in Arabië
verschillende malen aan Paulus, waar hij het A.B.C. van genade-onderwijs
ontving. Bij een andere gelegenheid werd hij in de derde hemel opgetrokken waar
de Here hem persoonlijk verder onderrichtte in de zaken van het Geheimenis. Deze
ervaringen wijzen ons erop dat hij het evangelie der genade geleidelijk
ontving gedurende een periode van ongeveer dertig jaren. Hierover spreekt de
apostel in 2 Cor.12:1, als hij schrijft:
"Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heren."