|
GODS VOORNAAMSTE DELING
IN ZIJN WOORD
"In de beginne schiep God de hemel en de aarde."
Gen.1:1
De Protestantse Reformatie bracht een aantal reuzen in het
geloof voort, waaronder Miles Coverdale, die ons praktische aanwijzingen geeft
tot bestudering van Gods Woord:
"Het zal tot grote hulp zijn om de Schrift te verstaan,
indien gij niet alleen opmerkt wat wordt gesproken of geschreven, maar
over wie en tot wie, met welke woorden, in welke tijd, waar, met welke
bedoeling, onder welke omstandigheden, beschouwend wat er aan voorafgaat en wat
er na komt."
Met andere woorden, terwijl de hele Bijbel voor ons is, is
niet al het geschrevene direct tot ons gericht. Bijvoorbeeld beval God in het
Oude Testament Zijn volk dat zij de wet van de Sabbath zouden onderhouden. Op de
zevende dag (Zaterdag) van de week was het hun die onder deze regel stonden, niet
geoorloofd om te kopen of te verkopen, takken te sprokkelen, vuur aan te
steken, een maaltijd klaar te maken, enig werk te doen, of meer dan een mijl te
reizen (Ex.31:12-17; 35:3). Hun die waagden deze heilige verordening te
wederstreven moesten ter dood gebracht worden. Zo zou de sabbath een dag van
lichamelijke rust zijn, een voorafschaduwing van de rust die Israel zou
genieten in het duizendjarig Rijk.
Vergeef het me, maar ik moet vragen: Onderhoudt u de sabbath
zoals voorgeschreven in Gods Woord? Onnodig iets te zeggen, het antwoord is wel
duidelijk. Toch geeft deze illustratie het bewijs dat niet alle Schrift
direct tot ons is gericht. Het is essentieel dat de lezer erkent dat er een
belangrijke verandering van het ene goddelijke programma naar het andere
is. In ons eerste hoofdstuk toonden wij het feit aan dat aangezien het Oude en
Nieuwe Testament [verbond] op ons betrekking heeft, deze niet werden gesloten
met de heidenen, noch Gods voornaamste deling in Zijn Woord bepalen. Waar
plaatste God dan de hoofd-deling in Zijn Woord?
HET PROFETISCH PROGRAMMA
"Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen
nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Here
Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. Want Hij
heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van
de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon,
in Dewelken Ik Mijn welbehagen heb...En wij hebben het profetische woord, dat
zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt..."
(1 Petr.1:16,17,19).
Hier verhaalt Petrus de ervaring die hij had op de Berg der
Verheerlijking. Voorafgaand aan deze gedenkwaardige gebeurtenis onderrichtte de
Heer de discipelen aangaande Zijn aanstaande dood te Jeruzalem. Omdat zij ontzet
waren door deze aankondiging, sprak de Meester deze troostwoorden: "Voorwaar
zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken
zullen, totdat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn
Koninkrijk" (Matt.16:28).
Oppervlakkig gezien, schijnt het alsof alle discipelen
stierven zonder ooit getuige te zijn van de vervulling van deze gebeurtenis. Wij
geloven echter, dat de woorden van onze Here tot op de letter vervuld werden
toen Hij Petrus, Jakobus en Johannes meenam naar de berg en werd veranderd voor
hun ogen. Ons wordt danook verhaald, "...Zijn aangezicht blonk gelijk de
zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht".
Petrus, Jakobus en Johannes werd een glimp gegeven van hoe
het zal zijn wanneer Christus terugkeert om Zijn duizendjarig koninkrijk te
vestigen. Jaren later vertelt Petrus zijn toehoorders dat hij een ooggetuige was
van de aanstaande glorie van de Heer. Hij deelt ook aan degenen tot wie hij
schrijft mee, dat hij de stem van God hoorde die zeide: "Dit is Mijn
geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb". Eigenlijk zei Petrus, ik
heb een ervaring gehad die een eind maakt aan alle ervaringen, maar neem mijn
woord niet als uiteindelijk gezag. "Wij hebben het profetische woord,
dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt." Petrus
wijst zijn toehoorders waarschuwend naar de Schriften waar deze gebeurtenissen
worden voorzegd door de profeten van oudsher: "Ziet, de dagen komen,
spreekt de Here, dat Ik aan David een rechtvaarduge Spruit zal verwekken; Die
zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen
op de aarde" (Jer.23:5).
De profetische heiligen verwachtten toen de komst van een
koning, die hun vijanden zou overwinnen en een koninkrijk van
gerechtigheid stichten op aarde. Onze Amerikaanse voorvaders stichtten wijselijk
onze regering op het principe van wat bekend is als de scheiding van machten.
Zij verdeelden het gezag onder drie categoriën: uitvoerende, wettelijke en
rechterlijke macht. Dit betekent dat een wetgever niet te zelfder tijd het ambt
kan bekleden van de president, waarmee een monopolie van macht werd voorkomen.
Voor het grootste deel gold dit in Israel voor de zaken van
God. Een koning bijvoorbeeld, werd niet toegestaan om het ambt van priester te
bekleden en omgekeerd. Zij die probeerden het gezag van eens anders ambt te
bekleden ontvingen de ernstigste berisping van God (1 Sam.13:8-14). Christus
echter bekleedde alle drie ambten: profeet, priester en koning van Israel, want
alle macht en gezag is in Hem gevestigd. Daarom is Hij de Enige die in het
komende koninkrijk zal heersen en regeren in gerechtigheid.
Sommigen hebben verkeerd geconcludeerd dat de profetische
heiligen er naar uit zagen met de Here in de hemel te verblijven. Juist het
tegendeel: Sedert het koninkrijk zou worden gevestigd op aarde hadden natuurlijk
degenen onder dat programma een aardse hoop. De aartsvader Job geeft ons
het oudste verslag over de hoop van de heilige in zijn dagen:"Want ik
weet: mijn verlosser leeft, en Hij zal de [ten] laatste over het stof opstaan
[op de AARDE]; En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit
mijn vlees God aanschouwen" (Job.19: 25,26).
Abraham die naar alle waarschijnlijkheid een tijdgenoot was
van Job, zag uit naar een stad."Want hij verwachtte de stad [op AARDE],
die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is" (Hebr.11:10).
Onze Here schonk verder gewicht aan deze belofte toen Hij de Bergrede uitsprak:"Zalig
zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het AARDRIJK beërven" (Matt.5:5).
Later in de rede leerde Hij Zijn discipelen om het volgende te bidden: "Uw
Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de AARDE"
(Matt.6:10).
Dienovereenkomstig hadden zij die gered werden onder dit
programma, zoals Abraham, Mozes, David, Jesaja, Petrus, Stefanus, een aardse
hoop en zullen ook de geredden in de tijd van de komende grote verdrukking
deze hebben. Wij zouden hier een ogenblik moeten stilstaan om een gewoonlijk
gestelde vraag te beantwoorden - Als het koninkrijk aards is, waarom verwijst
onze Here herhaaldelijk hiernaar als het koninkrijk der hemelen? Het
antwoord is tweevoudig: In de eerste plaats, naar de gelijkenis van de
welgeboren man, reist onze Here in een ver land (hemel) om voor Zichzelf een
koninkrijk te ontvangen en terug te keren (Luk.19:11,12). Ten tweede,
wanneer onze Here terugkeert bij Zijn Tweede Komst zal Hij de vloek van de aarde
wegnemen. Op die dag, zo wordt ons geleerd, zal de woestijn bloeien als een
roos, de blinden zullen zien, de doven zullen weer horen en de lamme zal
huppelen (Jes.35:1-6). Kortom, het zal zijn als de hemel op aarde!
Een uiterst cruciaal punt dat niet over het hoofd mag worden
gezien in deze beschouwing is, dat het koninkrijk en de aardse regering van
Christus werd voorspeld sedert de grondlegging der wereld. Dit wil niet
zeggen dat de heiligen van vroeger elk aspect van deze ontluikende openbaring
begrepen. Maar de volgende Schriftgedeelten bevestigen dat het koninkrijk bekend
is geweest vanaf het begin der tijden: "Geloofd zij de Here, de God
Israels, want Hij heeft bezocht en verlossing teweeg gebracht Zijn volke; En
heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht [om
de aan David gegeven belofte met betrekking tot het koninkrijk te vervullen -
2 Sam.7:16]; Gelijk Hij gesproken heeft door de mond
Zijner heilige profeten, die VAN HET BEGIN DER WERELD
geweest zijn"
(Luk.1:68-70)."...wanneer de
tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heren...Welken
de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God
gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw [VAN HET
BEGIN DER WERELD] (Hand.3:19,21).
HET GEHEIMENIS
"Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus
Jezus, voor u, die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling
der genade Gods, die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft
bekend gemaakt deze verborgenheid,..."
(Eph.3:1-3).
Het andere hoofdprogramma in Gods Woord is het Geheimenis.
Sommigen zijn tot de slotsom gekomen dat het Geheimenis alleen de nieuwe
openbaring is dat Joden en heidenen nu in één Lichaam zijn. Maar er is meer,
veel meer! Toen Israel, als kanaal van Gods zegen, haar Messias afwees, bracht
dit een onverwachte ramp met zich. God zette het afgedwaalde volk terzijde in
ongeloof. Met de steniging van Stefanus in Hand.7, stopte de klok der profetie
abrupt, en werd het profetisch programma uitgesteld.
Uit alle uiterlijke omstandigheden leek het alsof door deze
actie de wereld in wanhoop werd achtergelaten. Maar God had een geheimenis
in gedachten, dat Hij niet aan de profeten in vorige bedelingen had
geopenbaard. In Zijn oneindige, onbegrensde genade redde Hij de voornaamste der
zondaren, Paulus, en leidde een nieuw programma in, genaamd het Geheimenis,
ofwel de bedeling van Gods genade.
De openbaring van het Geheimenis brengt Christus in een
geheel nieuwe rol naar voren. Thans is Hij het Hoofd van het Lichaam, ten
bate van ons een hemelse bediening uitoefenend. Dienovereenkomstig
vestigt de Apostel Paulus onze aandacht op de hemel, waar Christus
is gezeten aan Gods rechterhand in een positie van verheerlijking. Gedurende de
huidige tijd van Genade kennen wij Christus niet als de Koning der koningen die
gereed staat om terug te keren met het vlammend vuur der wraak, om oordeel uit
te oefenen over Zijn vijanden. Eerder kennen wij Hem als de God van alle genade,
die gezorgd heeft dat wij tezamen in de hemelse gewesten zitten, opdat
wij deel mogen hebben aan Zijn verheerlijking (Eph.1:19-23; 2:6).
Vraag de gemiddelde gelovige wat zijn of haar hoop is
en het antwoord zal altijd hetzelfde zijn: De Hemel is mijn hoop! Te zijn met
mijn Redder die in de hemel is! Ik zie uit naar de opname in de hemel om voor
altijd bij de Here te zijn! Maar hoe komen deze heiligen tot de conclusie dat
hun hoop hemels is? Het is zeker dat dit niet door bestuderen van de vier
evangeliën is, want zoals we
hebben gezien, geven deze geschriften zicht op een aards
koninkrijk. Het is verbazend om te zien dat de hoop die velen vandaag beweren te
bezitten alleen gevonden wordt in de brieven van Paulus, hoewel zij zich
niet realiseren dat zijn brieven de basis zijn van hun geloof. Paulus'
openbaring is vol met passages die er toe leiden dat wij tot onze vertroosting
hemelwaarts kijken.
"En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet IN
DE HEMEL in Christus Jezus"
(Eph.2:6). "Maar onze wandel is IN
DE HEMELEN, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Here Jezus
Christus" (Phil.3:20).
"Om de hoop, die u weggelegd is IN DE HEMELEN, van welke
gij tevoren gehoord hebt, door het Woord der waarheid, namelijk des
evangelies"
(Col.1:5).
Omdat de Heilige Geest het begin van het Lichaam van Christus
doet beginnen bij de bekering van Paulus, hebben allen die gered zijn vanaf zijn
bekering tot op heden een hemelse hoop.
Een van de voornaamste aspecten van het Geheimenis is, in
tegenstelling met het voorafgaand programma, dat het geheim gehouden werd
vanaf eeuwen en geslachten daarvoor. Let eens op de verwoording van deze
passages, die juist het tegenovergestelde brengen van wat we in het vroegere
programma der profetie vonden.
"Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn
evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring [der
verborgenheid] van het Geheimenis, die van de tijden der eeuwen VERZWEGEN is
geweest"
(Rom.16:25).
"Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen NIET IS
BEKEND GEMAAKT, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en
profeten, door de Geest"
(Eph.3:5).
"Namelijk de verborgenheid [het Geheimenis], VERBORGEN
geweest van alle eeuwen
en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is
aan Zijn heiligen" (Col.1:26).
Wij dagen die lezers uit die nog enigszins sceptisch staan
tegenover onze gevolgtrekkingen, die toch rechtstreeks uit Gods Woord zijn: Al
zal dit ook een onmogelijke zaak schijnen, maar probeer de onnaspeurlijke
rijkdommen van Christus te ontdekken in enig ander Geschrift buiten de brieven
van Paulus.
Enkele van deze rijkdommen luiden als volgt: Het ene Lichaam
van Christus gevormd uit Joden en heidenen zonder onderscheid; onze geestelijke
doop in het Lichaam van Christus; de Opname van de Gemeente; Christus het Hoofd
van de Gemeente; en zo zouden we door kunnen gaan.
EEN SLOTWOORD
Hopelijk zal de onderstaande staat kunnen helpen om het
onderscheid te zien wat God maakt tussen Zijn twee programma's:
Profetie Geheimenis
|
Gods plan en doel met de aarde en
Christus' regering. (Koninkrijk) Matt. 16:28; Matt.17:1-5; 2 Petr.1:15-21. |
Gods plan en doel met de hemelen en onze verheerlijking met Christus in
de hemel. Eph.1:19-23; 3:1-4; Col.3:1-4 |
|
Profetische Heiligen (Israel)
Matt.10:5,6; Matt.15:24. |
Geheimenis Heiligen (Lichaam van Christus) Eph.1:22,23;
1 Cor.12:27. |
|
Profetische Heiligen hebben een aardse hoop. Job 19:25,26; Gen.12:1-3;
Matt.5:5. |
Lichaam van Christus heeft een
hemelse hoop. Eph.2:6; Col.1:5; Phil.3:20. |
|
Profetisch-Programma geopen-baard vanaf de grondlegging der wereld.
Luk.1:67-70; Hand.3:21. |
Geheimenis-Programma werd geheim gehouden sinds het begin der wereld. Rom.16:25; Col.1:25-27. |
De rechtse kolom is maar een geringe opsomming van de
geestelijke zegen waarover wij ons verheugen in Christus. Vele andere wachten
ons bij verder onderzoek van de Paulinische brieven. Nadat wij vastgesteld
hebben wat deze zegeningen zijn, zijn we er toe gezet om onze bedenkingen
te richten op dingen die boven zijn. Dit betekent dat we onze harten daarmee
zullen vervullen opdat wij zullen verlangen om alles te weten over elke en
ieders zegen. Mogelijk zal dit neerslag vinden in onze alledaagse ervaring, en
ons steeds meer omvormen naar het beeld van Christus. |