De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

PAULUS' VERDEDIGING VAN ZIJN HEIDEN APOSTELSCHAP

Door C.R. Stam

  "Doch ik wil niet dat u onbekend is, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen [en tot nu toe verhinderd ben geweest], opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de heidenen.

Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen. Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. Want de rechtvaardigheid van God wordt geopenbaard uit geloof tot geloof..."geloof leven." Rom.1:13-17

God wilde niet dat Zijn volk onwetend zou zijn - speciaal niet met betrekking tot Zijn geopenbaard programma. Tot zes maal toe vinden we in Paulus' brieven: "Ik wil niet dat jullie onbekend zou zijn." Vijf keer op een bepaalde manier in relatie met zijn grote boodschap, "het geheimenis", en drie ervan hebben te doen met ייn enkel aspect van het geheimenis: Gods programma voor de huidige bedeling. Niet leuk om te zeggen, maar die zaken waarvan God zegt, "Ik wil niet dat jullie onwetend zouden zijn", zijn juist de zaken die bij Gods kinderen het minst bekend zijn. Naar welke waarheid verwijst dan de Apostel in deze passage, als hij zegt: "Ik wil niet dat u onbekend zal zijn"? Wij geloven dat hij bedoelt, de geldigheid van zijn bediening onder de heidenen.

"EERST DE JOOD"

De bovenstaande passage is bekend bij alle Bijbelstudenten, en V.16 is van alle het meest bekend - en wijdverbreid het meest misverstaan. Uit dit vers wordt de conclusie getrokken dat de Jood voorop staat in Gods programma voor evangelisatie tijdens de huidige bedeling. Het "eerst de Jood" is inderdaad het wachtwoord van menige organisatie tot zending onder de Joden.

De auteur heeft vele Joodse vrienden en in zijn hart een zeer speciale plaats voor de Jood, maar hier moeten we allen bij het onderwerp blijven, en dan zien wat deze passage, in de contekst, werkelijk zegt. Wij weten dat de Jood op de eerste plaats was in Gods programma. Het grootste deel van het zogenaamde Oude Testament heeft te doen met Israel. Vanuit beiden, Oud en Nieuw Testament, is het duidelijk dat Israel Gods uitverkoren volk is, en dat Hij grote dingen voor haar in petto heeft.

Toen het koninkrijk van de Messias op aarde werd geproclameerd door Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, werd het alleen aan Israel verkondigd. In de eerste "grote opdracht" aan de twaalven onderrichtte Hij hen niet naar de heidenen te gaan, zelfs niet naar de Samaritanen, toen Hij zei: "Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.10:5,6).

Wat Hemzelf betreft, zei Hij: "Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:24). Was dit omdat Hij de heidenen haatte, of onvoldoende liefde voor hen had? Nee, het was omdat Hij de verbonden, en profetiכn in de Oud Testamentische Geschriften begreep. Hij kende uit Gen. 22:17,18 en honderd en ייn andere Oud Testamentische passages, dat het Gods bedoeling was, de volkeren te zegenen door Israel.

Dit verklaart waarom Hij zei, toen een heidense vrouw naar de Here kwam om hulp: "Laat eerst de kinderen verzadigd worden..."(Mark.7:27).

Het verklaart ook waarom, zelfs na Zijn opstanding, Hij Zijn discipelen beval dat "bekering en vergeving van zonden gepredikt zou worden in Zijn naam onder alle volken, te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47).

In begin van Handelingen vinden we,dat de twaalven dit ook doen. In Hand. 3:25,26 verklaart Petrus aan de "mannen van Israel": "Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. God heeft, na Zijn kind opgewekt te hebben, Hem EERST TOT U gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt van uw boosheden." Paulus bevestigt de verklaring van Petrus enige jaren later, toen hij tot de Joden in Pisidisch Antiochiכ zei: "Het was nodig dat EERST tot u het Woord van God gesproken werd..." (Hand.13:46). Waarom was dit noodzakelijk? Eenvoudig omdat volgens verbond en profetiכn, en volgens de woorden van de Here Jezus Christus, de heidenen zouden worden, - en eenmaal zullen zijn - gezegend door verlost Israel, met Christus als Koning.

Zoals we echter gezien hebben, verwierp Israel de Koning en Zijn koninkrijk, zelfs na Zijn opstanding en na het komen van de Heilige Geest met wonderbare kracht. Toen was het dat God Saulus redde, de leider van de opstand, en hem uitzond om overal "het evangelie van Gods genade" te verkondigen aan alle mensen.

OOK VANDAAG "EERST DE JOOD"?

Dit alles heeft een grote draagkracht in Rom.1:16. Sommigen die Joden liefhebben - zoals ook de schrijver - hebben deze passage uitgelegd te betekenen dat het evangelie van Gods genade nu "eerst tot de Jood" gezonden dient te worden. Dit is in de kern van de zaak, en in het licht van de contekst, een abuis. "De bedeling van Gods genade" is in de eerste plaats tot niemand eerst. Zij is onbeperkt, zoals Gods afdoening voor zonde onbeperkt was. Zo wordt zij ook aan allen gelijkelijk aangeboden, "want er is geen onderscheid...want Dezelfde is Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen" (Rom.10:12). Maar laat ons teruggaan naar Rom.1:16 en deze tekst bezien in het licht van zowel de eigenlijke tekst als de verdere contekst.

Zoals we gezien hebben, was de gemeente in Rome samengesteld uit voornamelijk heidenen (Rom.11:13). Daarom schrijft de Apostel danook in 1:13, hierboven: "Doch ik wil niet dat u onbekend is, broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen [en tot nu toe verhinderd ben geweest], opdat ik ook ONDER U enige vrucht zou hebben, ZOALS OOK ONDER DE ANDERE HEIDENEN."

Paulus wenste niet dat de gelovigen in Rome onkundig waren van het feit, dat zijn apostelschap fundamenteel tot de heidenen was, en dat hij dikwijls had getracht om hen in Rome ook in zijn reisplannen op te nemen, maar deze plannen waren verhinderd geworden. Dan doorgaand over zijn apostelschap voor de heidenen, schrijft hij: "Van beiden Grieken en Barbaren, van beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar" (V.14).

Let wel, hij noemt hier niet eens de Joden, maar alleen de "Grieken" en de "Barbaren". Dit niet omdat hij zich geen schuldenaar ten opzichte van de Joden vindt. Dat had hij reeds volledig bewezen te zijn. Het was eerder omdat hij, hoewel zelf een Hebreeכr, zichzelf "ook een schuldenaar van de heidenen" voelde. God had hem uitgezonden met een boodschap van genade voor allen, en hij voelde zich verplicht deze aan allen te verkondigen: Heidenen zowel als Joden. Toen hij eindelijk in boeien te Rome aankwam, schreef hij vanuit zijn gevangenis aan andere heidengelovigen als "de gevangene van Jezus Christus voor u heidenen" (Eph.3:1).

Zo zegt hij dan hier: "ik ben een schuldenaar", en gaat voort met te verklaren dat hij bereid is zijn schuld af te doen, zijn verplichting na te komen: "Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen" (V.15). In het licht van dit alles dienen we Vers 16 te lezen: "Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek.

De Joden, als volk, hadden Christus verworpen, maar Paulus schaamde zich niet voor Hem; ook schaamde hij zich niet het goede nieuws over Hem te verkondigen. Dit goede nieuws, zegt hij, "is de kracht Gods tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst [voor] de Jood, en ook [voor] de Griek."

Er dient in het licht van het bovenstaande op te worden gelet, dat de nadruk hier niet is op de woorden "eerst de Jood", het was eerst naar de Jood gegaan. De nadruk ligt dus meer op de woorden "ook de Griek"

Paulus beschouwde zichzelf een "schuldenaar", en hij was "klaar", om met alles wat in hem was, deze schuld te delgen, want hij had datgene waarmee hij deze kon inlossen! Hij schaamde zich niet over onbekwaamheid om te betalen, want de geweldige boodschap die hij droeg was, en is nog steeds, "de kracht Gods tot redding voor IEDER DIE GELOOFT".

GEEN ONDERSCHEID

Als Rom.1:16 leert dat "het evangelie van Gods genade" eerst naar de Joden dient te gaan, is het in volstrekte tegenstelling met de brief van de Apostel aan de Romeinen als geheel, en in het bijzonder met zijn blijde verklaring in Rom.10:12,13: "WANT ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN. "WANT EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN."

Zijn dit feiten waardoor wij zending onder Joden zullen doen ophouden? Geenszins! Wij, gelovigen uit de heidenen, dienen onze schuld ten opzichte van de Joden te erkennen, en nog meer te doen om de wonderbare boodschap van genade aan hen te brengen. Dit zullen we verdergaand beschouwen als we bij Rom.11:30,31 komen, waar de Apostel ons de ware basis schenkt voor zendingswerk onder Gods oude volk.

Ondertussen dienen onze Joodse vrienden een belangrijk levensfeit onder ogen te zien. Tijdens de huidige bedeling van genade, hebben zij geen prioriteit bij God. Zij dienen, net als wij, God te naderen als arme, verloren zondaren, vertrouwend op redding in Christus, Die stierf voor onze zonden.

GODS RECHTVAARDIGHEID

"Want de rechtvaardigheid van God wordt daarin geopenbaard" (V.17). De Brief aan de Romeinen heeft veel te zeggen over Gods rechtvaardigheid. In feite is dit het basisthema; al het andere draait hierom. Het is spijtig, maar "rechtvaardigheid" is voor velen een gewichtige theologische term, waarover een gewoon mens zich niet behoeft druk te maken. Maar integendeel, iedere man en vrouw, ja, iedere jongen en elk meisje dat tot de jaren van onderscheid gekomen is, behoort te begrijpen wat de Bijbel leert over Gods rechtvaardigheid. "Rechtvaardigheid" is een ander woord voor gerechtigheid. God doet alleen en altijd wat recht [goed] is. Hij kan niet en nimmer, doen wat niet recht [goed] is. Zo vergeeft God niet zo maar zondaren en neemt hen aan in Zijn gunst omdat Hij hen liefheeft of medelijden met hen heeft, want dit zou niet recht [goed] zijn; het zou niet juist zijn. Bij het geven van de wet zei Mozes: "Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen" (Deut.25:1). Inderdaad verklaart Spr.17:15: "Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn de Here een gruwel, ja, die beiden." Bildad, hoewel zelf een "miserabele trooster", herhaalde dit grondprincipe, toen hij tot Job zei: "Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand" (Job 8:20). En Job bevestigde dit, want verbitterd antwoordde hij: "Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (Job 9:2) Ja, hier ligt het probleem: Hoe kan God, Die alleen doet wat recht is, zondaren rechtvaardigen en hen gerechtig noemen? Hoe? De Brief aan de Romeinen legt uit hoe! Haar boodschap van genade is Gods antwoord op deze netelige vraag.

DE PARADOX VAN GENADE

In "het evangelie van Gods genade" vinden we een treffende paradox: God Zelf veroordeelt de gerechtige en rechtvaardigt de slechte; laat de volmaakte in de steek, en helpt boosdoeners. Zie het vlekkeloos Lam op Golgotha als Hij roept: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Judas, in laaghartig verraad, kust Hem; slechte mensen spuwen Hem in het gelaat, geselen Hem, kronen Hem met doornen, en nagelen Hem aan een paal! En God, de Rechter van allen, doet niets om hen te stoppen! Hij Zelf trekt Zijn zwaard uit de schede, en verslaat de enige Persoon Die in de geschiedenis waarlijk zeggen kon, "Ik heb lust Uw wil te doen, o God."

En dit is niet alles, want aan de andere kant redt God Saulus van Tarsen, de bitterste vijand van Christus, "een lasteraar, en een vervolger, en onrechtvaardige" zijn handen druipen van het bloed, als het ware, het bloed van de martelaren. Hem betoont God "genade...zeer overvkoedig" en "alle lankmoedigheid" (1 Tim.1:13-16). Inderdaad zendt Hij hem uit om openlijk aan alle mensen te verkondigen, dat: "Doch degene, die niet werkt, maar geooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5).

Hoe kan dit nu recht zijn? Het antwoord is, dat Degene die smartelijk stierf op Golgotha, God Zelf was, geopenbaard in het vlees. Daar, op Golgotha, "was God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenend" (2 Cor. 5:19). Het was de Rechter Zelf, Die van de troon naar het kruis afdaalde om de zondaar te vertegenwoordigen, en voor hem de volle straf voor zijn zonden voldeed. En wie zal zeggen dat dit onrechtvaardig is? Onrechtvaardig? Het is perfect terecht en nog meer. Het is genade! Onder de termen van de wet vinden we God, Die "barmhartigheid bewijst aan duizenden dergenen die Hem liefhebben, en Zijn geboden bewaren" (Ex.20:6). Maar genade is oneindig veel meer; het zijn de rijkdommen van Gods genade en liefde aan "de kinderen der ongehoorzaamheid...de kinderen des toorns" (Eph.2:2-7), Die de straf voor hun zonden Zelf inlost, in volledig accoord met perfecte en oneindige gerechtigheid!

DE KRACHT VAN HET EVANGELIE

Waarom is het evangelie van Christus "de kracht van God tot redding [zaligheid]"? Waarin ligt haar machtige kracht om te redden? Het antwoord is: In het kruis. Hier is het waar God afrekende met de zonde. De Apostel stelt dit zeer helder in 1 Cor.1: "Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen...OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET VERIJDELD WORDE. Want HET WOORD DES KRUISES is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid, maar ons, die behouden worden, is het EEN KRACHT GODS" (V.17,18). Doch wij prediken CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid...prediken wij Christus, DE KRACHT GODS EN DE WIJSHEID GODS (V.23,24). Zo kon de Apostel in Rom.1:16,17 zeggen: Want ik schaam mij des evangelies van Christus niet; WANT het is een kracht Gods tot zaligheid [redding] een iegelijk, die gelooft....WANT de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard..."

IETS OM VERRUKT OVER TE ZIJN

In werkelijkheid dragen de woorden, "ik schaam mij niet" een veel grotere kracht uit in het origineel. Paulus was verrukt over het evangelie dat hij verkondigde, omdat het de rechtvaardigheid van God openbaarde. Als de lezer zegt: "Ik dacht dat de liefde van God in het evangelie geopenbaard werd"? Dan antwoorden wij dat inderdaad de liefde van God is geopenbaard in het evangelie, en de Apostel was ten diepste dankbaar daarvoor. Maar wat hem zo dolblij maakte in het evangelie was het feit, dat het God openbaart, juist en recht handelend met de zonde. "Ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet...want de rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard."

God heeft zijn standaard van gerechtigheid niet verlaagd of, zo te zeggen, "de drempels verlaagd". De Apostel protesteert tegen elke gedachte van die aard:

"Doen wij dan de Wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet" (Rom.3:31). Het goede nieuws waarmee Paulus werd uitgezonden was dan ook de geschiedenis van het glorieuze, afdoende werk van Christus ter wille van zondaren. Dit was het waarover hij zo verrukt was. Dit was het ene ding waar hij overal van opgaf, waar hij ook ging, zoals in Gal.6:14: "Het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus..." Moge dit ook ons motto zijn, want wij zouden inderdaad trots mogen zeggen tegen zondaars overal: "Voor uw zonden is betaald door de Here Jezus Christus. U mag gered zijn uit genade, door geloof."

UIT GELOOF TOT GELOOF

We moeten deze passage niet afsluiten, zonder de woorden "uit geloof tot geloof" in V.17, te hebben besproken. "Gods rechtvaardigheid" zegt hij, wordt geopenbaard in het evangelie, "uit geloof tot geloof, zoals geschreven is, De rechtvaardige zal uit geloof leven."

Veel commentators hebben een probleem met deze uitdrukking. De meeste commentaren waar de schrijver kennis van nam leggen uit, dat de woorden "uit geloof tot geloof" hier klaarblijkelijk bedoelen van een graad van geloof naar de volgende. Dit heeft echter geen logische aansluiting met de woorden die onmiddellijk daarvoor en daarna staan. Paulus' evangelie openbaart de gerechtigheid Gods "uit geloof tot geloof", zoals beschreven, "De rechtvaardige zal uit geloof leven." Wij voelen aan dat deze verwarring is ontstaan, omdat zo weinigen de zin, "het geloof van Christus" begrijpen, waar in deze zeven passages niet objectief, maar subjectief over wordt gesproken.

 

Objectief beschouwd, is geloof eenvoudig een ander iemand vertrouwen, hetzij in wat een ander iemand gezegd of gedaan heeft. Maar subjectief geloof, is het karakter dat iemand geloofwaardig maakt. Objectief geloof is verbonden met wat iemand doet; subjectief betreft wat hij is. Iemand mag zeggen, "Als ik jou vertrouw, zou jij mij meer vertrouwen". Elk woordenboek zal deze twee definities van het woord "geloof" geven, en dit geldt ook voor het Griekse equivalent, pistis. De Schriften spreken ook van "het geloof", d.i., dat wat geloofd moet worden (1 Cor. 16:13), maar voor het ogenblik volstaan we bij onze discussie, bij de tweevoudige betekenis zoals hierboven aangetoond.

In Rom.3:22, Gal.2:16, Gal.3:22 en Phil.3:9 vinden we "het geloof van Christus" en het geloof van de gelovige in Christus in hetzelfde vers genoemd, waarbij dan wordt aangetoond dat het een het ander completeert. Wat jammer dan dat in de moderne versies van de Bijbel deze kostbare uitdrukking "het geloof van Christus" veranderd is in "het geloof in Christus". Werpt het bovenstaande niet een klaar licht op de uitdrukking "uit geloof tot geloof" in Rom.1:17? In het evangelie dat Paulus bekend maakte, "de rechtvaardigheid Gods [wordt] geopenbaard uit geloof tot geloof", d.i. uit Zijn geloof [subjectief] tot ons geloof [objectief], wordt Zijn geloofwaardigheid geopenbaard als een beroep op ons vertrouwen. Deze interpretatie klopt inderdaad logisch met de woorden die voorafgaan en die volgen. Het evangelie van Paulus openbaart Gods rechtvaardigheid "uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, De rechtvaardige zal door geloof leven", d.i. vanuit het principe van vertrouwen, vertrouwen in Hem, Die ons altijd trouw blijft.

ONZE ZWAKHEID EN GODS KRACHT

Toen onze Heer op aarde was, genas Hij veel zieken en kreupelen. De gelovigen op Pinksteren genazen ook velen in de naam van Jezus, terwijl zij aan Israel Zijn terugkeer uit de hemel aankondigden, op voorwaarde dat zij zich bekeerden (Hand.3:19-21).

Al degenen die genezen werden, bleven echter nog onderhevig aan lichamelijke zwakten of ziekten en stierven tenslotte. Dit geschiedde omdat de Here Jezus werd verworpen als Koning, niet alleen in Zijn vleeswording, maar ook in Zijn opstanding. Rom. 8:22,23 verklaart de oorzaak, zoals we dat in onze dagen nog zien:

"...wij weten dat de hele schepping tezamen zucht, en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam."

Maar Christenen in "deze tegenwoordige boze eeuw" hebben dikwijls lichamelijke zwakheden nodig om hen dichter tot God te trekken in gebed en geloof. Paulus zelf zei: "...is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees...opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Here driemaal gebeden, dat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Cor.12:7-9).

De reactie van de Apostel hierop toont hoe goed hij begreep, dat lijden en zwakte een belangrijk deel zijn van het discipelschap van een Christen.

"Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij woont...ik heb een welbehagen in zwakheden...want als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Cor.12:9,10) "Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking die zeer spoedig voorbijgaat, bewerkt voor ons een uitermate uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid" (2 Cor.4:16,17).

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011