|
PAULUS'
VERDEDIGING VAN ZIJN HEIDEN APOSTELSCHAP
Door C.R. Stam
"Doch ik wil niet dat u onbekend is,
broeders, dat ik mij dikwijls voorgenomen heb tot u te komen [en tot nu toe verhinderd ben
geweest], opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de heidenen.
Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u
die te Rome zijt, het evangelie te verkondigen. Want ik schaam mij voor het evangelie van
Christus niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de
Jood, en ook de Griek. Want de rechtvaardigheid van God wordt geopenbaard uit geloof tot
geloof..."geloof leven." Rom.1:13-17
God wilde niet dat Zijn volk onwetend zou
zijn - speciaal niet met betrekking tot Zijn geopenbaard programma. Tot zes maal toe
vinden we in Paulus' brieven: "Ik wil niet dat jullie onbekend zou zijn." Vijf
keer op een bepaalde manier in relatie met zijn grote boodschap, "het
geheimenis", en drie ervan hebben te doen met ייn enkel aspect van het geheimenis:
Gods programma voor de huidige bedeling. Niet leuk om te zeggen, maar die zaken waarvan
God zegt, "Ik wil niet dat jullie onwetend zouden zijn", zijn juist de zaken die
bij Gods kinderen het minst bekend zijn. Naar welke waarheid verwijst dan de Apostel in
deze passage, als hij zegt: "Ik wil niet dat u onbekend zal zijn"? Wij geloven
dat hij bedoelt, de geldigheid van zijn bediening onder de heidenen.
"EERST DE JOOD"
De bovenstaande passage is bekend bij
alle Bijbelstudenten, en V.16 is van alle het meest bekend - en wijdverbreid het meest
misverstaan. Uit dit vers wordt de conclusie getrokken dat de Jood voorop staat in Gods
programma voor evangelisatie tijdens de huidige bedeling. Het "eerst de Jood" is
inderdaad het wachtwoord van menige organisatie tot zending onder de Joden.
De auteur heeft vele Joodse vrienden en
in zijn hart een zeer speciale plaats voor de Jood, maar hier moeten we allen bij het
onderwerp blijven, en dan zien wat deze passage, in de contekst, werkelijk zegt. Wij weten
dat de Jood op de eerste plaats was in Gods programma. Het grootste deel van het
zogenaamde Oude Testament heeft te doen met Israel. Vanuit beiden, Oud en Nieuw Testament,
is het duidelijk dat Israel Gods uitverkoren volk is, en dat Hij grote dingen voor haar in
petto heeft.
Toen het koninkrijk van de Messias op aarde
werd geproclameerd door Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, werd het alleen aan
Israel verkondigd. In de eerste "grote opdracht" aan de twaalven onderrichtte
Hij hen niet naar de heidenen te gaan, zelfs niet naar de Samaritanen, toen Hij zei:
"Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israel"
(Matt.10:5,6).
Wat Hemzelf betreft, zei Hij: "Ik
ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:24). Was
dit omdat Hij de heidenen haatte, of onvoldoende liefde voor hen had? Nee, het was omdat
Hij de verbonden, en profetiכn in de Oud Testamentische Geschriften begreep. Hij kende
uit Gen. 22:17,18 en honderd en ייn andere Oud Testamentische passages, dat het Gods
bedoeling was, de volkeren te zegenen door Israel.
Dit verklaart waarom Hij zei, toen een
heidense vrouw naar de Here kwam om hulp: "Laat eerst de kinderen verzadigd
worden..."(Mark.7:27).
Het verklaart ook waarom, zelfs na Zijn
opstanding, Hij Zijn discipelen beval dat "bekering en vergeving van zonden gepredikt
zou worden in Zijn naam onder alle volken, te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47).
In begin van Handelingen vinden we,dat de
twaalven dit ook doen. In Hand. 3:25,26 verklaart Petrus aan de "mannen van
Israel": "Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met
onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw zaad zullen alle
geslachten der aarde gezegend worden. God heeft, na Zijn kind opgewekt te hebben, Hem
EERST TOT U gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt van uw
boosheden." Paulus bevestigt de verklaring van Petrus enige jaren later, toen hij tot
de Joden in Pisidisch Antiochiכ zei: "Het was nodig dat EERST tot u het Woord van
God gesproken werd..." (Hand.13:46). Waarom was dit noodzakelijk? Eenvoudig omdat
volgens verbond en profetiכn, en volgens de woorden van de Here Jezus Christus, de
heidenen zouden worden, - en eenmaal zullen zijn - gezegend door verlost Israel, met
Christus als Koning.
Zoals we echter gezien hebben, verwierp
Israel de Koning en Zijn koninkrijk, zelfs na Zijn opstanding en na het komen van de
Heilige Geest met wonderbare kracht. Toen was het dat God Saulus redde, de leider van de
opstand, en hem uitzond om overal "het evangelie van Gods genade" te verkondigen
aan alle mensen.
OOK VANDAAG "EERST DE JOOD"?
Dit alles heeft een grote draagkracht in
Rom.1:16. Sommigen die Joden liefhebben - zoals ook de schrijver - hebben deze passage
uitgelegd te betekenen dat het evangelie van Gods genade nu "eerst tot de Jood"
gezonden dient te worden. Dit is in de kern van de zaak, en in het licht van de contekst,
een abuis. "De bedeling van Gods genade" is in de eerste plaats tot niemand
eerst. Zij is onbeperkt, zoals Gods afdoening voor zonde onbeperkt was. Zo wordt zij ook
aan allen gelijkelijk aangeboden, "want er is geen onderscheid...want Dezelfde is
Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen" (Rom.10:12). Maar laat ons
teruggaan naar Rom.1:16 en deze tekst bezien in het licht van zowel de eigenlijke tekst
als de verdere contekst.
Zoals we gezien hebben, was de gemeente
in Rome samengesteld uit voornamelijk heidenen (Rom.11:13). Daarom schrijft de Apostel
danook in 1:13, hierboven: "Doch ik wil niet dat u onbekend is, broeders, dat ik mij
dikwijls voorgenomen heb tot u te komen [en tot nu toe verhinderd ben geweest], opdat ik
ook ONDER U enige vrucht zou hebben, ZOALS OOK ONDER DE ANDERE HEIDENEN."
Paulus wenste niet dat de gelovigen in
Rome onkundig waren van het feit, dat zijn apostelschap fundamenteel tot de heidenen was,
en dat hij dikwijls had getracht om hen in Rome ook in zijn reisplannen op te nemen, maar
deze plannen waren verhinderd geworden. Dan doorgaand over zijn apostelschap voor de
heidenen, schrijft hij: "Van beiden Grieken en Barbaren, van beiden wijzen en
onwijzen ben ik een schuldenaar" (V.14).
Let wel, hij noemt hier niet eens de Joden,
maar alleen de "Grieken" en de "Barbaren". Dit niet omdat hij zich
geen schuldenaar ten opzichte van de Joden vindt. Dat had hij reeds volledig bewezen te
zijn. Het was eerder omdat hij, hoewel zelf een Hebreeכr, zichzelf "ook een
schuldenaar van de heidenen" voelde. God had hem uitgezonden met een boodschap van
genade voor allen, en hij voelde zich verplicht deze aan allen te verkondigen: Heidenen
zowel als Joden. Toen hij eindelijk in boeien te Rome aankwam, schreef hij vanuit zijn
gevangenis aan andere heidengelovigen als "de gevangene van Jezus Christus voor u
heidenen" (Eph.3:1).
Zo zegt hij dan hier: "ik ben een
schuldenaar", en gaat voort met te verklaren dat hij bereid is zijn schuld af te
doen, zijn verplichting na te komen: "Zo is al wat in mij is bereid om ook aan u die
te Rome zijt, het evangelie te verkondigen" (V.15). In het licht van dit alles dienen
we Vers 16 te lezen: "Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet, want
het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de
Griek.
De Joden, als volk, hadden Christus
verworpen, maar Paulus schaamde zich niet voor Hem; ook schaamde hij zich niet het goede
nieuws over Hem te verkondigen. Dit goede nieuws, zegt hij, "is de kracht Gods tot
zaligheid voor een ieder die gelooft, eerst [voor] de Jood, en ook [voor] de Griek."
Er dient in het licht van het bovenstaande op
te worden gelet, dat de nadruk hier niet is op de woorden "eerst de Jood", het
was eerst naar de Jood gegaan. De nadruk ligt dus meer op de woorden "ook de
Griek"
Paulus beschouwde zichzelf een
"schuldenaar", en hij was "klaar", om met alles wat in hem was, deze
schuld te delgen, want hij had datgene waarmee hij deze kon inlossen! Hij schaamde zich
niet over onbekwaamheid om te betalen, want de geweldige boodschap die hij droeg was, en
is nog steeds, "de kracht Gods tot redding voor IEDER DIE GELOOFT".
GEEN ONDERSCHEID
Als Rom.1:16 leert dat
"het evangelie van Gods genade" eerst naar de Joden dient te gaan, is het in
volstrekte tegenstelling met de brief van de Apostel aan de Romeinen als geheel, en in het
bijzonder met zijn blijde verklaring in Rom.10:12,13: "WANT ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT
DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN. "WANT EEN IEDER DIE DE
NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG WORDEN."
Zijn dit feiten waardoor wij zending
onder Joden zullen doen ophouden? Geenszins! Wij, gelovigen uit de heidenen, dienen onze
schuld ten opzichte van de Joden te erkennen, en nog meer te doen om de wonderbare
boodschap van genade aan hen te brengen. Dit zullen we verdergaand beschouwen als we bij
Rom.11:30,31 komen, waar de Apostel ons de ware basis schenkt voor zendingswerk onder Gods
oude volk.
Ondertussen dienen onze Joodse vrienden een
belangrijk levensfeit onder ogen te zien. Tijdens de huidige bedeling van genade, hebben
zij geen prioriteit bij God. Zij dienen, net als wij, God te naderen als arme, verloren
zondaren, vertrouwend op redding in Christus, Die stierf voor onze zonden.
GODS RECHTVAARDIGHEID
"Want de rechtvaardigheid van God wordt
daarin geopenbaard" (V.17). De Brief aan de Romeinen heeft veel te zeggen over Gods
rechtvaardigheid. In feite is dit het basisthema; al het andere draait hierom. Het is
spijtig, maar "rechtvaardigheid" is voor velen een gewichtige theologische term,
waarover een gewoon mens zich niet behoeft druk te maken. Maar integendeel, iedere man en
vrouw, ja, iedere jongen en elk meisje dat tot de jaren van onderscheid gekomen is,
behoort te begrijpen wat de Bijbel leert over Gods rechtvaardigheid.
"Rechtvaardigheid" is een ander woord voor gerechtigheid. God doet alleen en
altijd wat recht [goed] is. Hij kan niet en nimmer, doen wat niet recht [goed] is. Zo
vergeeft God niet zo maar zondaren en neemt hen aan in Zijn gunst omdat Hij hen liefheeft
of medelijden met hen heeft, want dit zou niet recht [goed] zijn; het zou niet juist zijn.
Bij het geven van de wet zei Mozes: "Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij
tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige
rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen" (Deut.25:1). Inderdaad
verklaart Spr.17:15: "Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt,
zijn de Here een gruwel, ja, die beiden." Bildad, hoewel zelf een "miserabele
trooster", herhaalde dit grondprincipe, toen hij tot Job zei: "Zie, God zal de
oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand" (Job 8:20). En
Job bevestigde dit, want verbitterd antwoordde hij: "Waarlijk, ik weet, dat het zo
is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (Job 9:2) Ja, hier ligt het
probleem: Hoe kan God, Die alleen doet wat recht is, zondaren rechtvaardigen en hen
gerechtig noemen? Hoe? De Brief aan de Romeinen legt uit hoe! Haar boodschap van genade is
Gods antwoord op deze netelige vraag.
DE PARADOX VAN GENADE
In "het evangelie van Gods genade"
vinden we een treffende paradox: God Zelf veroordeelt de gerechtige en rechtvaardigt de
slechte; laat de volmaakte in de steek, en helpt boosdoeners. Zie het vlekkeloos Lam op
Golgotha als Hij roept: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"
Judas, in laaghartig verraad, kust Hem; slechte mensen spuwen Hem in het gelaat, geselen
Hem, kronen Hem met doornen, en nagelen Hem aan een paal! En God, de Rechter van allen,
doet niets om hen te stoppen! Hij Zelf trekt Zijn zwaard uit de schede, en verslaat de
enige Persoon Die in de geschiedenis waarlijk zeggen kon, "Ik heb lust Uw wil te
doen, o God."
En dit is niet alles, want aan de andere kant
redt God Saulus van Tarsen, de bitterste vijand van Christus, "een lasteraar, en een
vervolger, en onrechtvaardige" zijn handen druipen van het bloed, als het ware, het
bloed van de martelaren. Hem betoont God "genade...zeer overvkoedig" en
"alle lankmoedigheid" (1 Tim.1:13-16). Inderdaad zendt Hij hem uit om openlijk
aan alle mensen te verkondigen, dat: "Doch degene, die niet werkt, maar geooft in
Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid"
(Rom.4:5).
Hoe kan dit nu recht zijn? Het antwoord is,
dat Degene die smartelijk stierf op Golgotha, God Zelf was, geopenbaard in het vlees.
Daar, op Golgotha, "was God in Christus, de wereld met Zichzelf verzoenende, hun
zonden hun niet toerekenend" (2 Cor. 5:19). Het was de Rechter Zelf, Die van de troon
naar het kruis afdaalde om de zondaar te vertegenwoordigen, en voor hem de volle straf
voor zijn zonden voldeed. En wie zal zeggen dat dit onrechtvaardig is? Onrechtvaardig? Het
is perfect terecht en nog meer. Het is genade! Onder de termen van de wet vinden we God,
Die "barmhartigheid bewijst aan duizenden dergenen die Hem liefhebben, en Zijn
geboden bewaren" (Ex.20:6). Maar genade is oneindig veel meer; het zijn de rijkdommen
van Gods genade en liefde aan "de kinderen der ongehoorzaamheid...de kinderen des
toorns" (Eph.2:2-7), Die de straf voor hun zonden Zelf inlost, in volledig accoord
met perfecte en oneindige gerechtigheid!
DE KRACHT VAN HET EVANGELIE
Waarom is het evangelie van Christus
"de kracht van God tot redding [zaligheid]"? Waarin ligt haar machtige kracht om
te redden? Het antwoord is: In het kruis. Hier is het waar God afrekende met de zonde. De
Apostel stelt dit zeer helder in 1 Cor.1: "Want Christus heeft mij niet gezonden om
te dopen, maar om het evangelie te verkondigen...OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET
VERIJDELD WORDE. Want HET WOORD DES KRUISES is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid,
maar ons, die behouden worden, is het EEN KRACHT GODS" (V.17,18). Doch wij prediken
CHRISTUS, DE GEKRUISIGDE de Joden wel een ergernis, en de Grieken een dwaasheid...prediken
wij Christus, DE KRACHT GODS EN DE WIJSHEID GODS (V.23,24). Zo kon de Apostel in
Rom.1:16,17 zeggen: Want ik schaam mij des evangelies van Christus niet; WANT het is een
kracht Gods tot zaligheid [redding] een iegelijk, die gelooft....WANT de rechtvaardigheid
Gods wordt in hetzelve geopenbaard..."
IETS OM VERRUKT OVER TE ZIJN
In werkelijkheid dragen de woorden,
"ik schaam mij niet" een veel grotere kracht uit in het origineel. Paulus was
verrukt over het evangelie dat hij verkondigde, omdat het de rechtvaardigheid van God
openbaarde. Als de lezer zegt: "Ik dacht dat de liefde van God in het evangelie
geopenbaard werd"? Dan antwoorden wij dat inderdaad de liefde van God is geopenbaard
in het evangelie, en de Apostel was ten diepste dankbaar daarvoor. Maar wat hem zo dolblij
maakte in het evangelie was het feit, dat het God openbaart, juist en recht handelend met
de zonde. "Ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet...want de
rechtvaardigheid Gods wordt daarin geopenbaard."
God heeft zijn standaard van gerechtigheid
niet verlaagd of, zo te zeggen, "de drempels verlaagd". De Apostel protesteert
tegen elke gedachte van die aard:
"Doen wij dan de Wet te niet door het
geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet" (Rom.3:31). Het goede nieuws
waarmee Paulus werd uitgezonden was dan ook de geschiedenis van het glorieuze, afdoende
werk van Christus ter wille van zondaren. Dit was het waarover hij zo verrukt was. Dit was
het ene ding waar hij overal van opgaf, waar hij ook ging, zoals in Gal.6:14: "Het
zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Here Jezus
Christus..." Moge dit ook ons motto zijn, want wij zouden inderdaad trots mogen
zeggen tegen zondaars overal: "Voor uw zonden is betaald door de Here Jezus Christus.
U mag gered zijn uit genade, door geloof."
UIT GELOOF TOT GELOOF
We moeten deze passage niet afsluiten, zonder
de woorden "uit geloof tot geloof" in V.17, te hebben besproken. "Gods
rechtvaardigheid" zegt hij, wordt geopenbaard in het evangelie, "uit geloof tot
geloof, zoals geschreven is, De rechtvaardige zal uit geloof leven."
Veel commentators hebben een probleem met
deze uitdrukking. De meeste commentaren waar de schrijver kennis van nam leggen uit, dat
de woorden "uit geloof tot geloof" hier klaarblijkelijk bedoelen van een graad
van geloof naar de volgende. Dit heeft echter geen logische aansluiting met de woorden die
onmiddellijk daarvoor en daarna staan. Paulus' evangelie openbaart de gerechtigheid Gods
"uit geloof tot geloof", zoals beschreven, "De rechtvaardige zal uit geloof
leven." Wij voelen aan dat deze verwarring is ontstaan, omdat zo weinigen de zin,
"het geloof van Christus" begrijpen, waar in deze zeven passages niet objectief,
maar subjectief over wordt gesproken.
Objectief beschouwd, is geloof eenvoudig een
ander iemand vertrouwen, hetzij in wat een ander iemand gezegd of gedaan heeft. Maar
subjectief geloof, is het karakter dat iemand geloofwaardig maakt. Objectief geloof is
verbonden met wat iemand doet; subjectief betreft wat hij is. Iemand mag zeggen, "Als
ik jou vertrouw, zou jij mij meer vertrouwen". Elk woordenboek zal deze twee
definities van het woord "geloof" geven, en dit geldt ook voor het Griekse
equivalent, pistis. De Schriften spreken ook van "het geloof", d.i., dat wat
geloofd moet worden (1 Cor. 16:13), maar voor het ogenblik volstaan we bij onze discussie,
bij de tweevoudige betekenis zoals hierboven aangetoond.
In Rom.3:22, Gal.2:16, Gal.3:22 en
Phil.3:9 vinden we "het geloof van Christus" en het geloof van de gelovige in
Christus in hetzelfde vers genoemd, waarbij dan wordt aangetoond dat het een het ander
completeert. Wat jammer dan dat in de moderne versies van de Bijbel deze kostbare
uitdrukking "het geloof van Christus" veranderd is in "het geloof in
Christus". Werpt het bovenstaande niet een klaar licht op de uitdrukking "uit
geloof tot geloof" in Rom.1:17? In het evangelie dat Paulus bekend maakte, "de
rechtvaardigheid Gods [wordt] geopenbaard uit geloof tot geloof", d.i. uit Zijn
geloof [subjectief] tot ons geloof [objectief], wordt Zijn geloofwaardigheid geopenbaard
als een beroep op ons vertrouwen. Deze interpretatie klopt inderdaad logisch met de
woorden die voorafgaan en die volgen. Het evangelie van Paulus openbaart Gods
rechtvaardigheid "uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, De rechtvaardige zal
door geloof leven", d.i. vanuit het principe van vertrouwen, vertrouwen in Hem, Die
ons altijd trouw blijft.
ONZE ZWAKHEID EN GODS KRACHT
Toen onze Heer op aarde was, genas Hij
veel zieken en kreupelen. De gelovigen op Pinksteren genazen ook velen in de naam van
Jezus, terwijl zij aan Israel Zijn terugkeer uit de hemel aankondigden, op voorwaarde dat
zij zich bekeerden (Hand.3:19-21).
Al degenen die genezen werden, bleven
echter nog onderhevig aan lichamelijke zwakten of ziekten en stierven tenslotte. Dit
geschiedde omdat de Here Jezus werd verworpen als Koning, niet alleen in Zijn
vleeswording, maar ook in Zijn opstanding. Rom. 8:22,23 verklaart de oorzaak, zoals we dat
in onze dagen nog zien:
"...wij weten dat de hele schepping
tezamen zucht, en tezamen als in barensnood is tot nu toe. En niet alleen dit, maar ook
wijzelf, zeg ik, zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen,
namelijk de verlossing van ons lichaam."
Maar Christenen in "deze
tegenwoordige boze eeuw" hebben dikwijls lichamelijke zwakheden nodig om hen dichter
tot God te trekken in gebed en geloof. Paulus zelf zei: "...is mij gegeven een
scherpe doorn in het vlees...opdat ik mij niet zou verheffen. Hierover heb ik de Here
driemaal gebeden, dat hij van mij zou wijken. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is
u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Cor.12:7-9).
De reactie van de Apostel hierop toont
hoe goed hij begreep, dat lijden en zwakte een belangrijk deel zijn van het discipelschap
van een Christen.
"Zo zal ik dan veel liever roemen in
mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij woont...ik heb een welbehagen in
zwakheden...want als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Cor.12:9,10) "Daarom
vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, wordt nochtans de
inwendige vernieuwd van dag tot dag. Want onze lichte verdrukking die zeer spoedig
voorbijgaat, bewerkt voor ons een uitermate uitnemend eeuwig gewicht van
heerlijkheid" (2 Cor.4:16,17).
|