|
"NERGENS
MINDER DAN DE UITNEMENDSTE APOSTELEN"
H O O F D S T U K VII
HET UNIEKE VAN PAULUS' APOSTELSCHAP BEVESTIGD
Onder alle redenen waarom sommigen Paulus' apostelschap afwijzen, dan wel
betwisten of geringschatten, springen twee er het meest tussen uit:
1. Onze Here had twaalf apostelen, en bij Judas' ontrouw werd een
andere gekozen, om het aantal weer tot twaalf terug te brengen. Waarom nog een
andere? en waarom was er zoveel te doen om deze andere apostel?
2. Satan haat genade, en speciaal haatte hij haar grootste toonbeeld, de
Apostel Paulus. Stel u de verslagenheid voor van Satan toen, slechts een paar
dagen na zijn "succes" van Christus' kruisiging (Luk.22:3-6), meer dan
"500 broeders" overal heengingen, roepend van de daken: "Hij
leeft! Hij leeft! Wij hebben Hem gezien!"!
Maar als dit voor Satan verbijsterend was, stel u eens zijn ongenoegen
voor, toen hij ontdekte dat de dood van Christus, de goddelijk-bepaalde
genoegdoening was voor de zonde, op basis waarop God nu aan alle mensen kon
aanbieden: "verzoening door Zijn bloed, vergeving van zonden,
overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade"!
Zeker, God "vangt de wijzen
in hun eigen overleggingen" en Satan, zo ten spot geworden, heeft sindsdien
alles gedaan wat hij kon om "het evangelie van God's genade" tegen te
staan en te lasteren, en
haar hoofdpersoon in discrediet te brengen. Dit is de reden waarom het nodig was
voor Paulus om zijn apostelschap te verdedigen.
PAULUS' APOSTELSCHAP GELEGALISEERD
In de openingsverzen van de meeste van zijn brieven, verklaart hij, dat
hij een apostel is van Jezus Christus "door roeping," of "door
de wil van God".
Verder, als hij in 1Tim.2:7 verwijst naar zijn speciale boodschap,
verklaart hij dat hij was "gesteld...als apostel" en in
2Tim.1:11 nogmaals.
Bij het verdedigen van zijn apostelschap gebruikt hij zonodig soms
stoutmoedige taal. We halen enkele voorbeelden aan:
(Rom.11:13) "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de
apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk." (1Cor.9:1,2)
"Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus,
onze Here, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Here?
"Als ik voor anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het voor u;
want het zegel van mijn apostelschap zijt gij in de Here."
Als we de geografische ligging van Corinthiכ beschouwen, met twee
zeehavens, aan iedere zijde ייn, vol van onzedelijk en los leven; als we haar
goddeloze cultuur beschouwen en haar walgelijke religie, is het inderdaad
verbazend dat daar ooit een Christelijke kerk werd gevestigd, en verwondert het
niet, dat Paulus deze gemeente het zegel van zijn apostelschap
noemt.
(2Cor.11:5) "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest
dan de uitnemendste apostelen."
(2Cor.12:11,12) "Ik ben
in het roemen onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde door u
geprezen te worden; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste
apostelen, hoewel ik niets ben.
"De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle
volharding, met tekenen en wonderen, en krachten."
Zij
die meegenomen worden door de tekenen en wonderen in het begin van Handelingen,
speciaal van Pinksteren, en daardoor Paulus' bediening geringschatten, zouden
dienen op te merken, dat alle wonderen door Petrus gewerkt, door Paulus werden
herhaald - en nog meer. Zijn wonderen bewezen telkens, groter te zijn dan die
van Petrus. En als we bij Galaten 2 komen, horen we hem de leiders in Jeruzalem
noemen: "zij, die schijnen iets te zijn". En vervolgens noemt
hij hen met name: "Jakobus, Cefas (Petrus), en Johannes" in
volgorde. Zonder aarzeling noemt hij hen, "zij, die schijnen iets te
zijn", omdat Jakobus, niet eens een van de twaalven*/, zich de door God
gegeven plaats van Petrus had aangematigd (Hand.15:13-19) en Petrus had
toegestemd. Inderdaad zegt Paulus, kort na het grote Jeruzalem-beraad, toen
"sommigen van Jakobus", Petrus zouden hebben overgehaald om zich af te
scheiden van de Heidense gelovigen, "Ik weerstond hem in het aangezicht,
omdat hij te bestraffen was" en "toen ik zag, dat zij niet recht
wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Petrus in de
tegenwoordigheid van allen..." (Gal.2:11-14).
*/
Voetnoot: De Jakobus van "Petrus, Jakobus en Johannes" was vermoord in
Hand.12:1,2.
Petrus "was op de hoogte", zo te zeggen, want hij was aanwezig
te Jeruzalem, toen "ingeslopen valse broeders die van terzijde ingekomen
waren" probeerden om "onze vrijheid die wij in Christus hebben, te
bespieden, opdat zij ons tot slavernij zouden brengen" en waarover Paulus
schrijft:
"Voor wie wij ook geen uur zijn geweken door ons te onderwerpen,
opdat de waarheid van het evangelie bij u zou blijven." (Gal.2:3-5).
En Petrus had destijds Paulus hierin ondersteund (Hand.15:7-11).
Zo wordt voor ons Paulus' apostelschap in de Schrift
duidelijk vastgesteld - en toch ook weer niet alleen door zulke argumenten als
de genoemde.
UITLEG VAN ZIJN APOSTELSCHAP
Paulus legt de omstandigheden rond zijn apostelschap uit in Galaten 1 en
2. Wij zullen hem weer voor zichzelf laten spreken, zoals we dat tot dusver in
dit boek gedaan hebben.
(Gal.1:1) "Paulus, een apostel, (geroepen niet van mensen, noch
door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden
opgewekt heeft)."
Dit is belangrijk, want het geeft aan dat dit apostelschap niet afkomstig
was van mensen - evenmin als dat van Matthias, die voor Judas in de plaats was
gekomen - maar meer dan dat, Paulus werd niet aangewezen als apostel door menselijke
bemiddeling ("noch door een mens"). Dit kon niet worden gezegd van
de aanstelling van Matthias, want God gebruikte mensen om hem als apostel aan te
stellen (Hand.1:15-26).
En nu werpt hij, als 't ware, het certificaat van zijn apostelschap op tafel:
(Gal.1:11,12) "Maar IK MAAK U BEKEND, BROEDERS, DAT HET EVANGELIE
DAT DOOR MIJ VERKONDIGD IS, NIET IS NAAR DE MENS.
"Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar
DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS."
Dit moet zeker volledig de argumenten beantwoorden van hen die beweren
dat de twaalven en Paulus allen dezelfde boodschap brengen.
Inderdaad brengt hij dit naar voren in vers. 15-17:
"Maar toen het God, Die mij van mijn moeder's schoot afgezonderd
had en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde,
"Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het evangelie
onder de heidenen zou verkondigen, ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees
en bloed,*/
"en
ben niet weer naar Jeruzalem gegaan, tot hen die vףףr mij apostelen waren;
maar ik ging heen naar Arabiכ, en keerde weer naar Damaskus."
*/
Voetnoot: Letterlijk: Ik overlegde niet direct met vlees en bloed, t.w.
menselijke wezens.
Dan vinden we hem in hoofdstuk 2 op weg naar Jeruzalem "door
openbaring"*/ En daar zegt hij, "(ik) stelde hun voor het
evangelie dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan hen die
in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen
hebben" (vers 2).
Vraagt u zich af waarom hij deze zin gebruikt, "het (of 'dat')
evangelie dat ik predik onder de heidenen" of waarom hij dit evangelie
"in het bijzonder aan hen die in aanzien waren" voorstelde, als hij
toch hetzelfde evangelie predikte als zij?
Bovendien verklaart hij in vers 6,7:
"(...in conferentie) hebben zij mij niets toegebracht, maar
daarentegen..." Duidelijk verstond hij, net als zij, het profetisch
programma; misschien wel beter dan zij, dus konden zij niets aan hem toevoegen
of aanvullen, maar integendeel was hij in staat hun iets toe te brengen:
"dat evangelie, dat hij predikte onder de heidenen".
En wat waren de glorieuze resultaten?: Zelfs Jakobus, samen met Petrus en
Johannes, werden zo overtuigd door de Geest, dat zij Paulus en Barnabas "de
rechterhand van de gemeenschap" gaven, openlijk toestemmend dat Paulus nu
God's keuze was om naar de heidenen te gaan, terwijl zij terug zouden gaan tot
hun bediening onder de Joden (vers. 7-9).
ROEMEN IN GENADE
Bij het verdedigen van zijn apostelschap verheerlijkt Paulus niet
zichzelf, maar de genade van God, want God had de rijkdommen van Zijn genade hem
geopenbaard, niet slechts door een boodschap, maar door de persoonlijke
beroeping om die boodschap te verkondigen: de voornaamste der zondaars, gered
door genade. Als het apostelschap van Paulus (het goddelijk-uitverkoren vat,
om die genade te tonen) werd ontkend, dan vanzelfsprekend ook de boodschap die
hij verkondigde. Terwijl hij aldus zijn apostelschap verdedigt, bekent hij
vrijmoedig dat hijzelf niets betekent.
In 1Cor.15:9 erkent hij vrijmoedig:
"Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een
apostel genoemd te worden, omdat ik de Gemeente van God vervolgd heb."
Maar hij voegt er aan toe:
"Doch door de genade van God ben ik, wat ik ben; en Zijn genade
die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger
gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade van God, die met mij
is" (V.10).
Inderdaad, en in Eph.3:8 gaat hij zelfs nog verder:
"Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven,
om onder de heidenen, door het evangelie, te verkondigen de onnaspeurlijke
rijkdom van Christus."
Zo schrijft hij aan de Corinthiכrs in 2Cor.12:11:
"...want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste
apostelen, hoewel ik niets ben."
In 1Tim.12-16 werkt hij dit uit, als het ware:
"En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus
Jezus, onze Here, dat Hij mij trouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening
gesteld heeft,
"die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een
verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend gedaan
heb, in mijn ongeloof.
"Doch de genade van onze Here is zeer overvloedig geweest met geloof
en liefde, die er is in Christus Jezus.
"Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus
Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken (te redden), van wie
ik de voornaamste ben.
"Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in
mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een
voorbeeld voor hen die in Hem geloven tot het eeuwige leven."
Wat is dit alles in harmonie met zijn oorspronkelijke aanspraken op zijn
apostelschap:
(Rom.1:5): "Door wie wij hebben ontvangen genade en het
apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn
Naam."
(Eph.3:6,7): "Dat de heidenen medeכrfgenamen zijn, en van
hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het
evangelie,
"waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave van de genade van
God die aan mij gegeven is, naar de werking van Zijn kracht."
|