"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

"NERGENS MINDER DAN DE UITNEMENDSTE APOSTELEN"

                 H O O F D S T U K  VII

        HET UNIEKE VAN PAULUS' APOSTELSCHAP BEVESTIGD

       Onder alle redenen waarom sommigen Paulus' apostelschap afwijzen, dan wel betwisten of geringschatten, springen twee er het meest tussen uit:

       1. Onze Here had twaalf apostelen, en bij Judas' ontrouw werd een andere gekozen, om het aantal weer tot twaalf terug te brengen. Waarom nog een andere? en waarom was er zoveel te doen om deze andere apostel?

       2. Satan haat genade, en speciaal haatte hij haar grootste toonbeeld, de Apostel Paulus. Stel u de verslagenheid voor van Satan toen, slechts een paar dagen na zijn "succes" van Christus' kruisiging (Luk.22:3-6), meer dan "500 broeders" overal heengingen, roepend van de daken: "Hij leeft! Hij leeft! Wij hebben Hem gezien!"!

       Maar als dit voor Satan verbijsterend was, stel u eens zijn ongenoegen voor, toen hij ontdekte dat de dood van Christus, de goddelijk-bepaalde genoegdoening was voor de zonde, op basis waarop God nu aan alle mensen kon aanbieden: "verzoening door Zijn bloed, vergeving van zonden, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade"!

       Zeker, God "vangt de wijzen in hun eigen overleggingen" en Satan, zo ten spot geworden, heeft sindsdien alles gedaan wat hij kon om "het evangelie van God's genade" tegen te staan en te  lasteren, en haar hoofdpersoon in discrediet te brengen. Dit is de reden waarom het nodig was voor Paulus om zijn apostelschap te verdedigen.

             PAULUS' APOSTELSCHAP GELEGALISEERD

       In de openingsverzen van de meeste van zijn brieven, verklaart hij, dat hij een apostel is van Jezus Christus "door roeping," of "door de wil van God".

       Verder, als hij in 1Tim.2:7 verwijst naar zijn speciale boodschap, verklaart hij dat hij was "gesteld...als apostel" en in 2Tim.1:11 nogmaals.

       Bij het verdedigen van zijn apostelschap gebruikt hij zonodig soms stoutmoedige taal. We halen enkele voorbeelden aan:

       (Rom.11:13) "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk."        (1Cor.9:1,2) "Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Here, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Here?

       "Als ik voor anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het voor u; want het zegel van mijn apostelschap zijt gij in de Here."

       Als we de geografische ligging van Corinthiכ beschouwen, met twee zeehavens, aan iedere zijde ייn, vol van onzedelijk en los leven; als we haar goddeloze cultuur beschouwen en haar walgelijke religie, is het inderdaad verbazend dat daar ooit een Christelijke kerk werd gevestigd, en verwondert het niet, dat Paulus deze gemeente het zegel van zijn apostelschap noemt.

       (2Cor.11:5) "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen."

       (2Cor.12:11,12) "Ik ben in het roemen onwijs geworden; gij hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde door u geprezen te worden; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben.

       "De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle volharding, met tekenen en wonderen, en krachten."                Zij die meegenomen worden door de tekenen en wonderen in het begin van Handelingen, speciaal van Pinksteren, en daardoor Paulus' bediening geringschatten, zouden dienen op te merken, dat alle wonderen door Petrus gewerkt, door Paulus werden herhaald - en nog meer. Zijn wonderen bewezen telkens, groter te zijn dan die van Petrus. En als we bij Galaten 2 komen, horen we hem de leiders in Jeruzalem noemen: "zij, die schijnen iets te zijn". En vervolgens noemt hij hen met name: "Jakobus, Cefas (Petrus), en Johannes" in volgorde. Zonder aarzeling noemt hij hen, "zij, die schijnen iets te zijn", omdat Jakobus, niet eens een van de twaalven*/, zich de door God gegeven plaats van Petrus had aangematigd (Hand.15:13-19) en Petrus had toegestemd. Inderdaad zegt Paulus, kort na het grote Jeruzalem-beraad, toen "sommigen van Jakobus", Petrus zouden hebben overgehaald om zich af te scheiden van de Heidense gelovigen, "Ik weerstond hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was" en "toen ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Petrus in de tegenwoordigheid van allen..." (Gal.2:11-14).

*/ Voetnoot: De Jakobus van "Petrus, Jakobus en Johannes" was vermoord in Hand.12:1,2.

       Petrus "was op de hoogte", zo te zeggen, want hij was aanwezig te Jeruzalem, toen "ingeslopen valse broeders die van terzijde ingekomen waren" probeerden om "onze vrijheid die wij in Christus hebben, te bespieden, opdat zij ons tot slavernij zouden brengen" en waarover Paulus schrijft:

       "Voor wie wij ook geen uur zijn geweken door ons te onderwerpen, opdat de waarheid van het evangelie bij u zou blijven." (Gal.2:3-5).

       En Petrus had destijds Paulus hierin ondersteund (Hand.15:7-11).

       Zo wordt voor ons Paulus' apostelschap in de Schrift duidelijk vastgesteld - en toch ook weer niet alleen door zulke argumenten als de genoemde.

                UITLEG VAN ZIJN APOSTELSCHAP

       Paulus legt de omstandigheden rond zijn apostelschap uit in Galaten 1 en 2. Wij zullen hem weer voor zichzelf laten spreken, zoals we dat tot dusver in dit boek gedaan hebben.

       (Gal.1:1) "Paulus, een apostel, (geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft)."

       Dit is belangrijk, want het geeft aan dat dit apostelschap niet afkomstig was van mensen - evenmin als dat van Matthias, die voor Judas in de plaats was gekomen - maar meer dan dat, Paulus werd niet aangewezen als apostel door menselijke bemiddeling ("noch door een mens"). Dit kon niet worden gezegd van de aanstelling van Matthias, want God gebruikte mensen om hem als apostel aan te stellen (Hand.1:15-26).

       En nu werpt hij, als 't ware, het certificaat van zijn  apostelschap op tafel:

       (Gal.1:11,12) "Maar IK MAAK U BEKEND, BROEDERS, DAT HET EVANGELIE DAT DOOR MIJ VERKONDIGD IS, NIET IS NAAR DE MENS.

       "Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS."

       Dit moet zeker volledig de argumenten beantwoorden van hen die beweren dat de twaalven en Paulus allen dezelfde boodschap brengen.

       Inderdaad brengt hij dit naar voren in vers. 15-17:

       "Maar toen het God, Die mij van mijn moeder's schoot afgezonderd had en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde,

       "Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het evangelie onder de heidenen zou verkondigen, ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed,*/

       "en ben niet weer naar Jeruzalem gegaan, tot hen die vףףr mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabiכ, en keerde weer naar Damaskus."

*/ Voetnoot: Letterlijk: Ik overlegde niet direct met vlees en bloed, t.w. menselijke wezens.

       Dan vinden we hem in hoofdstuk 2 op weg naar Jeruzalem "door openbaring"*/ En daar zegt hij, "(ik) stelde hun voor het evangelie dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben" (vers 2).

       Vraagt u zich af waarom hij deze zin gebruikt, "het (of 'dat') evangelie dat ik predik onder de heidenen" of waarom hij dit evangelie "in het bijzonder aan hen die in aanzien waren" voorstelde, als hij toch hetzelfde evangelie predikte als zij?

       Bovendien verklaart hij in vers 6,7:

       "(...in conferentie) hebben zij mij niets toegebracht, maar daarentegen..." Duidelijk verstond hij, net als zij, het profetisch programma; misschien wel beter dan zij, dus konden zij niets aan hem toevoegen of aanvullen, maar integendeel was hij in staat hun iets toe te brengen: "dat evangelie, dat hij predikte onder de heidenen".

       En wat waren de glorieuze resultaten?: Zelfs Jakobus, samen met Petrus en Johannes, werden zo overtuigd door de Geest, dat zij Paulus en Barnabas "de rechterhand van de gemeenschap" gaven, openlijk toestemmend dat Paulus nu God's keuze was om naar de heidenen te gaan, terwijl zij terug zouden gaan tot hun bediening onder de Joden (vers. 7-9).

                      ROEMEN IN GENADE

       Bij het verdedigen van zijn apostelschap verheerlijkt Paulus niet zichzelf, maar de genade van God, want God had de rijkdommen van Zijn genade hem geopenbaard, niet slechts door een boodschap, maar door de persoonlijke beroeping om die boodschap te verkondigen: de voornaamste der zondaars, gered door genade. Als het apostelschap van Paulus (het goddelijk-uitverkoren vat, om die genade te tonen) werd ontkend, dan vanzelfsprekend ook de boodschap die hij verkondigde. Terwijl hij aldus zijn apostelschap verdedigt, bekent hij vrijmoedig dat hijzelf niets betekent.

       In 1Cor.15:9 erkent hij vrijmoedig:

       "Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de Gemeente van God vervolgd heb."

       Maar hij voegt er aan toe:

       "Doch door de genade van God ben ik, wat ik ben; en Zijn genade die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade van God, die met mij is" (V.10).

       Inderdaad, en in Eph.3:8 gaat hij zelfs nog verder:

       "Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen, door het evangelie, te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus."

       Zo schrijft hij aan de Corinthiכrs in 2Cor.12:11:

       "...want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben."

       In 1Tim.12-16 werkt hij dit uit, als het ware:

       "En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij trouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft,

       "die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend gedaan heb, in mijn ongeloof.

       "Doch de genade van onze Here is zeer overvloedig geweest met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.

       "Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken (te redden), van wie ik de voornaamste ben.

       "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven tot het eeuwige leven."

       Wat is dit alles in harmonie met zijn oorspronkelijke aanspraken op zijn apostelschap:

       (Rom.1:5): "Door wie wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam."

       (Eph.3:6,7): "Dat de heidenen medeכrfgenamen zijn, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het evangelie,

       "waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave van de genade van God die aan mij gegeven is, naar de werking van Zijn kracht."