DE PIJNLIJKE PLEK

                      H O O F D S T U  K   VI

                        PAULUS EN DE WATERDOOP

                WERD PAULUS GEZONDEN OM TE DOPEN?

"Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus"  "opdat niemand zegt dat ik in mijn naam gedoopt heb. "Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; verder weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb.

"Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt.

"Want het woord van het kruis is wel voor hen die verloren gaan, dwaasheid; maar voor die behouden worden, is het een kracht van God." (1.Cor.1:14-18).

Veel oprechte gelovigen ervaren grote problemen met deze passage uit de Schrift. Bijzonder moeilijk voor hen is, om vers 17 aan te nemen, waar Paulus verklaart: "Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen..."

Bedoelde hij werkelijk dat dopen geen deel uitmaakte van zijn opdracht? Of bedoelde hij dat hij niet in de eerste plaats was gezonden om te dopen, maar om het evangelie te prediken?

De kwestie waterdoop heeft in het verleden meer hitte dan licht gebracht, met het resultaat dat de ware betekenis vervaagd is geworden en kerken scherpe afscheidingen hebben gekend over wie er gedoopt moeten worden, en hoe, terwijl zij zich eerst hadden moeten afvragen: Moeten we eigenlijk wel dopen? Is het opgenomen in het plan van God voor de bedeling van genade?

Laat ons nu tot het Woord gaan om antwoord op deze eerste en fundamentele vraag, want de Bijbel geeft ons licht, klaar licht, op dit onderwerp.

Ten eerste is het duidelijk dat Johannes de Doper was gezonden om te dopen, want in Joh.1:33 lezen we:

"...Hij die MIJ GEZONDEN HEEFT OM TE DOPEN met water..."         Wij weten ook dat de elven (hun aantal werd later hersteld in twaalf) uitgezonden werden om te dopen, want in Matt.28:19 hebben we het verslag van de opdracht van onze Here aan hen:

"Gaat dan heen, onderwijst al de volken, HEN DOPEND in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest."

Deze woorden werden gesproken door onze Here na de opstanding. Zo doopten niet alleen de twaalven toen zij met Christus werkten op aarde (Joh.4:2); zij werden later uitgezonden, onder hun "grote opdracht", om te leren en te dopen na het vertrek van onze Here van deze aarde. Zij begonnen deze opdracht uit te voeren op Pinksteren, en doopten ongeveer drie duizend van hun toehoorders op die ene dag.

Maar hier komt Paulus: bekeerd tot Christus na Pinksteren, ver van Jeruzalem, en geheel apart van de twaalven. En waar vinden we, dat deze andere apostel ooit opdracht kreeg om te dopen? Nergens.

Dus moeten we concluderen dat hij terecht bedoelde wat hij zei in 1Cor.1:17:

"...Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te prediken..."

Wij hebben dan zowel een negatieve als een positieve bevestiging dat de opgestane Here, Paulus niet zond om te dopen; die doop was geen onderdeel van zijn speciale opdracht.

 

                  BELANG VAN WATERDOOP

             ONDER JOHANNES EN DE TWAALVEN

Zoals we zagen in 1Cor.1:14-16, dankte Paulus God dat hij zo weinigen van de Corinthische gelovigen had gedoopt.

Wij kennen het argument dat de Apostel persoonlijk zo weinig slechts had gedoopt, omdat hij geen deel wilde hebben in de verdeeldheid onder hen, zo dat sommigen zouden kunnen zeggen dat hij had gedoopt in zijn eigen naam, t.w. in zijn eigen autoriteit. Dit argument is echter niet doorslaggevend, want deze verdeeldheid verrees nadat hij was vertrokken. En zou worden geredeneerd dat hij zich verheugde dat het zo gebeurd was dat hij slechts weinigen van hen had gedoopt, dan antwoorden wij, dat noch Johannes de Doper, noch de twaalven, terecht hadden kunnen zeggen dat zij blij waren dat zij slechts weinigen hadden gedoopt bij enig deel van hun  bediening, want waterdoop maakte deel uit van hun opdracht.

Laat ons dan de Schriften verder beschouwen v.w.b. waarom Paulus, anders dan Johannes en de twaalven, blij was dat hij zo weinigen van de Corinthische gelovigen had gedoopt.

Ten eerste, de belangrijkheid van de waterdoop onder Johannes is duidelijk. Hij werd "de Doper" genoemd, en Mark.1:4 stelt nadrukkelijk:

"Johannes doopte in de woestijn en predikte de doop van bekering tot vergeving van zonden."

Let wel, Johannes predikte de doop. Dit is het waarom Petrus later verwees naar "de doop die Johannes predikte" (Hand.10:37) en waarom Paulus, nog later, tot de toehoorders te Antiochië in Pisidië zei, dat

"...Johannes eerst aan heel het volk Israel vóór Zijn (Christus') komst, gepredikt had de doop van de bekering" (Hand.13:24).

Sommige herders en Bijbelleraars hebben tot de auteur gezegd, "Ik predik geen doop; ik predik Christus". Goed, heel fijn, maar laten we niet het feit over het hoofd zien, dat Johannes "de Doper", die onze Here introduceerde als Israel's Messias, wel de doop predikte. Hij eiste dit als een toonbeeld van ware bekering en een goddelijk vereiste voor "de vergeving van zonden".

Sommigen die vasthouden aan de waterdoop erkennen dat onder Johannes de Doper deze rite een vereiste was voor de zondevergeving, maar zij denken dat dit werd veranderd na de dood en opstanding van Christus, zodat onder de "grote opdracht" we de "Christelijke doop" hebben.

Veranderd? Werkte Petrus dan niet onder de "grote opdracht" op Pinksteren, en verkondigde hij dan niet, net als Johannes "de doop tot vergeving van zonden?"

Petrus vertelde zijn toehoorders op Pinksteren niet dat Christus gestorven was voor hun zonden, Hij beschuldigde hen van de moord op Christus en toen zij, die zich bekeerden, vroegen "Wat moeten wij doen?" antwoordde hij:

"Bekeert u, en laat een ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden..." (Hand.2:38).

Inderdaad verklaart de weergave door Markus van de "grote opdracht" duidelijk: "Wie geloofd heeft en gedoopt is, zal zalig worden; maar wie niet gelooft,*/ zal verdoemd worden." (Mark.16:16). Dit bevel werd gegeven door Christus na Zijn dood en opstanding.

*/ voetnoot: Het argument dat doop tot redding hier niet vereist wordt omdat de passage niet zegt, "Hij die niet gelooft, en niet gedoopt is, zal worden verdoemd" is hoogst misleidend. Als iemand niet gelooft, waarom zal hij dan gedoopt worden? En als hij, om wat voor reden ook, zonder geloof gedoopt werd, is zo'n doop dan voldoende?

Deze passage is duidelijk genoeg: "Wie gelooft heeft en gedoopt is, zal zalig worden". Als een herder of Bijbelleraar deze klare stelling verandert en het laat bedoelen: "Hij die gelooft en gered is behoort daarna te worden gedoopt", zou het dan niet redelijk zijn om te vragen of hij dan ook niet andere belangrijke Schriftpassages  zou veranderen om deze in zijn leerplan te doen passen? Welke zekerheid hebben we in het vertrouwen op Gods Woord, wanneer iedere theoloog het zo kan maken dat de Schrift zegt wat hij denkt dat zij behoort te zeggen?

In dit geval zegt zij, "Hij die gelooft en gedoopt is zal gered zijn", en Petrus, werkend onder deze opdracht, en vervuld met de Heilige Geest, zei, Bekeert u, en laat een ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden".

Bedenk eens ernstig: Zouden Johannes de Doper en Petrus hun door God gegeven opdracht hebben gehoorzaamd, wanneer zij slechts enkelen gedoopt hadden en dan gezegd zouden hebben dat zij hiervoor dankbaar waren? Zeker niet, want voor hun toehoorders was waterdoop een zaak van eeuwig leven of dood; aldus was hun bevolen om te prediken en te dopen. In Luk.7:29,30 lezen we:

"En al het volk dat hem (Johannes) hoorde, en de tollenaars die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God.*/

"Maar de farizeeën en de wetgeleerden hebben de raad van God tegen zichzelf verworpen, daar zij door hem niet gedoopt waren."

Zo belangrijk was de rite van waterdoop vanaf Johannes de Doper tot voorbij Pinksteren. */ Voetnoot: eigenlijk: Die hen als zondaars veroordeelde.

                      PAULUS EN WATERDOOP

Maar hier verklaart Paulus, de andere Apostel, aan de Corinthische gelovigen dat hij God dankt, slechts weinigen van hen te hebben gedoopt (1Cor.1:14-16). Was hij toen nalatig in de vervulling van zijn goddelijke opdracht? Nee, want hem was niet bevolen te dopen (vers 17). Johannes de Doper en de twaalven waren trouw aan hun opdrachten, maar nu had God een andere apostel opgewekt, om een andere bedeling in te voegen, waarin waterdoop geen plaats zou hebben (Eph.3:1-4).

Sommigen zouden hiertegen kunnen inbrengen: Maar hij doopte toch enigen van hen, waar of niet? Dat is waar, maar stop even en bedenk dat hij ook in tongen sprak, de zieken genas, duivels uitwierp, Timotheus besneed. Maar dit alles behoorde tot de bedeling waaronder hij werd gered en waarvan hij zich geleidelijk terugtrok toen de Here aan hem verscheen in de ene openbaring na de andere (Hand.26:16; 2Cor.12:1).

                 EEN KWESTIE VAN INSPIRATIE

  Het is interressant op te merken dat de Apostel eerst zegt (in 1Cor.1:14,15), "Ik dank God dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus; opdat niemand zegt dat ik in mijn naam gedoopt heb". Let wel: niemand dan deze twee.

Dan vervolgt hij in vers 16: "en ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt" Dit nu is verschillend! Eerst zegt hij twee, en niet meer, en dan vervolgt hij met een heel gezin! En dit is niet alles, want nu voorzichtig wordende, vervolgt hij, "verder weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb" (vers 16).

       Laten we dit gehele beeld eens klaar bezien:

       1. Ik doopte alleen Krispus en Gajus, niemand anders.

       2. Ik doopte ook het huisgezin van Stefanus.

       3. Ik weet niet, of ik iemand anders gedoopt heb.

ijkt dit op het eerste gezicht niet vreemd en ook niet goddelijk geinspireerd? De Apostel lijkt niet zeker van zichzelf te zijn. Maar juist hier ontmoeten we het wonder van het geinspireerde Woord, want de Bijbel, het geschreven Woord is, evenals Christus, het levende Woord, geheel menselijk en geheel goddelijk. Paulus schreef natuurlijk als een man tot zijn vrienden, niet zeker wetend hoevelen van hen hij gedoopt had, maar hier spreekt ook God, en vertelt ons dat waterdoop toen haar belangrijkheid ging verliezen.

Paulus was dankbaar dat hij zo weinigen van de Corinthiërs had gedoopt; hij was niet eens zeker hoeveel, maar hij wist alleen dat het slechts weinigen waren.

Maar waarom was hij blij dat hij slechts weinigen gedoopt had, en waarom was hij zelfs niet zeker hoeveel? Wij vinden hiervoor een klaar antwoord in het volgende vers. Lees het aandachtig. Lees het in gebed:

"WANT CHRISTUS HEEFT MIJ NIET GEZONDEN OM TE DOPEN, MAAR OM HET EVANGELIE TE VERKONDIGEN...(Vers 17).

       En hij vervolgt:

"niet met wijsheid van woorden*/, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt.

"Want het woord van het kruis is wel voor hen die verloren gaan, dwaasheid; maar voor ons die behouden worden, is het een kracht van God" (Vers 17,18).

*/ Voetnoot: "De Joden verlangen een teken" zegt de Apostel, "en de Grieken zoeken wijsheid; maar wij prediken Christus gekruisigd..." (1Cor.1:22,23). Hij wilde dat noch "teken" noch "wijsheid" zou doen aftrekken van Christus.

Dit is de reden waarom de scene van de waterdoop voorbij en uit God's programma genomen is. Het "evangelie van het koninkrijk" met zijn oproep tot bekering en doop was vervangen door "de prediking van het kruis", met name als het goede nieuws. Toen Israel de Koning en Zijn koninkrijk afwees, en alles rijp was voor de uitgieting van God's toorn in de "grote verdrukking", onderbrak God, in mateloze liefde en barmhartigheid, het profetisch programma, door Zijn voornaamste vijand op aarde, Saulus van Tarsen, te redden, en hem uit te zenden als de heraut en levend toonbeeld van Zijn grenzeloze liefde. Aldus werd de bedeling van "het geheimenis", "de bedeling van God's genade" ingevoegd (Eph.3:2,3).

                     DE PREDIKING VAN HET KRUIS

                         DE KRACHT VAN GOD

Heeft de lezer ooit opgemerkt hoe veel gelovigen klaar zijn om 1Cor.1:18 aan te halen, maar dat weinigen de verzen 17 en 18 samen noemen? Deze verzen behoren tesamen, want zo zeker als het voegwoord "want" in vers 17 ons terug verwijst naar de voorgaande verzen, zo zeker wijst het voegwoord "want" in vers 18, ons terug naar vers 17.

"Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, OPDAT HET KRUIS VAN CHRISTUS NIET VERIJDELD WORDT"

"WANT HET WOORD VAN HET KRUIS...IS EEN (K.J.V.: "DE") KRACHT VAN GOD."

Wijst dit er niet op dat Paulus' "evangelie God's genade" gebaseerd is op de geweldige volbrenging van Christus' werk op Golgotha? De Apostel wilde dat niets, noch religieuze rite, noch de "wijsheid van woorden" zou aftrekken van deze boodschap, want in de verkondiging van het kruis was het, dat de kracht van redding lag. Waarom? Omdat het kruis God's gerechtigheid aantoont (zo wel als Zijn liefde) in het voldoen van de verdiende straf voor onze zonde. Dit wordt zo prachtig naar voren gebracht in Rom.1:16,17, waar hij vaststelt:

"Want ik schaam mij voor het evangelie van Christus niet, want het is God's kracht tot zaligheid (redding) voor een ieder die gelooft...

"Want God's rechtvaardigheid wordt daarin geopenbaard..."

De liefde van God werd ook geopenbaard in het evangelie, en hiervoor is de Apostel erg dankbaar, maar wat hem zo trots (Ik schaam mij niet") maakte op het evangelie was, dat God's rechtvaardigheid (Lett., gerechtigheid) daarin werd geopenbaard. Hij ging niet naar de verlorenen om te zeggen: "Bekeert u, en God zal u vergeven". Hij zei eigenlijk: "Ik heb wonderbaar nieuws voor u! Voor uw zonden werd betaald! Dit is het goede nieuws van God's genade voor zondaars.

Geen wonder dat Paulus schreef aan de gelovigen in Galatië:

"Maar het zij verre van mij (N.B.G.: ik moge er voor bewaard blijven), dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus...(Gal.6:14).

Hij kon roemen in de voldoening van Golgotha. Hij kon roemen - en zo ook wij - dat God gerechtelijk had gehandeld met onze zonden; dat redding gebaseerd is op het vaste fundament van een betaalde boete, zodat niemand in de hemel tegen ons kan zeggen: "Wat! Jij hier? Hoe heb jij dat voor elkaar gekregen?" Wij zullen allen weten hoe wij daar gekomen zijn en zullen voor eeuwig juichen in de gezegende Heiland, die alle schuld en straf, die wij schuldig waren, droeg, opdat wij zouden worden gerechtvaardigd door Zijn genade.

Er kan nog veel meer gezegd worden over de kracht van het kruis, want Paulus heeft nog meer te vertellen over het bloed, de dood, het kruis van Christus, dan enig ander Bijbelschrijver, ja, dan heel de rest samen.

Zo werd de deur wijd geopend en het aanbod van genade zonder onderscheid, aangeboden aan alle mensen (1Tim.2:4-7; Hebr.2:9; 1Joh.2:2).

Welk een rijke boodschap mogen wij aan de arme wereld brengen! Nadat de boodschap van het koninkrijk, met haar wettische  en rituele vereisten, door het uitverkoren volk werd afgewezen, redde God de voornaamste der zondaars en zond hem uit, niet om bekering en waterdoop tot vergeving van zonden te eisen, maar om de genade, die uitvloeit van Golgotha, te verkondigen. Geen wonder dat hij hier de nadruk op legde, "opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt", zelfs door "woorden van wijsheid", en dat hij verklaarde: "Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie*/ te verkondigen" ...want de prediking van het kruis is wel voor hen die verloren gaan, dwaasheid, maar voor ons die behouden worden, is het een (de) kracht Gods" (1Cor.1:17,18).

*/ Voetnoot: t.w. zijn evangelie, "de prediking van het kruis" en "het evangelie van God's genade".

 

                PAULUS, BESNIJDENIS, DOOP

                EN HET KRUIS VAN CHRISTUS

  BESNIJDENIS   WATERDOOP
(Gal.5:11; 6:14).      (1Cor.1:17,18).
   

De Apostel Paulus verklaart duidelijk, speciaal in zijn Brief aan de Galaten, dat waar het betreft redding, het niet de besnijdenis is, maar Christus die voldoet, en dat met het oog op Zijn volbrachte werk, besnijdenis werd weggedaan. En zie nu hoe onze verbonds-theologen leren, dat de waterdoop in de plaats van de besnijdenis is gekomen! God zegt, "Niet besnijdenis, maar Christus" (Gal.5:1-3); zij zeggen, "Niet besnijdenis, maar doop -en Christus".

Het is moeilijk voor te stellen waar zo'n theorie vandaan gekomen is, want zij wordt niet ondersteund door enig Bijbelwoord, nog minder vinden we enige steun voor hun praktijk van kinderdoop. Niettemin is dit het traditionele geloof van menigeen geworden, met inbegrip van vele in de Bijbel gelovige Fundamentalisten en Evangelischen.

            DE DOOP EN HAAR 1900 JARIGE ACHTERGROND

Het is niet vreemd, dat Paulus een geestelijke tegenstrijd had over het onderwerp van de besnijdenis. Reeds 1900 jaren werd deze dooprite -Schriftuurlijk- door God's volk gepraktiseerd, en langgevestigde gewoonten zijn niet gemakkelijk te beeindigen.

Paulus had echter een nieuwe bedeling gebracht. Hij had het volbrachte werk van Christus verkondigd en daarmee de afschaffing van lichamelijke besnijdenis. Toch bleven, zelfs in Christus gelovigen, terugvallen van het eigenlijke, naar de schaduwen, van de werkelijkheid, naar de rituelen. Zij zochten zelfs elkander te overtuigen dat besnijdenis "noodzakelijk" was, hoewel zij niet duidelijk konden maken waarvoor zij dachten dat het nodig was, behalve dan dat het in algemene zin vereist werd  tot redding.

Zo leerden "sommigen...gekomen van Judea" de gelovigen in Antiochië: "Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, kunt gij niet zalig (gered) worden" en als resultaat daarvan "geschiedde er geen kleine weerstand en twist bij Paulus en Barnabas tegen hen" (Hand.15:5-7).

Opnieuw stonden te Jeruzalem in de (Broeder)raad sommigen van "de Farizeërs die geloofden" op, om te verklaren dat "men hen (De Heidenen) moet besnijden", en de kwestie werd niet opgelost dan nadat "er grote redetwist geschiedde" (Hand.15:5-7).

De Judeërs hadden ook enkelen van de gelovige Galatiërs overgehaald dat zij zouden overgaan tot besnijdenis, zelfs hoewel zij reeds gered waren. Als gevolg hiervan hebben we Paulus' ernstige, berispende, brief, waarin hij hen aantoont wat er allemaal bij ingesloten is wanneer men de rite van de besnijdenis zou toevoegen aan het volbrachte werk van Christus; dat dit logischer wijze Christus' werk van geen nut zou maken (Gal.5:2), en hen schuldenaars zou maken "om de hele wet te doen" (5:3).

Vandaag is er een soortgelijke geestelijke strijd aan de hand, waar het gaat om de rite van de waterdoop. Veel ernstige gelovigen houden vast aan deze rite, en het is moeilijk om hen in te doen zien hoe dit logischerwijs de waarheid van het volbrachte werk van Christus raakt. We kunnen hen aantonen hoe waterdoop, mits in de goede orde, werd vereist tot redding (Mark.1:4; 16:16: Hand.2:38) en dat door dit nu toe te voegen, het volbrachte werk van onze Here dubieus wordt en ons logischerwijs verwikkelt in wettisisme, in dezelfde mate als toen de besnijdenis dit deed. Maar zoals het was in Paulus' dagen met de besnijdenis, zo is het ook nu dikwijls moeilijk hen dit te doen zien. Dit komt voor een groot deel, doordat thans waterdoop, net als in Paulus' dagen de besnijdenis, een 1900-jarige achtergrond heeft, die moeilijk is te overkomen.

Wij bedoelen echter niet dat waterdoop gedurende 1900 jaren Schriftuurlijk ordentelijk is geweest, want wij zijn overtuigd dat Paulus, die heel wel wist dat waterdoop behoort bij het Messiasschap van onze Here (Joh.1:31), verwachtte dat zij spoedig van het toneel zou verdwijnen. Zeker is dat Paulus niet gezonden was om te dopen (1Cor.1:17); hij houdt vol dat er voor heden slechts "één doop" (Eph.4:5) is, door welke wij zijn gedoopt in Christus (Rom.6:3) en in Zijn Lichaam (1Cor.12:13).

Toch was er reeds in zijn tijd een grootschalige terugkeer van gelovigen naar wettisisme en ritualisme, dat culmineerde in de donkere middeleeuwen, en waarvan de Kerk nimmer geheel is hersteld.

                       SLOTVRAAG

         Tenslotte dient er één vraag te worden gesteld:

Indien waterdoop voor de tegenwoordige "bedeling van God's genade", naar de Schrift is, waar zult u dan in de Bijbel verwachten te vinden dat het wordt bevolen? In het oude Testament? In de vier "Evangeliën" of "Handelingen"? In de Hebreeuws-Christelijke brieven, of in het boek Openbaringen? Uw antwoord is zonder twijfel nee, want als het voor ons vandaag bindend zou zijn, zouden we het bevolen vinden in de Brieven van Paulus.

Goed dan, kunt u ergens in de Brieven van Paulus een passage vinden waar hij ook maar beveelt of ons zelfs bemoedigt om te worden gedoopt met water?

Met deze vraag sluiten we dit hoofdstuk, slechts met onze lezers eraan te herinneren dat het onmogelijk is om aan het volbrachte werk van Christus iets toe te voegen, zonder van Zijn glorie iets af te doen.