|
PAULUS,
DE BOUWMEESTER
H O O F D S T U K V
EEN NIEUW GEBOUW
HET FUNDAMENT GELEGD
De eerste brief van Paulus aan de Corinthiכrs bevat een passage die elke
prediker en arbeider in Christus, biddend zou moeten beschouwen. Het is
1Cor.3:10-15:
"naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs
bouwmeester het fundament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een ieder zie
toe, hoe hij daarop bouwt.
"Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat
is Jezus Christus.
"En indien iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostbare
stenen, hout, hooi, stoppels;
"ieders werk zal openbaar worden, want de dag zal het verklaren,
daar het door vuur geopenbaard wordt; en hoe ieders werk is, zal het vuur
beproeven.
"Als iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, zal hij loon
ontvangen.
"Als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden, maar zelf
zal hij behouden worden, doch zo als door vuur.
Let wel, de Apostel bouwde niet op het fundament dat de twaalven gelegd hadden;*/ hij legde het fundament van
de Gemeente, het Lichaam van Christus. De bovenstaande vermaning is danook
bijzonder gericht tot de bouwers van de Gemeente van de tegenwoordige bedeling.
*/
voetnoot: Afzonderlijk, omdat zijn boodschap een verdere openbaring van
de waarheid was (Eph.2:20)
In vers 9 zegt hij: "Want wij zijn Gods medearbeiders...
gij zijt God's gebouw". Met andere woorden, Paulus en degenen
die met hem, als arbeiders voor Christus, verbonden waren, waren bouwers,
omdat de Corinthische gelovigen als lichaam het gebouw waren -deel van
dat grotere gebouw, dat wordt genoemd, de Gemeente.
Teneinde de volle betekenis van deze passage te begrijpen, zullen we een
andere beschouwen die niet Paulus, maar Petrus als middelpunt heeft.
PETRUS EN DE MESSIAANSE GEMEENTE
"Toen nu Jezus gekomen was in de streken van Cesarea Filippi,
vroeg Hij Zijn discipelen en zei: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des
mensen, ben?
"En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en
anderen: Jeremia of ייn van de profeten.
"Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?
En Simon Petrus antwoordde en zei: Gij zijt de Christus, de Zoon
van de levende God.
"En Jezus antwoordde en zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona!
want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader Die in de
hemelen is.
"En ook Ik zeg u, dat gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik mijn
Gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
"En Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen; en al
wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij
ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn"
(Matt.16:13-19).
Merk wel op, dat het de belijdenis
van Petrus was, die hem de naam "rots" (Gr.,Petros, een steen), deed
winnen, want het was op deze "Rots" (Gr.,Petra, een rotsmassa)
dat de Messiaanse Gemeente zou worden gebouwd. Het is een grote fout om het
onderscheid tussen deze twee Griekse woorden niet op te merken, en om Petrus
zelf het fundament te maken, want, zoals we juist hebben gezien in 1Cor.3:11 "Want
niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus
Christus".
Verder dient te worden opgemerkt dat Petrus hier Jezus beleed als "de
Christus (Hebr.,de Messias), de Zoon van de levende God."
Gedurende enige tijd hadden Johannes de Doper, onze Here en de twaalven
tot Israel geroepen, "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is
nabij gekomen". Dit was het thema van hun boodschap.*/ Maar het
koninkrijk der hemelen, de Gemeente waarover onze Here sprak, zou natuurlijk
worden opgericht op de aarde, want het Oude Testament staat vol met
profetiכn aangaande het regeren van de hemelen op de aarde, met Christus als
Koning. Verwijzend naar de "Steen", die het laatste van de aardse
koninkrijken zal verpletteren, zegt Daniel:
"Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een
Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat
Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die
koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid
bestaan" (Dan.2:44).
*/
voetnoot: Bij Mattheus wordt dit speciaal opgemerkt van Johannes (3:1,2),
en van Christus (4:17), en van de twaalven (10:7).
Dit is het "koninkrijk der hemelen" waartoe de twaalven werden
gezonden om te verkondigen (Matt.10:7), om in praktijk te brengen (Matt.10:8-10),
en om voor te bidden in het gebed, "Uw koninkrijk kome, Uw
wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde" (Matt.6:10).
Petrus' belijdenis stemt overeen met die van Nathanael: "Rabbi,
Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israel" (Joh.1:49) en
met nog een half dozijn van zulke belijdenissen in de vier evangeliכn.
Zo was het dus de belijdenis van Petrus, "Gij zijt de Christus,
de Zoon van de levende God," waarop deze Gemeente en het koninkrijk
zouden worden gebouwd. Dat is dus, dat het zou worden gebouwd op de erkenning
van Jezus als God's gezalfde Koning-Messias. (In feite Zijn gezalfde
Profeet, Priester en Koning)
DE POSITIE VAN PETRUS
Hier dient niet gering te worden gedacht over de belangrijkheid van
Petrus' positie bij het bouwen van deze kerk, want met het oog op Israel's
verwerping van Christus, werden op dat moment aan Petrus, als de leider van
Israel's twaalf toekomstige richters (Matt.19:28), de sleutels gegeven
van het koninkrijk; de macht om toe te laten, of uit te sluiten. In feite wordt
aan Petrus in Matt.16:19 verteld, in bijzijn van de anderen:
"al wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden
zijn; en al wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden
zijn."
Zo werden aan hem officiele volmachten gegeven totdat Christus
Zelf zou terugkeren en de twaalven met Hem zouden richten en regeren.*/
*/
voetnoot: Denk eraan, dat de tegenwoordige bedeling toen nog een
"verborgenheid bij God" was.
Voordat onze Here deze wereld verliet, ging Hij zo ver door te zeggen tot
Zijn apostelen:
"Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemands zonden vergeeft, die
worden zij vergeven; als gij iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden" (Joh.20:22,23).
Het verwarde Protestantisme heeft een moeilijke tijd gehad om deze verzen
uit te leggen aan de Rooms Katholieken, en wij zullen laten zien waarom.
Deze hoge ambtelijke volmachten, met in begrip van de vergeving van
zonden, dienen te worden gezien in het licht van Hand.2:4 en 38, want onze Here
heeft zeer zeker de volmacht tot vergeving van zonden niet in de handen van
falende, dwalende gelovigen gelegd: God wilde door hen
werken.
"En zij werden allen VERVULD MET DE HEILIGE GEEST."
"En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt
worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden..."
Zij konden alleen dopen tot vergeving van zonden, omdat zij vervuld
waren met de Heilige Geest, volledig onder Zijn contrפle.
EEN ANDER GEBOUW
Israel bekeerde zich echter niet als volk en de bouw van die Gemeente kon
niet doorgaan tot de voltooing. Met Messias, het Fundament en de Hoeksteen
verworpen, lag het gebouw weldra in puin.
Het was, toen Israel de Heilige Geest had
tegengestaan en ook de verrezen Here als Christus weigerde te erkennen, dat God
begon om het mysterie van Zijn verborgen doel en genade te ontvouwen. Zij hadden
geweigerd te bouwen op het fundament dat Petrus had gelegd. Nu zou God een
ander gebouw oprichten, niettemin deel uitmakend van God's grote
superstruktuur die God de eeuwen door had gebouwd.
De zegening van de volkeren door Israel werd nu in afwachting
gehouden tot een toekomstige dag (Rom.15:8,9; cf.Rom.11:15,25,26). Hij wilde
Israel als volk terzijde stellen (Rom.11:15), zodat Hij met de gehele wereld in
genade kon handelen (Rom.11:32),
"...opdat Hij die beiden (Jood en Heiden) met God in ייn
lichaam zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood
heeft" (Eph.2:16).
Dit is de "ene nieuwe mens" van Eph.2:15, het gebouw welks
fundament, onder God, werd gelegd door Paulus (1Cor.3:10), de Gemeente van de
tegenwoordige bedeling, "de Gemeente, die Zijn Lichaam is" (Eph.1:22,23).
Om Paulus' verdere connectie met dit nieuwe programma te zien, dient de lezer
nauwkeurig Eph.3:1-11 te bestuderen.
In zekere zin heeft God altijd Zijn Gemeente gehad, Zijn
uitverkoren volk. Toch moeten we oppassen om de tegenwoordige Gemeente waarover
in de Ephezebrief gesproken wordt, niet te verwarren met de Gemeente waarover
onze Here sprak tot Petrus. Dat was een geprofeteerde Gemeente. Deze,
tegenwoordige, was een verborgenheid, een geheim, tot aan de opwekking
van Paulus. De tekeningen en omschrijvingen van eerstgenoemde Gemeente
worden gevonden in de Oud Testamentische Geschriften. De tekeningen en
omschrijvingen van deze (tegenwoordige) Gemeente waren "verborgen,
en van de tijden van de eeuwen verzwegen geweest" (Rom.16:25), "verborgen
geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Col.1:26), "in
andere eeuwen...niet bekend gemaakt" (Eph.3:5).
Gij vraagt: "Bouwden Petrus en Paulus niet op hetzelfde
fundament?" Ja, maar die Gemeente werd gebouwd op Jezus Christus als
Israel's Messias, terwijl deze Gemeente gebouwd is op Hem, als het
verheerlijkte Hoofd van het Lichaam, verworpen op aarde, maar verheven aan
God's rechterhand.
Dit onderscheid wordt duidelijk gezien door een vergelijking van Hand.2
met 2Tim.2.
In de eerdere passage zegt Petrus duidelijk dat God Christus
opwekte uit de dood, om te zitten op de troon van David (Hand.2:29,30 en
cf. Vers 31-38).
Maar in de latere zegt Paulus:
"Merk, wat ik zeg; doch de Here geve u verstand in alle dingen,
"Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt,
Die uit het zaad van David is, naar mijn Evangelie,"waarin ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een
kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden"
(2Tim.2:7-9)
Om te begrijpen wat Paulus bedoelt wanneer hij ons mededeelt dat
Christus, het Zaad van David, dus alzo uit de dood werd opgewekt overeenkomstig zijn
Evangelie, dienen we te gaan naar Eph.1 en 2, waar Paulus bidt dat gelovigen
moge worden gegeven de geestelijke ontvankelijkheid om te waarderen:
"...wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom van de
heerlijkheid van Zijn erfenis is in de heiligen,
"en wat de uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons die
geloven, naar de werking van de sterkte van Zijn macht,
"die Hij gewerkt heeft in Christus toen Hij Hem uit de doden heeft
opgewekt; en heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel. "Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en
heerschappij, en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar
ook in de toekomende"
(Eph.1:18-21).
"Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, door Zijn grote
liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft,
"ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levend
gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden),
"en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in
Christus Jezus"
(Eph.2:4-6).
De lezer dient de gehele passage vanaf Eph.1:15 door tot Eph.2:11 te
bestuderen en te zien de wonderbare macht van God in het opwekken van Christus
uit de doden en Zijn verheffing "ver boven alles", en dan te
zien hoe geweldig Zijn macht is uitgebreid "aan ons die geloven" zoals
Hij ons met Christus uit de dood opwekt, en ons een plaats geeft met Hem
in de hemelse gewesten!
Petrus zou zeer zeker deze glorievolle boodschap op Pinksteren hebben
gepredikt, als hij deze had geweten. Maar hij wist het niet. Op Pinksteren beschuldigde
hij zijn toehoorders van de moord, begaan op Golgotha, en predikte Christus
als de Redder-Koning, Die God had opgewekt uit de dood om te zitten op de
troon van David. Hij riep Israel op tot bekering en tot doop ter vergeving
van zonden, zodat de tijden der verkwikking, die zo lang reeds beloofd waren,
zouden komen, en dat God Jezus zou mogen terugzenden die zij verworpen hadden
(Hand.3:19,20).
De boodschap van Petrus werd begeleid door grote wondertekenen, maar wie
zou zuchtend verlangen naar "Pinkster kracht", wanneer hij gekomen is
tot kennis van "de kracht van Zijn opstanding"? (Phil.3:10). Het
verwondert niet dat Paulus zei, "Herinner, dat Jezus Christus uit het
zaad van David, werd opgewekt uit de doden, overeenkomstig mijn
evangelie".
Het is deze boodschap die door Satan zo wordt gehaat, en waarvoor Paulus
werd geroepen om moeiten te lijden als een misdadiger. Het scheen alsof met
Israel's verwerping van Christus alle hoop vervlogen was. Het scheen niet alleen
alsof de mens zijn eigen redding onmogelijk gemaakt had, maar dat God's beloften
gefaald hadden. En toen kwam de openbaring van het geheimenis!
Voordat Hij deze Christus-verwerpende wereld zou oordelen en Zijn
Gezalfde als Koning zou plaatsen, redde Hij integendeel de leider van de
opstand en zond hem uit met de glorieuze verkondiging van genade, een aanbod van
verzoening tot al Zijn vijanden, alleen uit genade door geloof. Wat op Golgotha
werd volbracht; wat de dood en opstanding van onze Here bewerkt had, werd nu
luisterrijk getoond door de redding van de voornaamste der zondaars. De redding
van Saulus was temeer een meesterstuk van goddelijke strategie, want het
beroofde de vijand van zijn vurige leider en zette al zijn energie en al zijn
toewijding in, om te werken aan de verkondiging van genade aan een
gevloekte mensheid!
Dit is de climax van goddelijke openbaring. Geen wonder dat Satan dit
haat. Het toont de ontzettende zondigheid van de mensenzonde en de rijkdom van
God's genade. Het toont de volkomen hulpeloosheid van de mens en de machtige
kracht van God. Het verkondigt inderdaad Satan's duidelijke nederlaag, zoals we
lezen onder verwijzing naar het kruis in Col.2:15:
"En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en die in het
openbaar tentoongesteld en DAARDOOR over hen getriomfeerd"
PAULUS DE BOUWMEESTER
Paulus was niet aanmatigend toen hij zichzelf de "bouwmeester"
van de Gemeente van deze eeuw noemde. Hij maakt het duidelijk dat deze positie
hem werd gegeven "overeenkomstig de genade van God."
Inderdaad verbindt hij deze unieke positie met de
"overvloedige" genade van God, en wanneer hij het benadrukt doet hij
dit slechts om de genade van God te verhogen.
Mozes was de bouwmeester van de tabernakel. God gaf hem de tekeningen en
beschrijvingen en zei, "zie,...dat gij het alles maakt naar de
afbeelding, die u op de berg getoond is" (Hebr.8:5).
Maar zoals Mozes de wet vertegenwoordigde, zo vertegenwoordigt Paulus
genade, want aan hem, als een "wijs" of onderlegd bouwmeester,
vertrouwde onze Here de tekeningen en beschrijvingen voor de kerk van de
bedeling van genade toe. Paulus ontving niet het gehele plan in ייn keer, maar
om zeker te zijn, slechts stap voor stap werd het hem ter kennis gebracht door
directe openbaringen van de Here Zelf.
Geen wonder dat hij waarschuwt: "Ik heb het fundament
gelegd...Een ieder zie toe hoe hij daarop bouwt."
Hoe jammerlijk dat velen, ja de
meesten, predikers en leraars van het Woord, deze waarschuwing hebben ontkend.
Zij hebben Petrinisch en Mozaisch materiaal genomen en dat gebouwd op het
fundament van genade, dat gelegd was door Paulus. Zij spreken over "bouwen
van het koninkrijk" en proberen tevergeefs de verkeerde boodschap
uit te dragen - die gegeven was aan de twaalven. Zij hebben doop genomen,
tongentaal, genezingen en tekenen der tijden van een andere bedeling, en deze
gebracht in "de bedeling van God's genade" totdat de kerk zo verward
en verdeeld is, dat niemand meer weet wat te geloven.
Zijn onze geestelijke leiders niet op de hoogte van de toestand van de
kerk, of hebben zij vergeten dat zij rekenschap zullen moeten afleggen voor God,
wanneer het gebouw wordt geinspecteerd?
Zeker is God niet te blameren voor de toestand van de kerk. De bouwers
zijn te blameren. De waarheid van de zaak is, dat de meesten van hen zo druk
zijn met "de zaak gaande te houden", dat zij weinig tijd over hebben
om het Woord te bestuderen.
Er wordt dikwijls beweerd, dat "zielen gered worden", maar
zullen de bouwers van de Kerk ooit ontdekken, dat opgestoken handen, en mensen
die naar voren komen, niet de mate van het succes van hun werk bepalen? Zal
hun werk blijven? Zal het de vuurproef doorstaan? Dit zijn de vragen die
allereerst dienen te worden beschouwd (1Cor.3:13-15).
Wanneer we zien op de duizenden die Christus hebben beleden in de grote
evangelisatiecampagnes van alleen de laatste tientallen jaren, zou men
verwachten dat Philadelphia, Chicago of New York City door het evangelie
ondersteboven moesten zijn, maar zo is het niet. Enkelen zijn werkelijk
bekeerd tot Christus, dank God, maar grote aantallen van deze
"bekeerden" gaan terug in de wereld, en het merendeel is zo zwak en
ongeleerd, dat de wereld om hen lacht.
Laat ons het feit onder ogen zien dat de kerk de kracht van de
Geest heeft verloren. Zij is veel groter dan in de dagen van Paulus, maar ook
geestelijk veel zwakker.
De slotsom? Deze wordt gevonden in een passage die dikwijls wordt
aangehaald, maar veel te weinig in praktijk gebracht:
"Beijver u, om uzelf aan God beproefd voor te stellen, een
arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt"
(2Tim.2:15).
|