"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

              PAULUS, DE BOUWMEESTER

                H O O F D S T U K  V

                  EEN NIEUW GEBOUW

                HET FUNDAMENT GELEGD

De eerste brief van Paulus aan de Corinthiכrs bevat een passage die elke prediker en arbeider in Christus, biddend zou moeten beschouwen. Het is 1Cor.3:10-15:

 "naar de genade van God die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt. "Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. "En indien iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stoppels; "ieders werk zal openbaar worden, want de dag zal het verklaren, daar het door vuur geopenbaard wordt; en hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. "Als iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, zal hij loon ontvangen. "Als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden, maar zelf zal hij behouden worden, doch zo als door vuur.

Let wel, de Apostel bouwde niet op het fundament dat  de twaalven gelegd hadden;*/ hij legde het fundament van de Gemeente, het Lichaam van Christus. De bovenstaande vermaning is danook bijzonder gericht tot de bouwers van de Gemeente van de tegenwoordige bedeling.

 */ voetnoot: Afzonderlijk, omdat zijn boodschap een verdere openbaring van de waarheid was (Eph.2:20)

In vers 9 zegt hij: "Want wij zijn Gods medearbeiders... gij zijt God's gebouw". Met andere woorden, Paulus en degenen die met hem, als arbeiders voor Christus, verbonden waren, waren bouwers, omdat de Corinthische gelovigen als lichaam het gebouw waren -deel van dat grotere gebouw, dat wordt genoemd, de Gemeente.

Teneinde de volle betekenis van deze passage te begrijpen, zullen we een andere beschouwen die niet Paulus, maar Petrus als middelpunt heeft.

              PETRUS EN DE MESSIAANSE GEMEENTE

"Toen nu Jezus gekomen was in de streken van Cesarea Filippi, vroeg Hij Zijn discipelen en zei: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?  "En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of ייn van de profeten. "Hij zei tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordde en zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.  "En Jezus antwoordde en zei tot hem: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader Die in de hemelen is. "En ook Ik zeg u, dat gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik mijn Gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen. "En Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der hemelen; en al wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn" (Matt.16:13-19).

Merk wel op, dat het de belijdenis van Petrus was, die hem de naam "rots" (Gr.,Petros, een steen), deed winnen, want het was op deze "Rots" (Gr.,Petra, een rotsmassa) dat de Messiaanse Gemeente zou worden gebouwd. Het is een grote fout om het onderscheid tussen deze twee Griekse woorden niet op te merken, en om Petrus zelf het fundament te maken, want, zoals we juist hebben gezien in 1Cor.3:11 "Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus".

Verder dient te worden opgemerkt dat Petrus hier Jezus beleed als "de Christus (Hebr.,de Messias), de Zoon van de levende God."

Gedurende enige tijd hadden Johannes de Doper, onze Here en de twaalven tot Israel geroepen, "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". Dit was het thema van hun boodschap.*/ Maar het koninkrijk der hemelen, de Gemeente waarover onze Here sprak, zou natuurlijk worden opgericht op de aarde, want het Oude Testament staat vol met profetiכn aangaande het regeren van de hemelen op de aarde, met Christus als Koning. Verwijzend naar de "Steen", die het laatste van de aardse koninkrijken zal verpletteren, zegt Daniel:

"Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan" (Dan.2:44).

 */ voetnoot: Bij Mattheus wordt dit speciaal opgemerkt van Johannes (3:1,2), en van Christus (4:17), en van de twaalven (10:7).

Dit is het "koninkrijk der hemelen" waartoe de twaalven werden gezonden om te verkondigen (Matt.10:7), om in praktijk te brengen (Matt.10:8-10), en om voor te bidden in het gebed, "Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, zoals in de hemel zo ook op de aarde" (Matt.6:10).

Petrus' belijdenis stemt overeen met die van Nathanael: "Rabbi, Gij zijt de Zoon van God, Gij zijt de Koning van Israel" (Joh.1:49) en met nog een half dozijn van zulke belijdenissen in de vier evangeliכn.

Zo was het dus de belijdenis van Petrus, "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God," waarop deze Gemeente en het koninkrijk zouden worden gebouwd. Dat is dus, dat het zou worden gebouwd op de erkenning van Jezus als God's gezalfde Koning-Messias. (In feite Zijn gezalfde Profeet, Priester en Koning)

                  DE POSITIE VAN PETRUS

Hier dient niet gering te worden gedacht over de belangrijkheid van Petrus' positie bij het bouwen van deze kerk, want met het oog op Israel's verwerping van Christus, werden op dat moment aan Petrus, als de leider van Israel's twaalf toekomstige richters (Matt.19:28), de sleutels gegeven van het koninkrijk; de macht om toe te laten, of uit te sluiten. In feite wordt aan Petrus in Matt.16:19 verteld, in bijzijn van de anderen:

"al wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn."

Zo werden aan hem officiele volmachten gegeven totdat Christus Zelf zou terugkeren en de twaalven met Hem zouden richten en regeren.*/

 */ voetnoot: Denk eraan, dat de tegenwoordige bedeling toen nog een "verborgenheid bij God" was.

Voordat onze Here deze wereld verliet, ging Hij zo ver door te zeggen tot Zijn apostelen:

"Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; als gij iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden" (Joh.20:22,23).

Het verwarde Protestantisme heeft een moeilijke tijd gehad om deze verzen uit te leggen aan de Rooms Katholieken, en wij zullen laten zien waarom.

Deze hoge ambtelijke volmachten, met in begrip van de vergeving van zonden, dienen te worden gezien in het licht van Hand.2:4 en 38, want onze Here heeft zeer zeker de volmacht tot vergeving van zonden niet in de handen van falende, dwalende gelovigen gelegd: God wilde door  hen werken. "En zij werden allen VERVULD MET DE HEILIGE GEEST."

"En Petrus zei tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van de zonden..."

       Zij konden alleen dopen tot vergeving van zonden, omdat zij vervuld waren met de Heilige Geest, volledig onder Zijn contrפle.

                     EEN ANDER GEBOUW

Israel bekeerde zich echter niet als volk en de bouw van die Gemeente kon niet doorgaan tot de voltooing. Met Messias, het Fundament en de Hoeksteen verworpen, lag het gebouw weldra in puin.

Het was, toen Israel de Heilige Geest had tegengestaan en ook de verrezen Here als Christus weigerde te erkennen, dat God begon om het mysterie van Zijn verborgen doel en genade te ontvouwen. Zij hadden geweigerd te bouwen op het fundament dat Petrus had gelegd. Nu zou God een ander gebouw oprichten, niettemin deel uitmakend van God's grote superstruktuur die God de eeuwen door had gebouwd.

De zegening van de volkeren door Israel werd nu in afwachting gehouden tot een toekomstige dag (Rom.15:8,9; cf.Rom.11:15,25,26). Hij wilde Israel als volk terzijde stellen (Rom.11:15), zodat Hij met de gehele wereld in genade kon handelen (Rom.11:32),

"...opdat Hij die beiden (Jood en Heiden) met God in ייn lichaam zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood heeft" (Eph.2:16).

Dit is de "ene nieuwe mens" van Eph.2:15, het gebouw welks fundament, onder God, werd gelegd door Paulus (1Cor.3:10), de Gemeente van de tegenwoordige bedeling, "de Gemeente, die Zijn Lichaam is" (Eph.1:22,23). Om Paulus' verdere connectie met dit nieuwe programma te zien, dient de lezer nauwkeurig Eph.3:1-11 te bestuderen.

In zekere zin heeft God altijd Zijn Gemeente gehad, Zijn uitverkoren volk. Toch moeten we oppassen om de tegenwoordige Gemeente waarover in de Ephezebrief gesproken wordt, niet te verwarren met de Gemeente waarover onze Here sprak tot Petrus. Dat was een geprofeteerde Gemeente. Deze, tegenwoordige, was een verborgenheid, een geheim, tot aan de opwekking van Paulus. De tekeningen en omschrijvingen van eerstgenoemde Gemeente worden gevonden in de Oud Testamentische Geschriften. De tekeningen en omschrijvingen van deze (tegenwoordige) Gemeente waren "verborgen, en van de tijden van de eeuwen verzwegen geweest" (Rom.16:25), "verborgen geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Col.1:26), "in andere eeuwen...niet bekend gemaakt" (Eph.3:5).

Gij vraagt: "Bouwden Petrus en Paulus niet op hetzelfde fundament?" Ja, maar die Gemeente werd gebouwd op Jezus Christus als Israel's Messias, terwijl deze Gemeente gebouwd is op Hem, als het verheerlijkte Hoofd van het Lichaam, verworpen op aarde, maar verheven aan God's rechterhand.

Dit onderscheid wordt duidelijk gezien door een vergelijking van Hand.2 met 2Tim.2.

In de eerdere passage zegt Petrus duidelijk dat God Christus opwekte uit de dood, om te zitten op de troon van David (Hand.2:29,30 en cf. Vers 31-38).

Maar in de latere zegt Paulus: "Merk, wat ik zeg; doch de Here geve u verstand in alle dingen, "Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit het zaad van David is, naar mijn Evangelie,"waarin ik verdrukkingen lijd tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden" (2Tim.2:7-9)

 Om te begrijpen wat Paulus bedoelt wanneer hij ons mededeelt dat Christus, het Zaad van David, dus alzo uit de dood werd opgewekt overeenkomstig zijn Evangelie, dienen we te gaan naar Eph.1 en 2, waar Paulus bidt dat gelovigen moge worden gegeven de geestelijke ontvankelijkheid om te waarderen:

"...wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis is in de heiligen, "en wat de uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, naar de werking van de sterkte van Zijn macht,     "die Hij gewerkt heeft in Christus toen Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel. "Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende" (Eph.1:18-21).

"Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, "ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft Hij ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden),       "en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus" (Eph.2:4-6).

De lezer dient de gehele passage vanaf Eph.1:15 door tot Eph.2:11 te bestuderen en te zien de wonderbare macht van God in het opwekken van Christus uit de doden en Zijn verheffing "ver boven alles", en dan te zien hoe geweldig Zijn macht is uitgebreid "aan ons die geloven" zoals Hij ons met Christus uit de dood opwekt, en ons een plaats geeft met Hem in de hemelse gewesten!

Petrus zou zeer zeker deze glorievolle boodschap op Pinksteren hebben gepredikt, als hij deze had geweten. Maar hij wist het niet. Op Pinksteren beschuldigde hij zijn toehoorders van de moord, begaan op Golgotha, en predikte Christus als de Redder-Koning, Die God had opgewekt uit de dood om te zitten op de troon van David. Hij riep Israel op tot bekering en tot doop ter vergeving van zonden, zodat de tijden der verkwikking, die zo lang reeds beloofd waren, zouden komen, en dat God Jezus zou mogen terugzenden die zij verworpen hadden (Hand.3:19,20).

De boodschap van Petrus werd begeleid door grote wondertekenen, maar wie zou zuchtend verlangen naar "Pinkster kracht", wanneer hij gekomen is tot kennis van "de kracht van Zijn opstanding"? (Phil.3:10). Het verwondert niet dat Paulus zei, "Herinner, dat Jezus Christus uit het zaad van David, werd opgewekt uit de doden, overeenkomstig mijn evangelie".

Het is deze boodschap die door Satan zo wordt gehaat, en waarvoor Paulus werd geroepen om moeiten te lijden als een misdadiger. Het scheen alsof met Israel's verwerping van Christus alle hoop vervlogen was. Het scheen niet alleen alsof de mens zijn eigen redding onmogelijk gemaakt had, maar dat God's beloften gefaald hadden. En toen kwam de openbaring van het geheimenis!

Voordat Hij deze Christus-verwerpende wereld zou oordelen en Zijn Gezalfde als Koning zou plaatsen, redde Hij integendeel de leider van de opstand en zond hem uit met de glorieuze verkondiging van genade, een aanbod van verzoening tot al Zijn vijanden, alleen uit genade door geloof. Wat op Golgotha werd volbracht; wat de dood en opstanding van onze Here bewerkt had, werd nu luisterrijk getoond door de redding van de voornaamste der zondaars. De redding van Saulus was temeer een meesterstuk van goddelijke strategie, want het beroofde de vijand van zijn vurige leider en zette al zijn energie en al zijn toewijding in, om te werken aan de verkondiging van genade aan een gevloekte mensheid!

Dit is de climax van goddelijke openbaring. Geen wonder dat Satan dit haat. Het toont de ontzettende zondigheid van de mensenzonde en de rijkdom van God's genade. Het toont de volkomen hulpeloosheid van de mens en de machtige kracht van God. Het verkondigt inderdaad Satan's duidelijke nederlaag, zoals we lezen onder verwijzing naar het kruis in Col.2:15:

"En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en die in het openbaar tentoongesteld en DAARDOOR over hen getriomfeerd"

                 PAULUS DE BOUWMEESTER

       Paulus was niet aanmatigend toen hij zichzelf de "bouwmeester" van de Gemeente van deze eeuw noemde. Hij maakt het duidelijk dat deze positie hem werd gegeven "overeenkomstig de genade van God."  Inderdaad verbindt hij deze unieke positie met de "overvloedige" genade van God, en wanneer hij het benadrukt doet hij dit slechts om de genade van God te verhogen.

       Mozes was de bouwmeester van de tabernakel. God gaf hem de tekeningen en beschrijvingen en zei, "zie,...dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is" (Hebr.8:5).

       Maar zoals Mozes de wet vertegenwoordigde, zo vertegenwoordigt Paulus genade, want aan hem, als een "wijs" of onderlegd bouwmeester, vertrouwde onze Here de tekeningen en beschrijvingen voor de kerk van de bedeling van genade toe. Paulus ontving niet het gehele plan in ייn keer, maar om zeker te zijn, slechts stap voor stap werd het hem ter kennis gebracht door directe openbaringen van de Here Zelf.

       Geen wonder dat hij waarschuwt: "Ik heb het fundament gelegd...Een ieder zie toe hoe hij daarop bouwt."

       Hoe jammerlijk dat velen, ja de meesten, predikers en leraars van het Woord, deze waarschuwing hebben ontkend. Zij hebben Petrinisch en Mozaisch materiaal genomen en dat gebouwd op het fundament van genade, dat gelegd was door Paulus. Zij spreken over "bouwen van het koninkrijk" en proberen tevergeefs de verkeerde boodschap uit te dragen - die gegeven was aan de twaalven. Zij hebben doop genomen, tongentaal, genezingen en tekenen der tijden van een andere bedeling, en deze gebracht in "de bedeling van God's genade" totdat de kerk zo verward en verdeeld is, dat niemand meer weet wat te geloven.

       Zijn onze geestelijke leiders niet op de hoogte van de toestand van de kerk, of hebben zij vergeten dat zij rekenschap zullen moeten afleggen voor God, wanneer het gebouw wordt geinspecteerd?

       Zeker is God niet te blameren voor de toestand van de kerk. De bouwers zijn te blameren. De waarheid van de zaak is, dat de meesten van hen zo druk zijn met "de zaak gaande te houden", dat zij weinig tijd over hebben om het Woord te bestuderen.

       Er wordt dikwijls beweerd, dat "zielen gered worden", maar zullen de bouwers van de Kerk ooit ontdekken, dat opgestoken handen, en mensen die naar voren komen, niet de mate van het succes van hun werk bepalen? Zal hun werk blijven? Zal het de vuurproef doorstaan? Dit zijn de vragen die allereerst dienen te worden beschouwd (1Cor.3:13-15).

       Wanneer we zien op de duizenden die Christus hebben beleden in de grote evangelisatiecampagnes van alleen de laatste tientallen jaren, zou men verwachten dat Philadelphia, Chicago of New York City door het evangelie ondersteboven moesten zijn, maar zo is het niet. Enkelen zijn werkelijk bekeerd tot Christus, dank God, maar grote aantallen van deze "bekeerden" gaan terug in de wereld, en het merendeel is zo zwak en ongeleerd, dat de wereld om hen lacht.

       Laat ons het feit onder ogen zien dat de kerk de kracht van de Geest heeft verloren. Zij is veel groter dan in de dagen van Paulus, maar ook geestelijk veel zwakker.

       De slotsom? Deze wordt gevonden in een passage die dikwijls wordt aangehaald, maar veel te weinig in praktijk gebracht:

       "Beijver u, om uzelf aan God beproefd voor te stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt" (2Tim.2:15).