SAULUS DE ZONDAAR EN CHRISTUS DE REDDER

                H O O F D S T U K  IV

              TWEE MALEN VRAAGT DE HEERE WAAROM

                 DE SLEUTEL TOT DE HEMEL

         De twee grootste raadsels van het heelal en van de menselijke geschiedenis, worden uitgedrukt in twee vragen, gesteld door onze Here - bij twee belangrijke gebeurtenissen, toen Hij die "alle dingen weet", vroeg "Waarom?"

       Eenmaal was het dat Hij tot God riep "Waarom" en eenmaal tot Saulus van Tarsen; eenmaal tot de Heilige en eenmaal tot de voornaamste der zondaars. Eenmaal riep Hij "Waarom" vanaf het schande-kruis en eenmaal vanuit Zijn Heerlijkheid in de hemel. In elk apart geval werd de naam van de aangeroepene herhaald.

       In Matt.27:46 vinden we het eerste smartelijke "waarom?", gewrongen uit Zijn hart en van Zijn lippen, toen Hij riep vanaf het wrede kruis, "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" De andere keer vinden we in Hand.9:4, waar we lezen hoe Hij riep vanaf Zijn troon in de hemel, "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?".

       "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?"

       "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?"

       Deze twee vragen roepen de grootste raadselen uit de geschiedenis op, en toch, vreemd genoeg, de ene is de simpele verklaring van de andere! De ene is het complement van de andere.

       Waarom verliet God Zijn geliefde Zoon? Waarom stond Hij boze mensen toe, de zondeloze, onschuldige Christus, geweld aan te doen en te kruisigen? U vindt het antwoord alleen als u zich afvraagt waarom de mensheid (vertegenwoordigd door Saulus) Christus haatte en achtervolgde tot Zijn dood. God's daad, was de enige tegendaad, tegen die van de mens. Christus was het enige genees(heils)middel voor de zonde van de mens. Het was vanwege de grootste onredelijkheid van de zonde van de mens, dat een genadige God, meer dan redelijk moest zijn, om hem te redden.

       Dat "Christus stierf", is een historisch feit dat iedereen weet. "Onze zonden" zijn het oorzakelijk feit dat niemand kan ontkennen. Toch blijft elk van deze feiten, op zich, een onoplosbaar mysterie. Wij dienen God's verklaring te accepteren:

"Christus stierf VOOR onze zonden" (1Cor.15:3) of wel, wij hebben twee onoplosbare problemen, die we niet kunnen verklaren. Het is juist uitgedrukt dat we hier in het kleine voorwoord "voor", "de sleutel naar de hemel" hebben.

       Zo worden de twee "waaroms" die we hier beschouwden, de problemen van Christus' dood en onze zonde, opgelost. Zij lossen elkander op. De Heiland en de zondaar worden samengebracht. De Godslasteraar, de vervolger, is volstrekt getransformeerd, en als hij de gekruisigde Christus aanschouwt, roept hij dankbaar uit, "Hij had mij lief, en gaf Zichzelf voor mij" (Gal.2:20).

                      SAULUS DE ZONDAAR

         Laten we het beeld beschouwen dat wordt gegeven in het boek Handelingen. Daar is één volk, slechts één, dat God erkent als het Zijne, en zie, dit volk sluit zich aan bij de anderen in opstand tegen Hem! En wie inspireert en leidt de opstand? Saulus van Tarsen!

       Maar wie is deze Saulus van Tarsen? Een schurk, een moordenaar? Zeker niet! Hij is één van het uitverkoren volk, hoog gewaardeerd door zijn volk. Hij is een nauwgezet waarnemer van de Wet, ijverig in de tradities van de vaderen.

       Is hij onwetend omtrent de Oud Testamentische profetiën, dat hij de Christus niet herkent? Nee! Hij is een Farizeër, afstammeling van Farizeën, een Hebreër uit de Hebreën, van de trotse stam Benjamin, een geestelijk leider in Israel, met een grondige kennis van de Wet en de profeten.

       Toch leidt deze man Israel, in een bittere vervolging tegen de volgelingen van Christus, besloten de naam en de gedachtenis van Jezus uit te wissen.

       Het heilig verslag vermeldt hoe, bij de steniging van Stefanus, Saulus instemde met zijn dood", en bericht ons dat de moord op Stefanus een "grote vervolging" tot gevolg had, waarin "Saulus...de Gemeente verwoestte, in de huizen ging, mannen en vrouwen meesleepte en overleverde in de gevangenis" (Hand.8:1-3).

       Paulus bekent inderdaad later zelf: "en bovenmate woedde ik tegen hen en vervolgde hen, ook tot in de buitenlandse steden" (Hand.26:11). Het was in verband met de laatste van deze "buitenlandse steden", dat wij lezen:

       "En Saulus blies nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Here, en ging tot de hogepriester,

       "en begeerde brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat als hij enigen die van die Weg waren, vond, hij ze, beiden mannen en vrouwen, gebonden naar Jeruzalem zou brengen" (Hand.9:1,2).

       Aldus gewapend met "macht en last van de hogepriesters" (Hand.26:12), maakte Saulus het zich tot een beslist doel om, zoveel als hij kon, discipelen gevangen te nemen en "...hen gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden" (Hand.22:5).

       Dit doel werd nooit bereikt, want hijzelf werd gevangen genomen door de verheerlijkte Here, en werd gered op de weg naar Damascus. Maar toen de Here Ananias zond om hem te bedienen, antwoordde Ananias:

       "Here! ik heb uit velen gehoord van deze man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;

       "en heeft hier macht van de overpriesters om te binden allen die Uw Naam aanroepen" (Hand.9:13,14).

       En toen de gelovigen te Damascus hem hoorden getuigen van Christus, zeiden ze, "Is deze niet degene die te Jeruzalem verdelgde wie deze Naam aanroepen?" (Hand. 9:21).