|
STEMMEN
DIE DIENEN TE WORDEN GEHOORZAAMD
H O O F D S T U K III
IK HOORDE EEN STEM
|
EEN VERKLARING VAN PETRUS
|
EEN VERKLARING VAN PAULUS
|
|
2Petr.1:16-18
|
Hand.22:7,14,15
|
| |
|
| 16
|
Want wij zijn geen kunstelijk verdichte
fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt
hebben de kracht en toekomst van onze Heere
Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers
geweest van Zijn majesteit.
|
| 17
|
Want Hij heeft van God den Vader eer en
heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van
de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht
werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken
Ik Mijn welbehagen heb.
|
| 18
|
En deze stem hebben wij gehoord, als zij van
de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem
op de heilige berg waren. |
|
| 7
|
En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem,
tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij
Mij? |
| 14
|
En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u
te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en
den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn
mond te horen.
|
| 15
|
Want gij zult Hem getuige zijn bij alle
mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.
|
|
Zowel
Petrus als Paulus zagen de verheerlijkte Here. Beiden
hoorden stemmen uit de
hemel. En beiden werden gezonden om te getuigen van de dingen die zij hadden gezien
en gehoord (Hand.4:20;22:15). En toch was er een duidelijk onderscheid in de
omstandigheden en de betekenis van hun ervaringen.
Petrus zag de Here in Zijn verheerlijking op aarde; Paulus zag Hem
in de Heerlijkheid van Zijn genade, aan de rechterhand van de Vader. De stem die
Petrus hoorde, beoogde de aanname van Christus ("Hoort Hem",
Matt.17:5); de stem die Paulus hoorde betrof de verwerping van
Christus, ("Waarom vervolgt gij Mij?" Hand.9:4). De ervaring
van Petrus was een demonstratie van "de kracht en komst" van
Christus; die van Paulus was een demonstratie van de genade welke oorzaak was
van het uitstel van Zijn komst (om te oordelen en te regeren)
(2Petr.3:9,15). De ervaring van Petrus hield harmonisch verband met zijn koninkrijk-bediening;
die van Paulus met zijn bediening als de apostel van de genade van God.
PETRUS OP DE BERG DER VERHEERLIJKING
In Matt.4:17 lezen we, "Van toen af begon Jezus te prediken
en te zeggen: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen." en het tiende hoofdstuk vertelt ons hoe Hij de twaalven
uitzond met dezelfde boodschap.
Hoe werd deze boodschap ontvangen? Zie het verslag in Matt.16:21:
Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen, dat Hij moest
heengaan naar Jeruzalem en veel lijden vanwege de oudsten en overpriesters en
schriftgeleerden, en op de derde dag opgewekt worden."
Stel u nu de gevoelens van de apostelen voor! Zij waren al ontmoedigd
over het uitblijven van antwoord op hun proclamatie van het koninkrijk en nu,
terwijl de tegenstand van de oversten beslister gaat worden, begint de Here te
spreken over te worden gedood.
Wat nu met de aanspraken van Zijn koninkrijk? Hij voorspelde weliswaar
dat Hij weer zou opstaan op de derde dag, maar dat scheen teveel om te geloven.
Luk.18:34 vertelt ons tot driemaal toe, dat zij dit niet konden inzien. Al wat
zij toen konden zien, was Zijn afwijzing door Israel, de mogelijkheid van Zijn
dood, en de mislukking van hun hoop op het koninkrijk. Let op de reactie van
Petrus:
"En Petrus nam Hem tot zich en begon Hem te bestraffen en zei:
Here, wees u genadig! dit zal U geenszins geschieden" (Matt.16:22)
Ongetwijfeld was deze uiting van twijfel en angst ייn van de redenen
voor de transfiguratie van onze Here. Die dag werden Petrus, Jakobus en Johannes
"ooggetuigen van Zijn majesteit" en hoorden God's stem uit de
hemel bevestigen wat zij zagen.
Wat hadden zij dit nodig vlak voor het kruis! Zij hadden tenslotte geen reden
om te twijfelen dat Christus in Heerlijkheid zou regeren op aarde,
overeenkomstig de profetie.
SAULUS OP WEG NAAR DAMASCUS
Zoals we weten, waren Petrus en de andere apostelen niet in staat om
Israel tot bekering of erkenning te brengen, dat Jezus, de Messias (Christus)
was. De tegenstand van de regering tegen hun boodschap werd steeds bitterder,
zelfs na Zijn opstanding, totdat tenslotte "het bloed van...Stefanus
werd gestort" en daarna nog meer, en steeds meer bloed.
Hier is het dat wij voor 't eerst lezen van Saulus van Tarsen, want hij
was het die de "grote vervolging" inspireerde en leidde, die spoedig
uitbrak tegen de Pinkstergelovigen.
Wat betreft de brutale moord op Stefanus lezen we: "En Saulus had
mede een welbehagen aan zijn dood," en in hetzelfde vers, "En
er ontstond op die dag een grote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem
was...En Saulus verwoestte de gemeente;" (Hand.8:1,3).
In deze bittere vervolging was Saulus van Tarsen ontegenzeggelijk de
vertegenwoordiger van Israel's geest van opstand tegen Messias, maar op weg naar
Damascus, toen de vervolging op z'n hevigst was, kwam de verworpen Here Zelf
tussenbeide en Saulus zag, net als Petrus, de Here verheerlijkt - nu in Zijn hemelse
glorie - (een licht van de hemel) en hoorde Zijn stem vanaf de rechterhand
van de Vader.
Maar hoe verschillend waren de onmstandigheden! Petrus had gezien en
gehoord dat Jezus inderdaad de Messias was, maar Saulus was Petrus'
bitterste vijand wegens het verkondigen van dit feit. Petrus was de leider van
de Pinkstergemeente. Saulus was de leider van de hevige vervolging tegen die
Gemeente.
Twee dingen dienen in 't bijzonder te worden opgemerkt over de stem die
Saulus hoorde vanuit de hemel. Ten eerste, de verwerping van de Here door
Israel stond nu vast. Vףףr de steniging van Stefanus en de opwekking van
Saulus als de leider van de opstand, werd aangenomen, of minstens gehoopt, dat
Israel zich zou bekeren en de Messias zou aannemen als hun Koning
(Hand.1:6-8;2:14-21;36-41;3:19-21). Maar nu, terwijl Israel een meedogenloze
vervolging tegen de Gemeente voert, met Saulus die de Gemeente*/ verwoestte,
roept de verworpen Here vanuit de hemel, "Saul, Saul, waarom vervolgt
gij mij?". Daarna werd het koninkrijk nooit meer aan Israel aangeboden.
*/Uiteraard
de Pinkster Gemeente, niet "de Gemeente die Zijn' (Christus) Lichaam
is".
Ten twede dient te worden opgemerkt dat terwijl de Here Saul als Zijn
vijand herkent, Hij toch nog met hem in tedere liefde en genade, te doen heeft.
In plaats van hem te oordelen redt Hij hem!
Dit is alles scherp tekenend, want sinds Israel zich tegen de Messias had
gekeerd, besloot God hen nu in ongeloof, samen met de heidenen, "opdat
Hij hen allen zou barmhartig zijn" (Rom.11:32).
Jaren later, terugziende, spreekt Paulus van zichzelf als van iemand
"die vroeger een lasteraar, en een vervolger, een onrechtvaardige was,
maar gaat verder door te verklaren dat "de genade van onze Here meer dan
overvloedig" is, eraan toevoegend:
"Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat
Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken, van wie ik
de voornaamste ben."
Maar let nu nauwkeurig op hoe hij
deze verklaring afsluit, want dit hebben de kerken bijna geheel over het hoofd
gezien:
"Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Christus in
mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een
voorbeeld voor hen die in Hem geloven zouden tot het eeuwige leven." (1Tim.13-16).
Het is moeilijk voor deze schrijver om te begrijpen hoe iemand dit
Schriftgedeelte kan lezen zonder te realiseren dat God iets nieuws begon bij de
bekering van Saulus. In plaats van Israel en de wereld onmiddellijk te oordelen,
toonde God "de uitnemende rijkdom van Zijn genade" door de
redding van Saulus, en voegde de tegenwoordige "bedeling van de genade
van God" in.
HET LIJDEN EN DE VERHEERLIJKING
Wat Petrus zag en hoorde "op de heilige berg" betrof de glorie
die hijzelf zou delen bij het regeren van Christus. Wat Paulus echter zag en
hoorde, betrof zowel het lijden van de Here als van hemzelf. Degene die Saulus
had gevraagd, "Waarom vervolgt gij Mij?" zei tot Ananias, met
betrekking tot Saulus, "Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om
Mijn Naam" (Hand.9:4,16). De Here zou niettemin worden afgewezen, maar
Paulus, de zondaar, gered door genade, zou het lijden dragen van Zijn
verwerping. Daarom verklaart hij in Col.1:24:
"Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u, en vervul in mijn
vlees wat nog overblijft*/ van de verdrukkingen van Christus voor Zijn Lichaam,
dat is de Gemeente."
*/
voetnoot: bedoelt is, dat wat nog
overblijft - want Christus wordt nog steeds verworpen.
Welzeker bedoelde Paulus hier niet, dat hij iets kon toevoegen aan het
volbrachte werk van de Here tot redding. Het punt is eenvoudig dat Christus nog
steeds wordt afgewezen door de wereld, maar inplaats van de tegenstanders
onmiddellijk te oordelen, verkoos Hij een Koninklijke Banneling te blijven, en
liet Paulus - en ons - hier, als ambassadeurs van Zijn genade. Zo werd nu dus
Saulus, de vervolger, de vervolgde, een ambassadeur voor Christus in vijandelijk
gebied**/. De twaalven leden natuurlijk eveneens voor Christus, maar altijd in
de hoop dat het volk toch nog hun Messias zouden willen ontvangen, terwijl
Paulus verklaart dat hij hier gebleven is om een aanbod van genade en verzoening
te verkondigen aan een Christus verwerpende wereld.
**/
voetnoot: Handelingen laat Paulus te Rome in gevangenschap, "Een gezant
in ketenen". Hoe kon God duidelijker Zijn genade aan Zijn vijanden
laten zien?
Christus wordt nog steeds door Israel en de wereld verworpen, maar
wie draagt het lijden van Zijn afwijzing? Dat doen wij - of zouden wij dienen te
doen. Wij leven in een wereld die in vijandschap is tegen God en Zijn Zoon.
Staande voor de mensen als vertegenwoordigers van Christus, roepen wij:
"...wij zijn gezanten voor Christus, alsof God door ons bad; wij
bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.
"Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde voor ons
gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem."
(2Cor.5:20-21).
Israel en de wereld werden beiden van God vervreemd, maar wij zijn hier
als ambassadeurs onder vijandige bondgenoten, en smeken hen zich met God te
laten verzoenen door Christus, Die voor hen gestorven is.
Gelijk Paulus bidden wij de mensen, en zeggen eigenlijk: "Christus
is hier niet; ge hebt Hem niet gewild. Maar wij zijn hier in Zijn plaats om u te
vertellen, dat Hij u liefheeft, en voor u stierf, zodat gij met God verzoend
kunt worden."
NOGMAALS TWEE STEMMEN
Wij willen dit hoofdstuk niet beeindigen zonder de stemmen te bespreken
die beiden, Petrus en Paulus, hoorden toen zij in vervoering waren. Interressant
hierbij is, dat Paulus' ervaring deze keer de Joden betrof en Petrus' ervaring
de heidenen! Maar opnieuw zullen we de volmaakte harmonie zien van de Schriften
in het onthullen van God's doel.
PETRUS TE JOPPE
PAULUS TE JERUZALEM
Hand.10:9-16
Hand.22:17-22
"En de volgende dag...
"En het gebeurde mij, toen ik
klom
Petrus op het dak om te
te Jeruzalem teruggekeerd was en
bidden,
omtrent het zesde in
de tempel bad, dat ik in zins-uur.
verrukking kwam,
"En hij werd hongerig en
"en dat ik Hem zag, en Hij tot
begeerde
te eten. En terwijl mij zei:
Spoed u, en ga haastig
zij
het bereidden, viel over uit
Jeruzalem, want zij zullen uw
hem
een zinsverrukking, getuigenis van Mij niet
aannemen.
"en hij zag de hemel geop-
end,
en een zeker voorwerp
"En ik zei: Here, zij weten dat
tot
hem neerdalen, als een ik
in de gevangenis wierp en in
groot
linnen laken, aan de de
synagogen geselde, die in U
vier
hoeken gebonden en neer- geloofden.
gelaten
op de aarde;
"daarin waren al de vier-
"En toen het bloed van Stefanus,
voetige
dieren van de aarde, Uw
getuige, vergoten werd, dat ik
en
de wilde, en de kruipen- daar
ook bij stond, en mede een
de
dieren, en de vogels van welbehagen
had in zijn dood, en
de
hemel. de
kleren bewaarde van hen die
"En er geschiedde een stem
hem doodden.
tot
hem: Sta op, Petrus!
slacht
en eet.
"En Hij zei tot mij: Ga heen,
"Maar Petrus zei: Geens-
want Ik zal u ver tot de heiden-zins, Here! want ik heb nog
en zenden."
nooit
iets gegeten dat on-
heilig
of onrein was. "Zij
hoorden hem nu tot dit
"En een stem geschiedde
woord toe, en zij verhieven hun
weer
voor de twede maal tot stem
en zeiden: Weg van de aarde
hem:
Wat God gereinigd heeft, met zulk
een, want het is niet
zult
gij niet onheilig maken. behoorlijk
dat hij leeft.
"En dit geschiedde tot
drie
maal, en het voorwerp
werd
weer opgenomen in de
hemel
Hier
opnieuw hoorden Petrus en Paulus elk een stem, maar deze keer elk in
zinsverrukking, en beiden terwijl zij in gebed waren.
De ervaring van Petrus betrof God's doel om tot de heidenen te gaan. Die
van Paulus, om zich af te keren van Israel. Beiden spraken God tegen,
maar hun beider ervaring benadrukte God's bedoeling, om zich van Israel, tot de
volkeren te keren.
Petrus weerlegde, in zijn afkeer van het onreine, dat hij nog nooit iets
onheiligs of onreins gegeten had. Paulus, in zijn verlangen om zijn stamgenoten
naar het vlees te winnen, weerlegde dat zij allen wisten dat hij de gelovigen
had gevangen genomen en geslagen, en dat hij deel had aan de steniging van
Stefanus. Zij zouden zeker naar hem luisteren!
In elk geval echter bleef de Here bij de uitvoering van Zijn bedoeling.
Tegen Petrus zei Hij: "Wat God gereinigd heeft, zult gij niet onheilig
maken," en gebood hem om naar het heidens huisgezin van Cornelius te
gaan, "niet twijfelende". Paulus antwoordde Hij beknopt: "Ga
heen, want ik zal u ver tot de heidenen zenden."
Wij zijn vrij zeker van het feit dat Petrus niet het geheimenis van God's
bedoeling en genade voor deze heidenen verkondigde. Hij wist het niet eens. Hij
wist inderdaad zelfs niet waarom God hem zond, en verklaarde enkel aan zijn
critici: "Wie ben ik, dat ik God zou wederstaan?" (Hand.11:17).
Niettemin was hier de opdracht aan Petrus een van de eerste stappen in de
onthulling van het geheimenis van God's plan om de volken te zegenen, ondanks
Isreal's verwerping van Christus. Hij maakte dit vrij duidelijk, toen hij later,
als hij de bediening van Paulus tot de heidenen wilde verdedigen, zei:
"...gij
weet dat God lang geleden onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door
mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen en geloven"
(Hand.15:7). Dit is door de Geest geleide strategie, want hoe konden de Joodse
broeders onderwerp zijn van Paulus' heiden-bediening, als hun eigen, door
Christus aangewezen leider, uitgezonden was om het evangelie aan een heidens
huisgezin te verkondigen, en dat onder omstandigheden die duidelijk bevestigden
God's wil te zijn?
Het was toen Petrus een Oud Testamentische profetie aanhaalde, die alleen
betrekking had op het geloof in Christus tot vergeving van zonden
(Hand.10:43)*/, dat God zijn rede onderbrak en de Heilige Geest op deze
heidenen kwam. Een verbazing wekkend incident! Aldus elk verheugend aspect van
de bekering van Cornelius volledig erkennend, mogen we toch niet de volgende
belangrijke feiten over het hoofd zien:
1. Het vond plaats na de bekering van Saulus, die
merkwaardigerwijs in het daaropvolgende hoofdstuk wordt vermeld.
2. Petrus werd niet naar Cornelius gezonden onder de zogenaamde
"grote opdracht" maar door een speciale boodschap
(Hand.10:17,20,28,29).
3. God zond Petrus niet naar Cornelius omdat Israel de Messias aannam,
maar omdat Israel Hem verwierp. Met andere woorden, het was niet de
volgende stap bij de uitvoering van de "grote opdracht", want de
apostelen hadden hun bediening aan Jeruzalem nog niet voltooid
(Luk.24:47;Hand.1:8;8:1; Noteer: "met uitzondering van de
apostelen").
4. Telkens weer wordt in de geschiedenis van Cornelius benadrukt dat God "geen
verschil" had aangebracht tussen Jood en heiden. Dit zal niet meer zo
zijn wanneer de "grote opdracht" wordt uitgevoerd (Matt.24:14). Dan
zal Christus koning zijn in Jeruzalem, en Israel zal verheven zijn boven
alle natiכn. Maar voordat het boek Handelingen tot een slot komt, wordt
volledig getoond (door de bediening van Paulus), dat er "geen
verschil" is tussen Jood en Heiden, niet wat betreft zonde (Rom.3:22,23) of
wat betreft God's genade:
"Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want
dezelfde is Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen.
"Want een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig
worden" (Rom.10:12,13).
5. Het was op basis van Petrus' ervaring dat de bediening van Paulus aan
de heidenen, werd erkend door de Gemeente te Jeruzalem (Hand.15,cf.Gal.2).
Wat Paulus' ervaring betreft, wordt opnieuw benadrukt dat God doende was
om redding te zenden aan de heidenen vanwege Israכli's verwerping van Christus.
Zoals Paulus ons vertelt, vond dit plaats bij zijn terugkeer naar Jeruzalem,
kort na zijn bekering. Aldus wordt getoond dat Israכli's verwerping van Christus
nu werd bevestigd, want de Heere zei tot hem: "Zij zullen uw getuigenis
van Mij, niet aannemen". De oversten van Israכl, en het volk als
geheel, hadden niet naar de twaalven geluisterd; evenmin zouden zij naar Paulus
luisteren. God had 'hen besloten in ongeloof" en was bezig Zijn
handelen met hen als volk, te doorbreken.
Zoals wij hebben gezien, verwierp God Israכl, samen met de heidenen, zo
dat Hij zou kunnen handelen met Joden en Heidenen als individuen, en in genade.
We hebben hierover nog veel meer te zeggen.
|