"Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad." Psalm 119:105   "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. 2 Tim. 3:16    "Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken 1 Timotheus 1:15

04-08-2010        Home - Wie zijn wij? - Wij geloven - English -עברית  Spanish GenadeEvangelie.nl  Português

 

STEMMEN DIE DIENEN TE WORDEN GEHOORZAAMD

                   H O O F D S T U K  III

                    IK HOORDE EEN STEM

 EEN VERKLARING VAN PETRUS EEN VERKLARING VAN PAULUS
2Petr.1:16-18      Hand.22:7,14,15
   
16 Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.
17 Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren.

 

7 En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

 

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.
15 Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.

 

                                      

Zowel Petrus als Paulus zagen de verheerlijkte Here. Beiden hoorden stemmen uit de hemel. En beiden werden gezonden om te getuigen van de dingen die zij hadden gezien en gehoord (Hand.4:20;22:15). En toch was er een duidelijk onderscheid in de omstandigheden en de betekenis van hun ervaringen.

       Petrus zag de Here in Zijn verheerlijking op aarde; Paulus zag Hem in de Heerlijkheid van Zijn genade, aan de rechterhand van de Vader. De stem die Petrus hoorde, beoogde de aanname van Christus ("Hoort Hem", Matt.17:5); de stem die Paulus hoorde betrof de verwerping van Christus, ("Waarom vervolgt gij Mij?" Hand.9:4). De ervaring van Petrus was een demonstratie van "de kracht en komst" van Christus; die van Paulus was een demonstratie van de genade welke oorzaak was van het uitstel van Zijn komst (om te oordelen en te regeren) (2Petr.3:9,15). De ervaring van Petrus hield harmonisch verband met zijn koninkrijk-bediening; die van Paulus met zijn bediening als de apostel van de genade van God.

            PETRUS OP DE BERG DER VERHEERLIJKING

       In Matt.4:17 lezen we, "Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen." en het tiende hoofdstuk vertelt ons hoe Hij de twaalven uitzond met dezelfde boodschap.

       Hoe werd deze boodschap ontvangen? Zie het verslag in Matt.16:21:

       Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden vanwege de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden, en op de derde dag opgewekt worden."

       Stel u nu de gevoelens van de apostelen voor! Zij waren al ontmoedigd over het uitblijven van antwoord op hun proclamatie van het koninkrijk en nu, terwijl de tegenstand van de oversten beslister gaat worden, begint de Here te spreken over te worden gedood.

       Wat nu met de aanspraken van Zijn koninkrijk? Hij voorspelde weliswaar dat Hij weer zou opstaan op de derde dag, maar dat scheen teveel om te geloven. Luk.18:34 vertelt ons tot driemaal toe, dat zij dit niet konden inzien. Al wat zij toen konden zien, was Zijn afwijzing door Israel, de mogelijkheid van Zijn dood, en de mislukking van hun hoop op het koninkrijk. Let op de reactie van Petrus:

       "En Petrus nam Hem tot zich en begon Hem te bestraffen en zei: Here, wees u genadig! dit zal U geenszins geschieden" (Matt.16:22)

       Ongetwijfeld was deze uiting van twijfel en angst ייn van de redenen voor de transfiguratie van onze Here. Die dag werden Petrus, Jakobus en Johannes "ooggetuigen van Zijn majesteit" en hoorden God's stem uit de hemel bevestigen wat zij zagen.

       Wat hadden zij dit nodig vlak voor het kruis! Zij hadden tenslotte geen reden om te twijfelen dat Christus in Heerlijkheid zou regeren op aarde, overeenkomstig de profetie.

                 SAULUS OP WEG NAAR DAMASCUS

       Zoals we weten, waren Petrus en de andere apostelen niet in staat om Israel tot bekering of erkenning te brengen, dat Jezus, de Messias (Christus) was. De tegenstand van de regering tegen hun boodschap werd steeds bitterder, zelfs na Zijn opstanding, totdat tenslotte "het bloed van...Stefanus werd gestort" en daarna nog meer, en steeds meer bloed.

       Hier is het dat wij voor 't eerst lezen van Saulus van Tarsen, want hij was het die de "grote vervolging" inspireerde en leidde, die spoedig uitbrak tegen de Pinkstergelovigen.

       Wat betreft de brutale moord op Stefanus lezen we: "En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood," en in hetzelfde vers, "En er ontstond op die dag een grote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was...En Saulus verwoestte de gemeente;" (Hand.8:1,3).

       In deze bittere vervolging was Saulus van Tarsen ontegenzeggelijk de vertegenwoordiger van Israel's geest van opstand tegen Messias, maar op weg naar Damascus, toen de vervolging op z'n hevigst was, kwam de verworpen Here Zelf tussenbeide en Saulus zag, net als Petrus, de Here verheerlijkt - nu in Zijn hemelse glorie - (een licht van de hemel) en hoorde Zijn stem vanaf de rechterhand van de Vader.

       Maar hoe verschillend waren de onmstandigheden! Petrus had gezien en gehoord dat Jezus inderdaad de Messias was, maar Saulus was Petrus' bitterste vijand wegens het verkondigen van dit feit. Petrus was de leider van de Pinkstergemeente. Saulus was de leider van de hevige vervolging tegen die Gemeente.

       Twee dingen dienen in 't bijzonder te worden opgemerkt over de stem die Saulus hoorde vanuit de hemel. Ten eerste, de verwerping van de Here door Israel stond nu vast. Vףףr de steniging van Stefanus en de opwekking van Saulus als de leider van de opstand, werd aangenomen, of minstens gehoopt, dat Israel zich zou bekeren en de Messias zou aannemen als hun Koning (Hand.1:6-8;2:14-21;36-41;3:19-21). Maar nu, terwijl Israel een meedogenloze vervolging tegen de Gemeente voert, met Saulus die de Gemeente*/ verwoestte, roept de verworpen Here vanuit de hemel, "Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?". Daarna werd het koninkrijk nooit meer aan Israel aangeboden.

*/Uiteraard de Pinkster Gemeente, niet "de Gemeente die Zijn' (Christus) Lichaam is".

       Ten twede dient te worden opgemerkt dat terwijl de Here Saul als Zijn vijand herkent, Hij toch nog met hem in tedere liefde en genade, te doen heeft. In plaats van hem te oordelen redt Hij hem!

       Dit is alles scherp tekenend, want sinds Israel zich tegen de Messias had gekeerd, besloot God hen nu in ongeloof, samen met de heidenen, "opdat Hij hen allen zou barmhartig zijn" (Rom.11:32).

       Jaren later, terugziende, spreekt Paulus van zichzelf als van iemand "die vroeger een lasteraar, en een vervolger, een onrechtvaardige was, maar gaat verder door te verklaren dat "de genade van onze Here meer dan overvloedig" is, eraan toevoegend:

       "Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben."

       Maar let nu nauwkeurig op hoe hij deze verklaring afsluit, want dit hebben de kerken bijna geheel over het hoofd gezien:

       "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven zouden tot het eeuwige leven." (1Tim.13-16).

       Het is moeilijk voor deze schrijver om te begrijpen hoe iemand dit Schriftgedeelte kan lezen zonder te realiseren dat God iets nieuws begon bij de bekering van Saulus. In plaats van Israel en de wereld onmiddellijk te oordelen, toonde God "de uitnemende rijkdom van Zijn genade" door de redding van Saulus, en voegde de tegenwoordige "bedeling van de genade van God" in.

             HET LIJDEN EN DE VERHEERLIJKING

       Wat Petrus zag en hoorde "op de heilige berg" betrof de glorie die hijzelf zou delen bij het regeren van Christus. Wat Paulus echter zag en hoorde, betrof zowel het lijden van de Here als van hemzelf. Degene die Saulus had gevraagd, "Waarom vervolgt gij Mij?" zei tot Ananias, met betrekking tot Saulus, "Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam" (Hand.9:4,16). De Here zou niettemin worden afgewezen, maar Paulus, de zondaar, gered door genade, zou het lijden dragen van Zijn verwerping. Daarom verklaart hij in Col.1:24:

       "Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vlees wat nog overblijft*/ van de verdrukkingen van Christus voor Zijn Lichaam, dat is de Gemeente."

*/ voetnoot: bedoelt is, dat wat nog overblijft - want Christus wordt nog steeds verworpen.

       Welzeker bedoelde Paulus hier niet, dat hij iets kon toevoegen aan het volbrachte werk van de Here tot redding. Het punt is eenvoudig dat Christus nog steeds wordt afgewezen door de wereld, maar inplaats van de tegenstanders onmiddellijk te oordelen, verkoos Hij een Koninklijke Banneling te blijven, en liet Paulus - en ons - hier, als ambassadeurs van Zijn genade. Zo werd nu dus Saulus, de vervolger, de vervolgde, een ambassadeur voor Christus in vijandelijk gebied**/. De twaalven leden natuurlijk eveneens voor Christus, maar altijd in de hoop dat het volk toch nog hun Messias zouden willen ontvangen, terwijl Paulus verklaart dat hij hier gebleven is om een aanbod van genade en verzoening te verkondigen aan een Christus verwerpende wereld.

**/ voetnoot: Handelingen laat Paulus te Rome in gevangenschap, "Een gezant in ketenen". Hoe kon God duidelijker Zijn genade aan Zijn vijanden laten zien?

       Christus wordt nog steeds door Israel en de wereld verworpen, maar wie draagt het lijden van Zijn afwijzing? Dat doen wij - of zouden wij dienen te doen. Wij leven in een wereld die in vijandschap is tegen God en Zijn Zoon. Staande voor de mensen als vertegenwoordigers van Christus, roepen wij:

       "...wij zijn gezanten voor Christus, alsof God door ons bad; wij bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.

       "Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem." (2Cor.5:20-21).

       Israel en de wereld werden beiden van God vervreemd, maar wij zijn hier als ambassadeurs onder vijandige bondgenoten, en smeken hen zich met God te laten verzoenen door Christus, Die voor hen gestorven is.

       Gelijk Paulus bidden wij de mensen, en zeggen eigenlijk: "Christus is hier niet; ge hebt Hem niet gewild. Maar wij zijn hier in Zijn plaats om u te vertellen, dat Hij u liefheeft, en voor u stierf, zodat gij met God verzoend kunt worden."

                 NOGMAALS TWEE STEMMEN

       Wij willen dit hoofdstuk niet beeindigen zonder de stemmen te bespreken die beiden, Petrus en Paulus, hoorden toen zij in vervoering waren. Interressant hierbij is, dat Paulus' ervaring deze keer de Joden betrof en Petrus' ervaring de heidenen! Maar opnieuw zullen we de volmaakte harmonie zien van de Schriften in het onthullen van God's doel.

    PETRUS TE JOPPE                 PAULUS TE JERUZALEM              Hand.10:9-16                      Hand.22:17-22             

  "En de volgende dag...        "En het gebeurde mij, toen ik

klom Petrus op het dak om te   te Jeruzalem teruggekeerd was en

bidden, omtrent het zesde      in de tempel bad, dat ik in zins-uur.                           verrukking kwam,

  "En hij werd hongerig en      "en dat ik Hem zag, en Hij tot

begeerde te eten. En terwijl   mij zei: Spoed u, en ga haastig

zij het bereidden, viel over   uit Jeruzalem, want zij zullen uw

hem een zinsverrukking,        getuigenis van Mij niet aannemen.

  "en hij zag de hemel geop-

end, en een zeker voorwerp      "En ik zei: Here, zij weten dat

tot hem neerdalen, als een     ik in de gevangenis wierp en in

groot linnen laken, aan de     de synagogen geselde, die in U

vier hoeken gebonden en neer-  geloofden.

gelaten op de aarde;

  "daarin waren al de vier-     "En toen het bloed van Stefanus,

voetige dieren van de aarde,   Uw getuige, vergoten werd, dat ik

en de wilde, en de kruipen-    daar ook bij stond, en mede een

de dieren, en de vogels van    welbehagen had in zijn dood, en

de hemel.                      de kleren bewaarde van hen die

  "En er geschiedde een stem   hem doodden.

tot hem: Sta op, Petrus!

slacht en eet.                  "En Hij zei tot mij: Ga heen,

  "Maar Petrus zei: Geens-     want Ik zal u ver tot de heiden-zins, Here! want ik heb nog    en zenden."

nooit iets gegeten dat on-

heilig of onrein was.           "Zij hoorden hem nu tot dit

  "En een stem geschiedde      woord toe, en zij verhieven hun

weer voor de twede maal tot    stem en zeiden: Weg van de aarde

hem: Wat God gereinigd heeft,  met zulk een, want het is niet

zult gij niet onheilig maken.  behoorlijk dat hij leeft.

  "En dit geschiedde tot

drie maal, en het voorwerp

werd weer opgenomen in de

hemel

       Hier opnieuw hoorden Petrus en Paulus elk een stem, maar deze keer elk in zinsverrukking, en beiden terwijl zij in gebed waren.

       De ervaring van Petrus betrof God's doel om tot de heidenen te gaan. Die van Paulus, om zich af te keren van Israel. Beiden spraken God tegen, maar hun beider ervaring benadrukte God's bedoeling, om zich van Israel, tot de volkeren te keren.

       Petrus weerlegde, in zijn afkeer van het onreine, dat hij nog nooit iets onheiligs of onreins gegeten had. Paulus, in zijn verlangen om zijn stamgenoten naar het vlees te winnen, weerlegde dat zij allen wisten dat hij de gelovigen had gevangen genomen en geslagen, en dat hij deel had aan de steniging van Stefanus. Zij zouden zeker naar hem luisteren!

       In elk geval echter bleef de Here bij de uitvoering van Zijn bedoeling. Tegen Petrus zei Hij: "Wat God gereinigd heeft, zult gij niet onheilig maken," en gebood hem om naar het heidens huisgezin van Cornelius te gaan, "niet twijfelende". Paulus antwoordde Hij beknopt: "Ga heen, want ik zal u ver tot de heidenen zenden."

       Wij zijn vrij zeker van het feit dat Petrus niet het geheimenis van God's bedoeling en genade voor deze heidenen verkondigde. Hij wist het niet eens. Hij wist inderdaad zelfs niet waarom God hem zond, en verklaarde enkel aan zijn critici: "Wie ben ik, dat ik God zou wederstaan?" (Hand.11:17).

       Niettemin was hier de opdracht aan Petrus een van de eerste stappen in de onthulling van het geheimenis van God's plan om de volken te zegenen, ondanks Isreal's verwerping van Christus. Hij maakte dit vrij duidelijk, toen hij later, als hij de bediening van Paulus tot de heidenen wilde verdedigen, zei:

"...gij weet dat God lang geleden onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen en geloven" (Hand.15:7). Dit is door de Geest geleide strategie, want hoe konden de Joodse broeders onderwerp zijn van Paulus' heiden-bediening, als hun eigen, door Christus aangewezen leider, uitgezonden was om het evangelie aan een heidens huisgezin te verkondigen, en dat onder omstandigheden die duidelijk bevestigden God's wil te zijn?

       Het was toen Petrus een Oud Testamentische profetie aanhaalde, die alleen betrekking had op het geloof in Christus tot vergeving van zonden (Hand.10:43)*/, dat God zijn rede onderbrak en de Heilige Geest op deze heidenen kwam. Een verbazing wekkend incident! Aldus elk verheugend aspect van de bekering van Cornelius volledig erkennend, mogen we toch niet de volgende belangrijke feiten over het hoofd zien:

       1. Het vond plaats na de bekering van Saulus, die merkwaardigerwijs in het daaropvolgende hoofdstuk wordt vermeld.

       2. Petrus werd niet naar Cornelius gezonden onder de zogenaamde "grote opdracht" maar door een speciale boodschap (Hand.10:17,20,28,29).

       3. God zond Petrus niet naar Cornelius omdat Israel de Messias aannam, maar omdat Israel Hem verwierp. Met andere woorden, het was niet de volgende stap bij de uitvoering van de "grote opdracht", want de apostelen hadden hun bediening aan Jeruzalem nog niet voltooid (Luk.24:47;Hand.1:8;8:1; Noteer: "met uitzondering van de apostelen").

       4. Telkens weer wordt in de geschiedenis van Cornelius benadrukt dat God "geen verschil" had aangebracht tussen Jood en heiden. Dit zal niet meer zo zijn wanneer de "grote opdracht" wordt uitgevoerd (Matt.24:14). Dan zal Christus koning zijn in Jeruzalem, en Israel zal verheven zijn boven alle natiכn. Maar voordat het boek Handelingen tot een slot komt, wordt volledig getoond (door de bediening van Paulus), dat er "geen verschil" is tussen Jood en Heiden, niet wat betreft zonde (Rom.3:22,23) of wat betreft God's genade:

       "Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Here van allen, rijk over allen die Hem aanroepen.

       "Want een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig worden" (Rom.10:12,13).

       5. Het was op basis van Petrus' ervaring dat de bediening van Paulus aan de heidenen, werd erkend door de Gemeente te Jeruzalem (Hand.15,cf.Gal.2).

       Wat Paulus' ervaring betreft, wordt opnieuw benadrukt dat God doende was om redding te zenden aan de heidenen vanwege Israכli's verwerping van Christus. Zoals Paulus ons vertelt, vond dit plaats bij zijn terugkeer naar Jeruzalem, kort na zijn bekering. Aldus wordt getoond dat Israכli's verwerping van Christus nu werd bevestigd, want de Heere zei tot hem: "Zij zullen uw getuigenis van Mij, niet aannemen". De oversten van Israכl, en het volk als geheel, hadden niet naar de twaalven geluisterd; evenmin zouden zij naar Paulus luisteren. God had 'hen besloten in ongeloof" en was bezig Zijn handelen met hen als volk, te doorbreken.

       Zoals wij hebben gezien, verwierp God Israכl, samen met de heidenen, zo dat Hij zou kunnen handelen met Joden en Heidenen als individuen, en in genade. We hebben hierover nog veel meer te zeggen.