EEN FUNDAMENTELE BESCHOUWING

                H O O F D S T U K  II

       A P O S T O L I S C H E   A U T O R I T E I T 

            DE TWAALF APOSTELEN EN PAULUS

       Wij, de leden van het Lichaam van Christus, zullen ons pas verheugen over eenheid in de leer, wanneer we het belangrijke feit erkennen, dat bij Israel's afwijzing van de Messias en Zijn koninkrijk, de twaalf apostelen werden achterhaald door nog een apostel die, als een vertegenwoordiger van de afgewezen, nochtans toch verheerlijkte Here, de tegenwoordige "bedeling van de genade van God" inbracht (Eph.3:1-4).

                 DE TWAALF APOSTELEN

       Ieder Zondagschoolkind weet dat onze Here, toen Hij op aarde was, twaalf apostelen koos om Hem te begeleiden in Zijn bediening. Maar hoeveel predikers op de kansel daarentegen begrijpen waarom Hij er twaalf koos, of wat dit betekent?

       Wat wij allen zouden moeten begrijpen is dat onze Here, toen Hij op aarde was, "het evangelie van het koninkrijk" verkondigde, het goede nieuws van het herstel van Israel's koninkrijk op aarde, maar in groter glorie, en dat in dit koninkrijk de twaalf apostelen met Hem zouden zitten op twaalf  tronen als rechters over de twaalf stammen van Israel (Matt.19:28; Luk.22:28-30).

       Onze Here verklaarde echter aan Zijn discipelen, dat dit koninkrijk niet zou worden gevestigd, dan nadat Hij eerst geleden, gestorven en weer opgestaan was, want de profeten hadden duidelijk "het lijden van Christus en de glorie die daarna zou volgen" voorspeld (1Petr.1:11).

       Toen de apostelen Hem, na Zijn opstanding vroegen, "Zult Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israel weer oprichten?" (Hand.1:6), wijzigde Hij in geen enkel opzicht Zijn belofte, maar zei alleen: "het is niet aan u de tijden en gelegenheden te weten..." (Vers 7) want, menselijk gesproken, was het antwoord op hun vraag nog onzeker. Het hing af van Israel's antwoord op de kwijtschelding waarom onze Here had gebeden vanaf het kruis (Luk.23:34), en aangekondigd op Pinksteren (Hand.2:38,39; 3:19-21; cf.Luk.13:6-9).

                 APOSTOLISCHE VOLMACHTEN

       Met het oog op Zijn komende hemelvaart, gaf onze Here aan de apostelen ambtelijke volmachten, om die in Zijn afwezigheid uit te oefenen. Ondermeer zei Hij tot hen:

       "En Ik zal u geven de sleutels van het koninkrijk der hemelen; en al wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn" (Matt.16:19).

       "Voorwaar zeg ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden zijn; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden zijn" (Matt.18:18).

       "Als gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; als gij iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden" (Joh.21:23).

       Wat is er onder Protestanten over deze verzen al veel geredeneerd; en hoevele pogingen zijn ondernomen om ze weg te redeneren! Maar met de Rooms Katholieke aanspraken hierover, waren hun argumenten weinig steekhoudend.

       Moeten we dan terugkeren naar Rome en onze zielen aan mensen toevertrouwen, mensen die ons alleen maar kunnen zegenen of vloeken zoals zij willen - mensen die niet zoveel over ons weten dan wijzelf? In geen geval!

       De oplossing van dit probleem is er een van bedeling. Aan de apostelen werd volmacht gegeven om ambtelijk te handelen bij afwezigheid van de Messias, tot de vergeving van zonden toe, doch uiteraard plaatsvervangend. Beval Petrus op Pinksteren zijn overtuigde toehoorders niet: "Bekeert u en laat een ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden"? En gingen Petrus en de anderen dan niet voort door hen te dopen, die zich bekeerd hadden?

       Maar, zou dan een sluw iemand de apostelen niet hebben kunnen bedriegen? Nee. Kon Ananias hen bedriegen? Hij werd dood uitgedragen! Maar kon er dan geen fout gemaakt worden? Nee, want "zij waren allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4), en aan hen werden bijzondere, wonderlijke krachten gegeven, met inbegrip van de "gave van kennis"*/

*/ voetnoot: Dit onderwerp wordt uitvoeriger besproken in de brochure van de auteur, The Apostolic Authority of the Twelve.

       Zoals we weten, viel Judas "vanwege overtreding", maar in gehoorzaamheid aan de Schrift brachten Petrus en de andere apostelen en discipelen weldra het getal van de apostelen weer tot twaalf. Als resultaat "werd Matthias... bij de twaalven gerekend...En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.1:15-2:4).**/

**/ voetnoot: De vraag of Paulus de plaats van Judas zou hebben ingenomen, wordt uitvoerig elders in dit boek besproken. Maar het feit dat zij allen vervuld werden met de Heilige Geest is bewijs genoeg dat Matthias God's keuze was.

                   EEN ANDERE APOSTEL

       Maar omdat zich duizenden tot Christus bekeerden onder de bediening van de twaalven, bleef het volk, en in het bijzonder de leidslieden, verhard in hun afwijzing van Christus en Zijn regering. Tenslotte werd Stefanus gestenigd en een grote vervolging ontstond tegen de volgelingen van Christus. In antwoord hierop verwekte God nog een andere apostel, Paulus, om een nieuwe en onderscheiden bedeling in te voegen, "de bedeling van de genade van God" (Eph.3:1-3). Aldus begon de "verwerping" van Israel voor een bepaalde tijd (Rom.11:13-15,25).

       Dat Paulus een onderscheiden boodschap verkondigde, die nimmer tevoren verkondigd was, is duidelijk uit vele van zijn geschriften, maar we citeren hier zijn belangrijke verklaring in Gal.2:2,9:

       "En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het evangelie voor dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben...en toen Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die aan mij gegeven was, erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan."

       In geen geval kan de boven aangehaalde passage zo worden weergegeven dat zij bedoelt dat Paulus naar Jeruzalem ging om "met de apostelen daar te checken", teneinde zeker te zijn dat zij allen hetzelfde predikten.

       De passage vertelt ons dat Paulus ging "door een openbaring". Hij werd door God gezonden. En daar aangekomen, zegt hij, "(Ik) stelde hun voor "het evangelie dat ik predik onder de heidenen". De woorden "het evangelie dat ik predik" bestempelen zeer zeker zijn boodschap als verschillend  van de hunne. Maar er is nog meer. Hij zegt: "(Ik ging) in het bijzonder tot hen die in aanzien waren, opdat ik niet misschien tevergeefs zou lopen of gelopen hebben". Waarom zou hij dit doen als zijn boodschap dezelfde was als van hen? Maar om de gebeurtenis te completeren, lezen we verder, dat Jakobus, Cefas (Petrus) en Johannes, ziende de deugdelijkheid van zijn bediening, hem en Barnabas in het openbaar de hand gaven, daarmee plechtig en officieel toestemmend dat Paulus tot de heidenen zou gaan, terwijl zij hun bediening tot Israel zouden bepalen.

       Zo stemden zij, die oorspronkelijk tot "alle volkeren" en "de gehele wereld" gezonden waren, er in toe dat er een verandering had plaats gevonden. God had Paulus aangewezen om naar de heidenen te gaan met "het evangelie van de genade van God", zodat zij nu hun bediening zouden beperken tot "de besnijdenis". Zo maakten zij zich in feite los van hun "grote opdracht", en werd duidelijk, dat wat zij op aarde plechtig en openbaar hadden ontbonden, ook in de hemel ontbonden werd.

                  DE AANSPRAKEN VAN PAULUS

       Paulus' eigen, door de Geest geinspireerde aanspraken op het onderscheiden karakter van zijn bediening als de apostel der heidenen, laten geen ruimte voor twijfel in deze zaak. Beschouw het volgende voorbeeld:

       Rom.11:13: "Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel van de heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk."

       Gal.1:11,12: "Maar ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij verkondigd is, niet is naar de mens.

       "Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus."

       Eph.3:1-3: "Om deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, die heidenen zijt.

       "Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling van de genade van God, die mij gegeven is voor u.

       "Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid,..."

       Col.1:25: "...waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de bedeling van God die mij gegeven is voor u, om te vervullen het Woord van God."

       1Tim.2:5-7: "Want er is één God, er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus,

       "Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, volgens het getuigenis te zijner tijd,

       "waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus en lieg niet), als leraar van de heidenen in geloof en waarheid".

       Tit.1:2,3: "In de hoop van het eewige leven, dat God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, vóór de tijden van de eewen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd,

       "namelijk Zijn Woord door de prediking die mij toevertrowd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker"

               TWAALF STAMMEN EN EEN LICHAAM

         DE TWAALVEN EN PAULUS ALS VERTEGENWOORDIGERS

       Er is veelal geleerd, dat de twaalf apostelen de Gemeente van deze bedeling vertegenwoordigen, net zoals de twaalf aartsvaders Israel vertegenwoordigden.

       Dit komt gewoonlijk voort uit dezelfde oude traditie, dat Pinksteren het begin van het Lichaam van Christus kenmerkte, maar het is absoluut zonder Schriftuurlijke grond.

       In Matth.19:28 wordt duidelijk gesteld dat de twaalf apostelen het volk Israel vertegenwoordigden.

       "En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen om de twaalf stammen Israels te oordelen."

       Deze belofte werd zonder voorwaarde door Christus de Koning, aan de twaalf apostelen gegeven, en Hij zal deze zeker vervullen. God had een andere apostel om het lichaam van Christus te vertegenwoordigen. Dat was Paulus. Hen die dit betwijfelen zouden wij de vraag willen stellen: Als de twaalf apostelen de Gemeente van deze bedeling vertegenwoordigden, en als hun boodschap op Pinksteren drie duizend zielen in Het Lichaam van Christus inbracht - waarom dan nog Paulus?

       De Schrift leert duidelijk, dat zoals de twaalven Israel vertegenwoordigden (Matt.19:28), zo vertegenwoordigde Paulus het Lichaam van Christus (Col.1:24,25).

       Laten we Paulus eens onderzoekend beschouwen.

       Was hij een Jood of een heiden?

       U zegt: "Hij was een Hebreër".

       Juist, was hij een geboren Hebreër of een genaturaliseerde Hebreër?

       O, zegt u: "Hij was een geboren Hebreër, 'van de stam Benjamin.'"

       Was hij dan een echte of zomaar een Hebreër?

       U antwoordt opnieuw: "Hij was 'een Hebreër uit de Hebreërs.'"

       Maar wacht even, Paulus was ook een Romein!

       Na zijn middernachtelijke ervaring te Philippi bracht hij schrik in de harten van de oversten daar, door te zeggen:

       "Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu in het geheim daaruit? Niet zo, maar laten zij zelf komen en ons uitleiden." (Hand.16:37).

       Dus was hij zeer zeker een Romein!

       In Hand.21:39 vertelt hij aan de hoofdman in Jeruzalem: "Ik ben een Joods man uit Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad", en in het volgende hoofdstuk zegt hij tegen een hoofdman over honderd:

       "Is het u geoorloofd een Romeins mens, en die onveroordeeld, te geselen? Toen nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij heen en boodschapte het aan de overste en zei: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein.

       "En de overste kwam en zei tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zei: Ja.

       "En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben een burger door geboorte.

       "Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij vernam dat Hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden" (Hand.22:25-29).

       Dus was Paulus een echte Hebreër, maar ook een echte Romein; godsdienstig een Hebreër, en politiek een Romein.

       Hij was een geboren Hebreër en een geboren Romein.

       Wat een passende vertegenwoordiger van de Gemeente van deze bedeling! Een representant van Jood en Heiden in één persoon! Dat is precies wat de Gemeente van vandaag is: een "samengevoegd lichaam", samengesteld uit gelovige Joden en Heidenen. Bovendien was Paulus een vijand van Christus geweest, nu goddelijk verzoend door genade, en dat is precies wat de Gemeente vandaag is:

       Eph.2:14 "Want Hij is onze vrede, Die deze BEIDEN EEN gemaakt heeft..."

       Eph.2:15 "...opdat Hij die TWEE in Zichzelf TOT EEN NIEUWE MENS zou scheppen..."

       Eph.2:16 "en opdat Hij DIE BEIDEN met God in EEN LICHAAM zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood heeft."