De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XIV

PAULUS EN ZIJN VOORGANGERS EEN STUDIE OVER DE BREDERE ASPEKTEN

VAN ZIJN BOODSCHAP EN BEDIENING

Voor de onbevooroordeelde lezer van Gods Woord bestaat er een overtuigend bewijs dat het geheim van God's eeuwig doel en genade, het eerst door openbaring werd overgegeven aan de Apostel Paulus, opdat hij het, op zijn beurt, zou bekend maken aan anderen.

Niet alleen verklaarde Paulus zelf dit door goddelijke inspiratie, maar zijn verklaringen worden volledig bevestigd, door een vergelijking van zijn boodschap en bediening, met de boodschappen en bedieningen van zijn voorlopers.

Maar vanwege bepaalde in dit verband te onderscheiden zaken, voelen we dat er te weinig aandacht is gegeven aan de bredere aspekten van zijn boodschap en bediening in vergelijking met die van zijn voorgangers. Deze grote, heerlijke waarheden die hij gehouden was te onthullen, waren het blijvend onderwerp van zijn verhandeling in zijn brieven, en zijn leven en gedrag kwamen volledig overeen met deze waarheden en met de bedeling die werd ingevoegd.

DE BEDELING VAN GENADE

  Laat ons beginnen met de bedeling, of het bedelen van genade.

Ons wordt soms gevraagd; Hebben niet anderen vףףr Paulus gesproken van genade?

Ja, vףףr Paulus spraken anderen van genade, maar voordat we hierover te veel zouden zeggen, willen wij een paar basisgegevens beschouwen:

Het is niet alleen Paulus, maar het geinspireerde Woord, dat verklaart dat "de bedeling van God's genade" hem werd overgegeven (Eph.3:2), en dat het zijn "bediening...gekregen van de Here Jezus" was, om "het evangelie van God's genade" (Hand.20:24) bekend te maken. DEZE AANSPRAAK WERD DOOR, OF VOOR, GEEN VAN ZIJN VOORGANGERS GEMAAKT, evenmin heeft een van hen ook zelfs maar de bedeling of het evangelie van God's genade genoemd, voor zover blijkt uit het getuigenis.

Voor de gelovige zou dit gegeven bepalend moeten zijn. Paulus was het uitverkoren vat, speciaal opgewekt om de boodschap en het programma van de genade te verkondigen.

Maar voor hen die aarzelen om deze geinspireerde  verklaringen op het eerste gezicht aan te nemen, hebben we nog een belangrijk gegeven in het feit dat GEEN ANDERE BIJBELSCHRIJVERS - ZELFS GEEN VAN HEN ALLEN - ZOVEEL HEEFT TE ZEGGEN OVER GENADE.

Het Hebreeuwse equivalent van Paulus' woord voor "genade", wordt slechts 68 malen in het gehele Oude Testament gevonden, (dat bijna twaalf maal zo groot is als Paulus' brieven inclusief Hebreeכn), en dan niet altijd in verbinding met God's genade, en nimmer met "de bedeling van genade".

In de "Vier Evangeliכn" (bijna tweemaal de grootte van Paulus' brieven) verschijnt het woord genade (Gr., charis), met haar afleidingen, in het origineel slechts 13 maal voor, (veel minder dikwijls in de Engelse K.J.V.) en dan zelden in verband met de leer, nog minder in verband met bedeling.

In vergelijking zouden de brieven van Paulus slechts een twaalfde van het oude Testament, en de helft van de "Vier Evangeliכn beslaan; het woord genade en haar afleidingen komt er niet minder dan 144 keren in voor, meer keren dan de hele rest van de Bijbel samen, meer dan tweemaal zo veel als het hele Oude Testament (12 malen zo groot), en ongeveer 11 malen zo dikwijls als in de "Vier Evangeliכn" (tweemaal de grootte). Bovendien wordt in Paulus' brieven het woord genade bijna altijd in lerende zin gebruikt, in verbinding met "de bedeling van de genade van God".

Elke brief ondertekend met de naam van Paulus, opent met een verkondiging van "genade en vrede van God onze Vader en van de Here Jezus Christus". In zijn brieven vinden we, dat wij zijn "om niet gerechtvaardigd uit Zijn (God's) genade" (Rom.3:24), dat "waar de zonde toenam, daar is de genade veel overvloediger geweest" (Rom.5:20), "dat genade zou heersen" (Rom.5:21). Daar lezen we dat wij zijn, "niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom.6:14), dat "God is machtig alle genade overvloedig te doen zijn" in ons, opdat wij zouden "overvloedig mogen zijn tot alle goed werk" (2Cor.9:8), dat het God's bedoeling is voor "de toekomende eeuwen", te betonen "de uitnemende rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus" (Eph.2:7). En we zouden als maar door kunnen gaan met het aanvullen van het feit, dat "de bedeling van God's genade" inderdaad in het bijzonder aan Paulus werd toevertrouwd, om deze aan ons bekend te maken.      

Een onderzoek van het boek Handelingen openbaart een overeenkomstige gelijkheid. Daar wordt het woord genade, in het origineel, vier keren gevonden vףףr de opwekking van Paulus, en twaalf malen daarna. Vףףr de opwekking van Paulus wordt het niet eenmaal in verband met de bedeling van genade of voor redding door genade gebruikt, maar later in Handelingen, na zijn bekering, wordt het woord niet alleen meermalen gebruikt, maar onmiddelijk verschijnt het in verband met de bedeling van genade.        

Toen Barnabas "de genade van God zag" bij het redden van heidenen in Syrisch Antiochiכ, "werd hij verblijd" (Hand.11:23). Toen Joden en gelovige proselieten in Pisidisch Antiochiכ Paulus' bekendmaking van redding door Christus zonder de wet, ontvingen, "vermaanden hij en Barnabas hen "te blijven bij de genade van God" (13:38,39,43). In Iconium gaven Paulus en Barnabas vrijmoedig getuigenis van "het Woord van Zijn genade" (14:3). Later bevestigde Petrus de boodschap van Paulus door zijn overtuiging in het openbaar: "Wij (Joden) geloven door de genade van de Here Jezus Christus zalig te worden op dezelfde wijze als ook zij (de heidenen)" (15:11). In Achaje heeft Apollos, "veel toegebracht aan hen, die geloofden door de genade" (18:27). Op zijn weg naar Jeruzalem verklaarde Paulus zijn beslissing om zijn door Christus gegeven opdracht te vervullen, om "te betuigen het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24), en daarna beval hij de Ephezische oudsten aan "het woord van Zijn (God's) genade" (20:32).  

                   DE PREDIKING VAN HET KRUIS

  Laat ons vervolgens Paulus' presentatie van de dood van de Here Jezus Christus beschouwen.      

Het was weer door goddelijke openbaring dat de Apostel Paulus er aanspraak op maakte dat "de prediking van het kruis", de zijne was, t.w. als goed nieuws, en dat het thema van zijn boodschap was "Christus gekruisigd" (1Cor.1:18,23). DEZE AANSPRAAK WERD DOOR GEEN VAN ZIJN VOORLOPERS GEMAAKT. Bovendien is deze aanspraak ook uitvoerig bevestigd, door een vergelijking van zijn geschriften met die van zijn voorgangers.       

In de Oud Testamentische Geschriften zijn de voorzeggingen van de dood van onze Here, vanaf Gen.3:15, met bedoeling verborgen in duisternis, en ons wordt uitvoerig verteld dat, terwijl de profeten zelf "ijverig onderzochten", zij niet ontdekten, op "welke of wat voor tijd" of zelfs "wat" de Geest "beduidde en tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid die daarna volgt." (1Petr.1:10-12).       

Het is hetzelfde met de Oud-Testamentische typeringen van de dood van de Here. Wij kunnen nu hierop terugzien, en uitroepen "God had dit steeds in gedachten!", maar ons wordt niet verteld, door geen enkele instantie, of waar ook, dat zij in die dagen werden geinformeerd, of ook begrepen, dat de dood van Christus werd voorgesteld.       

Toen onze Here op aarde verscheen begon Hij er zelfs niet aan, om Zijn apostelen te vertellen dat Hij moest lijden en sterven, dan vlak voor het einde van Zijn bediening (Matt.16:21; Mark.8:31; Luk.9:22), en dan lezen we: "En Petrus nam Hem tot zich en begon Hem te bestraffen en zei: Here, wees U genadig! (dat zij verre van U, K.J.V.) dit zal U geenszins geschieden" (Matt.16:22). Zo onwetend waren de eigen apostelen van onze Here zelfs omtrent het geprofeteerde feit van Zijn dood (laat staan de betekenis hiervan), dat later, zelfs in de schaduw van het kruis, toen Hij hen opnieuw vertelde hoe Hij moest lijden en sterven en opstaan, zij nog steeds niet begrepen. "En zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet wat gezegd werd" (Luk.18:34).  

In feite hadden zij, zelfs met Pinksteren, toen de dood van Christus een historisch feit geworden was, de volle vervulling nog niet verstaan.       

In de eerste hoofdstukken van Handelingen vinden we de dood aan het kruis tot redding nog niet gepredikt. Er wordt meer over gesproken als een zaak van schaamte, die berouwd diende te worden. Petrus biedt zijn toehoorders niet Christus bloed tot vergeving van zonden aan. Hij beschuldigt hen voor de bloedstorting en eist bekering en doop tot vergeving van zonden.      

Maar met de opwekking van Paulus is alles veranderd. De kruisiging neemt een nieuwe, wonderbare betekenis aan. Het kruis, het bloed, de dood van Christus worden zelfs het thema van zijn boodschap. Voortdurend spreekt hij ervan, niet in verborgen betekenissen, maar in open verklaring, als goed nieuws, als datgene waarom God's eeuwige bedoeling draait, en waaruit alle zegeningen voortvloeien.       

GEEN ANDERE BIJBELSCHRIJVER HEEFT ZOVEEL TE ZEGGEN OVER DE DOOD VAN CHRISTUS.

Door de inspiratie van de Geest vertelt ons de Apostel dat: Toen we nog krachteloos waren, is Christus voor de goddelozen gestorven (Rom.5:8).

Terwijl wij nog zondaars waren, stierf Christus voor ons (Rom.5:8).

Toen wij vijanden waren, werden wij verzoend door God, door de dood van Zijn Zoon (Rom.5:10).

               Wij zijn gered door geloof in Zijn bloed (Rom.3:25).

               Wij hebben verlossing door Zijn bloed (Eph.1:7).

               Wij zijn gerechtvaardigd door Zijn bloed (Rom.5:9).

               Wij zijn verzoend met God in het lichaam van Zijn vlees, door de dood (Col.1:21,22).

               Wij hebben vrede door het bloed van Zijn kruis (Col.1:20).

               Wij zijn nabij geworden door het bloed van Christus (Eph.2:13).

               Wij zijn gedoopt in Zijn dood (Rom.6:3).

               Wij zijn verbonden in ייn lichaam door het kruis (Eph.2:16).

Het verbond der Wet werd aan het kruis genageld (Col.2:14). Door de dood heeft onze Here te niet gedaan degene die het geweld van de dood had (Hebr.2:14).

Hij stierf opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem, Die voor hen gestorven en opgewekt is (2Cor.5:15). Hij stierf opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, samen met Hem leven (1Thess.5:10). Christus gekruisigd, is de kracht van God en de wijsheid van God (1Cor.23,24).

Wij zouden roemen, alleen in het kruis (Gal.6:14).

Wij zouden verkondigen de dood van de Here (aan Zijn tafel) totdat Hij komt. (1Cor.11:26).

Ziende op het bovenstaande - en op nog veel meer - is het niet verwonderlijk dat de boodschap van Paulus genoemd wordt "de prediking van het kruis".

DE WANDEL VAN DE GELOVIGE

Met het oog op het brede onderwerp van het geestelijk leven en gedrag van de gelovige, het volgende: GEEN ANDERE BIJBELSCHRIJVER WIJDT ZO'N GROOT DEEL VAN ZIJN LERINGEN AAN HET ONDERWERP VAN DE  GELOVIGE WANDEL.

Mozes had veel te zeggen over God liefhebben en Zijn geboden gehoorzamen, maar het werd duidelijk dat de Mozaische Wet geen resultaten zou afwerpen, als God ze "dood"*/ verklaarde en beloofde een nieuw verbond met Zijn volk te maken, waaronder Hij zo in hen zou werken, dat zij spontaan Zijn wil zouden doen (Jer.31:31-34; Ezech.36:26,27; merk op het woord "maken").

Op Pinksteren was er een voorsmaak van deze koninkrijks-zegen, toen de Heilige Geest maakte dat de discipelen van Christus profeteerden, en ook maakte dat zij Zijn wil deden, overeenkomstig Zijn belofte.

_________

*/ Voetnoot: "Als Hij zegt: Een nieuw verbond, dan heeft Hij het eerste oud gemaakt" (Hebr.8:13).

Wij zien dan ook in de eerste hoofdstukken van Handelingen de apostelen en discipelen geen zonden doen, noch fouten maken. Zij waren allen VERVULD met de Geest (Hand.2:4), volstrekt onder Zijn contrפle.

Zo toonde God het feit, dat de enige weg, waarin ook de Zijnen Hem volkomen gehoorzamen, is wanneer Hij bezit neemt van hen en maakt dat zij Zijn wil doen.

Zoals wij echter weten, verwierp Israel de Koning en Zijn koninkrijk, en dit handelen van de Heilige Geest hield op. Vandaag neemt Hij zo niet langer bezit van mensen, door te maken dat zij op bovennatuurlijke wijze profeteren en in tongen spreken, of Zijn wil doen.

Maar in God's genade werd Paulus opgewekt om te tonen hoe zelfs in "deze tegenwoordige boze tijd" wij geestelijke overwinning zouden hebben door genade door geloof, want omdat de Geest niet maakt dat wij automatisch God's wil doen, woont Hij in ons, altijd gereed om te helpen, en wat aldus wordt verstrekt door genade, mogen wij ons toeeigenen door geloof. Wat een uitdaging!

Dit is het waarom de Apostel Paulus zo veel te zeggen heeft over het werk van de Geest nu, en over ons geestelijk leven en gedrag nu, in deze tijd van verwerping van Christus. Hierom worden de doctrines in elk van zijn brieven aan de gemeenten, gevolgd door praktische aanvullingen voor ons gedrag in "deze tegenwoordige boze tijd".

Hoeveel zouden we kunnen citeren uit Paulus geschriften om deze feiten te ondersteunen! Hier volgen slechts enkele toonbeelden: "...houdt het daarvoor dat gij wel voor de zonde dood zijt, maar voor God levend in Christus Jezus, onze Here. "Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam om haar te gehoorzamen in de begeerten van dat lichaam. "En stelt uw leden niet voor de zonde tot wapens van de ongerechtigheid; maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en stelt uw leden voor God tot wapens van de gerechtigheid. "Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade" (Rom.6:11-14).

"De wet van de Geest, van het leven in Christus Jezus, heeft mij vrij gemaakt van de wet van de zonde en de dood" (Rom.8:2). "En indien de Geest van Hem, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest, Die in u woont. "Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees om naar het vlees te leven" (Rom.8:11,12).

"Of weet gij niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die gij van God hebt, en dat gij van uzelf niet zijt? "Want gij zijt duur gekocht: verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn" (1Cor.6:19,20). "Zo bid ik u dan, ik de gevangene in de Here, dat gij wandelt waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt, "en met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkaar in liefde te verdragen, "U te beijveren te behouden de eenheid van de Geest door de band van de vrede" (Eph.4:1-3).

Hieraan zou nog veel meer toegevoegd kunnen worden om te laten zien hoe niemand vףףr Paulus, de waarheden van de praktische heiliging van de gelovige door gelovig toeeigenen van de werking van de Heilige Geest in zijn leven, predikte zoals Paulus deed. Hoe heel dit groeiende getuigenis, Paulus kenmerkt als degene die speciaal door God was opgevoed om de bijzondere waarheden voor de huidige bedeling, bekend te maken!

Maar er is nog meer getuigenis van een andere aard.

EEDZWEREN VAN PAULUS

Hoe dikwijls spreekt Paulus met een eed!

               "God is mijn getuige" (Rom.1:9).

               "Ik zeg de waarheid in Christus; ik lieg niet" (Rom.9:1).

               "Doch God is getrouw..." (2Cor.1:18).

               "Doch ik roep God aan tot een Getuige over mijn ziel" (2Cor.1:23).

               "De waarheid van Christus is in mij..." (2Cor.11:10).

               "De God en Vader van onze Here Jezus Christus, Die geprezen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg" (2Cor.11:31).

               "Zie, ik getuig voor God, dat ik niet lieg" (Gal.1:20).

               "Want God is mijn Getuige" (Phil.1:8).

               "Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet" (1Tim.2:7)

               "Ik betuig voor God, en de Here Jezus Christus"(1Tim.5:21)

               "Ik beveel u voor God" (1Tim.6:13).

               "Ik betuig dan voor God en de Here Jezus Christus" (2Tim.4:1).

Zoals Dean Howson het zegt: Wanneer hij (Paulus) plechtig een verklaring aflegt onder het besef van God's tegenwoordigheid, aarzelt hij niet om dit uit te drukken" (Hulseon Lectures for 1862, P.160, Een belangrijk commentaar op Matt.5:33-37).

Maar hebben ook niet anderen onder het besef van God's tegenwoordigheid gesproken? Inderdaad zegt Petrus, door de Geest: "Indien iemand spreekt, laat die spreken als de woorden van God" (1Petr.4:11). Zelfs een oppervlakkig lezen van de Schriften zal openbaren dat PAULUS GOD VEEL MEER TOT GETUIGE ROEPT DAN ENIG ANDER BIJBELSCHRIJVER en meestal met betrekking tot zijn persoonlijke integriteit. Waarom is dit zo? Waarom was hij steeds genoodzaakt met een eed te spreken?

Het antwoord op deze vraag is opnieuw te vinden in het bijzondere karakter van de bediening van de Apostel als de openbaarder van het geheimenis.

Johannes de Doper was niet genoodzaakt onder ede te spreken, want hij verkondigde het koninkrijk, dat reeds door de Oud-Testamentische profeten was aangekondigd. De vier evangelisten behoefden niet onder ede te spreken want zij beeldden onze Here af, als de geprofeteerde Messias. Petrus, op Pinksteren, kon aanwijzen dat "dit" was, "dat wat gesproken was door de profeet Joכl" (Hand.2:16); waarom zou het nodig zijn dat hij zou zweren de waarheid te spreken? Bovendien waren zowel hij, als zijn metgezellen, allen klaarblijkelijk onder de contrפle van de Heilige Geest (Hand.2:4).

Maar met Paulus was het een andere zaak. Apart van de twaalven, die wijd en zijd bekend waren als de apostelen van Christus, was Paulus opgewekt om een wonderbaar geheim bekend te maken, dat voor allen die voorheen geweest waren, verborgen gehouden was. Terwijl het in genen dele een tegenspraak van profetie was, werd niettemin dit geheimenis niet in de uitspraken of geschriften van enige voorloper van hem gevonden. Bovendien bracht de openbaring van "dit geheimenis" een revolutionaire omkeer in boodschap en programma met zich - een nieuwe bedeling. Vandaar dat de Apostel telkens weer moest betuigen, dat hij schreef als in de tegenwoordigheid van God.

        PAULUS' GEWETEN

Op dezelfde basis was Paulus zeer gevoelig voor het geweten en leerde anderen om zo te zijn. Inderdaad, weer HEEFT PAULUS MEER TE ZEGGEN OVER HET GEWETEN DAN ENIG ANDER BIJBELSCHRIJVER.

We hebben reeds gezien hoe hij in Rom.9:1 zweert bij de naam van Christus dat hij niet liegt, maar hij vervolgt: "terwijl mijn geweten meegetuigt door de Heilige Geest"

  In Hand. 23:1 vinden we hem "met de ogen op de raad", zeggende: "Mannen broeders, ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag" (zie ook 2Tim.1:3).

Hij was gewetensvol geweest (hoewel eigenlijk verkeerd) in zijn vervolging van Christus (Hand.26:9) en omdat het duidelijk is dat hij niet werd gered door gehoorzaamheid aan zijn geweten, kwam deze karaktertrek temeer uit na zijn wedergeboorte en verlichting door de Heilige Geest.

Tot Felix kon hij zeggen:  "Hierin oefen ik mijzelf, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen" (Hand.24:16).

En hij bewees dit aan Felix zelf, toen hij weigerde toe te geven aan de verleiding om de vrijheid te zoeken, door hem steekpenningen te geven (Hand. 24:26).

Aan de Corinthiכrs kon hij schrijven: "Want onze roem is deze, namelijk het getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoud en oprechtheid voor God, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij u" (2Kor.1:12).       

En dit is een beeld van vele dergelijke Schriftpassages. 

Verder spreekt hij de gewetens van anderen aan: "...niet wandelen in arglistigheid en het Woord van God niet vervalsen, maar wij maken door openbaring van de waarheid onszelf aangenaam bij alle gewetens van de mensen, in de tegenwoordigheid van God (2Cor.4:2).      

Timotheus werd bemoedigd om het geloof te bewaren "en een goed geweten" (1Tim.1:19), en werd eraan herinnerd dat de diakenen "het geheimenis van het geloof in een zuiver geweten" zullen bewaren (1Tim.3:9).      

Sprekend over de verhoudingen van gelovigen onder elkaar, smeekt de apostel hen, bedacht te zijn, niet alleen op hun eigen, maar ook op de gewetens van anderen (1Cor.8:7-12; 10:25-29).      

Het is van belang op te merken dat de Apostel zowel gewetensvolheid toonde, als vermaande, speciaal waar sprake was van financiele zaken. Niet alleen bemoedigde hij anderen om "zorg te dragen voor wat eerbaar is voor alle mensen" (Rom.12:17), maar hijzelf deed dit ook. Met het oog op de grote bijdragen die door de heidengemeenten werden gegeven voor de heiligen in Jeruzalem, schreef hij aan de Corinthiכrs dat hij, samen met Titus (gezonden om hun collectes in te zamelen), hij nog een broeder meezond die goed bekend stond bij alle gemeenten en door hen was aangewezen om met hem de gave naar Jeruzalem te brengen; "Om te voorkomen, dat iemand ons zou lasteren in deze overvloed, die door ons wordt bediend. "Daar wij zorg dragen voor wat eerlijk is, niet alleen voor de Here, maar ook voor de mensen" (2Cor.8:20,21).

  Inderdaad had hij reeds aan hen geschreven: "En wanneer ik daar aangekomen ben, zal ik hen, die gij bekwaam acht, met brieven zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen. "En indien het de moeite waard is, dat ik ook zelf reis, dan zullen zij met mij reizen" (1Cor.16:3,4).

   Wijst dit alles er niet op dat het programma van het koninkrijk onderbroken was geworden en dat de bedeling van de genade ingevoegd was?

   Dit soort waarschuwingen en vermaningen zouden overbodig zijn geweest en ook collectes, als het Pinksterprogramma ononderbroken was doorgegaan, want toen,

"...was de menigte van hen die geloofden, ייn hart en ייn ziel; en niemand zei dat iets van wat hij had, zijn eigen was, maar alle dingen hadden zij gemeenschappelijk..."Want er was ook niemand onder hen die gebrek had..." (Hand.4:32-34).       

Onder zulke, door de Geest gecontroleerde condities, was het overbodig om iemand te waarschuwen, het geweten van de ander in acht te nemen. Zij leefden allen voor elkaar. Ook was het niet nodig hen te vermanen hun eigen geweten in acht te nemen. Zij waren allen vervuld met de Heilige Geest. Inderdaad werden twee, die zich bij het gezelschap trachten te voegen op een wijze waarbij het geweten niet in acht werd genomen, dood neergeworpen (Hand.5:1-11). Het zou op dezelfde wijze overbodig zijn geweest om Petrus en zijn broeders te vermanen, de waarheid in een zuiver geweten te bewaren, want, vervuld met de Geest, spraken zij "zoals de Geest hun gaf uit te spreken".

Maar de bovennatuurlijke manifestaties van Pinksteren zijn voorbij gegaan, en we leven nu onder de bedeling van genade. Het is dan ook zeer toepasselijk dat onze Apostel zoveel te zeggen heeft over geweten, daarmee ons steeds aansporend om altijd persoonlijke integriteit te bewaren, en de nodige consideratie te tonen voor het geestelijk welzijn van anderen, aldus de vruchten van genade tonend.

HET LIJDEN VAN PAULUS

Laat ons tenslotte nog een aspect beschouwen waarin Paulus wordt onderscheiden van al zijn voorgangers: zijn lijden.

Erkend wordt dat geen menselijk lijden ook maar te vergelijken is, met het lijden van onze Here en Heiland Jezus Christus. Hij droeg het oordeel dat een wereld in de hel zou doen verzinken. Maar onder sterfelijke mensen in de dienst van God, heeft niemand meer geleden dan Paulus. Voor zover het getuigenis betreft, LEED PAULUS MEER DAN EEN VAN ZIJN VOORGANGERS.

We hebben tenminste een geinspireerde vertrouwelijke kennisgeving hiervan, in het getuigenis van de eigen woorden van onze Here aangaande Saulus: "...Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam" (Hand.9:16).

Maar nogmaals, dit feit wordt uitvoeriger bevestigd door een vergelijking van het getuigenis van Paulus' lijden met dat van zijn voorgangers.

Hoe kunnen we beginnen met op te sommen waar Paulus door moest, vanaf zijn ontsnapping over de muur van Damaskus (Hand.9:23-25), tot die uren van wachten in de Romeinse gevangenis op zijn terechtstelling als misdadiger (2Tim.4:6)? Laat het voldoende zijn te zeggen, dat ook ten tijde dat hij twee van zijn eerdere brieven, die aan de Corinthiכrs, geschreven had, hij anderen reeds had overtroffen in de vervolgingen en het lijden dat hij gedragen had voor Christus. Schrijvend aan de Corinthiכrs, zegt hij van zichzelf en zijn metgezellen:

"...want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld en de engelen en de mensen. "Wij zijn dwazen om Christus' wil...wij zijn zwakken...wij zijn veracht. "Tot op dit ogenblik lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, "en arbeiden, door met onze eigen handen te werken; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen. "Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsel van de wereld en aller afschrapsel tot nu toe (1Cor.4:9-13).

Dat dit "wij" meestal op hem zelf slaat is duidelijk uit de lange, gedetailleerde lijst die ons wordt gegeven in de volgende brief (2Cor.11:23-33) over al het lijden dat hij persoonlijk tot die tijd te verduren had. Deze lijst wordt meestal te vlug gelezen. Een weinig stilstaande bij de details: de geselingen, de slagen, de steniging, de schipbreuken, de vermoeiende reizen, de gevaren van overstromingen, rovers, Joden, heidenen, de gevaren in de stad, in de woestijn, op zee, tussen valse broeders, de uitputting, de pijn, het vele waken, de honger, de koude, de naaktheid, en dan, "de zorg voor alle gemeenten" - een weinig stilstaan bij elk van deze bepaalde details in zijn leven van vervolging en lijden, zal spoedig verklaren waarom hij uitriep: "Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek als een onwijze) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar menigmaal...Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geכrgerd, dat ik niet brand?" (2Cor.11:23-29).

Dit zicht is uiteraard eenzijdig, maar om de lichtende zijde van het lijden van de Apostel aan te tonen, moeten we eerst weten waarom hij dit alles leed.

Wij moeten bedenken dat hij Israel en de wereld geleid had in de opstand tegen de Zoon van God. Als de vurige leider van deze opstand had hij "de gemeente verwoest", haar "uitermate vervolgd" (Gal.1:13), totdat zijn handen dropen van het bloed van de martelaren.

Hierin toonde hij slechts de houding van de wereld ten opzichte van Christus, maar toen de wereld rijp was voor het voorzegde oordeel, de tijd van God's wraak, kwam God genadig tussenbeide, Saulus van Tarsen reddend in plaats van oordelend, en hem uitzond om verzoening aan te bieden aan Zijn vijanden uit genade door geloof.

Uit de aard der zaak zou Saulus nu, als ambassadeur van genade onder vijandelijke vreemden, hetzelfde leed hebben moeten dragen wat hij anderen had toegebracht. Dit gedurig leed echter was eigenlijk "het lijden van Christus", het blijvend gevolg van de vijandschap van de wereld tegen God en Zijn Christus. Dit verklaart een anderszins moeilijke passage in zijn brief aan de Colossenzen:

"Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vlees wat nog overblijft van de verdrukkingen van Christus voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente" (Col.1:24).

Zulk leed is zoet! Het valt niet te verwonderen dat de apostel daarin vreugde had, daar het hem in de innigste gemeenschap met de verworpen Christus Zelf bracht. Ook verwondert het niet, dat het zijn grootste verlangen was:

"Hem te kennen, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap van Zijn lijden, terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word" (Phil.3:10).

Zo staat Paulus, ook in zijn lijden daar als de apostel van God's genade, verkoren om de liefde van de verworpen Christus bekend te maken aan een verdoemde wereld.

Alleen als we dit Schriftuurlijke onderscheid tussen Paulus en al zijn voorgangers erkennen, zullen we in staat zijn, het evangelie van God's genade met klaarheid en kracht bekend te maken, en de enige manier waarop we arbeiders kunnen worden die Hij erkennen kan(2Tim.2:15). 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011