De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

HET SLUITSTUK VAN GODDELIJKE OPENBARING

H O O F D S T U K  XIII

PAULUS' BEDIENING IN GEVANGENSCHAP

NEDERLAAG  OF  OVERWINNING?

De gevangenschap van Paulus te Rome heeft de Gemeente verrijkt met de meest kostbare van zijn brieven - die ons tot het hoogtepunt van geestelijke waarheid voeren, zoals bijvoorbeeld Epheziכrs, de brief die ons zo veel te zeggen heeft over het Lichaam, Colossenzen, die zo het Hoofd verheerlijkt, en Philippenzen, waar we zien het Hoofd, werkend door het Lichaam.

Met dit in gedachten zullen we tans beschouwen of Paulus goed of verkeerd deed bij zijn laatste reis naar Jeruzalem, - die uitliep op zijn gevangenschap in Rome.

Bij ons onderzoek van dit onderwerp werden we verbaasd over twee dingen: (1) de bijzondere schaarste aan uitvoerige geschriften over een onderwerp dat zo uitgesproken betekenisvol is, en (2) het feit dat de korte opmerkingen in de meeste kommentaren op Handelingen zo eenzijdig zijn, waarbij aan de argumenten over en weer, naar de inzichten van de schrijver, wordt voorbijgegaan.

Daarom zetten wij de voornaamste argumenten aan beide zijden op een rij, om te zien hoe zij tot overeenstemming kunnen worden gebracht.

DE REDENEN VOOR PAULUS OM

DITMAAL NAAR JERUZALEM TE GAAN

 1.          Paulus' plannen werden niet gemaakt "naar het vlees" (2Cor.1:15-17).

 2.            Later, als hij voor het Sanhedrin staat, en ook nog later, in een brief aan Timotheus, verklaarde de apostel dat hij van zijn jeugd afaan God gediend had met een rein geweten (Hand.23:1; 2Tim.1:3).

 3.            Hij verklaarde zijn besluit om verder te reizen naar Jeruzalem zo, dat hij zijn loop en bediening "met vreugde" zou mogen beeindigen (Hand.20:24).

 4.            Toen zijn vrienden hem niet van zijn bedoeling konden weerhouden, zeiden ze: "De wil van de Here geschiede" (Hand.21:14).

 5.            Nadat Paulus Jeruzalem had bereikt, bemoedigde de Here hem eerder, dan hem te berispen, en zei: "Heb goede moed, Paulus, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, zo moet gij ook te Rome getuigen" (Hand.23:11).

 6.            Kort voor zijn dood, schreef Paulus: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geכindigd, ik heb het geloof behouden" (2Tim.4:7), wat hij niet gezegd zou kunnen hebben, zoals wordt beweerd, als hij buiten de wil van God zou zijn geweest, door deze reis naar Jeruzalem te maken.

       Maar deze argumenten zijn niet zo beslissend als zij op het eerste gezicht lijken.

Wat betreft punt 1, de apostel verwees niet in 2Cor.1:15-17 naar al zijn plannen, of zijn bedoelingen, nog minder naar zijn doel om Jeruzalem voor de laatste keer te bezoeken. Eerder verwees hij naar zijn eerder plan om de Corinthiכrs te bezoeken (vers 15). Het was met het oog op de verandering in dit plan, dat hij protesteerde: "Heb ik ook lichtvaardig gehandeld? Of neem ik het naar het vlees voor?" (vers 17).

Wat betreft punt 2, is het duidelijk uit zijn eigen getuigenis, dat hij verre van volmaakt was, en dat zijn aanspraak, van zijn jeugd af voor God te hebben geleefd met een zuiver geweten, niet op alle details van zijn leven sloeg, maar op zijn aangenomen koers, waarin hij eerst Christus had tegengestaan, daarna zich tot Hem bekeerde, en Hem diende. Inderdaad is het feit dat hij zelfs Christus vervolgde met een zuiver geweten (Hand.26:9), bewijs dat het mogelijk is om verkeerd te doen met een zuiver, maar niettemin krom geweten.

Punt 4 zullen we even laten liggen, maar laten we eerst punten 5 en 6 beschouwen.

Niemand zal willen ontkennen dat Paulus' motieven om ditmaal naar Jeruzalem te gaan, hoogstaand waren. Hij voelde zich ten diepste aan zijn volksgenoten verschuldigd, en riskeerde zelfs zijn leven door te gaan, om hen genade te verkondigen. Is het dan vreemd dat God hem moest bemoedigen na zijn edele stand voor het Sanhedrin? Zouden wij niet verwachten dat God dit zou doen? Zie, hoe Hij de moedeloze Elia, na zijn vrijmoedig handelen op de Karmel, bemoedigde (1Kon.19:5-8). God's bemoediging van Paulus in dit geval, bewijst in genen dele dat hij in God's uitgesproken wil was door ditmaal naar Jeruzalem te gaan, of dat God hem  daarheen had gezonden.

De woorden van berusting, "De wil van de Here geschiede" (onder punt 4), verwijzen naar God's toegestane wil, niet naar Zijn directe wil. Zij werden gesproken toen de apostel "zich niet liet afraden".

Ten slotte punt 6: Neem enkele fouten die ge vindt bij Paulus in het verslag van de Schrift; vergelijk deze met het overige van het verslag, en vraag uzelf af of hij niet meer dan gerechtvaardigd was als hij verklaart: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geכndigd, ik heb het geloof behouden." Wie van ons heeft ook maar voor de helft zo goed gedaan?

DE REDENEN TEGEN HET GAAN DEZE KEER VAN PAULUS NAAR JERUZALEM

Deze zijn, op hun beurt, te zien als volgt:

1.            Lange tijd hiervoor, had de Here Paulus bevolen om Jeruzalem te verlaten en verklaarde: "Zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).

2.            Er bestaat geen verslag waarin Paulus, zoals hij hoopte, ooit een gelegenheid had om in Jeruzalem "het evangelie van God's genade" te betuigen. Hij deed dit zeker niet door zich te onderwerpen aan een Joodse ceremonie.

3.            Er is geen verslag van dat de Here Jezus of de Heilige Geest, Paulus opdroeg om dit bezoek aan Jeruzalem te brengen (Contr.Gal.2:2). Als hij opdracht had gekregen om te gaan, zou het zeker zijn vastgelegd, speciaal met het oog op alle waarschuwingen en smekingen tegen zijn gaan.

4.          Terwijl hij onderweg was, ontving hij verschillende waarschuwingen van de Geest, wat hem zou overkomen als hij naar Jeruzalem zou gaan (Hand.20:23; 21:10,11), en het wordt apart vermeld, dat de discipelen te Tyrus "zeiden tot Paulus door de Geest, dat hij niet moest opgaan naar Jeruzalem" (Hand.21:4).

5.            Hij werd van Jeruzalem naar Rome gebracht als "de gevangene van Jezus Christus voor (de) heidenen" (Eph.3:1). Hij was ook een gevangene voor Christus, maar in dit verband was hij de gevangene van Christus terwille van de heidenen.

We moeten bekennen dat we nauwelijks enkele commentators gevonden hebben, die de eenvoudige betekenis van deze zin hebben begrepen, "de gevangene van Jezus Christus voor u heidenen." Hij zegt hier niet dat hij een gevangene voor Christus was (hoewel dit ook waar was). Hij zegt niet dat hij een gevangene van de Joden of van de Romeinen was. Hij zegt dat hij was, "de gevangene VAN Jezus Christus, voor u heidenen," t.w., Jezus Christus hield hem in het gevang terwille van de heidenen, niet als een straf, maar omdat zijn hart bleef trekken naar zijn volksgenoten naar het vlees; tot diegenen voor wier afvalligheid hij zichzelf zo zeer verantwoordelijk hield.

                  DE GEEST VAN PAULUS EN DE HEILIGE GEEST

De vraag in hoeverre de Heilige Geest en Paulus' eigen geest in deze episode begrepen waren, is werkelijk niet moeilijk te beantwoorden.

Vijf maal wordt in het verslag het woord geest (Gr., pneuma) gebruikt, en wij geloven, dat het in elk geval duidelijk is of Paulus' geest, of de Heilige Geest is betrokken.

In Hand.19:21 lezen we dat "Paulus zich voor nam in de geest...naar Jeruzalem te reizen." Nu wordt de uitdrukking "in de geest" dikwijls gebruikt bij 's mensen eigen geest*/ en als er geen punt geweest was om te bewijzen, zou waarschijnlijk niemand ooit gevraagd hebben naar de gewone uitleg, waarom Paulus besloot in zijn geest om naar Jeruzalem te gaan.

Merk wel op dat het Paulus was, die bedoelde naar Israel te gaan. Zou het niet de zaken wat uitrekken door uit te leggen dat dit betekent dat de Heilige Geest hem leidde, of hem aanwijzingen gaf om te gaan?

Het kan natuurlijk niet worden ontkend dat de uitdrukking "in de geest" aangeeft, dat het het meest verheven deel van Paulus' wezen was, dat hem bewoog om te gaan.**/

In Hand.20:22 zegt de apostel Paulus van zichzelf: "En nu ziet, gebonden door de Geest (S.V.), reis ik naar Jeruzalem," i.c., hij voelde zichzelf gebonden om te gaan. Dat hier zijn eigen geest bedoeld wordt, is duidelijk uit het feit, dat hij dan doorgaat met te zeggen dat "de Heilige Geest (Gr.de Geest, de Heilige) van stad tot stad betuigt, dat hem banden en verdrukkingen wachten (Vers 23).

De King James Version, en metterdaad de meeste vertalingen, geven het woord "geest" met een kleine letter "g" in zowel Hand. 19:21 en Hand.20:22, als de natuurlijke betekenis van het origineel, en dit wordt bevestigd door het feit dat overtuigend de Heilige Geest wordt bedoeld in alle drie waarschuwingen en vermaningen, om niet naar Jeruzalem te gaan.

Wij hebben hierboven gezien dat Paulus zelf verklaart dat "de Heilige Geest" hem had gewaarschuwd voor de gevolgen als hij ditmaal naar Jeruzalem zou gaan.

__________

*/ Voetnoot: Zie Hand.18:5,25; 1Cor.5:3; 2Cor.2:12, die allen, net als 19:21, in het origineel het onderhavige begrip bevatten.

**/ Voetnoot: Maar ook de geest van de gelovige kan dwalen, zoals 1Thess.5:23 duidelijk laat zien.

En aan deze verklaring moeten wij toevoegen Hand.21:4, waar de discipelen te Tyrus "tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet op zou gaan naar Jeruzalem" en Hand.21:10,11, waar "Agabus...Paulus' gordel nam, en zijn eigen handen en voeten bond, en zei, Aldus zegt de Heilige Geest, zo zullen de Joden te Jeruzalem de man binden van wie deze gordel is, en zullen hem overleveren in handen van de heidenen."

Hier gebruikt de K.J.V. en de meeste andere vertalingen de hoofdletter "G", en terecht, want in deze twee passages zijn de verwijzingen duidelijk naar de Heilige Geest.

Het is dus geen kwestie, dat Lukas en de andere begeleiders van Paulus, zowel als "die van die plaats waren", de profetie van Agabus zagen als een waarschuwing van God voor wat Paulus zou overkomen als hij vasthield aan zijn voornemen om naar Jeruzalem te gaan, want zij allen smeekten hem, onder tranen, "niet op te gaan naar Jeruzalem" en het was eerst toen "hij zich niet liet afraden" dat zij zeiden, "De wil des Heren (i.c., Zijn toelatende wil) geschiede" (Hand.21:12-14).

                   DE OPLOSSING

In het licht dan van de voornaamste Schriftplaatsen, die spreken over de kwestie van God's wil in het deze keer al of niet gaan van Paulus naar Jeruzalem, zijn we in een gunstiger positie om de oplossing van dit probleem te vinden.

Allereerst, er is geen aanwijzing in het verslag, dat Paulus in de leidende wil van God was, bij het ondernemen van deze laatste reis naar Jeruzalem, niettemin is ook duidelijk dat hij niet bewust buiten de wil van God was bij het gaan; inderdaad voelde hij zich gebonden door het meest verheven deel van zijn karakter, om te gaan.

Paulus had drie vaste redenen om naar Jeruzalem te gaan ditmaal: (1) "ten dienste van de heiligen" (Rom.15:25). (2) "om te aanbidden" (Hand.20:16;24:11) en (3) "om te betuigen het evangelie van God's genade" (Hand.20:24). De eerste twee waren, om betere relaties tussen Joodse gelovigen en de heidengemeenten te bevorderen, en zowel gelovigen als ongelovigen te Jeruzalem te verzekeren, dat hij de Wet van Mozes niet verachtte. De derde reden echter was de belangrijkste.

Wij overzien de hele scene als volgt:

  Bij zijn eerste bezoek aan Jeruzalem na zijn bekering, had de Here hem duidelijk bevolen: "Spoed u, en ga haastig uit Jeruzalem, want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).

  Bij die keer had Paulus zelfs de kwestie met de Here besproken. Deze mensen, zo redeneerde hij, wisten hoe hij hen had geleid bij de vervolging tegen Christus; hoe hij in iedere synagoge degenen die geloofden in Christus gevangen had genomen en geslagen, en had ingestemd en geholpen bij het stenigen van Stephanus. Zij zouden zeker naar hem horen, en zijn getuigenis zou hen wel doen bekeren van vijandschap tot geloof in Christus. Maar de Here wist beter, en antwoordde uiteindelijk:

  "Ga heen, want Ik zal u ver tot de heidenen zenden" (Hand.22:21).     

En toch, hoewel tot de heidenen gezonden met Heerlijk nieuws, bleef het hart van de apostel slaan voor zijn geliefd volk, dat hij had aangevoerd in hun opstand tegen Christus. Hij schrijft hierover met grote bewogenheid. In Rom.9:1-3 schrijft hij over "zijn grote droefheid en onophoudelijke smart" over hun toestand, en zweert plechtig voor God dat hij, indien mogelijk, zou wensen zelf verbannen te zijn, voor hen. En verder, in Rom.10:1 zegt hij vurig, dat "de wens van zijn hart en zijn gebed tot God voor Israel is, tot hun zaligheid (redding)".  

Niet alleen had Paulus medelijden met zijn koppige volksgenoten, hij voelde zich verantwoordelijk vanwege zijn aanvoering van hen nog maar enige jaren tevoren in hun weerstand tegen Christus. Ook voelde hij verantwoordelijkheid tegenover de Here vanwege zijn opwekken van al die haat tegen Hem.

Dat is de reden dat, ondanks het getuigenis van de Heilige Geest dat hem in elke stad banden en verdrukkingen wachtte als hij naar Jeruzalem zou gaan, hij zich toch "gebonden in de geest" voelde om te gaan. Hij voelde dat hij inderdaad moest gaan om zijn aangewezen loop en bediening te volbrengen.*/

De verklaring van de discipelen te Tyrus is natuurlijk het sterkste argument van hen, die overeenstemmen dat Paulus geheel verkeerd was, en buiten de wil van God, door te gaan. Deze discipelen hadden blijkbaar de gave van profetie. Zij "zeiden tot Paulus door de Geest, dat hij niet moest opgaan naar Jeruzalem" (Hand.21:4).

Het dient te worden opgemerkt dat echter hier het Grieks voor "niet", niet is het Griekse ou, maar me. Het is eerder subjectief dan objectief, eerder toegepast bij gedachten en gevoelens, dan bij feiten, zoals ou doet. Omdat "ou" een zaak direkt en absoluut ontkent of verbiedt, doet "me" dat in geval van oordeel of verlangen. Zo betekent het Grieks hier niet een direkt verbod, maar eerder een waarschuwing en een smeking.

Deze Tyrische discipelen echter, waren niet zozeer gericht op het welzijn van Paulus; het was "door de Geest", dat zij zeiden dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. Of Hand.21:4 verwijst naar een profetische verklaring, of naar hun smeekbeden gedurende het zevendaagse bezoek, is niet zeker.

De grootste test kwam klaarblijkelijk in Caesarea, toen de profeet Agabus, (bekend als een ware profeet uit Hand.11:27,28), in een dramatische en indrukwekkende waarschuwing, Paulus' arrestatie en gevangenschap in Jeruzalem aankondigde, waardoor zijn reisgezellen en zijn vrienden in Caesarea hem onder tranen verzochten, om niet bij zijn voornemen te blijven (Hand.21:10-12).

____________

*/ Voetnoot: In de Scofield Reference Bible (P.1178) veronderstelt een voetnoot, dat Paulus de "wet-gebonden Joodse gelovigen" in gedachten had, toen hij sprak van "het betuigen van het evangelie van God's genade". Dit lijkt echter onwaarschijnlijk , omdat hij reeds zijn boodschap had "doorgegeven" aan de gelovigen te Jeruzalem (Gal.2:7-9) en dat hij zelfs met hen erover had "gediscussieerd", zodat een getuigenis tot hen over het evangelie van God's genade niet zou zijn vereist om zijn loop te volbrengen. Het was de Joodse menigte en hun leiders, aan wie hij dit getuigenis nog niet had kunnen geven. (Cf.Hand.22:19,20).

Te redeneren dat de genoemde gebeurtenissen alleen door de Heilige Geest bedoeld werden als een uitdaging aan Paulus om moed op te roepen naar Jeruzalem te gaan, is zeker in tegenstelling met dat wat deze passages eenvoudig zeggen. Maar de menselijke natuur is ingewikkeld, en het is duidelijk dat hij ze niet beschouwde als veroordeling van zijn daad, maar eerder als een beproeving van zijn geloof (Hand.21:13; cf.20:24).

Omdat dus Paulus in dit geval niet goddelijk werd aangedreven naar Jeruzalem te gaan, zoals hij dit toch wel was in een ander geval (Gal.2:2), en inderdaad gewaarschuwd was voor banden en moeiten als hij zou gaan, deed hij het toch vanuit een gevoel van geloof aan zijn Here, en - wat zeer belangrijk is - God gebruikte het om Israel nogmaals een hartstochtelijke smeekbede over te brengen, door de lippen van iemand die gewaarschuwd was, niet naar hen toe te gaan; aan wie was gezegd dat zij niet zouden luisteren; die nu geketend voor hen stond, als hij de geschiedenis van zijn bekering vertelt, alles opdat het wellicht tot hun bekering mocht leiden.

Hierna werd de apostel in ketenen naar Rome gevoerd om te worden "de gevangene van Jezus Christus voor (de) heidenen" (Eph.3:1). Wij herhalen dat de passages die dit beschrijven niet zeggen dat hij een gevangene voor Christus was (hoewel dit ook waar is). Zij zeggen niet dat hij een gevangene van de Joden was, of van de Romeinen. Er staat dat hij was "de gevangene VAN Jezus Christus VOOR (de) heidenen." Eigenlijk hield Jezus Christus hem in de gevangenis voor de zaak der heidenen, natuurlijk niet als een straf, maar omdat zijn hart steeds werd getrokken naar zijn broeders naar het vlees, naar hen, voor wiens afvalligheid hij zichzelf zo zeer verantwoordelijk hield.

        PAULUS' BEDIENING ALS GEVANGENE

Het is treffend te zien, dat het relaas van hier af geen enkele heenwijzing bevat naar enige weerstand van de zijde van Paulus, of enige bedenking tegen God's handelen met hem.

Integendeel, voor de Joodse menigte en het Sanhedrin, die beiden hem interrumpeerden vanwege hun ergernis, behield hij zijn kalmte en gedroeg zich als een ware en grote man Gods.

De profetie van Agabus werd reeds vervuld, niet dat de Joden zelf Paulus bonden, maar, net als in het geval met de Here, veroorzaakten zij, dat hij "met twee ketenen" werd gebonden (Hand.21:33). Het waren inderdaad de Joden die nu volhielden, niet alleen dat hij gevangen genomen werd, maar dat hij zou worden geexecuteerd als een misdadiger die de dood verdient. "Meer dan veertig" van hen "verbonden zich met een eed", zwerende "dat zij niet zouden eten of drinken totdat zij Paulus zouden hebben gedood" (23:12,13). Dit resulteerde echter in zijn gezonden worden naar Caesarea onder zware bewaking, om gehoord te worden door de gouverneur Felix.

Maar de hogepriester Ananias, verloor geen ogenblik tijd om de man te vervolgen, die hem voor "gewitte wand" had gescholden, want het was slechts vijf dagen na Paulus' vertrek uit Jeruzalem, dat hij, en de Joodse oudsten, met een "voorspraak" genaamd Tertullus, de zeventig mijlen reisde naar Caesarea, om de apostel te veroordelen (24:1). Hun beschuldigingen leidden echter niet tot onmiddelijke veroordeling van Paulus. Hij werd zelfs, gedurende twee jaren, achtergelaten in Caesarea onder militaire bewaring (Hand.24:27).

Felix had gehoopt dat Paulus, die naar Jeruzalem gekomen was met een grote som gelds, hem misschien steekpenningen zou geven; "daarom ontbood hij hem ook dikwijls en sprak met hem" (Hand.24:26). Maar er kwamen geen steekpenningen, en het verslag gaat verder:       

"Maar toen twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix*/ die de Joden een gunst wilde bewijzen, liet Paulus gevangen" (vers.27).

  Maar ook Festus "wilde de Joden een gunst bewijzen" en stelde Paulus voor, terug naar Jeruzalem te gaan voor een verder verhoor. Dit is het moment waarop Paulus aanspraak maakt op zijn recht als Romeins burger en zich beroept op de Keizer (Hand.25:9-12).

________

*/ Voetnoot: Let wel: Felix, niet Festus. Hij was klaarblijkelijk niet van plan om Lysius, de Romeinse overste te roepen, om getuigenis te geven, zoals hij had toegezegd (v.22).

Zo wordt Israel al verder en verder achtergesteld in Paulus' bediening, en komt hij steeds meer uit als "de apostel der heidenen".

Het was gedurende de weinige dagen dat Paulus wachtte om voor de Keizer naar Rome te worden gevoerd, dat Koning Herodus Agrippa II, de meerdere van Festus, op het toneel verschijnt en de wens uit, om Paulus zelf te horen. Het is bij dit verhoor dat het genadevol, gezegend, gedachtengoed van Paulus, op zijn helderst voor de dag komt.

De openingswoorden van Festus, "Gij ziet deze (mens)", verleent pathos aan de scene. Daar staat de grote apostel, klaarblijkelijk een man van allure in die tijd, en zeker iemand die eerder met ere diende te worden aangesproken, dan te worden beschuldigd van misdaden. Daar staat hij, een misdadiger in ketenen, voor al deze hoogwaardigheidbekleders: Agrippa en Bernice, Festus, de gouverneur, de oversten, en voorname mannen van de stad, de Hogepriester, Tertullus, en de oudsten der Joden (24:1; 25:23,24).

Uit het bovenstaande, en uit Paulus' woorden in 26:29, schijnt het dat de hofzaal overvol was met geinterresseerde hoorders in het gevolg van de zojuist genoemde leidende figuren.

Tweemaal werd Paulus' verdediging onderbroken: eerst door Festus die, klaarblijkelijk zeer geagiteerd met "grote stem", zei: "Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!" (26:24).

Hierop antwoordde Paulus hoffelijk, volkomen onder contrפle: "Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand" (v.25).

Hij begreep dat Festus waarschijnlijk probeerde zijn gevoelens van overtuiging, met deze uitbarsting te bedekken. Onder onmiddelijke terugverwijzing naar de koning, verklaart hij dan Festus, dat Koning Agrippa alles van deze zaken weet; dat hij vrijuit voor hem kan spreken, en dat hij overtuigd is dat hem niets van deze dingen verborgen is, omdat zij "niet in een uithoek" zijn geschied.

De apostel wist dat Agrippa niet alleen bekend was met de Joodse religie, maar ook dat hij lange tijd politiek intiem met Israel verbonden was geweest.

En nu doet hij iets dat meer past om Festus te overtuigen dan welk argument ook tot zijn eigen verdediging. Zich richtend tot Agrippa persoonlijk, vraagt hij: "Koning Agrippa gelooft gij de profeten?" en voegt er dan onmiddelijk aan toe: "Ik weet dat gij ze gelooft" (v.27). Geneigd om het antwoord op zijn vraag van Agrippa af te wachten, deed de apostel opnieuw wat verstandig en wijs was. Paulus, niet Agrippa, werd verhoord, en om de koning in verlegenheid te brengen zou hem alleen maar geergerd hebben. Daarom beroept de apostel zich indirekt, met de grootste takt, op Agrippa zelf, en gebruikt hem als zijn getuige, terwijl hij tegelijk de waarheid van zijn argument naar voren brengt. Dit was het wat de twede interruptie teweeg bracht -door Agrippa - als hij tot Paulus zegt:

"Gij beweegt mij bijna een Christen te worden"*/ (v.28).

Wat ook de mate van Agrippa's ernst in deze zaak moge zijn; of hij probeerde zijn diepste gevoelens te verbergen door schertsend te spreken, of dat hij inderdaad meende zijn ware overtuiging te uiten, Paulus was snel om uit deze situatie voordeel te trekken. De gevoelens van zijn hart openbarende, niet alleen voor Agrippa, maar voor Festus en allen die aanwezig waren, antwoordde hij, bewogen: "Ik wenste wel van God, dat, טn bijna טn geheel, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zodanig werden zoals ik ben, uitgenomen deze banden" (v.29).

Klinken deze woorden als van iemand die ongelukkig was over God's handelen met hem? Welk een waarlijk groot dienaar van God was deze apostel! Hoe diep zijn ernst: "Ik wenste wel van God". Hoe ruimhartig: "niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen". Hoe onzelfzuchtig: Hij staat daar in de boeien, maar verlangt naar hun redding. Hoe glorieus triumferend: "Ik wenste wel dat gij - allen - werd zoals ik ben". Hoe krachtig is zijn bede: "Bijna" is niet genoeg. Het moet zijn "helemaal".

________

*/ Voetnoot: Wij wijzen de argumenten af van hen die deze zin, in de K.J.V. zo mooi uitgedrukt, zouden willen veranderen, door haar een heel andere betekenis te geven.

En de sterkste uiting van Christelijke hoffelijkheid en genade wordt gevonden in zijn woorden: "uitgenomen deze banden". Hij had veel geleden voor Christus, maar hij zei niet, "Ik wenste dat gij de zwaarte van deze boeien kon voelen". Hij wenste daarvan niets voor hen. Hij wenste slechts dat zij de vrede en de zekerheid en de vreugde zouden mogen ervaren, die zijn hart vervulde. Wij stellen ons voor, dat hij deze laatste zin ook toegevoegd heeft met een glinstering in zijn ogen, want deze gaf aan dat hij zuiver stond!

BEVESTIGING VAN ISRAEL'S VERWERPING VAN CHRISTUS

Bij aankomst in Rome, "gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van het leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaarde" (Hand.28:16). Zo verbleef hij "twee hele jaren in zijn eigen gehuurde woning (altijd bewaakt door een soldaat), en ontving allen die tot hem kwamen" (v.30).

Maar hijzelf nodigde het eerste gezelschap bezoekers uit. Door "de voornaamste der Joden" samen te roepen, kwamen zij een datum overeen om zijn situatie en boodschap uitvoeriger te kunnen bespreken. We lezen dat er "velen kwamen" bij deze bespreking, en dat de apostel "betuigde" en "poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus...van 's morgens vroeg tot de avond toe" (v.23).

Het was in die tijd dat het - aan Paulus - het meest duidelijk werd, dat Israel en haar hoop op het koninkrijk, voor een tijd terzijde was gesteld. Hij had tot dan de hele weg van Jeruzalem naar Rome gereisd, gedurig "eerst tot de Jood" gaande, maar onveranderlijk met dezelfde resultaten.

Het verdient aandacht dat in elk van de crises waarin Paulus zich van de Joden tot de heidenen wendde, het duidelijk werd dat de Jood zelf de schuld was, omdat hij had geweigerd om de Messias en de vervulling van de beloften aan te nemen.

In Jeruzalem was de Here Zelf verschenen aan Paulus en gezegd: "Spoed u, en ga haastig uit Jeruzalem, want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18). In Pisidisch Antiochiכ had de apostel gezegd tot de Joden, aangaande God's Woord tot hen: "doch aangezien gij het verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt" (Hand.13:46).

In Corinthe, nadat zij weerstonden en lasterden: "Uw bloed zij op uw hoofd, ik ben rein" (Hand.18:6).

En nu in Rome is het hetzelfde, alleen is zijn antwoord hier het strengst en beslissend. "En het met elkaar oneens, gingen zij uiteen", maar eer zij uiteindelijk vertrokken, deed Paulus de volgende harde uitspraak: "Terecht heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaderen,

"en gezegd: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken. "Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaar gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan, opdat zij niet misschien met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en ik hen zou genezen. "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid van God tot de heidenen gezonden is, en dezen zullen horen" (Hand.28:25-28).

Al lange tijd had God aan Paulus getoond dat het volk terzijde gesteld was, maar nu, na al deze gebeurtenissen, en met geduld dat bijna uitgeput was door de lange strijd met vooroordeel en ongeloof, wat kon er nog verder worden gedaan?          

Zijn eigen roeping als apostel, na de steniging van Stephanus, sprak slechts van de invoeging van een nieuwe bedeling. Onze Here had twaalf apostelen die met Hem zouden regeren over de twaalf stammen van Israel.

Dan, zoals we gezien hebben, verklaarde hem de Here nadrukkelijk, bij zijn terugkeer naar Jeruzalem, na zijn bekering: "Zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen"

Later, had de apostel zelf aan de Thessalonicenzen, waar de Joodse tegenstand zo intens was, geschreven: "De toorn is over hen gekomen tot het einde toe"(1Thess.2:15,16).

En hoe kon hij nu, met dit bovennatuurlijk getuigenis, met heel dit gebeuren van Israel's houding vanaf Jeruzalem tot Rome, de kwestie een plaats geven in zijn eigen gedachten, temeer omdat zijn hart nog steeds uitging naar zijn opstandige volksgenoten. Nu zal hij, op uiterst besliste wijze, "de apostel der heidenen" zijn. Het was gemakkelijk geweest dit aan de Romeinen te schrijven, maar uiteindelijk moeilijker te accepteren, waar het het welzijn van zijn volksgenoten betrof.

Het is jammer dat sommigen, die lezen hoe de apostel in zijn gehuurde woning in Rome "het evangelie van het koninkrijk van God" predikte, dit vertaalden als betekenend dat hij het "evangelie" van het koninkrijk of de aardse vestiging daarvan verkondigde. Hoe verkeerd! Natuurlijk heeft hij hen verteld wat er van het koninkrijk was geworden. Hij zal hen uitgelegd hebben hoe de aardse vestiging van dit koninkrijk, aangekondigd door Johannes de Doper, Christus en de twaalven, nu in afwachting werd gehouden. Hij zal hen verteld hebben hoe het volk van Israel de Koning en Zijn koninkrijk had verworpen en hoe het koninkrijk nu in Christus in de hemel gevestigd was - want Hij is de rechtmatige Koning (Zie Col.1:13).

                   DE GEVANGENIS-BRIEVEN

Later, in een cel in het paleis van Nero, had de apostel meer reden dan ooit, om zijn gevangenschap als God's genadige wil voor hem, - en voor de heidenen, te aanvaarden. Aan de gelovigen in Philippi schrijft hij: "En ik wil dat gij weet, broeders, dat wat aan mij is geschied, meer tot bevordering van het evangelie gekomen is, "zodat mijn gevangenschap in Christus openbaar geworden is in het hele rechthuis, en aan alle anderen" (Phil.1:12,13).

Zo gelukkig is hij in de Here, dat hij vol bemoediging voor de heiligen in Philippi is. Luister naar deze Romeinse gevangene: "Maar onze wandel (conversatie, burgerschap) is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Here Jezus Christus, "Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig wordt aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen" (Phil.3:20,21). "Verblijdt u in de Here te allen tijde. Wederom zeg ik: Verblijdt u" (4:4). "Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. "En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaren in Christus Jezus" (4:6,7).

Er bestaat een gelukkige gevangene voor u! Misschien wel het allermeest, omdat hij duidelijk begrijpt waartoe hij zo opgesloten is.

Vijf keren noemt hij zich in deze brieven; "de gevangene van Jezus Christus", en in Eph.3:1-8 noemt hij zich "de gevangene van Jezus Christus voor de heidenen", en gaat tot in bijzonderheden, om uit te leggen waarom.

et langer kon hij reizen van gemeente naar gemeente, of uitgaan om nieuwe te vestigen, maar zie naar de blijvende getuigenissen die hij uit deze gevangenis heeft gezonden. Ontmoedigd? Verre van dat! Deze bewoner van een wrede, smerige, Romeinse gevangenis, schrijft over "gezeten in hemelse gewesten in Christus" (Eph.2:4-7). Hij breekt uit in een lofprijzing tot God, "Die ons heeft gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus" (1:3). Hij verklaart God's bedoeling, "opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus" (2:7).

Hoe groot is de verzoenende kracht van Christus! Welk een verandering heeft deze teweeggebracht in de mens, die eens "dreiging en moord tegen de discipelen van de Here blies"! Nu ademt hij lofprijzingen en vreugde uit, zelfs wanneer hij in de gevangenis zit.

En wij, die iets te weten zijn gekomen van het "geheimenis" waarvoor Paulus leefde en stierf om het bekend te maken, zullen voor altijd nieuwe kostbare schatten van zegen vinden in de geschriften van de "gevangene van Jezus Christus voor de heidenen."

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011