HAD
PAULUS EEN SPECIALE
TIJDELIJKE
BEDIENING?
H
O O F D S T U K XII
PAULUS'
AANVANKELIJKE BEDIENING
EEN
KWESTIE VAN BEDELINGEN
Enige aspecten van de aanvankelijke bediening van Paulus,
hebben vele ernstige en ijverige Bijbelstudenten bezig gehouden.
Zij zien heel duidelijk waar zijn bediening toe leidt. Zij
verblijden zich in zijn zuivere boodschap van genade . Zij begrijpen ten volle
dat waterdoop en de Pinkstertekenen geen plaats meer hebben in het Lichaam van
Christus, net zo min als besnijdenis en wet, maar zij staan verbaasd, om niet te
zeggen enigszins teleurgesteld, te ontdekken dat besnijdenis, doop en
wondertekenen, allen door Paulus zijn toegepast gedurende zijn aanvankelijke
bediening, zoals weergegeven in het boek Handelingen.
EEN FOUTIEVE UITLEG
Dit probleem heeft ertoe geleid dat sommigen
veronderstellen dat het geheimenis niet eerder aan Paulus werd geopenbaard dan
tot zijn gevangenschap in Rome, en dat het Lichaam van Christus, de Kerk van de
tegenwoordige bedeling, eerst begon, historisch gezien, pas na Hand.28:28, toen
Paulus aan de Joodse leiders te Rome verklaarde: "Het zij u dan bekend,
dat de zaligheid van God tot de heidenen gezonden is, en dezen zullen
horen."
Maar zo'n conclusie maakt het probleem alleen maar
moeilijker, want we lezen van het geheimenis en van het Lichaam van Christus in
Paulus eerdere brieven, geschreven vףףr Hand.28, zowel als in die, die
daarna geschreven zijn. Inderdaad, heeft dit feit ertoe geleid, dat degenen die
het Lichaam dateren vanaf Hand.28, tot de conclusie kwamen dat er twee
lichamen moeten zijn, - dat "het lichaam van Christus", waarvan
Paulus spreekt in Romeinen en 1Corinthiכrs, verschilt met "het lichaam van
Christus", waarnaar hij in zijn latere brieven verwijst.
Zij zijn tot deze conclusie gedreven, om zo te
zeggen, want zo'n uitleg is, om het nog maar zacht te zeggen, geforceerd en
ongewoon. Wij kunnen het niet helpen, dat zulke theorieכn zwak moeten klinken,
zelfs voor hen die ze voorstellen, en hen ertoe zouden moeten leiden, de basis
van hun gedachten struktuur te herzien, want een verkeerde aanname voert vast en
zeker tot verkeerde conclusies. Het staat vast, dat de "twee
lichamen"-theorie tot vele onschriftuurlijke conclusies heeft geleid.
Een voorman van deze gedachten school heeft vastgesteld,
dat "aangezien Paulus' bediening in de eerste plaats, in de tijd van
Handelingen, tot de Joden was gericht, zijn brieven ook niet anders konden
zijn."
Deze ongerijmde stelling wordt, in geen enkel opzicht
ondersteund door de Schrift; de Schriften noemen het uitgesproken dwaling.
PAULUS' BEDIENING IN HANDELINGEN
In Hand.22:18,21 wijst Paulus erop, hoe bij zijn eerste
terugkeer naar Jeruzalem, na zijn bekering, de Here aan hem had geopenbaard, dat
zijn getuigenis daar niet zou worden geaccepteerd, en dat hij naar de heidenen
moest gaan: "En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei: Spoed u, en ga
haastig uit Jeruzalem, want zij zullen uw getuigenis van Mij niet
aannemen." "En Hij zei tot mij: Ga heen, want ik zal u ver tot de
heidenen zenden."
En de geschiedenis van zijn bediening van toen aan, is in
volkomen harmonie hiermee. Hand.13:46,47: "...wij keren ons tot de
heidenen. Want zo heeft de Here ons geboden..." Hand.15:3: "Zij
dan, na door de gemeente uitgeleid te zijn, reisden door Feniciכ en Samaria,
vertelden de bekering van de heidenen..." Hand.18:6: "...van nu
af zal ik tot de heidenen heengaan." Hand.21:18,19:
"En de
volgende dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de oudsten waren daar
aangekomen. En toen hij hen gegroet had, vertelde hij van stuk tot stuk, wat God
onder de heidenen door zijn dienst gedaan had."
PAULUS' EERSTE BRIEVEN
Als we Paulus eerste brieven vergelijken met het latere
gedeelte van het boek Handelingen (de periode waarin zij werden geschreven)
blijft het beeld onveranderd.
Aan de Romeinen schreef hij: "Want ik spreek tot
u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben..." (Rom.11:13).
Aan de Corinthiכrs: "Gij weet, dat gij heidenen
waart, tot de stomme afgoden heengetrokken..." (1Cor.12:2).
Aan de Galaten: "...Maar toen het God behaagde,
Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik het evangelie onder de heidenen zou
verkondigen..." (Gal.1:15,16).
"Maar destijds, toen gij God niet kendet, diendet gij
hen die van nature geen goden zijn" (Gal.4:8).
Aan de Thessalonicenzen: "Want gij, broeders, zijt
navolgers geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn in Christus Jezus;
daar ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, zoals zij van de
Joden" (1Thess.2:14).
Al deze aanhalingen uit Handelingen en de eerste brieven
van Paulus bewijzen overtuigend dat zijn vroege bediening in de eerste plaats
tot de heidenen was, en niet "in de eerste plaats tot de
Joden". Het is waar, dat hij, gedurende die tijd, in stad na stad, eerst
naar de Joden ging, maar dat is een heel andere zaak. En hierin ligt de
oplossing van het probleem van Paulus' vroege bediening.
DE OPLOSSING
Toen Paulus eerst naar de Joden ging, was dat niet
omdat het scheen dat Israel nog Christus en Zijn koninkrijk zou accepteren, maar
eenvoudigweg omdat God Israel geen excuus voor het afwijzen van de Messias wilde
overlaten.
Paulus bevestigde de boodschap van Petrus, en redetwistte
overal hevig met de Joden, dat "Jezus de Christus is". En
wondertekenen begeleidden de bevestiging van dit evangelie, - grotere wonderen
zelfs dan Petrus zelf had gewrocht. Maar, niet zoals Petrus, bood Paulus ooit
het koninkrijk aan Israel aan. Zijn bediening onder hen was niet om het
volk tot Christus te bekeren, maar om enkelen van hen te redden, die zouden
geloven dat redding wordt ontvangen door genade, en de rest zonder excuus te
doen overblijven. Alzo besloot God Israel in ongeloof en gebruikte Paulus
machtig in die tijd, om genade te verkondigen aan de heidenen.
Waarlijk, Paulus, die pas kort geleden de leider van de
vervolging van Christus was geweest, was eerst in de veronderstelling dat zijn
getuigenis het getij voor Israel zou doen keren, maar God wist beter. Hij wist
dat de crisis in Israel's geschiedenis had gereikt tot de steniging van
Stephanus. Trachten te overreden zou nutteloos zijn. Redding zou nu tot de
heidenen worden gezonden, niet door Israel, maar ondanks haar, en
Paulus zelf werd voor dit doel uitgekozen.
Deze gebeurtenis in de vroege Christelijke ervaring van
Paulus, dient te worden gezien in het licht van drie belangrijke
Schriftplaatsen:
Rom.11:15: "Want indien hun (Israel's) verwerping
de verzoening der wereld is..." Rom.11:32: "Want God heeft hen
allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig
zijn."
Eph.2:16: "En opdat Hij die beiden met God in ייn
lichaam zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood
heeft."
Natuurlijk
was God's genadige bedoeling in het verwerpen van Israel (en inderdaad het
verwerpen zelf), in gang van te worden geopenbaard. Haar volheid wordt
pas onthuld in de later volgende brieven, waar Paulus bidt dat gelovigen
wijsheid worde gegeven en geestelijk verstand om het te begrijpen. Maar de
verzoening van gelovige Joden en heidenen met God in ייn Lichaam, en de zegen
voor de heidenen door de val van Israel, begon vast en zeker vףףr het
einde van het boek Handelingen.
PETRUS, PAULUS EN ISRAEL
Eיn feit moet zelfs voor de toevallige lezer duidelijk
zijn. De bediening van Petrus had zeer beslist met Israel's acceptatie
van de Messias vandoen (Hand.1:6; 2:30,38,39; 3:17-26), maar die van Paulus had
even beslist vandoen met Israel's afwijzing van de Messias. In feite was
Paulus door God opgewekt met het oog op de verwerping van Christus. God's
genadig antwoord op de steniging van Stephanus en de bittere vervolging in
Hand.8:1-3, was de redding van Saulus, de voornaamste leider van de
vervolging en de leider van de opstand. Weergaloze genade!, speciaal als we
bedenken dat het geprofeteerde antwoord was - en is - en zal zijn, de toorn
van God, en de onderwerping van de vijanden van onze Here (Ps.2:5;
110:1).
Overeenkomstig de profetie zouden de heidenen zijn -en
zekere dag zullen zijn - gezegend door de opwekking van Israel (Jes.60:1-3)
maar nu, hoewel Israel de Messias en de heerlijkheid van Zijn regering had
afgewezen, schrijft Paulus aan de heidenen: "Moge (nu) de God van de
hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij
overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest."
"Maar ik heb u ten dele wat vrijmoedig geschreven, broeders, als om u weer
te herinneren, om (krachtens N.B.G.) de genade die mij door God gegeven is,
"dat ik een dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de heidenen, om het
evangelie van God te bedienen, opdat de offerande van de heidenen aangenaam
wordt, geheiligd door de Heilige Geest" (Rom.15:13,15,16).
Zegening was nu tot de heidenen gekomen, niet door
Israel's opwekking, maar door haar val: "...door hun val is de
zaligheid (redding) voor de heidenen geworden..." (Rom.11:11).
Rom.11:7 en 25 ("Israel heeft het niet
verkregen," en "Verharding (blindheid) is voor een deel
(gedeeltelijk) over Israel gekomen") zou de aandachtige student zeker
ervan overtuigen, dat Paulus begreep dat God het volk had opgegeven, en
dat reeds een gerechtige blindheid op hen gekomen was.
Daarom spreekt hij reeds bij het begin van zijn brief aan
de Romeinen over zijn verantwoordelijkheid om naar de heidenen te gaan.
Zie de nadruk in de volgende passage: "...dat ik ook onder u enige
vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen. "Van beiden, Grieken
en Barbaren, van beiden, wijzen en onwijzen, ben ik een schuldenaar.
""Zo is al wat in mij is bereid, om ook u die te Rome zijt, het
evangelie te verkondigen. "Want ik schaam mij voor het evangelie van
Christus niet, want het is Gods kracht tot zaligheid voor een ieder die gelooft,
eerst de Jood, en ook de Griek." (Rom.1:13-16).
Zijn argument hier is duidelijk, dat hij niet beschaamd is
om naar de heidenen in Rome te gaan met het evangelie, omdat het
de kracht van God is tot redding VOOR IEDEREEN DIE GELOOFT.
Het evangelie was eerst tot de Joden gezonden, maar
nu, door Paulus, werd het naar de heidenen gezonden, en Paulus was klaar, met al
wat in hem was, het evangelie ook te Rome aan hen te prediken.
Rom.1:16, beschouwd in het licht van de contekst, is in
geen enkel opzicht in tegenstelling met de rest van de brief. Maar zij die deze
passage gebruiken om te leren dat Joden vandaag voorrang hebben, missen een van
de grondleringen van het boek Romeinen.
"...want er is geen onderscheid. Want wij zij hebben
allen gezondigd en komen te kort aan de heerlijkheid van God"
(Rom.3:22,23). "Want er is geen onderscheid, noch
van Jood noch van Griek; want dezelfde is Here van allen, rijk over allen die
Hem aanroepen. "Want een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen, zal
zalig worden" (Rom.10:12,13).
Het grote motief voor evangelisatie onder de Joden is ons
niet gegeven in Rom.1:16, maar in Rom.11:30-33:
"Want zoals ook gij
vroeger aan God ongehoorzaam zijt geweest, maar nu barmhartigheid verkregen hebt
door de ongehoorzaamheid van dezen, "zo zijn ook dezen ongehoorzaam
geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid, barmhartigheid zouden verkrijgen.
"Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun
allen zou barmhartig zijn. "O, diepte van rijkdom, beide van de wijsheid en
de kennis van God, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk
Zijn wegen!"
PAULUS
EN HET GEHEIMENIS
De kwestie van Paulus' vroege bediening is belangrijk voor
het begrip van het geheimenis. Er zijn er velen, die de samenstellende delen van
het geheimenis zien, maar niet slagen in het samenstellen ervan. Resultaat? Zij
houden een puzzle over, inplaats van een beeld.
Zij slagen er niet in de strekking, de voortgang, de
ontwikkeling, in het onthullen van God's wonderbaar plan te zien. Zij zien niet,
hoe God, toen het scheen dat het profetisch doel had gefaald en de heidenen
zouden verschoond blijven van zegening wegens Israel's ongeloof, Zijn geheime,
eeuwige bedoeling, beheerste en onthulde, hetgeen te zelfder tijd verklaarde
hoe, en hoe alleen, ten slotte het profetisch doel kon en zou worden vervuld; en
hoe inderdaad alleen iedere zondaar ooit kon worden gered. En dit doet
ons, samen met de Psalmist, uitroepen, "Want de grimmigheid des mensen
zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden
(beteugelen)"
Maar deze geheime, eeuwige bedoeling, werd niet in ייn
openbaring aan Paulus onthuld, maar geleidelijk door meerdere (zie
Hand.22:17,18; 26:16; 2Cor.12:1,7).
Ongetwijfeld ontving en verbreidde de Apostel een groot
stuk waarheid geleidelijk, anders zouden zijn uitdrukking
"mijn evangelie", en onze uitdrukking "de bijzondere
bediening van Paulus", verkeerde benamingen zijn.
Het oude programma ging geleidelijk voorbij toen het
nieuwe plaats vond. Er was zowel een ontwikkeling in de aan Paulus geschonken
openbaring, als in de historische onthulling van God's bedoeling. God wekte
Paulus op voor ייn groot doel, om ייn grootse boodschap te
brengen (Eph.3:1-3; Hand.20:24), hoewel zijn boodschap, de boodschap van Petrus
en de elven betreffende Christus bevestigde, en geenszins tegensprak.
Er was een tijd, dat de auteur het geheimenis zag als een
bijzonder punt in Paulus' prediking, maar nu, God zij dank, ziet hij het als
ייn grote, geweldige boodschap; en die te bevatten, is onuitsprekelijk
kostbaar.
Wij zouden onze "twee lichamen"-broeders willen
vragen om het volgende voorstel te overwegen:
Wij stemmen toe dat vףףr Paulus, God een geopenbaard,
profetisch doel had. Wij geven ook toe dat Hij door Paulus Zijn geheim,
eeuwig doel, bekend maakte. Had God nog een doel, een soort buffer, tussen
deze twee? Wat was Paulus' boodschap gedurende zijn vroege, ofwel zijn
Handelingen-bediening? Was het, het evangelie van het koninkrijk? Zeer zeker
niet. Was het, het evangelie van de besnijdenis? Gal.2:7 bewijst dat het dat
niet was. Wat was het dan? Het was "het evangelie van de onbesnedenen",
"het evangelie van God's genade" en deze kunnen niet los gezien worden
van het geheimenis.
Het is zeker ongegrond om te argumenteren, dat Paulus
"een speciale, tijdelijke bediening" had gedurende zijn Handelingen
periode, want het was aan het einde van de Handelingen-periode dat hij zei: "Maar
ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn
loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst die ik van de Here Jezus
ontvangen heb, om te betuigen het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24).
Wat we zullen moeten erkennen is eenvoudig, dat het de
oude gang van zaken was, onder welke hij werd gered en waarvan hij
geleidelijk werd losgemaakt; en tevens, dat God de nieuwe gang van zaken,
historisch gezien, geleidelijk inbracht. Daardoor was het goed en passend voor
hem, om zekere zaken vףףr Hand.28 te doen, die na die tijd, tegengesteld aan
de wil van God zouden zijn geweest.
Het is eveneens ongegrond om vol te houden dat Paulus de
openbaring van het geheimenis ontving in zijn gevangenschap te Rome. Wij hebben
geen verslag van zo'n openbaring. En te beweren dat zo'n veronderstelde
openbaring de andere openbaringen achterhaalde, is niet alleen ongegrond, maar
is een regelrechte tegenspraak van de Schrift, want in Eph.6:20 en Col.4:3 stelt
hij duidelijk dat hij in de gevangenis is VANWEGE het geheimenis i.c. voor de
verkondiging ervan.
Er was geprofeteerd, dat God de volkeren zou zegenen door
Israel's opwekking. Het was een geheimenis (tot de openbaring aan
Paulus), dat God de volkeren zou zegenen door Israel's val, en dat, door
het volk terzijde te stellen, Hij gelovige Joden en Heidenen zou verzoenen met
Zichzelf in ייn lichaam door het kruis. Dit is het ware hart van het
geheimenis, en is te vinden in Paulus' eerste brieven.
GEEN ANDERE OORZAKEN
Wij moeten niet te ver van het doel van dit boek afdwalen
door verder te gaan met gebeurtenissen uit het boek Handelingen en passages uit
Paulus' brieven, die aangeven dat Paulus' eerdere bediening in de eerste plaats
tot de heidenen was, maar er is een passage die toch dient te worden onderzocht,
omdat zij blijkbaar meer is
gebruikt dan welke ook, door onze "twee lichamen"-broeders. Deze
passage is Hand.26:22, waar de apostel, staande voor Agrippa, verklaart: "Daar
ik dan hulp van God verkregen heb, sta ik tot op deze dag
en betuig
beiden klein en groot, zonder iets te zeggen buiten wat de profeten en Mozes
gesproken hebben dat geschieden zou."
Deze passage is, naar hun inzicht, voldoende bewijs dat
tot het einde van Handelingen, Paulus niets had gezegd wat de profeten
ook al niet hadden voorspeld, daarmee zijn bediening beperkend tot de
verkondiging van God's profetisch doel. Zo laten zij eigenlijk Paulus "het
evangelie van de besnijdenis" prediken, waarvan hij duidelijk zegt dat dit niet
aan hem werd opgedragen.
Maar dit is pas het begin van hun inkonsekwenties, want om
te leren vanuit Hand.26:22 dat Paulus tot dusver niets geleerd had wat de
profeten niet reeds tevoren hadden voorzegd, is pertinent tegengesteld aan de
weergave.
Hadden de profeten de redding van de heidenen door de val
van Israel voorzegd? Hadden zij "het evangelie van God's genade"
voorzegd, waarin noch besnijdenis, noch de wet, enig aandeel zou hebben? Hadden
zij ook maar ייn heenwijs gegeven dat Joden en heidenen zouden worden gedoopt
door de Geest in ייn lichaam? Hadden zij iets gezegd, of zelfs geweten, over
de opname van de Gemeente? En toch wordt dit, en nog meer, gevonden in de
Handelingen en in Paulus' vroege brieven, geschreven in deze periode.
De moeilijkheid is, dat onze broeders Hand.26:22 hebben
gescheiden van haar contekst, want de overige aanhaling verklaart duidelijk de
"geen andere oorzaken" waarnaar de apostel verwijst: "namelijk
dat de Christus lijden moest, en dat Hij, als de Eerste uit de opstanding van de
doden, een licht zou verkondigen aan dit volk en aan de heidenen" (vers
23).
De Joden hadden zich tegen Paulus gekeerd wegens zijn gaan
tot de heidenen, en hier protesteert hij, dat dit niets anders is, dan wat de
profeten en Mozes gezegd hebben dat komen zou. De Joden hadden geen reden om te
klagen, want het was duidelijk geprofeteerd dat Christus de dood zou ondergaan
en daarna weer opstaan om het licht te verkondigen, niet alleen aan Israel, maar
ook aan de heidenen.
Er zijn dus connecties tussen profetie, en het
geheimenis verkondigd door Paulus, maar er zijn ook onderscheidingen,
want de reden waarom God nu de heidenen zegende, was niet dezelfde als
hetgeen was voorzegd in de profetie. Dit komt naarvoren, bij voorbeeld, in
Hand.13:46, waar de apostel verklaart: "Het was nodig dat eerst tot u
het Woord van God gesproken werd; doch aangezien gij het verstoot, en uzelf het
eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen."
Aldus ging de zegening nu tot de heidenen, zoals God van
den beginne van plan was. God echter zegende hen niet door Israel's opwekking
(zoals in de profetie), maar door haar val (zoals in het geheimenis). Hij
zegende de heidenen eerder ondanks Israel's tegenstand, dan door haar als
instrument. Israel's weerstand had, als het ware, een "flessenhals"
gevormd, maar God brak in Zijn genade de nek!
Samengevat, hoe ging de redding tot de heidenen? Door
Israel? Nee, ondanks Israel (Hand 13:46). Als resultaat van Israel's
verrijzenis? Nee, als resultaat van haar val (Rom.11:11). Door de kracht
van de getroonde Christus? Nee, door de genade van de verworpen Christus
(1Tim.1:13-16). Door de bediening van Petrus en de elven? Nee, door de
bediening van Paulus (Rom.11:13; 15:16). Onder de "grote
opdracht"? Nee, onder een veel grotere opdracht (2Cor.5:16-21).
|