WAAROM SPRAK PAULUS
ZOVEEL OVER ZICHZELF
H
O O F D S T U K XI
BEROEMDE PAULUS ZICH?
ZIJN VERDEDIGING VAN ZIJN APOSTELSCHAP
In het eerste hoofdstuk van dit boek behandelden we de
vraag: Geven we niet teveel aandacht aan Paulus? Laat ons in dit
hoofdstuk de volgende vraag beschouwen: Vond Paulus zichzelf niet te
belangrijk?
De meeste mensen denken dat Paulus, meer of minder,
dezelfde rangorde bezat als Petrus, Jakobus, Johannes, en de rest van de
apostelen van de Here. Zij voelen, terecht, dat de twaalven en Paulus, allen
door Christus Zelf aangestelde apostelen waren, uitgezonden om van Hem te
getuigen. Zoals we gezien hebben, beschouwen sommigen Paulus als een van de
twaalven, God's keuze voor de opvolging van Judas.
Maar hier komt Paulus en ontkent het meeste hiervan.
Inderdaad komt het persoonlijk element in zijn brieven sterk naar voren. Hij
verwijst met name naar zichzelf, zo'n dertig keren in deze weinige
brieven, en door het persoonlijk voornaamwoord enige honderden malen.
Hier is Paulus, en spreekt telkens van "mijn
evangelie". In Rom.2:16 zegt hij: "God zal de verborgen dingen van de
mensen oordelen door Jezus Christus, naar mijn evangelie". In Rom.16:25
begint hij een zegening met de woorden: "Hem nu, Die machtig is u te
bevestigen naar mijn evangelie..." En in 2Tim.2:8 zegt hij,
"Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit
het zaad van David is, naar mijn evangelie".
Hier komt Paulus met verwijzing naar "het
evangelie dat door mij verkondigd is" (Gal.1:11) en "het
evangelie...dat ik predik" (Gal.2:2). En zulke uitdrukkingen vindt men
door al zijn brieven heen.
Hij gaat inderdaad nog verder dan dit , want hij is de
enige van al de apostelen, die de woorden van onze Here op zijn lippen neemt, "Volgt
mij". Tweemaal bemoedigt hij de Corinthiכrs: "Zijt mijne navolgers" (1Cor.4:16; 11:1), en
tot de Philippensen zegt hij: "Weest
mede mijn navolgers, broeders, en merkt op hen die zo wandelen als gij ons tot
voorbeeld hebt." (Phil.3:17). Met dit soort uitdrukkingen raakt men
vertrouwd in Paulus' brieven.
Maar ook dit is niet alles, want in 2Cor.11:5 verklaart
hij: "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de
uitnemendste apostelen." Had Paulus het recht om zijn eigen bediening
zo aan te bevelen en te onderscheiden van die van de twaalven? Het is zeker dat
degenen, die beweren dat Paulus en de twaalven allen dezelfde boodschap
brachten, nimmer een afdoende verklaring van dit aspekt van zijn brieven hebben
gegeven.
Maar als we de brief aan de Galaten bekijken, komen Paulus
overtuigingen - en de leer van de Heilige Geest betreffende het unieke van zijn
plaats -, nog meer naar voren. Hier wijdt hij bijna twee hoofdstukken aan de
verdediging van zijn apostelschap, dat klaarblijkelijk in twijfel getrokken was.
In deze twee hoofdstukken schijnt het wel of hij de apostelen in Jeruzalem
geringschat en zijn eigen apostelschap verhoogt. In het elfde en twaalfde vers
van het eerste hoofdstuk verzekert hij de Galaten dat hij zijn boodschap
niet van de twaalven of van enige menselijke bron heeft ontvangen, maar door direkte
openbaring van de verheerlijkte Here Zelf.
Inderdaad verklaart hij in Gal.2:2-5: "Ik ging op
door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor dat ik predik onder de
heidenen;..." en vervolgt, dat toen, in Jeruzalem, enkelen erop stonden
dat Titus zou worden besneden, hij (en Barnabas) "...geen uur zijn
geweken", opdat zijn "evangelie van God's genade" ongebroken
zou mogen doorgaan onder de heidense gelovigen te Antiochiכ. In vers 6 verwijst
hij naar Jakobus, Petrus en Johannes (in deze volgorde) als "hen die
geacht waren iets te zijn"*/ en vervolgt:
___________
*/
Voetnoot:
Klaarblijkelijk omdat deze Jakobus, zelf niet een van de twaalven, het
leiderschap van Petrus had voorbijgestreefd (Zie Matt.16:18,19 en cf.
Hand.15:13,19).
"...(zij) hebben mij niets toegebracht;
"Maar daarentegen, toen zij zagen, dat aan mij het
Evangelie van de onbesnedenen toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat van de
besnijdenis;
"en toen Jakobus, en Cephas, en Johannes, die geacht
waren pilaren te zijn, de genade die aan mij gegeven was, erkenden, gaven zij
mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en
zij tot de besnijdenis zouden gaan"
(vers. 6-9).
Let wel op wat hier gebeurde. De twaalf apostelen, die
oorspronkelijk tot "de gehele wereld" en tot "alle
volkeren" waren gezonden, geven nu daadwerkelijk, door hun leiders, de
evangelisatie van de heidenen over aan Paulus, erin toestemmend dat hun eigen
bediening voortaan gericht zal zijn op Israel! Aldus verklaart Paulus aan de
Romeinen, niet uit trots, maar door inspiratie van de Heilige Geest: "...voor
zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk!" (Rom.11:13).
En hij toonde deze autoriteit in Antiochiכ, waar Petrus
de beslissing moet hebben gekompromitteerd, die gemaakt was op het konvent te
Jeruzalem, onder de leiding van de Heilige Geest. Lees zijn woorden in
Gal.2:11,14:
"En toen Petrus te Antiochiכ kwam, weerstond ik hem in het
aangezicht, omdat hij te bestraffen was." "...toen ik zag, dat zij
niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in de
tegenwoordigheid van allen: Indien gij die een Jood zijt, naar heidense wijze
leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom dwingt gij de heidenen naar de Joodse
wijze te leven?"
En dit werd gepubliceerd in een brief aan "de
kerken van Galatiכ". Hier zouden wij bijna Paulus een halt toeroepen, en
hem zeggen: "Heb jij je plaats vergeten? Realiseer je dat je een publiek
schandaal maakt van de leider van de twaalf apostelen? Zou je niet willen
overwegen, dat hij reeds een apostel was vףףr jou, en dat jij nog maar pas tot
deze positie bent aangewezen? Ben je vergeten dat de Here Zelf aan Petrus de
sleutels van het hemels koninkrijk gaf en dat duizenden zielen gered zijn
geworden door zijn bediening?" Dit moet moeilijk te verstaan zijn, als we
niet de verborgenheid, "het geheimenis", begrijpen.
Maar zelfs dit is nog niet alles. Een van Paulus' sterkste
argumenten in verband hiermee wordt gevonden in Gal.1:8, waar hij zegt: "Doch
al was het ook, dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie
verkondigden, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt."
En hij meent streng te moeten spreken, want in het
volgende vers herhaalt hij de klemtoon: "Zoals wij tevoren (eerder)
gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Indien iemand u een evangelie verkondigt,
buiten wat gij ontvangen hebt, die zij vervloekt."
Zo spreekt Paulus werkelijk een vloek uit over ieder die
tot deze heidenen een ander evangelie, dan wat hij tot hen gepredikt had, zou
durven verkondigen. Wanneer dit wordt beschouwd in het licht van Gal.2:7, wordt
de ernst van deze vloek gezien, want "het evangelie van de
besnijdenis" was zeker niet hetzelfde als "het evangelie voor
de onbesnedenen."
Hoe zullen wij dit alles uitleggen?
Veronderstel eens dat ik, de auteur van dit boek, zou
beginnen met te spreken over "mijn evangelie"! Zoudt u mij niet
terecht veroordelen wegens verheffen van mezelf boven andere dienaars van
Christus en het prediken van een ander evangelie? U zou inderdaad gelijk hebben
als u zou zeggen: "Als dit uw evangelie is, wens ik het niet te
horen".
En stel dat ik tot mijn toehoorders zou zeggen: "Broeders,
wordt mijne navolgers"! Zoudt u dan niet uitroepen: "Wat een
verschrikkelijke verwaandheid!"
ONTOEREIKENDE
VERKLARINGEN
Bij het proberen om deze uiteenzettingen van Paulus te
verklaren, zijn er sommigen die deze weg zouden willen verklaren! Zij
zijn het erover eens dat zijn term "mijn evangelie" eenvoudig betekent
dat hij ook het evangelie predikte, en ontkennen dat zijn boodschap zich
onderscheidt van die van de twaalven. Zij zeggen dat, wanneer hij anderen
vertelde om hem te volgen, hij
alleen bedoelde dat zij zijn hoofddoel in het leven zouden volgen. Zij
beweren dat toen hij naar Jeruzalem opging om zijn evangelie te delen met de
twaalven, dit alleen was om dit met hen af te checken, om er zeker van te zijn
dat zij allen hetzelfde predikten. Maar dit alles is in tegenstelling met de
eenvoudige, duidelijke betekenis van zijn woorden.
Er zijn enigen die beweren dat Paulus kon zeggen
"Wordt mijne navolgers" omdat hij het werkelijke leven leidde, maar
ook deze verklaring is zeker niet toereikend. Als de meest ernstige, godvrezende
Christen vandaag zou beginnen te zeggen, "Broeders, weest mijne
navolgers en merk op hen die zo wandelen zoals gij ons tot voorbeeld hebt,"
zouden wij direkt realiseren dat hij alle nederigheid en geestelijkheid verloren
heeft. Is er enig mens zo betrouwbaar dat men hem in alles kan volgen?
Had Paulus geen moeite met zijn oude natuur? (Zie Rom.7:18,21-24).
Hoe zullen we dan Paulus' schijnbare zelfroem verklaren;
zijn vasthouden aan de onderscheiding van zijn bediening en boodschap, zijn
schijnbare geringschatting van de andere apostelen om zijn eigen apostelschap te
verheffen, zijn stelling dat zij hem, in het convent, niets hadden toe te
brengen, maar hij eerder hen, zijn weigering om ruimte te geven aan de Hebreewse,
Christelijke leiders, zelfs niet voor een uur, zijn openbare berisping van
Petrus, zijn roep aan anderen om hem te volgen, zijn vloek op ieder die zou
durven een ander evangelie te verkondigen dan dat hij tot hen gepredikt had? Hoe
zullen wij dit alles verklaren? Het antwoord op deze kwestie van Paulus' nadruk
op zijn eigen bediening, is de sleutel van de gehele boodschap van genade.
DE HEERLIJKHEID VAN GOD'S GENADE
Wij moeten niet vergeten, dat dezelfde die in 2Cor.11:5
zegt: "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de
uitnemendste apostelen", ook zegt in 1Cor.15:9,10: "Want ik ben
de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden,
omdat ik de Gemeente van God vervolgd heb, DOCH DOOR DE GENADE VAN GOD
BEN IK, WAT IK BEN".
Het is in het laatste gedeelte van dit vers dat wij de
oplossing vinden tot het hele probleem: Door de genade van God ben ik, wat ik
ben".
In onmiddelijk verband met Paulus' "roemen",
hebben we zijn erkenning dat hijzelf niets is. In andere passages noemt
hij zichzelf de voornaamste der zondaars, en "minder dan de minste van alle
heiligen", maar in elk geval verheerlijkt hij God's genade dat hij gemaakt
is tot wat hij nu is.
Het heerlijke feit was, dat God Saulus had genomen, de
schuldige leider van de opstand tegen Christus, en hem tot de
heraut en het levend toonbeeld van Zijn oneindige genade had gemaakt. Als
Paulus zijn eigen apostelschap verdedigt en verheft, doet hij dat niet voor de
glorie van Paulus, maar voor de glorie van God; niet om zichzelf te verheffen,
maar om de genade van God te verhogen. Voortdurend verbindt hij zijn
apostelschap met de rijkdommen van Gods genade. Let aandachtig op de volgende
voorbeelden hiervan:
Rom.1:5: "Door wie wij hebben ontvangen genade en
het apostelschap..."
Rom.12:3: "Want door de genade die mij gegeven
is..."
Rom.15:15,16: "Maar ik heb u ten dele wat
vrijmoedig geschreven, broeders...om de genade die mij door God gegeven is; dat
ik een dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de heidenen..." 1Cor.15:9,10:
"Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een
apostel genoemd te worden...doch door de genade van God ben ik, wat ik ben; en
Zijn genade die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb
overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade van God, die
met mij is." Gal.1:15,16: "...het God, Die mij...door Zijn
genade geroepen heeft, behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door
het evangelie onder de heidenen zou verkondigen..." Gal.2:9: "En
toen Jakobus, en Cephas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de
genade die aan mij gegeven was, erkenden, gaven zij mij en Barnabas de
rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de
besnijdenis zouden gaan"
Eph.3:8: "Mij, de allerminste van al de heiligen,
is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het evangelie te verkondigen
de onnaspeurlijke rijkdom van Christus."
Ongetwijfeld de merkwaardigste passage waarin Paulus zijn
apostelschap verbindt met de genade van God is 1Tim.1:12-16: "En ik dank
Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij
trouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft; "die
tevornen een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is
barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend gedaan heb, in mijn ongeloof.
"Doch de genade van onze Here is zeer overvloedig geweest met geloof en
liefde, die er is in Christus Jezus.
"Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming
waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken,
van wie ik de voornaamste ben. "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied,
opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou
betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven zouden tot het eeuwige
leven."
We moeten niet vergeten Paulus' vorige positie te
beschouwen, als we zijn latere rol in God's programma bestuderen. We kunnen Paulus
alleen begrijpen, wanneer we eerst Saulus gezien hebben. In de zojuist aangehaalde passage verwondert
hij zich erover, dat God hem in de bediening geplaatst heeft, die tevoren
"een lasteraar, en een vervolger, en verdrukker" was geweest,
en rekent zich dit slechts toe, door aan te tonen dat "de genade van God
zeer overvloedig was".
Als Paulus zich hier de "voornaamste der
zondaars" noemt, bedoelt hij niet dat hij de ergste van de zondaars
was. Judas, de Farizeכrs, en de Saduceכrs waren ongetwijfeld meer gewetenloos
in hun zonden dan hij, maar Paulus' positie als de vurige leider van de
opstand tegen Christus, bepaalde hem tot de "voornaamste"
van de zondaars. Hij was God's grootste vijand op aarde.
Laat ons het beeld eens historisch beschouwen. God had de
goddeloze heidense volkeren opgegeven en had voor Zichzelf ייn volk gekozen,
het Hebreeuwse volk, en nu, zie, dat volk staat tegen Hem op! En wie is
de leider van de opstand? Het boek Handelingen beantwoordt dit, onmogelijk mis
te verstaan. Het was niet de hogepriester, of het Sanhedrin. Het was Saulus van
Tarsen die het initiatief koos in de vervolging die woedde tegen Christus. Hij
was het die "de Gemeente verwoestte" en "dreiging en
moord blazende tegen de discipelen van de Here, tot de hogepriester ging, en
begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat als hij enigen
die van die Weg waren, vond, hij ze, beiden mannen en vrouwen, gebonden naar
Jeruzalem zou brengen" (Hand.8:3 en 9:1,2). En dit zijn nog maar twee
plaatsen van de lange lijst van.de Schriften die de intensiteit aangeven van
Saulus' vijandschap tegen Christus en Zijn discipelen.
Het woord "voornaamste" wil niet de graad
uitdrukken, maar de rangorde, en het is niet vreemd dat deze term op hem
wordt toegepast, als degene die inspireerde en de bittere en aanvallende opstand
leidde, die oorzaak was dat God Israel verwierp (voor een zekere tijd) en het
volk, samen met de heidenen, besloot in ongeloof.
Er bestaat een neiging om Saulus te excuseren, omdat hij
zegt: "Ik heb het onwetend gedaan, in ongeloof". Het is waar
dat juist de felheid van zijn haat tegen Christus, het barmhartig hart van God
bewoog om hem te redden, maar we moeten niet denken dat zijn onwetendheid te
excuseren viel. Hij moest en had kunnen weten dat Jezus de Christus was,
en juist in deze passage benadrukt de Heilige Geest, door Paulus zelf, de
ontzettende rijkdommen van God's genade aan Saulus, de zondaar.
Zeker was het geweldige genade die van
deze man bezit nam, hem redde, en hem in de bediening stelde, en het was
omdat Paulus' apostelschap de hoogste demonstratie van God's oneindige
genade voor zondaars was, dat hij dit zo hevig verdedigde.
In deze zelfde passage zegt hij: "Maar daarom is
mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste
ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem
geloven zouden tot het eeuwige leven" (1Tim.1:16).
De verworpen Here toonde in Paulus, vooraf-schaduwend, alle
lankmoedigheid. Paulus was het model voor hen die voortaan in
Christus zouden geloven tot eeuwig leven. Hij was zelfs het model voor het volk
Israel, dat ook moest leren dat "er geen onderscheid" is (Rom.3:22,23;
10:12,13) en, na dit geleerd te hebben, eens geheel zal worden gered, en alleen
door de mateloze genade van God.
Vele eeuwen geleden heeft de Kerk in haar geheel, het
zicht op de bijzondere positie die Paulus inneemt in God's programma, verloren.
Zij hebben hem "een van de apostelen" genoemd, daarbij vergetend dat
de twaalven gezonden waren tot de hele wereld, met betrekking tot de aanname van
Christus, de opwekking van Israel, en de autoriteit van God.
Paulus werd tot de hele wereld gezonden met betrekking tot de verwerping
van Christus, de val van Israel, en de genade van God.
Als gevolg daarvan, hebben menigten van gelovigen, zelfs
in onze dagen, geen uitlegging voor Paulus' klaarblijkelijke eigenroem, en zijn
volstrekt onwetend en verward voor wat betreft God's boodschap en programma voor
vandaag. Denk eens aan de verwarring die nog steeds bestaat betreffende de
tekenen der tijden, het werk van de Heilige Geest, waterdoop en de terugkeer van
Christus, alles zo nodeloos, als we zien op wat de Schriften duidelijk zeggen
met betrekking tot het bijzondere karakter van Paulus' apostelschap en zijn
boodschap. In het licht van de Schriften die hier beschouwd worden, is het
moeilijk voor ons te begrijpen, hoe vooraanstaande Fundamentalisten en leraars
der Bijbelse bedelingen door kunnen gaan met te beweren dat er geen grondig
verschil bestaat tussen de boodschappen van Paulus en van de twaalven. Maar naar
de mate waarop zij dit beweren, verdiepen zich ook hun scheidingen.
Stel voor een ogenblik het bijzondere karakter van Paulus'
bediening in twijfel, of plaats hem in dezelfde kategorie met de twaalven, en u
bezoedelt de heerlijkheid van God's wonderbare genade en verdoezelt Zijn eeuwige
bedoeling in Christus. Dit is de reden waarom Paulus het "waarmerk van zijn
aanstelling" op tafel werpt, als het ware, met de verklaring:
"...ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij
verkondigd is, niet is naar de mens. "Want ik heb het ook niet van een mens
ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus."
(Gal.1:11,12).
Hierom
verklaart hij, door goddelijke inspiratie, "...voor zover ik de apostel
der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk" (Rom.11:13). Laten
wij er dan acht op geven, niet te verwaarlozen wat God zo nadrukkelijk
"bepaalt", of te verkleinen wat Hij opheft, zodat we Hem zouden
grieven en Zijn kostelijkste zegeningen zouden verzaken. Laat ons liever van
harte Zijn Woord ontvangen en in de hoogst mogelijke graad, de kracht ervaren
die Paulus ervoer in zijn bediening voor Christus.
|