De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

 WAAROM SPRAK PAULUS  ZOVEEL OVER ZICHZELF

H O O F D S T U K  XI

  BEROEMDE PAULUS ZICH?

                ZIJN VERDEDIGING VAN ZIJN APOSTELSCHAP

In het eerste hoofdstuk van dit boek behandelden we de vraag: Geven we niet teveel aandacht aan Paulus? Laat ons in dit hoofdstuk de volgende vraag beschouwen: Vond Paulus zichzelf niet te belangrijk?

De meeste mensen denken dat Paulus, meer of minder, dezelfde rangorde bezat als Petrus, Jakobus, Johannes, en de rest van de apostelen van de Here. Zij voelen, terecht, dat de twaalven en Paulus, allen door Christus Zelf aangestelde apostelen waren, uitgezonden om van Hem te getuigen. Zoals we gezien hebben, beschouwen sommigen Paulus als een van de twaalven, God's keuze voor de opvolging van Judas.

Maar hier komt Paulus en ontkent het meeste hiervan. Inderdaad komt het persoonlijk element in zijn brieven sterk naar voren. Hij verwijst met name naar zichzelf, zo'n dertig keren in deze weinige brieven, en door het persoonlijk voornaamwoord enige honderden malen.

Hier is Paulus, en spreekt telkens van "mijn evangelie". In Rom.2:16 zegt hij: "God zal de verborgen dingen van de mensen oordelen door Jezus Christus, naar mijn evangelie". In Rom.16:25 begint hij een zegening met de woorden: "Hem nu, Die machtig is u te bevestigen naar mijn evangelie..." En in 2Tim.2:8 zegt hij, "Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit het zaad van David is, naar mijn evangelie".

Hier komt Paulus met verwijzing naar "het evangelie dat door mij verkondigd is" (Gal.1:11) en "het evangelie...dat ik predik" (Gal.2:2). En zulke uitdrukkingen vindt men door al zijn brieven heen.

Hij gaat inderdaad nog verder dan dit , want hij is de enige van al de apostelen, die de woorden van onze Here op zijn lippen neemt, "Volgt mij". Tweemaal bemoedigt hij de Corinthiכrs:  "Zijt mijne navolgers" (1Cor.4:16; 11:1), en tot de Philippensen  zegt hij: "Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op hen die zo wandelen als gij ons tot voorbeeld hebt." (Phil.3:17). Met dit soort uitdrukkingen raakt men vertrouwd in Paulus' brieven.

Maar ook dit is niet alles, want in 2Cor.11:5 verklaart hij: "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen." Had Paulus het recht om zijn eigen bediening zo aan te bevelen en te onderscheiden van die van de twaalven? Het is zeker dat degenen, die beweren dat Paulus en de twaalven allen dezelfde boodschap brachten, nimmer een afdoende verklaring van dit aspekt van zijn brieven hebben gegeven.

  Maar als we de brief aan de Galaten bekijken, komen Paulus overtuigingen - en de leer van de Heilige Geest betreffende het unieke van zijn plaats -, nog meer naar voren. Hier wijdt hij bijna twee hoofdstukken aan de verdediging van zijn apostelschap, dat klaarblijkelijk in twijfel getrokken was. In deze twee hoofdstukken schijnt het wel of hij de apostelen in Jeruzalem geringschat en zijn eigen apostelschap verhoogt. In het elfde en twaalfde vers van het eerste hoofdstuk verzekert hij de Galaten dat hij zijn boodschap niet van de twaalven of van enige menselijke bron heeft ontvangen, maar door direkte openbaring van de verheerlijkte Here Zelf.

  Inderdaad verklaart hij in Gal.2:2-5: "Ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor dat ik predik onder de heidenen;..." en vervolgt, dat toen, in Jeruzalem, enkelen erop stonden dat Titus zou worden besneden, hij (en Barnabas) "...geen uur zijn geweken", opdat zijn "evangelie van God's genade" ongebroken zou mogen doorgaan onder de heidense gelovigen te Antiochiכ. In vers 6 verwijst hij naar Jakobus, Petrus en Johannes (in deze volgorde) als "hen die geacht waren iets te zijn"*/ en vervolgt:

  ___________

*/ Voetnoot: Klaarblijkelijk omdat deze Jakobus, zelf niet een van de twaalven, het leiderschap van Petrus had voorbijgestreefd (Zie Matt.16:18,19 en cf. Hand.15:13,19).

  "...(zij) hebben mij niets toegebracht;

  "Maar daarentegen, toen zij zagen, dat aan mij het Evangelie van de onbesnedenen toevertrouwd was, zoals aan Petrus dat van de besnijdenis;

   "en toen Jakobus, en Cephas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die aan mij gegeven was, erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan" (vers. 6-9).

  Let wel op wat hier gebeurde. De twaalf apostelen, die oorspronkelijk tot "de gehele wereld" en tot "alle volkeren" waren gezonden, geven nu daadwerkelijk, door hun leiders, de evangelisatie van de heidenen over aan Paulus, erin toestemmend dat hun eigen bediening voortaan gericht zal zijn op Israel! Aldus verklaart Paulus aan de Romeinen, niet uit trots, maar door inspiratie van de Heilige Geest: "...voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk!" (Rom.11:13).

En hij toonde deze autoriteit in Antiochiכ, waar Petrus de beslissing moet hebben gekompromitteerd, die gemaakt was op het konvent te Jeruzalem, onder de leiding van de Heilige Geest. Lees zijn woorden in Gal.2:11,14: 

"En toen Petrus te Antiochiכ kwam, weerstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was." "...toen ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in de tegenwoordigheid van allen: Indien gij die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom dwingt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?"

En dit werd gepubliceerd in een brief aan "de kerken van Galatiכ". Hier zouden wij bijna Paulus een halt toeroepen, en hem zeggen: "Heb jij je plaats vergeten? Realiseer je dat je een publiek schandaal maakt van de leider van de twaalf apostelen? Zou je niet willen overwegen, dat hij reeds een apostel was vףףr jou, en dat jij nog maar pas tot deze positie bent aangewezen? Ben je vergeten dat de Here Zelf aan Petrus de sleutels van het hemels koninkrijk gaf en dat duizenden zielen gered zijn geworden door zijn bediening?" Dit moet moeilijk te verstaan zijn, als we niet de verborgenheid, "het geheimenis", begrijpen.

Maar zelfs dit is nog niet alles. Een van Paulus' sterkste argumenten in verband hiermee wordt gevonden in Gal.1:8, waar hij zegt: "Doch al was het ook, dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigden, buiten wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt."

En hij meent streng te moeten spreken, want in het volgende vers herhaalt hij de klemtoon: "Zoals wij tevoren (eerder) gezegd hebben, zo zeg ik ook nu weer: Indien iemand u een evangelie verkondigt, buiten wat gij ontvangen hebt, die zij vervloekt."

Zo spreekt Paulus werkelijk een vloek uit over ieder die tot deze heidenen een ander evangelie, dan wat hij tot hen gepredikt had, zou durven verkondigen. Wanneer dit wordt beschouwd in het licht van Gal.2:7, wordt de ernst van deze vloek gezien, want "het evangelie van de besnijdenis" was zeker niet hetzelfde als "het evangelie voor de onbesnedenen."

Hoe zullen wij dit alles uitleggen?

Veronderstel eens dat ik, de auteur van dit boek, zou beginnen met te spreken over "mijn evangelie"! Zoudt u mij niet terecht veroordelen wegens verheffen van mezelf boven andere dienaars van Christus en het prediken van een ander evangelie? U zou inderdaad gelijk hebben als u zou zeggen: "Als dit uw evangelie is, wens ik het niet te horen".

En stel dat ik tot mijn toehoorders zou zeggen: "Broeders, wordt mijne navolgers"! Zoudt u dan niet uitroepen: "Wat een verschrikkelijke verwaandheid!"

ONTOEREIKENDE VERKLARINGEN

Bij het proberen om deze uiteenzettingen van Paulus te verklaren, zijn er sommigen die deze weg zouden willen verklaren! Zij zijn het erover eens dat zijn term "mijn evangelie" eenvoudig betekent dat hij ook het evangelie predikte, en ontkennen dat zijn boodschap zich onderscheidt van die van de twaalven. Zij zeggen dat, wanneer hij anderen vertelde  om hem te volgen, hij alleen bedoelde dat zij zijn hoofddoel in het leven zouden volgen. Zij beweren dat toen hij naar Jeruzalem opging om zijn evangelie te delen met de twaalven, dit alleen was om dit met hen af te checken, om er zeker van te zijn dat zij allen hetzelfde predikten. Maar dit alles is in tegenstelling met de eenvoudige, duidelijke betekenis van zijn woorden.

Er zijn enigen die beweren dat Paulus kon zeggen "Wordt mijne navolgers" omdat hij het werkelijke leven leidde, maar ook deze verklaring is zeker niet toereikend. Als de meest ernstige, godvrezende Christen vandaag zou beginnen te zeggen, "Broeders, weest mijne navolgers en merk op hen die zo wandelen zoals gij ons tot voorbeeld hebt," zouden wij direkt realiseren dat hij alle nederigheid en geestelijkheid verloren heeft. Is er enig mens zo betrouwbaar dat men hem in alles kan volgen? Had Paulus geen moeite met zijn oude natuur? (Zie Rom.7:18,21-24).

Hoe zullen we dan Paulus' schijnbare zelfroem verklaren; zijn vasthouden aan de onderscheiding van zijn bediening en boodschap, zijn schijnbare geringschatting van de andere apostelen om zijn eigen apostelschap te verheffen, zijn stelling dat zij hem, in het convent, niets hadden toe te brengen, maar hij eerder hen, zijn weigering om ruimte te geven aan de Hebreewse, Christelijke leiders, zelfs niet voor een uur, zijn openbare berisping van Petrus, zijn roep aan anderen om hem te volgen, zijn vloek op ieder die zou durven een ander evangelie te verkondigen dan dat hij tot hen gepredikt had? Hoe zullen wij dit alles verklaren? Het antwoord op deze kwestie van Paulus' nadruk op zijn eigen bediening, is de sleutel van de gehele boodschap van genade.

                   DE HEERLIJKHEID VAN GOD'S GENADE

Wij moeten niet vergeten, dat dezelfde die in 2Cor.11:5 zegt: "Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen", ook zegt in 1Cor.15:9,10: "Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden, omdat ik de Gemeente van God vervolgd heb, DOCH DOOR DE GENADE VAN GOD BEN IK, WAT IK BEN".

Het is in het laatste gedeelte van dit vers dat wij de oplossing vinden tot het hele probleem: Door de genade van God ben ik, wat ik ben".

In onmiddelijk verband met Paulus' "roemen", hebben we zijn erkenning dat hijzelf niets is. In andere passages noemt hij zichzelf de voornaamste der zondaars, en "minder dan de minste van alle heiligen", maar in elk geval verheerlijkt hij God's genade dat hij gemaakt is tot wat hij nu is.

Het heerlijke feit was, dat God Saulus had genomen, de schuldige leider van de opstand tegen Christus, en hem tot de  heraut en het levend toonbeeld van Zijn oneindige genade had gemaakt. Als Paulus zijn eigen apostelschap verdedigt en verheft, doet hij dat niet voor de glorie van Paulus, maar voor de glorie van God; niet om zichzelf te verheffen, maar om de genade van God te verhogen. Voortdurend verbindt hij zijn apostelschap met de rijkdommen van Gods genade. Let aandachtig op de volgende voorbeelden hiervan:

Rom.1:5: "Door wie wij hebben ontvangen genade en het apostelschap..."

Rom.12:3: "Want door de genade die mij gegeven is..."

Rom.15:15,16: "Maar ik heb u ten dele wat vrijmoedig geschreven, broeders...om de genade die mij door God gegeven is; dat ik een dienaar van Jezus Christus zou zijn onder de heidenen..." 1Cor.15:9,10: "Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genoemd te worden...doch door de genade van God ben ik, wat ik ben; en Zijn genade die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade van God, die met mij is." Gal.1:15,16: "...het God, Die mij...door Zijn genade geroepen heeft, behaagde Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem door het evangelie onder de heidenen zou verkondigen..." Gal.2:9: "En toen Jakobus, en Cephas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade die aan mij gegeven was, erkenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan"

Eph.3:8: "Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus."

Ongetwijfeld de merkwaardigste passage waarin Paulus zijn apostelschap verbindt met de genade van God is 1Tim.1:12-16: "En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Here, dat Hij mij trouw geacht heeft, daar Hij mij in de bediening gesteld heeft; "die tevornen een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend gedaan heb, in mijn ongeloof. "Doch de genade van onze Here is zeer overvloedig geweest met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.

"Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaars zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben. "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven zouden tot het eeuwige leven."

We moeten niet vergeten Paulus' vorige positie te beschouwen, als we zijn latere rol in God's programma bestuderen. We kunnen Paulus alleen begrijpen, wanneer we eerst Saulus  gezien hebben. In de zojuist aangehaalde passage verwondert hij zich erover, dat God hem in de bediening geplaatst heeft, die tevoren "een lasteraar, en een vervolger, en verdrukker" was geweest, en rekent zich dit slechts toe, door aan te tonen dat "de genade van God zeer overvloedig was".

Als Paulus zich hier de "voornaamste der zondaars" noemt, bedoelt hij niet dat hij de ergste van de zondaars was. Judas, de Farizeכrs, en de Saduceכrs waren ongetwijfeld meer gewetenloos in hun zonden dan hij, maar Paulus' positie als de vurige leider van de opstand tegen Christus, bepaalde hem tot de "voornaamste" van de zondaars. Hij was God's grootste vijand op aarde.

Laat ons het beeld eens historisch beschouwen. God had de goddeloze heidense volkeren opgegeven en had voor Zichzelf ייn volk gekozen, het Hebreeuwse volk, en nu, zie, dat volk staat tegen Hem op! En wie is de leider van de opstand? Het boek Handelingen beantwoordt dit, onmogelijk mis te verstaan. Het was niet de hogepriester, of het Sanhedrin. Het was Saulus van Tarsen die het initiatief koos in de vervolging die woedde tegen Christus. Hij was het die "de Gemeente verwoestte" en "dreiging en moord blazende tegen de discipelen van de Here, tot de hogepriester ging, en begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat als hij enigen die van die Weg waren, vond, hij ze, beiden mannen en vrouwen, gebonden naar Jeruzalem zou brengen" (Hand.8:3 en 9:1,2). En dit zijn nog maar twee plaatsen van de lange lijst van.de Schriften die de intensiteit aangeven van Saulus' vijandschap tegen Christus en Zijn discipelen.

Het woord "voornaamste" wil niet de graad uitdrukken, maar de rangorde, en het is niet vreemd dat deze term op hem wordt toegepast, als degene die inspireerde en de bittere en aanvallende opstand leidde, die oorzaak was dat God Israel verwierp (voor een zekere tijd) en het volk, samen met de heidenen, besloot in ongeloof.

Er bestaat een neiging om Saulus te excuseren, omdat hij zegt: "Ik heb het onwetend gedaan, in ongeloof". Het is waar dat juist de felheid van zijn haat tegen Christus, het barmhartig hart van God bewoog om hem te redden, maar we moeten niet denken dat zijn onwetendheid te excuseren viel. Hij moest en had kunnen weten dat Jezus de Christus was, en juist in deze passage benadrukt de Heilige Geest, door Paulus zelf, de ontzettende rijkdommen van God's genade aan Saulus, de zondaar.

Zeker was het geweldige genade die  van deze man bezit nam, hem redde, en hem in de bediening stelde, en het was omdat Paulus' apostelschap de hoogste demonstratie van God's oneindige genade voor zondaars was, dat hij dit zo hevig verdedigde.

In deze zelfde passage zegt hij: "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven zouden tot het eeuwige leven" (1Tim.1:16).

De verworpen Here toonde in Paulus, vooraf-schaduwend, alle lankmoedigheid. Paulus was het model voor hen die voortaan in Christus zouden geloven tot eeuwig leven. Hij was zelfs het model voor het volk Israel, dat ook moest leren dat "er geen onderscheid" is (Rom.3:22,23; 10:12,13) en, na dit geleerd te hebben, eens geheel zal worden gered, en alleen door de mateloze genade van God.

Vele eeuwen geleden heeft de Kerk in haar geheel, het zicht op de bijzondere positie die Paulus inneemt in God's programma, verloren. Zij hebben hem "een van de apostelen" genoemd, daarbij vergetend dat de twaalven gezonden waren tot de hele wereld, met betrekking tot de aanname van Christus, de opwekking van Israel, en de autoriteit van God. Paulus werd tot de hele wereld gezonden met betrekking tot de verwerping van Christus, de val van Israel, en de genade van God.

Als gevolg daarvan, hebben menigten van gelovigen, zelfs in onze dagen, geen uitlegging voor Paulus' klaarblijkelijke eigenroem, en zijn volstrekt onwetend en verward voor wat betreft God's boodschap en programma voor vandaag. Denk eens aan de verwarring die nog steeds bestaat betreffende de tekenen der tijden, het werk van de Heilige Geest, waterdoop en de terugkeer van Christus, alles zo nodeloos, als we zien op wat de Schriften duidelijk zeggen met betrekking tot het bijzondere karakter van Paulus' apostelschap en zijn boodschap. In het licht van de Schriften die hier beschouwd worden, is het moeilijk voor ons te begrijpen, hoe vooraanstaande Fundamentalisten en leraars der Bijbelse bedelingen door kunnen gaan met te beweren dat er geen grondig verschil bestaat tussen de boodschappen van Paulus en van de twaalven. Maar naar de mate waarop zij dit beweren, verdiepen zich ook hun scheidingen.

Stel voor een ogenblik het bijzondere karakter van Paulus' bediening in twijfel, of plaats hem in dezelfde kategorie met de twaalven, en u bezoedelt de heerlijkheid van God's wonderbare genade en verdoezelt Zijn eeuwige bedoeling in Christus. Dit is de reden waarom Paulus het "waarmerk van zijn aanstelling" op tafel werpt, als het ware, met de verklaring:  "...ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie dat door mij verkondigd is, niet is naar de mens. "Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus." (Gal.1:11,12).

Hierom verklaart hij, door goddelijke inspiratie, "...voor zover ik de apostel der heidenen ben, maak ik mijn bediening heerlijk" (Rom.11:13). Laten wij er dan acht op geven, niet te verwaarlozen wat God zo nadrukkelijk "bepaalt", of te verkleinen wat Hij opheft, zodat we Hem zouden grieven en Zijn kostelijkste zegeningen zouden verzaken. Laat ons liever van harte Zijn Woord ontvangen en in de hoogst mogelijke graad, de kracht ervaren die Paulus ervoer in zijn bediening voor Christus.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011