|
E
E N N I E U W E B E D E L I N G
H
O O F D S T U K I
PAULUS
HET VOORBEELD
HET GEHEIMENIS ONTHULD
De bekering van Paulus kenmerkte het begin van de
onthulling van het geheim van God's bedoeling en genade. Met name het feit dat nog
een apostel, geheel afgescheiden van de twaalven, was opgewekt, wijst er
duidelijk heen, dat God een nieuwe bedeling ging invoegen: "de bedeling
van God's genade" (Eph.3:1-4). Dr.I.R.Dean zegt hierover:
"Waarom was het nodig voor Paulus om een nieuwe
openbaring van het evangelie te ontvangen, als hij hetzelfde evangelie moest
prediken dat Johannes de Doper en Christus en Zijn discipelen gepredikt hadden?
Waarin ligt het verschil?
"Johannes de Doper en Christus en Zijn discipelen
boden Israel een Messias aan...Paulus' evangelie biedt
Israel helemaal geen Messias aan; God biedt thans niemand een Messias aan"
(the Coming King, P.210).
Dean had gelijk, want veel meer dan een Messias aan te
bieden, biedt God aan alle mensen, door genade, verzoening aan, in een wereld,
waar Messias, de Koning werd, en nog steeds blijft, afgewezen. "Want God
heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou
barmhartig zijn." (Rom.11:32).
ONTIJDIG GEBOREN
Er dient meer te worden gezegd over de bekering van Saulus.
In 1Cor.15:8 noemt hij zichzelf "een ontijdig geborene". Hier
schijnt hij zijn eigen bekering te vergelijken met de toekomstige bekering van
Israel, want de term beduidt in het Grieks een "misdracht", of een
ontijdige geboorte.
Maar waren er dan niet vele Joodse gelovigen gered tijdens
de aardse bediening van onze Here, en op Pinksteren? Werden deze dan niet ook
"buiten" of vóór de bestemde tijd geboren? Ja, maar tussentijds had
er iets belangrijks plaats gevonden.
De Joodse discipelen waren gered gedurende, wat Christus
noemde, de dag van Israel en de tijd van hun bezoeking
(Luk.19:41-44). Onze Here noemde dit ook "het aangename jaar van de Here"
voor Israel (Luk.4:19). Bovendien werd dit "aangename jaar van de Here"
verlengd door de tussenkomst van onze Here vanaf het kruis (Luk.23:34;cf.Luk.13:8).
De Apostelen konden echter niet hebben geweten, dat
Pinksteren, toen het koninkrijk feitelijk werd aangeboden, niet de
"bestemde tijd" was voor Israel's bekering, want onze Here had
nagelaten hen dit te vertellen (zie Hand.1:6,7).
Maar bij het vermoorden van Stephanus, en de "grote
vervolging" die daarop volgde, werd het duidelijk dat Israel Christus niet
wilde aannemen. Met deze opstandige daad beantwoordde het volk de vraag van de
apostelen van Christus met betrekking tot de vestiging van Zijn koninkrijk. Nu
moet Israel's bekering een toekomstige dag afwachten; de "bestemde
tijd' was nog komende, ofschoon
allen dit nog niet begrepen.
Hierom spreekt Paulus van zichzelf als te zijn geboren vóór
de "bestemde tijd", beter dan "op de" bestemde
tijd". Hier volgt echter niet uit, dat de bekering van Paulus ook helemaal
typisch was voor die van Israel. Paulus, geboren op, of vóór de
bestemde tijd, heeft niet meer betrekking op ons heidenen, dan op Israel. Israel
zal worden wedergeboren op de bestemde tijd, terwijl wij, evenals Paulus,
geboren zijn "op" of vóór de bestemde tijd. Laat ons dit wat
eenvoudiger stellen:
Wanneer is de bestemde tijd voor Israel, als volk, om te
worden gered: in het verleden, tans, of toekomstig? Het antwoord is,
vanzelfsprekend, toekomstig. Wanneer is het de bestemde tijd voor de
heidenen om te worden gered? Het antwoord vanuit de profetie luidt dat dit
eveneens toekomstig is, want de heidenen worden gered, overeenkomstig verbond en
profetie, door verzoend Israel (Jes.60:1-3;Luk.2:30-32). Wanneer Joden
thans worden gered, geschiedt dat dan "ter bestemde tijd",
profetisch gesproken, of "vóór de bestemde tijd"? Natuurlijk "vóór
de bestemde tijd, en door genade. En wanneer heidenen vandaag
worden gered, worden zij dan gered "op de bestemde tijd" of "vóór
de bestemde tijd"? Het antwoord is eveneens vóór de bestemde
tijd", want volgens profetie zou het behoud van de heidenen zijn - en
zal zijn - het gevolg van Israel's bekering, terwijl tans Joden en
heidenen worden gered op éénzelfde basis.
Dus wanneer Joden en heidenen vandaag gered worden, en
verzoend met God in één lichaam, worden zij gered "op" of vóór de
"bestemde tijd", niet op basis van enig verbond wat God met hen heeft
gemaakt, maar door genade; niet volgens de profetie, maar naar het
geheimenis, geopenbaard aan en door de Apostel Paulus.
Sommigen blijven erbij dat Paulus' bekering "een
voorbeeld" was van Israel's bekering, alleen hij zegt het niet. Hij
zegt, door inspiratie van de Geest, dat Christus, in zijn geval, "al
Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld voor hen die in Hem geloven
zouden tot het eeuwige leven" (1Tim.1:16).
GEVEN
WIJ PAULUS NIET VERSCHULDIGDE ERKENNING?
Geven wij dan in onze prediking en ons schrijven teveel
aandacht aan Paulus? Erkennen wij hem teveel? Is het waar dat wij dikwijls
verwijzen naar Paulus in onze prediking en dikwijls onze besprekingen baseren op
wat hij zegt in zijn brieven? Inderdaad, er is maar één persoon waarover wij
meer spreken dan over Paulus, en dat is, de persoon van de Here Jezus
Christus. Maar er is een geldige reden waarom wij zo dikwijls Paulus
aanhalen, slechts weinig minder dan dat wij spreken van Christus.
PAULUS
HET VOORBEELD
Niet alleen dat onze Here aan Paulus de boodschap en het
programma voor ons voor vandaag toevertrouwde; Hij stelde hem als een voorbeeld
voor ons ter navolging (1) in redding, (2) in dienst, en (3) in gedrag.
Laat ons dit mogen aantonen vanuit de Schriften. Modernisten en Liberalen hebben
jaren achtereen geleerd, dat Christus ons beeld of voorbeeld is; dat we moeten
wandelen "in Zijn voetstappen", en Hem moeten volgen om gered en
gezegend te worden. Maar dit is in tegenspraak met de Schriften.
ONS VOORBEELD BIJ REDDING
Hoe kon de Here Jezus Christus ons voorbeeld tot redding
zijn? Hij leefde een volmaakt leven, dus kon Zijn volmaaktheid alleen
maar de aandacht leggen op onze onvolmaaktheid. Zijn heiligheid kon alleen maar
aandacht leggen op onze zonden en onwaardigheid. Zijn leven zou ons veroordelen;
het is Zijn dood die ons redt. Hierom verkondigt Paulus ons "het evangelie
...waardoor gij gered zijt...hoe Christus stierf voor onze
zonden" (1Cor.15:1-3).
Maar verder kon onze Here geen voorbeeld zijn ter redding,
omdat Hij leefde onder een andere bedeling. Hij leefde onder de Wet, zoals wij
lezen, zoals wij lezen in Gal.4:4, en vele andere passages. Hij werd besneden op
de achtste dag als godsdienstig ritueel. Hij bezocht elke Sabbath (zevende dag)
de synagoge. Hij hield de wettische feesten. Dienen wij Hem in al deze dingen te
volgen?
Neen! De Here Jezus Christus staat alleen. Hij is de Zoon
van God, God de Zoon, onze Redder. Het is waar dat Hij toen op aarde zei:
"Volg Mij", maar inplaats van Hem te volgen, riepen zij "Weg met
Hem!" en nagelden Hem aan het kruis, zonden Hem terug naar de hemel als een
uitgeworpene van Zijn eigen wereld. En hier is het, dat Paulus opkomt.
Onze Here wist dat Hij zou worden afgewezen. De Schriften
hadden dit lang tevoren voorzegd. En aldus onderbrak, in wonderbare liefde en
barmhartigheid, de verworpen Here, inplaats van de wereld onmiddelijk te
oordelen, het profetisch programma en redde Paulus van Tarsen, de
voornaamste zondaar en de leider van de wereldopstand. Zo voegde Hij niet alleen
"de bedeling van God's genade" in, maar zette Paulus in als het beeld
van onze redding - een arme, onwaardige zondaar, gered omdat "de genade van
onze Here meer dan overvloedig was". Hoe kon de Apostel dit duidelijker
stellen dan hij doet in 1Tim.1:13-16: "(Ik), die tevoren een
godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is
barmhartigheid geschied, daar ik het onwetend gedaan heb, in mijn ongeloof.
"doch de genade van onze Here is zeer overvloedig geweest met geloof en
liefde, die er is in Christus Jezus. "Dit is een betrouwbaar woord en alle
aanneming waard, dat Christus Jezus in deze wereld gekomen is om de zondaars
zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben. "Maar daarom is mij
barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al
Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een VOORBEELD voor hen die in Hem geloven
zouden tot het eeuwige leven."
Hier dient de lezer nauwkeurig Rom.5:20,21 te beschouwen
om te zien dat Paulus, in zijn bekering, het inbrengen van een nieuwe bedeling
vertegenwoordigde, waarin genade heerst. Hij was niet in alle opzichten
ons voorbeeld, maar wel in de genade, betoond aan hem als zondaar
(1Tim.1:14,16).
Zoals we hebben gezien, kon de Here Jezus Christus niet
ons voorbeeld in redding zijn, maar Paulus is een ideaal voorbeeld: een zondaar
- een grote zondaar - gered door "genade ...zeer overvloedig"! Zo
dienen we Paulus te nemen als ons voorbeeld om te worden gered, en Christus als
onze Redder. Wij dienen, als het ware, onze plaats in te nemen met Paulus, en te
zeggen: "Ik ben ook een zondaar - een erge zondaar" die op Christus
vertrouw als onze Redder. Als wij dat doen, mogen we ons verheugen in de
waarheid van Eph.1:7: "In Christus hebben wij de verlossing door Zijn
bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn
genade." Het was deze boodschap van overvloedige, onvergelijkelijke
genade voor zondaars, waarvoor Paulus' leven, verkondigend en verdedigend,
opbrandde.
ONS VOORBEELD IN DIENEN
Zo als Paulus ons voorbeeld is in redding, zo is hij dit
ook in dienen. Zie wat Eph.3:8,9 daarover zegt: "Mij, de allerminste van
al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het evangelie
de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen" (vers 8). Waarom
koos God iemand die "de allerminste van al de heiligen" was, om
deze hoge plaats te vervullen? Dat vertelt ons vers 9: "En allen te
verlichten, dat zij mogen verstaan, wat de gemeenschap van de verborgenheid is,
die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft
door Jezus Christus".
De zin is, eenvoudig gesteld, dat Paulus, minder dan de
minste van alle heiligen, werd gekozen om onder de heidenen "de
onnaspeurlijke rijkdom van Christus" te verkondigen, en (zo) alle mensen te
tonen "wat is de gemeenschap van de verborgenheid" en
eigenlijk, hen te tonen welk soort mensen God gebruikt in dit
"toegevoegde beheerderschap". Zoals de voornaamste van de zondaars gered
werd om te tonen dat God de vuilste zondaar wil redden, zo werd hij, die de
"allerminste van de heiligen" was, door God gebruikt om aan te
tonen dat God de armste heiligen wil gebruiken.
Hoe dikwijls hebben Christenen gezegd; "Oh, Hij zou
mij niet kunnen gebruiken". Maar Hij kan het wel. Gebruikte Hij Paulus
niet, de allerminste van alle heiligen, om de onnaspeurlijke rijkdom van
Christus te verkondigen? Maar, zal de lezer vragen: "Gelooft u dat Paulus werkelijk
"de allerminste van al de heiligen" was? Wel, God's geinspireerde
Woord zegt, dat hij de voornaamste zondaar en de allerminste van alle heiligen
was. Is Gods Woord waar? Paulus schreef deze dingen niet slechts uit
bescheidenheid, maar vanuit goddelijke inspiratie. "Maar", zult
ge zeggen, "Zie, hoe God hem gebruikte!" Jawel, maar dit was "geschonken
genade" (Vers 8;cf.Gal.2:9).
Verklaart 1Cor.1:27 niet dat God de zwakke dingen van deze
wereld heeft gekozen, om de machtige te beschamen; en wat niets is, opdat Hij
wat iets is te niet zou doen? En lees de laatste verzen van Rom.7 en zie hoe de
apostel worstelde met zijn eigen oude natuur en riep: "Ik ellendig mens,
wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?"
In het volgende vers echter roept hij: "Ik dank
God, door Jezus Christus, onze Here." Als God Saulus redde, de
voornaamste der zondaars, om iedere arme zondaar te verzekeren dat hij gered
kan worden, zo gebruikte Hij Paulus, de allerminste van alle heiligen, om
elke arme zondaar te verzekeren dat God wacht om hem te gebruiken.
Welk een genade dat we "deze schat" (de
rijkdom van Gods genade) in "aarden vaten" (zo gemakkelijk te bevuilen
en te breken) hebben, "opdat de uitnemendheid van de kracht van God is,
en niet uit ons" (2Cor.4:7). Laat geen enkel kind van God dan bezwaar
maken om Hem te dienen met de woorden: "Oh, mij kan Hij niet
gebruiken" Laat ons liever als het ware "in de houding" gaan
staan, om Hem te vragen: "Here, wat wilt Gij dat ik doen zal?"
ONS VOORBEELD IN GEDRAG
Tenslotte, God koos Paulus om een voorbeeld te zijn, ook
in gedrag. In onze huidige conditie en in "deze tegenwoordige boze
tijd" zullen we geen steun vinden voor ons gedrag door eenvoudig Christus
te volgen als een voorbeeld. Het is waar dat we de morele en geestelijke deugden
zouden moeten bezitten die de Zijne zijn, maar uitgezonderd door genade,
bezitten wij deze deugden niet. Wij schieten zo ver tekort dat het
meer een contrast schijnt dan een vergelijking. Maar Paulus is een ideaal model
voor wat betreft ons gedrag. Hoor hem zelf spreken:
"Niet dat ik het reeds gekregen heb, of reeds
volmaakt ben. "Broeders, ik acht niet, dat ik het zelf gegrepen heb.
"maar één ding doe ik, terwijl ik vergeet wat achter is, en mij uitstrek
tot wat vóór is, jaag ik naar het doelwit, tot de prijs van de roeping van
God, die van boven is in Christus Jezus" (Phil.3:12-14).
En hij voegt eraan toe: "Broeders, weest mede mijn
navolgers, en merkt op hen die zo wandelen als gij ons tot voorbeeld hebt"
(vers 17).
Wij kunnen niet Christus volgen als ons voorbeeld,
zij het moreel of naar bedeling. Maar Paulus vormt een perfect voorbeeld ter
navolging in ons gedrag. Hij erkende vrijmoedig zijn eigen gebrek om ten volle
te "begrijpen" of om volmaaktheid te bereiken. Maar hij had een
geheim! Wel wetend dat rusten op voorbije successen hem alleen maar zou
opblazen, en te blijven bij oude gebreken hem alleen maar zou ontmoedigen, was
hij besloten om te "vergeten de dingen die achter hem zijn... zich
uitstrekkend naar hetgeen vóór hem ligt", te streven naar dat
gezegend doel - "de roeping die van boven is". En dit is voor ons ook
het geheim. Wanneer God ons genadig een plaats geeft in Christus, aan Zijn
rechterhand, om daar te zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen
(Eph.2:5,6;1:3), dienen wij door geloof deze positie in te nemen en deze
zegeningen toe te eigenen. Wat een grote overwinning om dit gezegende
geheim te leren kennen!
Als God ons inderdaad een plaats in de hemelse gewesten
gegeven heeft, mogen we - ja moeten we die plaats innemen. En als God ons
met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten gezegend heeft, zou het
dan niet beledigend zijn voor Zijn liefde en genade, als wij Hem niet bij
Zijn Woord namen en deze ons toeeigenden?
En aldus heeft God ons een grote Redder gegeven, om ons te
redden en te zegenen, en een zeer geeigend voorbeeld om na te volgen, in dienen
en in gedragen.
|