De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

12-02-2012

 

Dit is niet onze opdracht

19 Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
20 En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen. Matt

lees de hele boek
 

VOORWOORD.

 In een nacht, kort geleden, sprong ik uit mijn bed en zei tegen mezelf: “Waar ben ik al deze jaren mee bezig geweest? Hoe kon ik zo dom zijn?”.

 Wat er tot mij was doorgedrongen, terwijl ik half in slaap was, was het feit dat na al deze jaren wij, van de zogenoemde “Genade Beweging”, niet een begrijpelijk boek hadden geschreven over dat ene onderwerp waarover de gemeente waarschijnlijk het meest verward is: “ONZE GROTE OPDRACHT”.

 Het is vreemd dat de “genade” leiders misschien wel honderden artikelen  en kleine boekwerkjes hebben gepubliceerd, met bewijzen vanuit de Schrift, en vanuit verschillende invalshoeken, dat de zogenoemde “Grote opdracht” onmogelijk voor ons, ter gehoorzaming, kan zijn, en dat onze glorieuze opdracht opgenomen is in “de verborgenheid”,  geopenbaard aan Paulus. Maar buiten dit alles om heeft niemand van ons (voorzover bij de schrijver bekend) een goed gerangschikt boek gepubliceerd dat begrijpelijk handelt over onze grote opdracht versus hetgeen populair bekend is als “de grote opdracht”, welke laatste de opdracht aan de elven is.

 Hoe hard hebben we, en hoe goed kunnen we gebruiken, zo’n boek nodig om die te geven aan pastors, missionarissen, christelijke werkers en anderen, dat voorziet in een massaal, cumulatief bewijs uit de Schriften, om aan te geven wat onze opdracht is!

 Diezelfde nacht begon ik onmiddellijk titels en subtitels op te schrijven voor een mogelijk boek over dit onderwerp, en sindsdien ben ik daar grondig mee bezig geweest. Het is werkelijk goed om al dat bewijsmateriaal in één keer bij elkaar te hebben!

 In 380 uitgaven van de “Searchlight”, over bijna 35 jaar, waren er vele artikelen, van de Redacteur, over de verschillende fasen van dit grote onderwerp, of artikelen die er aan gerelateerd waren. Ook in onze dossiers waren er vele notities, uit preken, over dit onderwerp, samen met honderden notities die waren geschreven op de dossierkaarten.

 Het heeft uiteraard enige maanden geduurd om alles op orde en in een leesbare vorm te krijgen, en na alles vergeleken te hebben met Schriftuurlijk bewijs en alles biddend te hebben overdacht, zijn we overtuigd van het feit dat we zelfs nu slechts de basisgegevens hebben gepresenteerd. 

 Ofschoon we geprobeerd hebben om dit boek zo begrijpelijk mogelijk te maken mag het in geen geval als uitputtend worden bezien, want de Schriftgegevens aangaande dit onderwerp zijn ontelbaar. Het is echter onze hoop dat het boek zal voorzien in licht en zegen voor velen die verontrust zijn door het ontbreken van overeenstemming van wat de, aan ons, door God gegeven opdracht is.

 Als we nu dit boek naar onze lezers verzenden bidden we in nederigheid dat de Heilige Geest onze inspanningen wil gebruiken om vele oprechte gelovigen te helpen zien hoe geheel onnodig de heersende verwarring is over hetgeen God wil wat we doen en leren, en hoe eenvoudig de oplossing van dit probleem is als het Woord der Waarheid recht wordt gesneden.   

 Nooit heeft de gemeente zo wanhopig de genade, en geestelijk verstand, nodig gehad  om onze meningsverschillen over dit onderwerp te verdrijven en ons helpen om: “dat gij staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies” (Fil.1:27).

Wij geloven dat deze beide, genade en geestelijk verstand, beschikbaar zijn voor hen die in alle oprechtheid God vragen om hun harten en verstand te openen voor Zijn waarheid, ongeacht wat dat kost.

 Moge dan, met de hulp van God, iedere lezer dit belangrijke onderwerp op een objectieve manier heroverwegen, en vragen voor een geopend hart om dit nieuwe licht te ontvangen zoals onze hemelse Vader dat genadig kan verlenen.

                                                                                                                   Cornelius R. Stam.

  

Chicago, Illinois

 01-12-1974.

 

                                                INTRODUCTIE.

 Tijdens een panel discussie over Dispensationalisme, gehouden op het Wheaton College, Wheaton, Illinois, in 1947, verwees de auteur naar “de zogenaamde grote opdracht”.

 Eén van de andere panelleden vocht deze uitdrukking aan en verklaarde dat de opdracht aan de elven was: “de grote opdracht”, en niet: “de zogenaamde grote opdracht”.

 In onze reactie hierop beweerden we dat deze opdracht de zogenaamde “grote opdracht” was, onze lezers er aan herinnerende dat het Woord van God het niet “de grote opdracht” noemt, dat hebben de mensen er van gemaakt. 

 Dit duidelijk en belangrijk feit moet in gedachten worden gehouden door degenen die er ernstig naar verlangen om “het Woord der waarheid recht te snijden”, en om het, in alle wijsheid, uitvoeren van Gods programma voor ons. Zo’n erkenning zou een eerste stap kunnen zijn in het ontdekken van de oorzaak van de leerstellige verdeeldheid die de ware gelovigen in Christus van elkaar heeft verwijderd en de gemeente in diepe verwarring achter heeft gelaten.

 De opdracht die de Heer heeft gegeven aan de elven (later twaalf) is zo lang “de grote opdracht” genoemd dat menigten van oprechte gelovigen een vaag idee hebben dat de Bijbel het zo benoemd. Het feit is echter dat deze benoeming alleen de traditionele kijk reflecteert en, als in de dagen van de Heer: “de tradities van mensen maken maar al te vaak het Woord van God ongeldig”.

 Toegegeven dat de opdracht van onze Heer aan de elven inderdaad een grote opdracht was, maar het moet nooit “de  grote opdracht” worden genoemd, want de opgevaren Heer gaf later een grotere, veel grotere, opdracht en bediening aan de Apostel Paulus.

 Tenzij we een verandering in bedeling erkennen, met het opkomen van Paulus, die andere apostel, moet de opdracht aan de elven als een onverzoenlijke tegenstelling staan tegenover de leer in de brieven van Paulus, en visa versa.

 Opgemerkt moet worden dat, door deze gehele studie, de Schriftuurlijke term “de elven” alleen wordt gebruikt met betrekking tot de periode tussen de afval en dood van Judas en de aanwijzing van Matthias om de plaats van Judas in te nemen.  

 We weten echter dat in Handelingen 1 het aantal apostelen weer is aangevuld tot twaalf. Als we dus in dit boek verwijzen naar het geven van de opdracht, zullen de groep benoemen als “de elven”, maar als we, in het begin van het boek Handelingen, naar de uitvoering van de opdracht verwijzen noemen we dit gezelschap “de twaalven”.

 Tenslotte moet worden opgemerkt dat we, door het gehele boek heen, Bijbel gelovige christenen aanduiden als fundamentalisten in plaats van evangelischen. De opkomst van de nieuw evangelischen heeft tot gevolg dat veel oprechte gelovigen naar zichzelf verwijzen als evangelischen, maar wij vinden dat deze term vaag en onbepalend is, terwijl de term fundamentalist historisch heenwijst naar degenen die stonden voor de fundamenten van het christelijk geloof.

             De afscheids opdracht van onze Heer aan de elf apostelen

                                                          Hoofdstuk - 1

                                        Een grondig onderzoek

 Alvorens we de zogenoemde “Grote opdracht” gaan bespreken verzoeken we de lezer, bedachtzaam en biddend, alle vijf segmenten er van te onderzoeken, zoals hieronder aangegeven wordt vanuit de Statenvertaling 1977. U heeft deze passages natuurlijk al vaker gelezen, maar, lees ze eens opnieuw. Misschien ziet u deze keer dingen die u nog niet eerder heeft gezien.

                                                     Mattheüs 28:18-20 

 18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

 19 Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.

 20 En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

                                                        Markus 16:15-18

 15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.

 16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

 17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.

 18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

                                                         Lukas 24:45-48

 45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.46 En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.48 En gij zijt getuigen van deze dingen.

                                                    Johannes 20:21-23

21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden 22 En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.23 Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.                                                     Handelingen 1:8-9

8 Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.

9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.

Omdat het onderwerp van de ons door God geven opdracht zo uitermate belangrijk is, en omdat één of meerdere van de genoemde passages in het algemeen worden beschouwd als onze grote opdracht, stellen we voor dat het geen verloren tijd zal zijn voor de lezer om terug te keren naar het begin en deze passages opnieuw te lezen, dit keer zorgvuldig aandacht schenkend aan hetgeen deze passages wel en wat deze passages niet zeggen.

Refereren de gelezen passages naar profetie en naar de Wet? Wat zijn de voorwaarden voor het heil? Wat waren de bewijzen voor het heil? Leren ze: “geen verschil” tussen Jood en Heiden? Wordt redding uit genade en door geloof genoemd, op basis van het gestorte bloed van Christus? Wordt de “ene doop” genoemd waardoor we worden gedoopt in dat “ene lichaam”, en één gemaakt met Christus? Verkondigt het een hemelse positie en vooruitzicht voor hen die geloven? Wordt er melding gemaakt van “de verborgenheid” waarnaar in de brieven van Paulus vaak wordt verwezen?     

Zo’n onderzoek van het verslag zelf kan, geheel los van hetgeen in dit boek wordt uitgelegd, blijken een ware “eye-opener” te zijn 

                         De heersende verwarring over deze opdracht

                                                         Hoofdstuk - 2

                                                     Eens en niet eens

Er zijn weinig, om het even welke, belangrijke onderwerpen in de Bijbel waarover alle denominaties en sekten in de christenheid het eens zijn. Er is er echter één waarover ze het bijna allemaal eens zijn.

De overgrote meerderheid fundamentalisten, nieuw-evangelischen, modernisten en Rooms Katholieken, samen met praktisch alle cultussen, zijn het eens over het feit dat de zogenoemde 94 grote opdrachten, die de afscheidsopdrachten van onze Heer omvatten en gericht aan Zijn elf apostelen, Gods programma voor de hedendaagse gemeente bevatten. Of om meer specifiek te zijn: De meeste “christenen”, nominale of echte, geloven dat onze Heer, gedurende de veertig dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart, Zijn apostelen instructies gaf aangaande Zijn programma voor de hedendaagse gemeente, en allemaal noemen ze deze instructies “de grote opdracht”, of “Zijn afscheids opdrachten”, of “onze marsorders”.

Zo eenvoudig is het echter niet, speciaal onder fundamentalisten, hen die hun Bijbels het meest bestuderen, is er sprake van een sterke verdeeldheid aangaande welke precies de door de Heer gegeven opdrachten van toepassing zijn, die Hij heeft gegeven tussen Zijn opstanding en hemelvaart, op de gemeente van vandaag:  welke van hen speciaal de “grote opdracht”  vormen.

In ieder van de vier boeken, Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, van de aardse bediening van de Heer en in het boek Handelingen hebben we geschreven verhalen van sommige van deze instructies, maar kan de term “grote opdracht” correct worden toegepast op allen of alleen op sommigen van hen? Hierover is men het op geen enkele wijze eens geworden.

In de verslagen van de verschillende delen van de opdracht van onze Heer zijn er bepaalde bevelen, of instructies, die weldenkende Bijbelstudenten geheel onverenigbaar hebben bevonden met de grote waarheden die later geopenbaard zijn in de brieven van Paulus. En zo gebeurde het dat het merendeel van de grote fundamentalistische Bijbelleraren, van de voorbije generatie, tot de conclusie kwamen dat slechts enkele van de afscheidswoorden van onze Heer deel uitmaakten van onze “grote opdracht”, maar ze konden het nimmer eens worden welke dan moesten worden toegepast. Dit is de erfenis die ze hebben nagelaten aan de huidige generatie voorzover het de zogenoemde “grote opdracht” betreft. Er is weinig overeenstemming; alleen verwarring en verdeeldheid, waar het dit onderwerp aangaat.

Het is inderdaad droevig dat op dit late tijdstip Gods volk, en zelfs hun geestelijke leiders, het oneens blijven over zo’n belangrijk onderwerp over hetgeen God wil dat we doen en onderwijzen. Dit wordt geschreven 1974 jaar na Christus, en nog steeds weet de gemeente niet wat zijn grote opdracht is! Dit is omdat de zogenoemde “grote opdracht” zo zelden is onderzocht en uiteengezet. Veeleer wordt het genoemd, of er wordt naar verwezen, of worden gedeelten uit het verslag, en uit de context, genomen als onderwerpen voor preken!

De meeste christenen hebben hun pastors of evangelisten horen spreken vanuit het Mattheüs evangelie “Ga” en “Zie, Ik ben met u”, en uit Markus “heel de wereld” en “alle creatuur”, en uit Lukas “jullie zijn getuigen” en uit Handelingen “Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal”. 

Maar hoe velen zijn er die de afscheidswoorden van onze Heer grondig en bedachtzaam uitgelegd hebben gekregen?

Waarom hebben hun leiders dan geen Bijbelstudies gehouden over de opdracht die ze zo krachtig verdedigen als de hunne?

Als pastors en Bijbelleraren deze belangrijke bevelen van onze Heer trouw en tot in detail zouden bestuderen en verklaren, dan zouden ze er spoedig achter komen dat het moeilijk is, ja, zelfs onmogelijk is om ze te verzoenen met de brieven van Paulus, totdat ze zich realiseren dat er een verandering van bedeling is gekomen met de roeping van Paulus, de door God aangewezen apostel der genade. Zeker, de wettischheid van Mattheüs, de doop ter behoudenis en de wonderbare demonstraties van Markus, het “eerst Jeruzalem” van Lukas en Handelingen, en de apostolische vergeving van zonden van Johannes zijn niet verenigbaar met de glorieuze waarheden die  uiteen worden gezet in de brieven van Paulus.  

Wat de geestelijke leiders van de vorige generatie ons hebben geleerd over de opdracht aan de elven, zal onvermijdelijk invloed hebben op de leringen van onze generatie. Dit is dan de plaats om, als het ware, een generatie te ondersteunen om de geschriften van de “vaders” te testen. We doen dit ten eerste om ons schrijven, van dertig jaar geleden, in ons boek “Dit is dat” uit te breiden. In dat boek behandelden we de grote verwarring aangaande de zogenaamde “grote opdracht” onder de grote, waarlijk grote, Bijbelleraren die er toen waren. Als we praten over die verwarring mogen we niet het feit uit het oog verliezen dat deze leraren geestelijke reuzen waren waar het andere onderwerpen betrof.

Dr. H. A. Ironside, lang genoemd “De Aardsbisschop van het Fundamentalisme” hield het er voor dat de opdracht voor de gemeente wordt gevonden in Mathh.28:18-20 en door dat te ontkennen dan was dat “Bullingerisme”.  In één voorbeeld van zijn sterke gevoelens hierover schreef hij, met verwijzing naar de passage in Matth.28:

“Mensen die nog nimmer Bullingerisme en zijn verwante systemen hebben onderzocht zullen mij nauwelijks geloven wanneer ik zeg dat zelfs de Grote Opdracht, waarmee de gemeente 1900 jaar mee heeft gehandeld, en welke nog steeds onze autoriteit is voor wereldwijde zending, volgens deze leraren  een opdracht is waarmee ze niets van doen willen hebben; dat het in het geheel geen verwijzing naar de gemeente heeft. Zo is nog steeds hun onderwijs”.

Blijkbaar was onze geliefde broeder zo bezig met het Bullingerisme dat hij vergat dat veel van zijn collega’s, inclusief Mr. J. N. Darby, de grondlegger van de Plymouth Broeders ( waarmee Dr. Ironside vele jaren was verbonden) met klem ontkende dat de opdracht in Mattheüs de onze is. We citeren hier van Darby en vele andere collega’s van Dr. Ironside:

Opmerking van de vertaler 

De leer van E. W. Bullinger vindt u in de encyclopedie van Wikipedia.

http://en.wikipedia.org/wiki/E._W._Bullinger

Mr. Darby: “De vervulling van de opdracht in Mattheüs is onderbroken…….voor het heden heeft het in feite plaats gemaakt voor een hemelse opdracht, en de gemeente van God”.

Dr. James M. Gray: “Dit is de Koninkrijks opdracht….niet de opdracht voor christenen”.

Dr. I. M. Haldeman: “We moeten dit de Koninkrijks opdracht noemen”.

Dr. Arno C. Gaebelein: “Dit is de Koninkrijks opdracht”.

Dr. Wm. L. Pettingill: “Dit zouden wij de Koninkrijks opdracht noemen……het zou vreemd zijn om de opdracht voor de gemeente te vinden in het evangelie van het Koninkrijk”.

Dr. I. M. Haldeman  geloofde dat onze opdracht wordt gevonden in Markus 16:15-18. Hij liet de woorden “donderen”: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden” (Mark.16:16) “ Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet” (Markus 10:9)..

Maar vreemd genoeg geloofde Dr. Haldeman niet dat de wonderbare tekenen, van de verzen 17 en 18, zijn inbegrepen in het programma van God voor vandaag de dag! Je kon geen lid worden van de gemeente van Dr. Haldeman  als je niet met water was gedoopt, maar als je in tongen sprak of wonderen zocht te doen dan werd diegene, en sommigen zijn dat, uitgesloten! Toch waren dit onderdelen van de opdracht in Mark.16:15-18. Pastor J. C. O’Hair schreef eens aan Dr. Haldeman en vroeg hem of hij nu niet scheidde wat God had samengevoegd door Mark.16:15-16 te scheiden van de verzen 17 en 18. Pastor O’Hair heeft nimmer een antwoord ontvangen.

Dr. Gaebelein nam een nog weer ander standpunt in. Lukas, zo zei hij, was zekerlijk de brenger van het evangelie aan de Heidenen omdat zijn verslag gericht was aan Theofilus (Lukas 1:3) Echter is alles in het verslag van Lukas Joods, niet Heidens. Het verslag van Lukas begint met de baby Jezus in de armen van een Joodse moeder en de oude Simeon, ook een Jood (Lukas 2:28), en het verslag sluit met onze Heer in de armen van Jozef van Arimathea, een lid van het Joodse Sanhedrin (Lukas 23:50-53).

Dr. William L. Pettingill geloofde echter dat Ironside, Haldeman, Gaebelein en degenen die met hen waren allemaal verkeerd waren. Pettingill leerde dat de opdracht voor de gemeente is te vinden in Handelingen 1:8, in wezen omdat in het boek Handelingen we de doop hebben “in de naam van de Heer Jezus”, waarvan hij vond dat dat de juiste “formule” was voor heden ten dage. Hij verklaarde echter nimmer, voorzover deze schrijver dat weet, waarin de “formule” in Handelingen verschilt van die in Mattheüs. Dr. Haldeman was strikt tegen de visie van  Dr. Pettingill; we weten van één familie, die gedoopt waren in de gemeente van Dr. Pettingill in Baltimore, opnieuw gedoopt moesten worden om lid te worden van de Baptisten gemeente te New York waar Dr. Haldeman pastor was.

Maar wat betreft het verslag in Johannes 20:21-23? Zei onze Heer daar niet: “gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden?”. Aan dit gedeelte van de opdracht was vreemd genoeg voorbij gegaan en nauwelijks naar verwezen door de boven genoemde broeders, en, inderdaad ook door de meeste fundamentalistische Bijbel leraren van die tijd. De reden? Vanwege de afsluitende woorden die zo sterk benadrukt worden door de kerk van Rome: “Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden” (Joh.20:23).

Sommige Protestantse theologen hebben willen verklaren, wegverklaren wel te verstaan, de eenvoudige door onze Heer gedane uitspraak, maar hun argumenten tegen de positie van Rome waren zo zwak als katoendraad, om de eenvoudige reden dat in deze zaak Rome altijd in staat is geweest terug te verwijzen naar de Schriften met als antwoord:  “Maar dit is wat daar staat”. Dit is altijd een sterk argument geweest en, in dit geval, een moeilijk geval voor Bijbel gelovige christenen om te weerspreken. 

Note: De positie van Rome is echter beantwoord, eenvoudig en compleet, door het

           toepassen van dispensationele waarheid. 

Uit het voorgaande volgt dat niet alleen de christenheid in het algemeen verward is over de zogenoemde “grote opdracht”, maar ook de grote Bijbelleraren van vroeger zijn volkomen verward geweest, of op zijn minst hopeloos verdeeld. En als dat toen al zo was, hoe is het nu dan? Het enige verschil is waarschijnlijk dat de leiders van onze dagen zodanig beïnvloed zijn door de nieuw evangelischen dat ze details vermijden, en alleen in algemene zin verwijzen naar de opdracht als iets waaraan we allen moeten gehoorzamen. Er is grote aandrang, maar weinig gedetailleerde informatie in hun herhaaldelijke oproep om de “grote opdracht” uit te voeren in de huidige generatie.

Als we een Schriftuurlijke oplossing willen vinden voor dit belangrijke probleem, laat ons dan beginnen door nederig te erkennen dat de Kerk niet een duidelijk en eensluidend getuigenis heeft gegeven aan de wereld. Hoe kunnen we onze “marsorders” gehoorzamen als we zelf niet eens zeker weten welke dat zijn? “Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?” (1Kor.14:8).

                                             Het kiezen van opdrachten.

Als wij er bij blijven, zoals veel christenen dat doen, dat de brieven van Paulus behoren tot de Kerk van deze bedeling, maar eveneens geloven dat de afscheids instructies van onze Heer, gegeven tussen Zijn opstanding en hemelvaart, ook onze instructies voor vandaag de dag bevatten, dan verkeren we in grote moeilijkheden.

En zo gebeurde het dat grote, waarlijk grote, fundamentalistische Bijbelleraren gedwongen werden om, op individuele basis, opdrachten samen te stellen om de zogenoemde “grote opdracht” bindend te maken voor deze bedeling , hierbij ondervonden ze veel moeilijkheden om de verschillende opdrachten in harmonie te brengen met het Woord van God, door de apostel Paulus. Dit heeft veel bijgedragen aan het verdiepen van de verwarring onder de gelovigen van vandaag de dag.

Zoals we hebben gezien verklaarde Dr. Ironside dat onze opdracht wordt gevonden in Matth.28:18-20, maar Drs. Gray, Gabaelein, Haldemen en Pettingill, samen met Mr. Wm. Newell en vele anderen, realiseerden zich onmiddellijk dat dit de gelovigen met handen en voeten zou binden aan de Wet van Mozes, want onze Heer had de apostelen duidelijk opgedragen dat, als ze naar “alle volken” zouden gaan dat ze:  “Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb” (Matth.28:19), en dat zou onvermijdelijk inhouden gehoorzaamheid aan de Wet van Mozes, want, niet alleen was onze Heer Zelf onder de Wet (Gal.4:4), maar Hij gaf Zijn discipelen de opdracht “Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het” (Matth.23:3). Want “zij”, de leiders waren gezeten op de stoel van Mozes: “De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op den stoel van Mozes” (Matth.23:2).

Op dezelfde manier koos Dr. Haldeman Mark.16:15-18 als marsorders voor de Kerk, maar andere grote Bijbelleraren hadden terecht bezwaar tegen het feit dat onze Heer hier de doop leerde “tot vergeving der zonden” en wonderbare tekenen als bewijs van vergeving van zonden. Ze concludeerden terecht dat, in het licht van de brieven van Paulus, dat niet Gods programma voor vandaag de dag kon zijn.

Er wordt wel gezegd dat, als  theologen vervolgd worden om een bepaalde passage in de Schrift,  ze “vluchten naar een andere!”. En het blijkt dat dit precies is wat Dr. Haldeman deed. Om te bewijzen dat de wonderbare tekenen niet Gods opdracht zijn voor heden deed hij een beroep op de brieven van Paulus, maar hij deed dat niet voor zover het de waterdoop aangaat, want, ondanks de verwoording van de passage, geloofde hij dat dit behoorde als getuigenis van de behoudenis.

Eens zei een pastor tegen de schrijver van dit boek: “Broeder Stam, ik geloof dat Mark.16:16 voor ons is, maar ik leer geen doop voor de vergeving der zonden!”. Wij antwoorden: “Als u gelooft dat Mark.16:16 bindend voor ons is dan moet u de doop ter vergeving der zonden prediken, want dat is wat Mark.16:16 beveelt”.

Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd

  hebben, zal verdoemd worden” (Mark.16:16).

Dr. Gaebelein, als eerder genoemd, koos voor het verslag van Lukas 24:46-48 als onze opdracht, maar de zinsnede “bekering en vergeving der zonden” en “beginnende van Jeruzalem”,  overtuigde terecht andere leidinggevende leraren dat deze passage, evenals die in Mattheüs, gerelateerd is aan het regeren van Christus in het koninkrijk, dat uiteraard gevestigd zal worden te Jeruzalem.

Dr. Pettingill koos voor het verslag in Handelingen 1:8, maar ook deze passage laat de apostelen beginnen te Jeruzalem.

Aangaande Johannes 20:21-23, bijna alle fundamentalistische Bijbelleraren zijn het er over eens dat dit niet de opdracht is voor de Kerk van vandaag, maar de Kerk van Rome heeft de Protestanten met deze tekst voorzeker schaak gezet.

                   De dwaasheid van het kiezen van opdrachten.

Hoe dwaas en verkeerd is het, voor een ieder van ons, om hier en daar teksten  te pakken, die vervolgens samenvoegen, om de wil van onze Heer voor ons vast te stellen! Welk recht hebben wij om sommige belangrijke gedeelten of gedeelten van de opdrachten te kiezen die de Heer aan de elven heeft gegeven in de veertig dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart, om deze op onszelf toe te passen of op de Kerk van vandaag de dag?

Niets is duidelijker dan het feit dat onze Heer: “……….Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan” (Hand.1:3).

In die veertig dagen sprak één persoon, onze Heer, tot de elven en gaf hen instructies voor het uitvoeren van dat programma na Zijn hemelvaart.  Het is in elk geval zo helder als kristal dat deze opdrachten niet aan anderen zijn gegeven die op een later tijdstip zouden leven, maar aan de apostelen, die het uit moesten dragen na Zijn vertrek, als de Heilige Geest ze met kracht had bekrachtigd.

Dit wordt bekrachtigd door de wijze van uitdrukken in alle vijf verslagen: Matt.28:19: “Gaat dan henen”, Mark.16:15: “Gaat heen”, Luk.24:48: “Gij zijt getuigen”,  Joh.20:21: “zende  Ik ook ulieden”, en Hand.1:8: “gij zult Mijn getuigen zijn”. Hoe ongerijmd is het dan om te betogen, zoals zovele theologen hebben gedaan, dat één of meer delen van de opdracht uitgevoerd moeten worden door een andere generatie op een later tijdstip! Door welke regel van uitlegkunde hebben we het recht  om de uitleg van deze opdrachten juist diegenen uit te sluiten aan wie de Heer ze gaf?

Sommigen, die het met het voorgaande eens zijn, hebben de conclusie getrokken dat de opdracht, in zijn geheel, voor ons moet zijn om te gehoorzamen, maar ook dat is onmogelijk in het licht van de brieven van de apostel Paulus. De Heer heeft  het inderdaad onmogelijk gemaakt om te gehoorzamen  aan gedeelten van de zogenoemde “grote opdracht”, dat zullen we verderop zien.

 De belangrijkste reden, dat zo vele mensen er van uit zijn gegaan dat de opdracht aan de elven, voor ons is om aan te gehoorzamen, is waarschijnlijk omdat ze dat zo vaak hebben gehoord! Herhaaldelijk hebben pastors en evangelisten en Bijbelleraren verwezen naar de afscheidsinstructies van de Heer als: “Zijn afscheidswoorden aan ons”,  “onze marsorders”, “onze opdracht” en “de grote opdracht”, alsof de Heer nooit andere heeft gegeven. Maar dit alles is in grote mate onjuist en onschriftuurlijk. Dit waren niet de laatste woorden van de Heer. Hij sprak opnieuw vanuit de hemel aan en door de Apostel Paulus en gaf hem een grotere, ja, een veel grotere opdracht dat wat Hij had gegeven aan de elven.

Alvorens we echter deze grotere opdracht gaan behandelen kunnen we misschien het beste eerst zien dat de zogenoemde “grote opdracht” niet voor ons is om te gehoorzamen, als we zorgvuldig alle onderdelen er van  onderzoeken in Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes en het boek Handelingen en precies opmerken wat deze opdracht wel en wat het niet zegt.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011