|
Dit is
niet onze opdracht
19 Gaat
dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des
Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen
onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.
20 En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der
wereld. Amen. Matt
lees de hele boek
VOORWOORD.
In een nacht, kort geleden, sprong
ik uit mijn bed en zei tegen mezelf: “Waar ben ik al deze jaren mee
bezig geweest? Hoe kon ik zo dom zijn?”.
Wat er tot mij was doorgedrongen,
terwijl ik half in slaap was, was het feit dat na al deze jaren wij,
van de zogenoemde “Genade Beweging”, niet een begrijpelijk boek
hadden geschreven over dat ene onderwerp waarover de gemeente
waarschijnlijk het meest verward is: “ONZE GROTE OPDRACHT”.
Het is vreemd dat de “genade”
leiders misschien wel honderden artikelen en kleine boekwerkjes
hebben gepubliceerd, met bewijzen vanuit de Schrift, en vanuit
verschillende invalshoeken, dat de zogenoemde “Grote opdracht”
onmogelijk voor ons, ter gehoorzaming, kan zijn, en dat onze
glorieuze opdracht opgenomen is in “de verborgenheid”, geopenbaard
aan Paulus. Maar buiten dit alles om heeft niemand van ons (voorzover
bij de schrijver bekend) een goed gerangschikt boek gepubliceerd dat
begrijpelijk handelt over onze grote opdracht versus hetgeen
populair bekend is als “de grote opdracht”, welke laatste de
opdracht aan de elven is.
Hoe hard hebben we, en hoe goed
kunnen we gebruiken, zo’n boek nodig om die te geven aan pastors,
missionarissen, christelijke werkers en anderen, dat voorziet in een
massaal, cumulatief bewijs uit de Schriften, om aan te geven wat
onze opdracht is!
Diezelfde nacht begon ik
onmiddellijk titels en subtitels op te schrijven voor een mogelijk
boek over dit onderwerp, en sindsdien ben ik daar grondig mee bezig
geweest. Het is werkelijk goed om al dat bewijsmateriaal in één keer
bij elkaar te hebben!
In 380 uitgaven van de
“Searchlight”, over bijna 35 jaar, waren er vele artikelen, van de
Redacteur, over de verschillende fasen van dit grote onderwerp, of
artikelen die er aan gerelateerd waren. Ook in onze dossiers waren
er vele notities, uit preken, over dit onderwerp, samen met
honderden notities die waren geschreven op de dossierkaarten.
Het heeft uiteraard enige maanden
geduurd om alles op orde en in een leesbare vorm te krijgen, en na
alles vergeleken te hebben met Schriftuurlijk bewijs en alles
biddend te hebben overdacht, zijn we overtuigd van het feit dat we
zelfs nu slechts de basisgegevens hebben gepresenteerd.
Ofschoon we geprobeerd hebben om
dit boek zo begrijpelijk mogelijk te maken mag het in geen geval als
uitputtend worden bezien, want de Schriftgegevens aangaande dit
onderwerp zijn ontelbaar. Het is echter onze hoop dat het boek zal
voorzien in licht en zegen voor velen die verontrust zijn door het
ontbreken van overeenstemming van wat de, aan ons, door God gegeven
opdracht is.
Als we nu dit boek naar onze lezers
verzenden bidden we in nederigheid dat de Heilige Geest onze
inspanningen wil gebruiken om vele oprechte gelovigen te helpen zien
hoe geheel onnodig de heersende verwarring is over hetgeen God wil
wat we doen en leren, en hoe eenvoudig de oplossing van dit probleem
is als het Woord der Waarheid recht wordt gesneden.
Nooit heeft de gemeente zo wanhopig
de genade, en geestelijk verstand, nodig gehad om onze
meningsverschillen over dit onderwerp te verdrijven en ons helpen
om: “dat gij staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk
strijdende door het geloof des Evangelies” (Fil.1:27).
Wij geloven dat deze beide, genade
en geestelijk verstand, beschikbaar zijn voor hen die in alle
oprechtheid God vragen om hun harten en verstand te openen voor Zijn
waarheid, ongeacht wat dat kost.
Moge dan, met de hulp van God,
iedere lezer dit belangrijke onderwerp op een objectieve manier
heroverwegen, en vragen voor een geopend hart om dit nieuwe licht te
ontvangen zoals onze hemelse Vader dat genadig kan verlenen.
Cornelius R. Stam.
Chicago, Illinois
01-12-1974.
INTRODUCTIE.
Tijdens een panel discussie over
Dispensationalisme, gehouden op het Wheaton College, Wheaton,
Illinois, in 1947, verwees de auteur naar “de zogenaamde
grote opdracht”.
Eén van de andere panelleden vocht
deze uitdrukking aan en verklaarde dat de opdracht aan de elven was:
“de grote opdracht”, en niet: “de zogenaamde grote
opdracht”.
In onze reactie hierop beweerden we
dat deze opdracht de zogenaamde “grote opdracht” was, onze
lezers er aan herinnerende dat het Woord van God het niet “de grote
opdracht” noemt, dat hebben de mensen er van gemaakt.
Dit duidelijk en belangrijk feit
moet in gedachten worden gehouden door degenen die er ernstig naar
verlangen om “het Woord der waarheid recht te snijden”, en om het,
in alle wijsheid, uitvoeren van Gods programma voor ons. Zo’n
erkenning zou een eerste stap kunnen zijn in het ontdekken van de
oorzaak van de leerstellige verdeeldheid die de ware gelovigen in
Christus van elkaar heeft verwijderd en de gemeente in diepe
verwarring achter heeft gelaten.
De opdracht die de Heer heeft
gegeven aan de elven (later twaalf) is zo lang “de grote opdracht”
genoemd dat menigten van oprechte gelovigen een vaag idee hebben dat
de Bijbel het zo benoemd. Het feit is echter dat deze benoeming
alleen de traditionele kijk reflecteert en, als in de dagen van de
Heer: “de tradities van mensen maken maar al te vaak het Woord van
God ongeldig”.
Toegegeven dat de opdracht van onze
Heer aan de elven inderdaad een grote opdracht was, maar het moet
nooit “de grote opdracht” worden genoemd, want de opgevaren
Heer gaf later een grotere, veel grotere, opdracht en bediening aan
de Apostel Paulus.
Tenzij we een verandering in
bedeling erkennen, met het opkomen van Paulus, die andere
apostel, moet de opdracht aan de elven als een onverzoenlijke
tegenstelling staan tegenover de leer in de brieven van Paulus, en
visa versa.
Opgemerkt moet worden dat, door
deze gehele studie, de Schriftuurlijke term “de elven” alleen wordt
gebruikt met betrekking tot de periode tussen de afval en dood van
Judas en de aanwijzing van Matthias om de plaats van Judas in te
nemen.
We weten echter dat in Handelingen
1 het aantal apostelen weer is aangevuld tot twaalf. Als we dus in
dit boek verwijzen naar het geven van de opdracht, zullen de groep
benoemen als “de elven”, maar als we, in het begin van het boek
Handelingen, naar de uitvoering van de opdracht verwijzen noemen we
dit gezelschap “de twaalven”.
Tenslotte moet worden opgemerkt dat
we, door het gehele boek heen, Bijbel gelovige christenen aanduiden
als fundamentalisten in plaats van evangelischen. De opkomst van de
nieuw evangelischen heeft tot gevolg dat veel oprechte gelovigen
naar zichzelf verwijzen als evangelischen, maar wij vinden dat deze
term vaag en onbepalend is, terwijl de term fundamentalist
historisch heenwijst naar degenen die stonden voor de fundamenten
van het christelijk geloof.
De
afscheids opdracht van onze Heer aan de elf apostelen
Hoofdstuk
- 1
Een grondig onderzoek
Alvorens we de zogenoemde “Grote
opdracht” gaan bespreken verzoeken we de lezer, bedachtzaam en
biddend, alle vijf segmenten er van te onderzoeken, zoals hieronder
aangegeven wordt vanuit de Statenvertaling 1977. U heeft deze
passages natuurlijk al vaker gelezen, maar, lees ze eens opnieuw.
Misschien ziet u deze keer dingen die u nog niet eerder heeft
gezien.
Mattheüs 28:18-20
18
En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven
alle macht in hemel en op aarde.
19 Gaat dan henen, onderwijst al de
volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des
Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden
heb.
20 En ziet, Ik ben met ulieden al
de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.
Markus 16:15-18
15
En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het
Evangelie aan alle kreaturen.
16 Die geloofd zal hebben, en
gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd
hebben, zal verdoemd worden.
17 En degenen, die geloofd zullen
hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen
uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
18 Slangen zullen zij opnemen; en
al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet
schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen
gezond worden.
Lukas 24:45-48
45
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.46
En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus
lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.47 En in Zijn Naam
gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle
volken, beginnende van Jeruzalem.48 En gij zijt getuigen van deze
dingen.
Johannes
20:21-23
21 Jezus dan zeide wederom tot hen:
Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende
Ik ook ulieden 22 En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en
zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.23 Zo gij iemands zonden
vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt,
dien zijn zij gehouden.
Handelingen 1:8-9
8 Maar gij zult ontvangen de kracht
des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn
getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en
tot aan het uiterste der aarde.
9 En als Hij dit gezegd had, werd
Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun
ogen.
Omdat het onderwerp van de ons door
God geven opdracht zo uitermate belangrijk is, en omdat één of
meerdere van de genoemde passages in het algemeen worden beschouwd
als onze grote opdracht, stellen we voor dat het geen verloren tijd
zal zijn voor de lezer om terug te keren naar het begin en deze
passages opnieuw te lezen, dit keer zorgvuldig aandacht schenkend
aan hetgeen deze passages wel en wat deze passages niet zeggen.
Refereren de gelezen passages naar
profetie en naar de Wet? Wat zijn de voorwaarden voor het heil? Wat
waren de bewijzen voor het heil? Leren ze: “geen verschil” tussen
Jood en Heiden? Wordt redding uit genade en door geloof genoemd, op
basis van het gestorte bloed van Christus? Wordt de “ene doop”
genoemd waardoor we worden gedoopt in dat “ene lichaam”, en één
gemaakt met Christus? Verkondigt het een hemelse positie en
vooruitzicht voor hen die geloven? Wordt er melding gemaakt van “de
verborgenheid” waarnaar in de brieven van Paulus vaak wordt
verwezen?
Zo’n onderzoek van het verslag zelf
kan, geheel los van hetgeen in dit boek wordt uitgelegd, blijken een
ware “eye-opener” te zijn
De
heersende verwarring over deze opdracht
Hoofdstuk - 2
Eens
en niet eens
Er zijn weinig, om het even welke,
belangrijke onderwerpen in de Bijbel waarover alle denominaties en
sekten in de christenheid het eens zijn. Er is er echter één
waarover ze het bijna allemaal eens zijn.
De overgrote meerderheid
fundamentalisten, nieuw-evangelischen, modernisten en Rooms
Katholieken, samen met praktisch alle cultussen, zijn het eens over
het feit dat de zogenoemde 94 grote opdrachten, die de
afscheidsopdrachten van onze Heer omvatten en gericht aan Zijn elf
apostelen, Gods programma voor de hedendaagse gemeente bevatten. Of
om meer specifiek te zijn: De meeste “christenen”, nominale of
echte, geloven dat onze Heer, gedurende de veertig dagen tussen Zijn
opstanding en hemelvaart, Zijn apostelen instructies gaf aangaande
Zijn programma voor de hedendaagse gemeente, en allemaal noemen ze
deze instructies “de grote opdracht”, of “Zijn afscheids
opdrachten”, of “onze marsorders”.
Zo eenvoudig is het echter niet,
speciaal onder fundamentalisten, hen die hun Bijbels het meest
bestuderen, is er sprake van een sterke verdeeldheid aangaande welke
precies de door de Heer gegeven opdrachten van toepassing zijn, die
Hij heeft gegeven tussen Zijn opstanding en hemelvaart, op de
gemeente van vandaag: welke van hen speciaal de “grote
opdracht” vormen.
In ieder van de vier boeken,
Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes, van de aardse bediening van de
Heer en in het boek Handelingen hebben we geschreven verhalen van
sommige van deze instructies, maar kan de term “grote opdracht”
correct worden toegepast op allen of alleen op sommigen van hen?
Hierover is men het op geen enkele wijze eens geworden.
In de verslagen van de verschillende
delen van de opdracht van onze Heer zijn er bepaalde bevelen, of
instructies, die weldenkende Bijbelstudenten geheel onverenigbaar
hebben bevonden met de grote waarheden die later geopenbaard zijn in
de brieven van Paulus. En zo gebeurde het dat het merendeel van de
grote fundamentalistische Bijbelleraren, van de voorbije generatie,
tot de conclusie kwamen dat slechts enkele van de afscheidswoorden
van onze Heer deel uitmaakten van onze “grote opdracht”, maar ze
konden het nimmer eens worden welke dan moesten worden toegepast.
Dit is de erfenis die ze hebben nagelaten aan de huidige generatie
voorzover het de zogenoemde “grote opdracht” betreft. Er is weinig
overeenstemming; alleen verwarring en verdeeldheid, waar het dit
onderwerp aangaat.
Het is inderdaad droevig dat op dit
late tijdstip Gods volk, en zelfs hun geestelijke leiders, het
oneens blijven over zo’n belangrijk onderwerp over hetgeen God wil
dat we doen en onderwijzen. Dit wordt geschreven 1974 jaar na
Christus, en nog steeds weet de gemeente niet wat zijn grote
opdracht is! Dit is omdat de zogenoemde “grote opdracht” zo zelden
is onderzocht en uiteengezet. Veeleer wordt het genoemd, of er wordt
naar verwezen, of worden gedeelten uit het verslag, en uit de
context, genomen als onderwerpen voor preken!
De meeste christenen hebben hun
pastors of evangelisten horen spreken vanuit het Mattheüs evangelie
“Ga” en “Zie, Ik ben met u”, en uit Markus “heel de
wereld” en “alle creatuur”, en uit Lukas “jullie zijn
getuigen” en uit Handelingen “Maar gij zult ontvangen de
kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal”.
Maar hoe velen zijn er die de
afscheidswoorden van onze Heer grondig en bedachtzaam uitgelegd
hebben gekregen?
Waarom hebben hun leiders dan geen
Bijbelstudies gehouden over de opdracht die ze zo krachtig
verdedigen als de hunne?
Als pastors en Bijbelleraren deze
belangrijke bevelen van onze Heer trouw en tot in detail zouden
bestuderen en verklaren, dan zouden ze er spoedig achter komen dat
het moeilijk is, ja, zelfs onmogelijk is om ze te verzoenen met de
brieven van Paulus, totdat ze zich realiseren dat er een verandering
van bedeling is gekomen met de roeping van Paulus, de door God
aangewezen apostel der genade. Zeker, de wettischheid van Mattheüs,
de doop ter behoudenis en de wonderbare demonstraties van Markus,
het “eerst Jeruzalem” van Lukas en Handelingen, en de apostolische
vergeving van zonden van Johannes zijn niet verenigbaar met de
glorieuze waarheden die uiteen worden gezet in de brieven van
Paulus.
Wat de geestelijke leiders van de
vorige generatie ons hebben geleerd over de opdracht aan de elven,
zal onvermijdelijk invloed hebben op de leringen van onze generatie.
Dit is dan de plaats om, als het ware, een generatie te ondersteunen
om de geschriften van de “vaders” te testen. We doen dit ten eerste
om ons schrijven, van dertig jaar geleden, in ons boek “Dit is dat”
uit te breiden. In dat boek behandelden we de grote verwarring
aangaande de zogenaamde “grote opdracht” onder de grote, waarlijk
grote, Bijbelleraren die er toen waren. Als we praten over die
verwarring mogen we niet het feit uit het oog verliezen dat deze
leraren geestelijke reuzen waren waar het andere onderwerpen betrof.
Dr. H. A. Ironside, lang genoemd “De
Aardsbisschop van het Fundamentalisme” hield het er voor dat de
opdracht voor de gemeente wordt gevonden in Mathh.28:18-20 en door
dat te ontkennen dan was dat “Bullingerisme”. In één voorbeeld van
zijn sterke gevoelens hierover schreef hij, met verwijzing naar de
passage in Matth.28:
“Mensen die nog nimmer Bullingerisme
en zijn verwante systemen hebben onderzocht zullen mij nauwelijks
geloven wanneer ik zeg dat zelfs de Grote Opdracht, waarmee de
gemeente 1900 jaar mee heeft gehandeld, en welke nog steeds onze
autoriteit is voor wereldwijde zending, volgens deze leraren een
opdracht is waarmee ze niets van doen willen hebben; dat het in het
geheel geen verwijzing naar de gemeente heeft. Zo is nog steeds hun
onderwijs”.
Blijkbaar was onze geliefde broeder
zo bezig met het Bullingerisme dat hij vergat dat veel van zijn
collega’s, inclusief Mr. J. N. Darby, de grondlegger van de Plymouth
Broeders ( waarmee Dr. Ironside vele jaren was verbonden) met klem
ontkende dat de opdracht in Mattheüs de onze is. We citeren hier van
Darby en vele andere collega’s van Dr. Ironside:
Opmerking van de vertaler
De leer van E. W. Bullinger vindt u
in de encyclopedie van Wikipedia.
http://en.wikipedia.org/wiki/E._W._Bullinger
Mr. Darby: “De vervulling van de
opdracht in Mattheüs is onderbroken…….voor het heden heeft het in
feite plaats gemaakt voor een hemelse opdracht, en de gemeente van
God”.
Dr. James M. Gray: “Dit is de
Koninkrijks opdracht….niet de opdracht voor christenen”.
Dr. I. M. Haldeman: “We moeten dit
de Koninkrijks opdracht noemen”.
Dr. Arno C. Gaebelein: “Dit is de
Koninkrijks opdracht”.
Dr. Wm. L. Pettingill: “Dit zouden
wij de Koninkrijks opdracht noemen……het zou vreemd zijn om de
opdracht voor de gemeente te vinden in het evangelie van het
Koninkrijk”.
Dr. I. M. Haldeman geloofde dat
onze opdracht wordt gevonden in Markus 16:15-18. Hij liet de woorden
“donderen”: “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal
zalig worden” (Mark.16:16) “
Hetgeen dan God samengevoegd heeft,
scheide de mens niet” (Markus 10:9)..
Maar vreemd genoeg geloofde Dr.
Haldeman niet dat de wonderbare tekenen, van de verzen 17 en 18,
zijn inbegrepen in het programma van God voor vandaag de dag! Je kon
geen lid worden van de gemeente van Dr. Haldeman als je niet met
water was gedoopt, maar als je in tongen sprak of wonderen zocht te
doen dan werd diegene, en sommigen zijn dat, uitgesloten! Toch waren
dit onderdelen van de opdracht in Mark.16:15-18. Pastor J. C. O’Hair
schreef eens aan Dr. Haldeman en vroeg hem of hij nu niet scheidde
wat God had samengevoegd door Mark.16:15-16 te scheiden van de
verzen 17 en 18. Pastor O’Hair heeft nimmer een antwoord ontvangen.
Dr. Gaebelein nam een nog weer ander
standpunt in. Lukas, zo zei hij, was zekerlijk de brenger van het
evangelie aan de Heidenen omdat zijn verslag gericht was aan
Theofilus (Lukas 1:3) Echter is alles in het verslag van Lukas
Joods, niet Heidens. Het verslag van Lukas begint met de baby Jezus
in de armen van een Joodse moeder en de oude Simeon, ook een Jood
(Lukas 2:28), en het verslag sluit met onze Heer in de armen van
Jozef van Arimathea, een lid van het Joodse Sanhedrin (Lukas
23:50-53).
Dr. William L. Pettingill geloofde
echter dat Ironside, Haldeman, Gaebelein en degenen die met hen
waren allemaal verkeerd waren. Pettingill leerde dat de opdracht
voor de gemeente is te vinden in Handelingen 1:8, in wezen omdat in
het boek Handelingen we de doop hebben “in de naam van de Heer
Jezus”, waarvan hij vond dat dat de juiste “formule” was voor heden
ten dage. Hij verklaarde echter nimmer, voorzover deze schrijver dat
weet, waarin de “formule” in Handelingen verschilt van die in
Mattheüs. Dr. Haldeman was strikt tegen de visie van Dr. Pettingill;
we weten van één familie, die gedoopt waren in de gemeente van Dr.
Pettingill in Baltimore, opnieuw gedoopt moesten worden om lid te
worden van de Baptisten gemeente te New York waar Dr. Haldeman
pastor was.
Maar wat betreft het verslag in
Johannes 20:21-23? Zei onze Heer daar niet: “gelijkerwijs Mij de
Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden?”. Aan dit gedeelte
van de opdracht was vreemd genoeg voorbij gegaan en nauwelijks naar
verwezen door de boven genoemde broeders, en, inderdaad ook door de
meeste fundamentalistische Bijbel leraren van die tijd. De reden?
Vanwege de afsluitende woorden die zo sterk benadrukt worden door de
kerk van Rome: “Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij
vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden”
(Joh.20:23).
Sommige Protestantse theologen
hebben willen verklaren, wegverklaren wel te verstaan, de eenvoudige
door onze Heer gedane uitspraak, maar hun argumenten tegen de
positie van Rome waren zo zwak als katoendraad, om de eenvoudige
reden dat in deze zaak Rome altijd in staat is geweest terug te
verwijzen naar de Schriften met als antwoord: “Maar dit is wat daar
staat”. Dit is altijd een sterk argument geweest en, in dit geval,
een moeilijk geval voor Bijbel gelovige christenen om te
weerspreken.
Note:
De positie van Rome is echter beantwoord, eenvoudig en compleet,
door het
toepassen van
dispensationele waarheid.
Uit het voorgaande volgt dat niet
alleen de christenheid in het algemeen verward is over de zogenoemde
“grote opdracht”, maar ook de grote Bijbelleraren van vroeger zijn
volkomen verward geweest, of op zijn minst hopeloos verdeeld. En als
dat toen al zo was, hoe is het nu dan? Het enige verschil is
waarschijnlijk dat de leiders van onze dagen zodanig beïnvloed zijn
door de nieuw evangelischen dat ze details vermijden, en alleen in
algemene zin verwijzen naar de opdracht als iets waaraan we allen
moeten gehoorzamen. Er is grote aandrang, maar weinig gedetailleerde
informatie in hun herhaaldelijke oproep om de “grote opdracht” uit
te voeren in de huidige generatie.
Als we een Schriftuurlijke oplossing
willen vinden voor dit belangrijke probleem, laat ons dan beginnen
door nederig te erkennen dat de Kerk niet een duidelijk en
eensluidend getuigenis heeft gegeven aan de wereld. Hoe kunnen we
onze “marsorders” gehoorzamen als we zelf niet eens zeker weten
welke dat zijn? “Want ook indien de bazuin een onzeker geluid
geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?” (1Kor.14:8).
Het kiezen van
opdrachten.
Als wij er bij blijven, zoals veel
christenen dat doen, dat de brieven van Paulus behoren tot de Kerk
van deze bedeling, maar eveneens geloven dat de afscheids
instructies van onze Heer, gegeven tussen Zijn opstanding en
hemelvaart, ook onze instructies voor vandaag de dag bevatten, dan
verkeren we in grote moeilijkheden.
En zo gebeurde het dat grote,
waarlijk grote, fundamentalistische Bijbelleraren gedwongen werden
om, op individuele basis, opdrachten samen te stellen om de
zogenoemde “grote opdracht” bindend te maken voor deze bedeling ,
hierbij ondervonden ze veel moeilijkheden om de verschillende
opdrachten in harmonie te brengen met het Woord van God, door de
apostel Paulus. Dit heeft veel bijgedragen aan het verdiepen van de
verwarring onder de gelovigen van vandaag de dag.
Zoals we hebben gezien verklaarde
Dr. Ironside dat onze opdracht wordt gevonden in Matth.28:18-20,
maar Drs. Gray, Gabaelein, Haldemen en Pettingill, samen met Mr. Wm.
Newell en vele anderen, realiseerden zich onmiddellijk dat dit de
gelovigen met handen en voeten zou binden aan de Wet van Mozes, want
onze Heer had de apostelen duidelijk opgedragen dat, als ze naar
“alle volken” zouden gaan dat ze: “Gaat dan henen, onderwijst al
de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en
des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u
geboden heb” (Matth.28:19), en dat zou onvermijdelijk inhouden
gehoorzaamheid aan de Wet van Mozes, want, niet alleen was onze Heer
Zelf onder de Wet (Gal.4:4), maar Hij gaf Zijn discipelen de
opdracht “Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt
dat en doet het” (Matth.23:3). Want “zij”, de leiders waren
gezeten op de stoel van Mozes: “De Schriftgeleerden en de
Farizeen zijn gezeten op den stoel van Mozes” (Matth.23:2).
Op dezelfde manier koos Dr. Haldeman
Mark.16:15-18 als marsorders voor de Kerk, maar andere grote
Bijbelleraren hadden terecht bezwaar tegen het feit dat onze Heer
hier de doop leerde “tot vergeving der zonden” en wonderbare tekenen
als bewijs van vergeving van zonden. Ze concludeerden terecht dat,
in het licht van de brieven van Paulus, dat niet Gods programma voor
vandaag de dag kon zijn.
Er wordt wel gezegd dat, als
theologen vervolgd worden om een bepaalde passage in de Schrift, ze
“vluchten naar een andere!”. En het blijkt dat dit precies is wat
Dr. Haldeman deed. Om te bewijzen dat de wonderbare tekenen niet
Gods opdracht zijn voor heden deed hij een beroep op de brieven van
Paulus, maar hij deed dat niet voor zover het de waterdoop aangaat,
want, ondanks de verwoording van de passage, geloofde hij dat dit
behoorde als getuigenis van de behoudenis.
Eens zei een pastor tegen de
schrijver van dit boek: “Broeder Stam, ik geloof dat Mark.16:16 voor
ons is, maar ik leer geen doop voor de vergeving der zonden!”. Wij
antwoorden: “Als u gelooft dat Mark.16:16 bindend voor ons is dan
moet u de doop ter vergeving der zonden prediken, want dat is wat
Mark.16:16 beveelt”.
“Die geloofd zal hebben, en
gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd
hebben, zal verdoemd worden”
(Mark.16:16).
Dr. Gaebelein, als eerder genoemd,
koos voor het verslag van Lukas 24:46-48 als onze opdracht, maar de
zinsnede “bekering en vergeving der zonden” en “beginnende
van Jeruzalem”, overtuigde terecht andere leidinggevende
leraren dat deze passage, evenals die in Mattheüs, gerelateerd is
aan het regeren van Christus in het koninkrijk, dat uiteraard
gevestigd zal worden te Jeruzalem.
Dr. Pettingill koos voor het verslag
in Handelingen 1:8, maar ook deze passage laat de apostelen beginnen
te Jeruzalem.
Aangaande Johannes 20:21-23, bijna
alle fundamentalistische Bijbelleraren zijn het er over eens dat dit
niet de opdracht is voor de Kerk van vandaag, maar de Kerk van Rome
heeft de Protestanten met deze tekst voorzeker schaak gezet.
De
dwaasheid van het kiezen van opdrachten.
Hoe dwaas en verkeerd is het, voor
een ieder van ons, om hier en daar teksten te pakken, die
vervolgens samenvoegen, om de wil van onze Heer voor ons vast te
stellen! Welk recht hebben wij om sommige belangrijke gedeelten of
gedeelten van de opdrachten te kiezen die de Heer aan de elven heeft
gegeven in de veertig dagen tussen Zijn opstanding en hemelvaart, om
deze op onszelf toe te passen of op de Kerk van vandaag de dag?
Niets is duidelijker dan het feit
dat onze Heer: “……….Zichzelven levend vertoond heeft, met vele
gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en
sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan”
(Hand.1:3).
In die veertig dagen sprak één
persoon, onze Heer, tot de elven en gaf hen instructies voor het
uitvoeren van dat programma na Zijn hemelvaart. Het is in elk geval
zo helder als kristal dat deze opdrachten niet aan anderen zijn
gegeven die op een later tijdstip zouden leven, maar aan de
apostelen, die het uit moesten dragen na Zijn vertrek, als de
Heilige Geest ze met kracht had bekrachtigd.
Dit wordt bekrachtigd door de wijze
van uitdrukken in alle vijf verslagen: Matt.28:19: “Gaat dan henen”,
Mark.16:15: “Gaat heen”, Luk.24:48: “Gij zijt getuigen”, Joh.20:21:
“zende Ik ook ulieden”, en Hand.1:8: “gij zult Mijn getuigen zijn”.
Hoe ongerijmd is het dan om te betogen, zoals zovele theologen
hebben gedaan, dat één of meer delen van de opdracht uitgevoerd
moeten worden door een andere generatie op een later tijdstip! Door
welke regel van uitlegkunde hebben we het recht om de uitleg van
deze opdrachten juist diegenen uit te sluiten aan wie de Heer ze
gaf?
Sommigen, die het met het voorgaande
eens zijn, hebben de conclusie getrokken dat de opdracht, in zijn
geheel, voor ons moet zijn om te gehoorzamen, maar ook dat is
onmogelijk in het licht van de brieven van de apostel Paulus. De
Heer heeft het inderdaad onmogelijk gemaakt om te gehoorzamen aan
gedeelten van de zogenoemde “grote opdracht”, dat zullen we verderop
zien.
De belangrijkste reden, dat zo vele
mensen er van uit zijn gegaan dat de opdracht aan de elven, voor ons
is om aan te gehoorzamen, is waarschijnlijk omdat ze dat zo vaak
hebben gehoord! Herhaaldelijk hebben pastors en evangelisten en
Bijbelleraren verwezen naar de afscheidsinstructies van de Heer als:
“Zijn afscheidswoorden aan ons”, “onze marsorders”, “onze opdracht”
en “de grote opdracht”, alsof de Heer nooit andere heeft gegeven.
Maar dit alles is in grote mate onjuist en onschriftuurlijk. Dit
waren niet de laatste woorden van de Heer. Hij sprak opnieuw vanuit
de hemel aan en door de Apostel Paulus en gaf hem een grotere, ja,
een veel grotere opdracht dat wat Hij had gegeven aan de elven.
Alvorens we echter deze grotere
opdracht gaan behandelen kunnen we misschien het beste eerst zien
dat de zogenoemde “grote opdracht” niet voor ons is om te
gehoorzamen, als we zorgvuldig alle onderdelen er van onderzoeken
in Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes en het boek Handelingen en
precies opmerken wat deze opdracht wel en wat het niet zegt.
|