|
Hoofdstuk
– 1
Zie de compleet
studie
De natuur van de mens
Door: C.R. Stam
De ziel en het
lichaam.
Voor ons hebben we vele
artikelen liggen over “voorwaardelijke onsterfelijkheid”, welke, in
vele opzichten onderling verschillend, gemeenschappelijk leren dat
onsterfelijkheid, in plaats van verkrijgbaar voor alle mensen of hun
zielen, alleen te verkrijgen is door geloof in Christus. Verder
leren ze dat degenen die niet aldus onsterfelijkheid verkrijgen
vernietigd zullen worden, “verdwijnen”, of “niet meer bestaan”.
Echter leren sommigen van hen, met betrekking tot de ongelovigen,
dat de gehele mens, bij zijn dood, ophoud te bestaan en weer levend
wordt gemaakt in de opstanding om berecht en veroordeeld te worden
tot “de tweede dood”, terwijl weer anderen leren “dat de ziel de
dood van het lichaam overleeft tot de oordeelsdag, daarna vernietigt
God ziel en lichaam van de goddelozen in de hel (hades).
Omdat blijkbaar de
meerderheid van de Annihilisten (die de leer van vernietiging
aanhangen) de laatstgenoemde visie aanhangen zullen we in eerste
instantie de vraag behandelen of de ziel de dood van het lichaam
overleeft en zien wat het antwoord daarop betekent.
Overleeft de ziel de dood van het
lichaam?
In feite geloven ook wij
dat onsterfelijkheid wordt verkregen door geloof in Christus. Het
Woord van God spreekt nimmer over “de onsterfelijkheid van de ziel”
omdat de ziel kan sterven, want “de ziel die zondigt, die zal
sterven” (Ezechiël 18:4). Maar de Schriften leren niet dat de dood
alleen een ophouden van het bewustzijn is of een andere
bestaanswijze is, en ook niet dat onsterfelijkheid alleen een
toestand is waar zo’n ophouden van het bewustzijn onmogelijk is.
Onsterfelijkheid is volgens het Woord van God de volheid van het
leven, onaantastbaar door de dood, die alleen God in Zichzelf bezit
(1Tim.6:16) die geschonken zal worden aan de wedergeboren mens in de
opstanding (1Kor.15:53,54).
Sommigen leren dat nadat
God “in zijne neusgaten geblazen den adem des levens: alzoo werd de
mensch tot eene levende ziel” (Genesis 2:7) de mens niet meer is dan
“een schepsel dat leven heeft”. Dit laatste gezegde wordt gebruikt
voor het scheppen van de dieren in Gen.1:20, vandaar dat ons verder
wordt verteld dat “dit begin van leven is waar voor alle levende
schepselen, want zij allen hebben enerlei adem” (Prediker 3:19).
Als dus God “de adem des levens” wegneemt blijft er alleen een dood
lichaam achter omdat de “levende ziel” (Gen.2:7) heeft opgehouden te
bestaan. Ter bekrachtiging hiervan hiervan wordt Gen.3:19 geciteerd:
“want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren”.
Maar in dezen is er
verschil tussen mensen en de dierlijke schepselen, maar omdat het
waar is dat de dieren eveneens “levende zielen” worden genoemd
(Gen.1:20-24) verteld de Schrift nergens dat God in de neusgaten van
dieren heeft geblazen zoals Hij dat bij de mens heeft gedaan. Hierin
ligt het grote verschil tussen de mens en de dierlijke schepselen.
Door het goddelijk “inblazen” heeft de mens een verbinding met God
en dat hebben de dieren niet.
Ook is het volgens Genesis
2 waar dat de mens een levende ziel werd maar hieruit volgt niet dat
het lichaam daardoor een ziel is geworden zoals dat soms wordt
geleerd, maar eerder dat de mens nu meer is dan een lichaam: een
levende persoon.
Maar, als men volhoud dat
een mens een ziel is maar geen ziel heeft, zullen sommigen uit de
groep van de Annihilisten ons er aan herinneren dat mensen
regelmatig zielen worden genoemd in de Schrift
(Gen.46:18,22,25,26,27; Hand.2:41,43). Het voorgaande is waar, doch
is het niet natuurlijk om de mens te benoemen naar de zetel van zijn
bestaan; namelijk dat de ziel de persoon zou zijn? Dit is minder
verwonderlijk als het feit dat het lichaam ook vaak de persoon wordt
genoemd. Maar de Annihilisten zullen uitroepen: “Maar natuurlijk”!
Beweren wij niet dat het levende lichaam de ziel is?”. Ja, maar een
dood lichaam wordt ook vaak aangeduid als de persoon. Bijvoorbeeld,
“David....zag verderving”(Hand.13:36), “en enige godvruchtige mannen
droegen Stéfanus te zamen ten grave’(Hand.8:2) en Jozef “en men
leide hem in eene kist in Egypte”(Gen.50:26). We lezen niet dat er
een hoeveelheid stof werd begraven aangezien de man in kwestie niet
meer bestond en de adem des levens was weggenomen. Dus het lichaam
en de ziel blijven gescheiden entiteiten, ofschoon ze beide soms als
‘persoon’ worden genoemd – zo raadselachtig zijn lichaam en ziel
verstrengeld.
Maar hier distantiëren
sommige Annihilisten zich van hun originele opstelling door te
beweren dat de ziel alleen “het leven” is dat God ingeademd heeft in
de mens, hetwelk of voor eeuwig verlengd kan worden of kan worden
afgesneden. Maar het feit dat de mens een “levende ziel” werd
bewijst dat alleen de ziel zelf niet het leven van de mens is.
Het is waar dat de
aanwezigheid van de ziel het leven in het lichaam onderhoudt, en als
de ziel het lichaam verlaat dat het lichaam ontbindt, maar het leven
dat de ziel aan het lichaam geeft moet niet worden verward met het
leven dat God geeft aan de geredde gelovige, want dat leven wordt
nauwelijks besproken in het Oude Testament, en in het Nieuwe
Testament uitgedrukt door een ander woord, weergegeven als ziel (psuche,
ziel: zoe, leven). De Goede Herder geeft zijn ziel (Gr., psuche)
voor de schapen (Joh.10:11) maar geeft hen eeuwig leven (Gr., zoe,
Joh.10:28). Dus een louter verzekerde voortduring van natuurlijk
leven is in geen geval onsterfelijkheid.
Als een mens een ziel is,
dan is hij tevens een lichaam, en als hij een lichaam heeft dan
heeft hij ook een ziel. Deze twee zijn onderscheiden delen van de
hele mens. “Want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren”
(Gen.3:19) is waar wat het lichaam betreft maar niet de hele mens.
Er is zo veel in de Schrift betreffende dit onderwerp dat men zich
moet verwonderen dat iemand dat niet ziet.
Bewijzen dat de mens een ziel heeft
Een voorstander van een
variatie op “Voorwaardelijke Onsterfelijkheid”, beweert dat de
gehele mens, inclusief zijn lichaam, een ziel is, deze heeft
verklaard: “Als we zeggen dat een mens een ziel heeft spreken we de
taal van Plato; als we zeggen dat de mens een ziel is spreken we de
taal van Gods Woord”. Laten we deze verklaring de Berea test
(Hand.17:11) laten ondergaan en zien of het stand houdt.
Als de ziel de gehele mens
is en niet de huurder van het lichaam, wat bedoelde Job dan toen hij
zei: “maar zijn vleesch nog aan hem zijnde, heeft smart, en zijne
ziel in hem zijnde, heeft rouw” (Job 14:22). Hoe kan David, door
inspiratie, gezegd hebben: “ik hef mijne ziel op”? (Psalm 25:1). En
hoe kan hij gezegd hebben: “Loof de HEERE, mijn ziel, en al wat
binnen in mij is”? (Psalm 103:1). Waarom sprak onze Heer over
degenen die “het lichaam kunnen doden maar niet in staat zijn om de
ziel te doden”? (Matth.10:28). En wat zou Elia hebben bedoeld toen
hij bad: “laat toch de ziel dezes kinds in hem wederkomen”?
(1Kon.17:21).
Sommige Annihilisten maken
er opnieuw aanspraak op dat dit alles alleen heeft temaken met het
natuurlijke leven of de adem, maar hoe kon David dan zijn leven of
adem verheffen en wat kan onze Heer hebben bedoeld toen Hij zei dat
de mensen het lichaam kunnen doden maar de ziel niet kunnen doden?
En verder, wat bedoeld Paulus met “de uitwendige mens” en “de
inwendige mens”? (2Kor.4:16). Waarom spreekt hij van “ons aardsche
huis dezes tabernakels”? (2Kor.5:1). Waarom spreekt hij van
“inwonende in het lichaam” of “uit het lichaam uit te wonen”?
(2Kor.5:6,8). Wat bedoeld hij met zijn verklaring dat hij, in een
ervaring, één van beide was “in het lichaam....of....uit het
lichaam”? (2Kor.12:2). Wat bedoeld Hand.15:24 met de uitdrukking:
“uwe zielen wankelend gemaakt”, of 1Petr.1:9 met “de zaligheid der
zielen”, of Rom.2:8,9 met “verbolgenheid en toorn.......over alle
ziel des menschen die het kwade werkt”? Waarom wenst Johannes Gajus
toe: “dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart”?
(3Joh.:2).
Dit alles getuigt van het
feit dat de mens een ziel heeft als een onderscheiden deel van zijn
wezen; een onstoffelijke “inwendige mens”. Er is inderdaad een nog
hoger deel in de mens zijn wezen: “de geest”.
De mens: lichaam, ziel en geest.
Paulus schreef, door
inspiratie, aan de gelovigen in Thessalonika, in 1Thess.5:23:
“En de God des vredes
zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en
lichaam worde
onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus”.
Zeer zeker was de apostel
hier niet biddende voor de heiliging van het lichaam en zijn leven
en de adem die het voortbracht, omdat het natuurlijke leven niet
geheiligd moet worden, en de adem die het voortbracht was van God.
En verder, als zo’n gebed mogelijk was, dan zou het gedaan worden
voor het lichaam, de ziel en de geest en niet voor de
geest, de ziel en het lichaam. Ook verwijst de geest hier niet
naar de nieuwe mens zoals sommigen leren, want de nieuwe mens
zondigt niet, en kan zelfs niet zondigen (Ef.4:24).
Het is duidelijk dat de
apostel hier bidt voor de heiliging van de gehele persoon en er moet
worden opgemerkt dat hij twee keer “en” gebruikt om het feit te
benadrukken dat de geest, de ziel en het lichaam allen onderscheiden
delen zijn van de gehele mens: “uw gehele geest en ziel en
lichaam”.
Annihilisten leren over het
algemeen dat de geest van de mens een deel is van God’s Geest,
oorspronkelijk ingeademd in de mens, en verklaren dat Prediker 12:7
betekent dat bij het sterven ieders persoonlijk deel van God’s Geest
eenvoudig weer terug gaat naar God.
Maar het is buiten kijf
dat er geesten zijn die als individuele persoonlijkheden bestaan
(Psalm 104:4; Matth. 12:43-45; Hebr. 1:14). Waarom is het dan zo
moeilijk om te geloven dat de geest van een mens bestaat als een
aparte persoonlijkheid? God heeft gezegd: “Laat Ons menschen maken,
naar onze gelijkenis” (Gen.1:26), Hij heeft niet gezegd: “Laat ons
mensen maken als een deel van ons”. Aldus lezen we “de geest des
menschen die in hem is” (1Kor.2:11) en niet “de Geest van God die in
de mens is”, omdat Zijn Geest niet in alle mensen is (Rom.8:9).
En zoals het ten aanzien
van de ziel is zo is het ook met de geest, in 1Kor.2:11 lezen we:
“de geest (Gr. Pneuma) des menschen die in hem is” en wordt ons in
Zach.12:1 gezegd dat de Heer: “des menschen geest (Heb. Ruach) in
zijn binnenste formeert” en dat de Heer zelf “gaf den geest”
(Matth.27:50).
De geest en de ziel zijn niet hetzelfde.
Beide, de geest en de ziel
zijn onstoffelijk en zijn nauw met elkaar verbonden (omdat beide in
het lichaam aanwezig zijn) hebben beiden sommige funkties die
dezelfde zijn die hen in de Schrift worden toegeschreven en soms
wordt gesproken van uitwisselbaarheid (alhoewel nimmer
gelijkbetekenend), maar buiten 1Thess.5:23 zijn er verscheidene
andere Schriftplaatsen die duidelijk aangeven dat ze niet hetzelfde
zijn. In de brief aan de Hebreeën lezen we bijvoorbeeld in
Hebr.4:12:
“Want het woord Gods is
levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig
tweesnijdend zwaard, en
gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes.......”.
En aan de Korinthiërs
schreef Paulus, met betrekking tot het lichaam van de gelovigen,
1Kor.15:44:
“Een natuurlijk lichaam
wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt....”.
Als de ziel de zetel is van
de emoties, begeerten en genegenheid, dan is de geest de zetel van
verstand en oordeel. De verontrustende emoties die de ziel voelt
zijn de resultaten van tegenspoed die de geest herkend heeft of
beoordeeld. Volgens 1Kor.2:11 wordt alle menselijke kennis
toegeschreven aan “de geest des menschen die in hem is”. Het is in
woordenboeken gedefinieëerd als het rationele deel van de mens;
waarop de Geest van God inwerkt en waardoor hij goddelijke en
eeuwige dingen waarneemt en begrijpt.
Er is terecht gezegd:
wereldbewustzijn behoort bij het lichaam (Matth.6:22;
1Kor.12:14-17), zelfbewustzijn behoort tot de ziel (Matth.16:26;
1Petr.1:9) en Godbewustzijn behoort tot de geest (Rom.1:9; 8:16).
Nergens in de Schrift wordt
gezegd dat de beesten een geest hebben, behalve in Prediker 3:19-21,
en deze passage wordt veel door de Annihilisten aangehaald. Maar
als, zoals ze vanuit deze passage leren, dat wat de mens wedervaart
zonder Christus hetzelfde is als wat de beesten wedervaren en “zoals
de één sterft zo sterft ook de ander” en “ze hebben allen één adem,
zodat de mens geen voorrang heeft boven de beesten” en “allen gaan
naar dezelfde plaats”, maar waarom zegt dezelfde passage dat “de
geest des menschen opvaart” terwijl “de geest van de dieren
nederwaarts vaart?”.
Deze passage is geen
openbaring van het wezen van mens of beest. Degenen die proberen dat
te bewijzen dat “de doden dood zijn” zien voorbij of ontkennen het
feit dat deze woorden de woorden zijn van iemand die zich had
overgegeven aan vrolijkheid en plezier, wijn en dwaasheid, om door
menselijke kennis en ondervinding uit te vinden wat goed was onder
de hemel (Pred.2:1-3). Vreemdgenoeg zijn degenen die Pred.3:19-21
gebruiken om te bewijzen dat mensen sterven als de beesten, zelden
iets zeggen van vers 19, een vers dat zo karakteristiek is voor dit
boek: “alles is ijdelheid”, of Pred.7:1 en 2 citeren dat het beter
is om te sterven dan om te leven. Dit zijn slechts de observaties
van mensen “onder de zon” en bewijst in het geheel niet dat beesten
een geest hebben of dat mensen en beesten op gelijke wijze sterven.
In kontrast met deze vermelde observaties van de natuurlijke mens
hebben we het verklarende Woord van God dat zegt: “En gelijk het den
menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel”
(Hebr.9:27). Zoiets is nimmer gezegd met betrekking tot de lagere
schepping van de dieren.
Prediker is een
geïnspireerd verslag van des mensen nutteloze inspanning om de
waarheid te leren door menselijke wijsheid. Het is gelimiteerd tot
des mensen kennis van de dingen “onder de hemel” en verschaft
overvloedig bewijs dat de mens door te zoeken God niet kan vinden.
De mens zijn horizon is het graf.
Dus de mensen, in het bezit
zijnde van een geest, hebben een andere relatie tot God dan de
beesten. God wordt genoemd de God en Vader der geesten (Num.16:22;
27:16; Hebr.12:9) en niet van zielen. Dit verklaart waarom de
engelen zonen van God worden genoemd terwijl de dieren niet zo
worden genoemd.
Het is waar, de ziel is nog
steeds de zetel van het wezen van de mens waardoor hij wordt genoemd
“een ziel” maar deze plaats zal op zekere dag aan de geest gegeven
worden, waardoor we in 1Kor.15:44 lezen: “Er wordt een natuurlijk
(Let., ziels) lichaam gezaaid; een geestelijk lichaam wordt
opgewekt”. Inderdaad, zelfs in de ‘tussentijdse toestand’, als het
lichaam is afgelegd, identificeert de Schrift de mens eerder met
zijn geest dan met zijn ziel. Vandaar “de geesten in de gevangenis”
(1Petr.3:19) en in Hebr.12:23: “de geesten der volmaakte
rechtvaardigen”.
De ziel is nauwer verbonden
met het lichaam dan met de geest. Van engelen wordt niet gezegd dat
ze een ziel hebben maar de mens heeft een ziel en wordt daarom een
‘levende ziel” genoemd om hem te onderscheiden van de engelen welke
louter geest zijn.
Dus de verbinding die de
verwantschap aangeeft tussen de mensen en de lagere scheppingsorde
van de dieren, zijn ziel, onderscheidt de mensen van de engelen.
Aan de andere kant, de manier waarop hem zijn ziel werd gegeven en
het feit dat hij ook een geest heeft, onderscheidt hem van de
beesten. Hij staat tussen de twee in.
Zoals Psalm 2 en Hebr.2:5-8
duidelijk leren, heeft God een glorieus doel voor de mens en zal:
“met eer en heerlijkheid hebt gij hem gekroond en gij hebt hem
gesteld over de werken uwer handen”, en omdat “Doch nu zien wij nog
niet dat hem alle dingen onderworpen zijn”, wij zien, Gode zij dank:
“Jezus met heerlijkheid en eere gekroond........opdat Hij door de
genade Gods voor allen den dood smaken zoude” (vers 9). |