De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

30-03-2012

 

Hoofdstuk – 1

Zie de compleet studie  De natuur van de mens 

Door: C.R. Stam

                         De ziel en het lichaam.                   

 Voor ons hebben we vele artikelen liggen over “voorwaardelijke onsterfelijkheid”, welke, in vele opzichten onderling verschillend, gemeenschappelijk leren dat onsterfelijkheid, in plaats van verkrijgbaar voor alle mensen of hun zielen, alleen te verkrijgen is door geloof in Christus. Verder leren ze dat degenen die niet aldus onsterfelijkheid verkrijgen vernietigd zullen worden, “verdwijnen”, of  “niet meer bestaan”. Echter leren sommigen van hen, met betrekking tot de ongelovigen, dat de gehele mens, bij zijn dood, ophoud te bestaan en weer levend wordt gemaakt in de opstanding om berecht en veroordeeld te worden tot “de tweede dood”, terwijl weer anderen leren “dat de ziel de dood van het lichaam overleeft tot de oordeelsdag, daarna vernietigt God ziel en lichaam van de goddelozen in de hel (hades).  

Omdat blijkbaar de meerderheid van de Annihilisten  (die de leer van vernietiging aanhangen) de laatstgenoemde visie aanhangen zullen we in eerste instantie de vraag behandelen of de ziel de dood van het lichaam overleeft en zien wat het antwoord daarop betekent.

                           Overleeft de ziel de dood van het lichaam?

 In feite geloven ook wij dat onsterfelijkheid wordt verkregen door geloof in Christus. Het Woord van God spreekt nimmer over “de onsterfelijkheid van de ziel” omdat de ziel kan sterven, want “de ziel die zondigt, die zal sterven” (Ezechiël 18:4). Maar de Schriften leren niet dat de dood alleen een ophouden van het bewustzijn is of een andere bestaanswijze is, en ook niet dat onsterfelijkheid alleen een toestand is waar zo’n ophouden van het bewustzijn onmogelijk is. Onsterfelijkheid is volgens het Woord van God de volheid van het leven, onaantastbaar door de dood,  die alleen God in Zichzelf bezit (1Tim.6:16) die geschonken zal worden aan de wedergeboren mens in de opstanding (1Kor.15:53,54). 

 Sommigen leren dat nadat God  “in zijne neusgaten geblazen den adem des levens: alzoo werd de mensch tot eene levende ziel” (Genesis 2:7) de mens niet meer is dan “een schepsel dat leven heeft”. Dit laatste gezegde wordt gebruikt voor het scheppen van de dieren in Gen.1:20,  vandaar dat ons verder wordt verteld dat “dit begin van leven is waar voor alle levende schepselen, want zij allen hebben enerlei adem” (Prediker 3:19).  Als dus God “de adem des levens” wegneemt blijft er alleen een dood lichaam achter omdat de “levende ziel” (Gen.2:7) heeft opgehouden te bestaan. Ter bekrachtiging hiervan hiervan wordt Gen.3:19 geciteerd: “want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren”.

 Maar in dezen is er verschil tussen mensen en de dierlijke schepselen, maar omdat het waar is dat de dieren eveneens “levende zielen” worden genoemd (Gen.1:20-24) verteld de Schrift nergens dat God in de neusgaten van dieren heeft geblazen zoals Hij dat bij de mens heeft gedaan. Hierin ligt het grote verschil tussen de mens en de dierlijke schepselen. Door het goddelijk “inblazen” heeft de mens een verbinding met God en dat hebben de dieren niet.

 Ook is het volgens Genesis 2 waar dat de mens een levende ziel werd maar hieruit volgt niet dat het lichaam daardoor een ziel is geworden zoals dat soms wordt geleerd, maar eerder dat de mens nu meer is dan een lichaam: een levende persoon.

 Maar, als men volhoud dat een mens een ziel is maar geen ziel heeft, zullen sommigen uit de groep van de Annihilisten ons er aan herinneren dat mensen regelmatig zielen worden genoemd in de Schrift (Gen.46:18,22,25,26,27; Hand.2:41,43). Het voorgaande is waar, doch  is het niet natuurlijk om de mens te benoemen naar de zetel van zijn bestaan; namelijk dat de ziel de persoon zou zijn? Dit is minder verwonderlijk als het feit dat het lichaam ook vaak de persoon wordt genoemd. Maar de Annihilisten zullen uitroepen: “Maar natuurlijk”! Beweren wij niet dat het levende lichaam de ziel is?”. Ja, maar een dood lichaam wordt ook vaak aangeduid als de persoon. Bijvoorbeeld, “David....zag verderving”(Hand.13:36), “en enige godvruchtige mannen droegen Stéfanus te zamen ten grave’(Hand.8:2) en Jozef  “en men leide hem in eene kist in Egypte”(Gen.50:26). We lezen niet dat er een hoeveelheid stof werd begraven aangezien de man in kwestie niet meer bestond en de adem des levens was weggenomen. Dus het lichaam en de ziel blijven gescheiden entiteiten, ofschoon ze beide soms als ‘persoon’ worden genoemd – zo raadselachtig zijn lichaam en ziel verstrengeld.

 Maar hier distantiëren sommige Annihilisten zich van hun originele opstelling door te beweren dat de ziel alleen “het leven” is dat God ingeademd heeft in de mens, hetwelk of voor eeuwig verlengd kan worden of kan worden afgesneden. Maar het feit dat de mens een “levende ziel” werd bewijst dat alleen de ziel zelf niet het leven van de mens is.

 Het is waar dat de aanwezigheid van de ziel het leven in het lichaam onderhoudt, en als de ziel het lichaam verlaat dat het lichaam ontbindt, maar het leven dat de ziel aan het lichaam geeft moet niet worden verward met het leven dat God geeft aan de geredde gelovige, want dat leven wordt nauwelijks besproken in het Oude Testament, en in het Nieuwe Testament uitgedrukt door een ander woord, weergegeven als ziel (psuche, ziel: zoe, leven). De Goede Herder geeft zijn ziel (Gr., psuche) voor de schapen (Joh.10:11) maar geeft hen eeuwig leven (Gr., zoe, Joh.10:28). Dus een louter verzekerde voortduring van natuurlijk leven is in geen geval onsterfelijkheid. 

 Als een mens een ziel is, dan is hij tevens een lichaam, en als hij een lichaam heeft dan heeft hij ook een ziel. Deze twee zijn onderscheiden delen van de hele mens. “Want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeeren” (Gen.3:19) is waar wat het lichaam betreft maar niet de hele mens. Er is zo veel in de Schrift betreffende dit onderwerp dat men zich moet verwonderen dat iemand dat niet ziet.

                          Bewijzen dat de mens een ziel heeft

 Een voorstander van een variatie op “Voorwaardelijke Onsterfelijkheid”, beweert dat de gehele mens, inclusief zijn lichaam, een ziel is, deze heeft verklaard: “Als we zeggen dat een mens een ziel heeft spreken we de taal van Plato; als we zeggen dat de mens een ziel is spreken we de taal van Gods Woord”. Laten we deze verklaring de Berea test (Hand.17:11) laten ondergaan en zien of het stand houdt.

 Als de ziel de gehele mens is en niet de huurder van het lichaam, wat bedoelde Job dan toen hij zei: “maar zijn vleesch nog aan hem zijnde, heeft smart, en zijne ziel in hem zijnde, heeft rouw” (Job 14:22). Hoe kan David, door inspiratie, gezegd hebben: “ik hef mijne ziel op”? (Psalm 25:1). En hoe kan hij gezegd hebben: “Loof de HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is”? (Psalm 103:1). Waarom sprak onze Heer over degenen die “het lichaam kunnen doden maar niet in staat zijn om de ziel te doden”? (Matth.10:28). En wat zou Elia hebben bedoeld toen hij bad: “laat toch de ziel dezes kinds in hem wederkomen”? (1Kon.17:21).

 Sommige Annihilisten maken er opnieuw aanspraak op dat dit alles alleen heeft temaken met het natuurlijke leven of de adem, maar hoe kon David dan zijn leven of adem verheffen en wat kan onze Heer hebben bedoeld toen Hij zei dat de mensen het lichaam kunnen doden maar de ziel niet kunnen doden? En verder, wat bedoeld Paulus met “de uitwendige mens” en “de inwendige mens”? (2Kor.4:16). Waarom spreekt hij van “ons aardsche huis dezes tabernakels”? (2Kor.5:1). Waarom spreekt hij van “inwonende in het lichaam” of  “uit het lichaam uit te wonen”? (2Kor.5:6,8). Wat bedoeld hij met zijn verklaring dat hij, in een ervaring, één van beide was “in het lichaam....of....uit het lichaam”? (2Kor.12:2). Wat bedoeld Hand.15:24 met de uitdrukking: “uwe zielen wankelend gemaakt”, of 1Petr.1:9 met “de zaligheid der zielen”, of Rom.2:8,9 met “verbolgenheid en toorn.......over alle ziel des menschen die het kwade werkt”? Waarom wenst Johannes Gajus toe: “dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziel welvaart”? (3Joh.:2).

 Dit alles getuigt van het feit dat de mens een ziel heeft als een onderscheiden deel van zijn wezen; een onstoffelijke “inwendige mens”. Er is inderdaad een nog hoger deel in de mens zijn wezen: “de geest”.

                                  De mens: lichaam, ziel en geest.

 Paulus schreef, door inspiratie, aan de gelovigen in Thessalonika, in 1Thess.5:23:

 “En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en

  lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus”.

 Zeer zeker was de apostel hier niet biddende voor de heiliging van het lichaam en zijn leven en de adem die het voortbracht, omdat het natuurlijke leven niet geheiligd moet worden, en de adem die het voortbracht was van God. En verder, als zo’n gebed mogelijk was, dan zou het gedaan worden voor het lichaam, de ziel en de geest en niet voor de geest, de ziel en het lichaam. Ook verwijst de geest hier niet naar de nieuwe mens zoals sommigen leren, want de nieuwe mens zondigt niet, en kan zelfs niet zondigen (Ef.4:24).

 Het is duidelijk dat de apostel hier bidt voor de heiliging van de gehele persoon en er moet worden opgemerkt dat hij twee keer “en” gebruikt om het feit te benadrukken dat de geest, de ziel en het lichaam allen onderscheiden delen zijn van de gehele mens: “uw gehele geest en ziel en lichaam”.

 Annihilisten leren over het algemeen dat de geest van de mens een deel is van God’s Geest, oorspronkelijk ingeademd in de mens, en verklaren dat Prediker 12:7 betekent dat bij het sterven ieders persoonlijk deel van God’s Geest eenvoudig weer terug gaat naar God. 

 Maar het is buiten kijf  dat er geesten zijn die als individuele persoonlijkheden bestaan (Psalm 104:4; Matth. 12:43-45; Hebr. 1:14). Waarom is het dan zo moeilijk om te geloven dat de geest van een mens bestaat als een aparte persoonlijkheid? God heeft gezegd: “Laat Ons menschen maken, naar onze gelijkenis” (Gen.1:26), Hij heeft niet gezegd: “Laat ons mensen maken als een deel van ons”. Aldus lezen we “de geest des menschen die in hem is” (1Kor.2:11) en niet “de Geest van God die in de mens is”, omdat Zijn Geest niet in alle mensen is (Rom.8:9).

 En zoals het ten aanzien van de ziel is zo is het ook met de geest, in 1Kor.2:11 lezen we: “de geest (Gr. Pneuma) des menschen die in hem is” en wordt ons in Zach.12:1 gezegd dat de Heer: “des menschen geest (Heb. Ruach) in zijn binnenste formeert” en dat de Heer zelf  “gaf den geest” (Matth.27:50).

                           De geest en de ziel zijn niet hetzelfde.

 Beide, de geest en de ziel zijn onstoffelijk en zijn nauw met elkaar verbonden (omdat beide in het lichaam aanwezig zijn) hebben beiden sommige funkties die dezelfde zijn die hen in de Schrift worden toegeschreven en soms wordt gesproken van uitwisselbaarheid (alhoewel nimmer gelijkbetekenend), maar buiten 1Thess.5:23 zijn er verscheidene andere Schriftplaatsen die duidelijk aangeven dat ze niet hetzelfde zijn. In de brief aan de Hebreeën lezen we bijvoorbeeld in Hebr.4:12:

 “Want het woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig

  tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeeling der ziel en des geestes.......”.

 En aan de Korinthiërs schreef Paulus, met betrekking tot het lichaam van de gelovigen, 1Kor.15:44:

 “Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt....”.

 Als de ziel de zetel is van de emoties, begeerten en genegenheid, dan is de geest de zetel van verstand en oordeel. De verontrustende emoties die de ziel voelt zijn de resultaten van tegenspoed die de geest herkend heeft of beoordeeld. Volgens 1Kor.2:11 wordt alle menselijke kennis toegeschreven aan “de geest des menschen die in hem is”. Het is in woordenboeken gedefinieëerd als het rationele deel van de mens; waarop de Geest van God inwerkt en waardoor hij goddelijke en eeuwige dingen waarneemt en begrijpt.

 Er is terecht gezegd: wereldbewustzijn behoort bij het lichaam (Matth.6:22; 1Kor.12:14-17), zelfbewustzijn behoort tot de ziel (Matth.16:26; 1Petr.1:9) en Godbewustzijn behoort tot de geest (Rom.1:9; 8:16).

 Nergens in de Schrift wordt gezegd dat de beesten een geest hebben, behalve in Prediker 3:19-21, en deze passage wordt veel door de Annihilisten aangehaald. Maar als, zoals ze vanuit deze passage leren, dat wat de mens wedervaart zonder Christus hetzelfde is als wat de beesten wedervaren en “zoals de één sterft zo sterft ook de ander” en “ze hebben allen één adem, zodat de mens geen voorrang heeft boven de beesten” en “allen gaan naar dezelfde plaats”, maar waarom zegt dezelfde passage dat “de geest des menschen opvaart” terwijl “de geest van de dieren nederwaarts vaart?”.

 Deze passage is geen openbaring van het wezen van mens of beest. Degenen die proberen dat te bewijzen dat “de doden dood zijn” zien voorbij of ontkennen het feit dat deze woorden de woorden zijn van iemand die zich had overgegeven aan vrolijkheid en plezier, wijn en dwaasheid, om door menselijke kennis en ondervinding uit te vinden wat goed was onder de hemel (Pred.2:1-3). Vreemdgenoeg zijn degenen die Pred.3:19-21 gebruiken om te bewijzen dat mensen sterven als de beesten, zelden iets zeggen van vers 19, een vers dat zo karakteristiek is voor dit boek: “alles is ijdelheid”, of Pred.7:1 en 2 citeren dat het beter is om te sterven dan om te leven. Dit zijn slechts de observaties van mensen “onder de zon” en bewijst in het geheel niet dat beesten een geest hebben of dat mensen en beesten op gelijke wijze sterven. In kontrast met deze vermelde observaties van de natuurlijke mens hebben we het verklarende Woord van God dat zegt: “En gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel” (Hebr.9:27). Zoiets is nimmer gezegd met betrekking tot de lagere schepping van de dieren.

 Prediker is een geïnspireerd verslag van des mensen nutteloze inspanning om de waarheid te leren door menselijke wijsheid. Het is gelimiteerd tot des mensen kennis van de dingen “onder de hemel” en verschaft overvloedig bewijs dat de mens door te zoeken God niet kan vinden. De mens zijn horizon is het graf.

 Dus de mensen, in het bezit zijnde van een geest, hebben een andere relatie tot God dan de beesten. God wordt genoemd de God en Vader der geesten (Num.16:22; 27:16; Hebr.12:9) en niet van zielen. Dit verklaart waarom de engelen zonen van God worden genoemd terwijl de dieren niet zo worden genoemd.

 Het is waar, de ziel is nog steeds de zetel van het wezen van de mens waardoor hij wordt genoemd “een ziel” maar deze plaats zal op zekere dag aan de geest gegeven worden, waardoor we in 1Kor.15:44 lezen: “Er wordt een natuurlijk (Let., ziels) lichaam gezaaid; een geestelijk lichaam wordt opgewekt”. Inderdaad, zelfs in de ‘tussentijdse toestand’, als het lichaam is afgelegd, identificeert de Schrift de mens eerder met zijn geest dan met zijn ziel. Vandaar “de geesten in de gevangenis” (1Petr.3:19) en in Hebr.12:23: “de geesten der volmaakte rechtvaardigen”.

 De ziel is nauwer verbonden met het lichaam dan met de geest. Van engelen wordt niet gezegd dat ze een ziel hebben maar de mens heeft een ziel en wordt daarom een ‘levende ziel” genoemd om hem te onderscheiden van de engelen welke louter geest zijn.

 Dus de verbinding die de verwantschap aangeeft tussen de mensen en de lagere scheppingsorde van de dieren, zijn ziel,  onderscheidt de mensen van de engelen. Aan de andere kant, de manier waarop hem zijn ziel werd gegeven en het feit dat hij ook een geest heeft, onderscheidt hem van de beesten. Hij staat tussen de twee in.

 Zoals Psalm 2 en Hebr.2:5-8 duidelijk leren, heeft God een glorieus doel voor de mens en zal: “met eer en heerlijkheid hebt gij hem gekroond en gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen”, en omdat  “Doch nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn”, wij zien, Gode zij dank: “Jezus met heerlijkheid en eere gekroond........opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude” (vers 9).    

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011