|
DE GEHEIMENIS VAN ISRAֻL BLINDHEID
&
DE OLIJFBOOM
Door: D. Avnon
Er zijn veel mensen, die beweren, dat het volk Israכl de sleutel is om
de Bijbel te kunnen begrijpen. Of dit inderdaad zo is, kan alleen iemand beoordelen, die
de Bijbel heeft gelezen. Ongetwijfeld zal degene, die de Bijbel helemaal heeft gelezen tot
de conclusie komen, dat het volk inderdaad een grote plaats in Gods plan voor de wereld
inneemt.
Maar, zijn de kinderen van Israכl (Jakob) oftewel de Joden van nu
anders als de rest van de volkeren? Dat ligt er aan! Wij kunnen zeggen dat zij andere
gewoonten hebben en dat zij uit een andere cultuur komen. Maar voor God zijn zij allemaal
hetzelfde: "Zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods. En worden om
niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is. (Rom.
3:23,24).
Als er van nature geen verschil is tussen de Jood en de niet-Jood, waar
ligt het verschil dan wel! Daar onze Here, in een andere Bijbelse tijd, duidelijk wel
verschil maakte, namelijk:
"En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en
Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit dat gebied komende, riep tot Hem, zeggende:
"Heere! Gij Zoon van David, ontferm U mijner! Mijn dochter is deerlijk door de duivel
bezeten." Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem
komende, baden Hem, zeggende: "Laat haar van U, want zij roept ons na. Maar Hij,
antwoordende, zeide: "Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis
Israכls." En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: "Heere, help mij." Doch Hij
antwoordde en zeide: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en de
hondjes voor te werpen." En zij zeide: "Ja, Heere! doch de hondjes eten ook van
de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren." (Matthes 15:21-27)
"Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het
vlees, en die voorhuid genaamd werd door hen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees,
die met handen geschiedt; Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het
burgerschap Israכls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende,
en zonder God in de wereld". (Efeze 2:11-12)
"Welke Israכlieten zijn, van wie is de aanneming tot kinderen, en
de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de
beloftenissen; Van wie zijn de vaders, en uit wie Christus is, zoveel het vlees aangaat,
Welke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid, Amen". (Romeinen 9:4-5).
"En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en
Sidon. En ziet, een Kananese vrouw, uit dat gebied komende, riep tot Hem, zeggende:
"Heere! Gij Zoon van David, ontferm U mijner! Mijn dochter is deerlijk door de duivel
bezeten." Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem
komende, baden Hem, zeggende: "Laat haar van U, want zij roept ons na. Maar Hij,
antwoordende, zeide: "Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis
Israכls." En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: "Heere, help mij." Doch Hij
antwoordde en zeide: "Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en de
hondjes voor te werpen." En zij zeide: "Ja, Heere! doch de hondjes eten ook van
de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren." (Matthes 15:21-27)
In Paulus' lange brief aan de Romeinen vinden wij een klein gedeelte
(hfdst. 9-11), dat over Israכl gaat. Wat wordt hier allemaal bedoeld? Waarom schrijft hij
er over? Velen interpreteren deze drie hoofdstukken alsof de Here God persoonlijk tegen
hen spreekt. Zij onderscheiden niet het bedeling-karakter van deze drie brieven, met als
resultaat o.a. theorieכn als 'de beperkte genade.' (Romeinen 9:11 of voorwaardelijk
zekerheid. Romeinen 11:22.)
De apostel schreef de brief als bevestiging van de val van Israכl. Dit
was alreeds met de steniging van stefanus begonnen (Handelingen 7).
Zelfs de apostel Paulus, die ook Jood was, betreurde Israכls'
verharding ten zeerste:
"Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij
mede getuigenis gevende door de Heilige Geest); Dat het mij een grote droefheid, en mijn
hart een gedurig smart is; Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus,
voor mijn broeders, die mijn verwanten zijn naar het vlees" (Romeinen 9:1-3)
"Broeders, de toegenegenheid van mijn hart, en het gebed, dat ik
tot God voor Israכl doe, is tot hun zaligheid. Want ik geef hun getuigenis, dat zij een
ijver tot God hebben, maar niet met verstand; Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet
kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij aan de
rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. (Romeinen 10:1-3)
"Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik
ben ook een Israכliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin; God heeft Zijn
volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt
van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israכl zeggende" (Romeinen 11:1-2)
Heeft God Israכl dan als volk verstoten? Natuurlijk niet! In ieder
geval heeft Hij de natie niet van haar beloften ontnomen. Er wordt op een andere plaats in
de Schrift nog over de toekomstige glorie van Israכl gesproken en over de vervulling van
de beloften aan Abraham. (Romeinen 11:26; Hosea 1:10;11).
Heeft God de individuele Israכliet verstoten, zodat Christus voor hem
niets kan betekenen? Ook niet!
"Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen;
en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. Maar wat zegt tot hem het Goddelijk
antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld
van Baהl niet gebogen hebben. Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een
overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. En indien het door genade is, zo is
het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en indien het is uit de
werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer". (Romeinen
11:3-6)
Israכl heeft als volk lange tijd naar rechtvaardigheid gezocht. Maar
deze rechtvaardigheid hebben zij niet uit geloof gezocht. Toen de Here Jezus Christus,
Gods Rots, naar deze aarde kwam, hebben zij zich tegen die Rots gestoten. Zij bleven,
zoals vele religieuze mensen, op hun werken roemen (Romeinen 9:32). Maar ook in onze tijd
is er een minderheid van mensen in Israכl, die uit genade de Here Jezus Christus als hun
verlosser en zaligmaker hebben aanvaard. Het is echter van groot belang om te noteren dat,
indien een Jood, in deze bedeling van genade, een kind van God wordt, hij als zodanig in
de Gemeente, die Zijn lichaam is, is gedoopt. Zijn hoop is dan in de Hemelen en niet op
aarde (Filipensen 3:20,21).
Terwijl de natie als geheel in diepe slaap is gevallen (Romeinen
11:7-10), worden individuele Joden dagelijks aan de Gemeente toegevoegd. Niet op grond van
het verbond van de besnijdenis, maar op grond van hun persoonlijke geloof in het
volbrachte werk van Christus aan het kruis:
" Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardig-heid een
ieder, die gelooft; Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is,
zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven; Maar de rechtvaardigheid, die
uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Dat
is Christus van boven afbrengen; Of, wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit
de doden opbrengen; Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit
is het Woord des geloofs, dat wij prediken; Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden
de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult
gij zalig worden; Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond
belijdt men ter zaligheid; Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal
niet beschaamd worden; Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want
eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen; Want een ieder,
die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden" (Romeinen 10:4-13).
" Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardig-heid een
ieder, die gelooft; Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is,
zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven; Maar de rechtvaardigheid, die
uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Dat
is Christus van boven afbrengen; Of, wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit
de doden opbrengen; Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit
is het Woord des geloofs, dat wij prediken; Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden
de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult
gij zalig worden; Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond
belijdt men ter zaligheid; Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal
niet beschaamd worden; Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want
eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen; Want een ieder,
die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden" (Romeinen 10:4-13).
" Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardig-heid een
ieder, die gelooft; Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is,
zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven; Maar de rechtvaardigheid, die
uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Dat
is Christus van boven afbrengen; Of, wie zal in de afgrond neerdalen? Dat is Christus uit
de doden opbrengen; Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit
is het Woord des geloofs, dat wij prediken; Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden
de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult
gij zalig worden; Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond
belijdt men ter zaligheid; Want de Schrift zegt: Een ieder, die in Hem gelooft, die zal
niet beschaamd worden; Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want
eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen; Want een ieder,
die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden" (Romeinen 10:4-13).
STRUIKELEN EN VALLEN
Er is in onze dagen veel tekort aan inzicht, als het over de val van
Israכl gaat. De reformatorische kerken hebben met hun theologie al lang de plaats van
Israכl genomen. Terwijl onder vele z.g. evangelische gelovigen de erkenning van de plaats
van Israכl in Gods plan alleen groeit. In het laatste geval begrijpt men niet altijd, dat
juist door de val van Israכl, de verzoening naar de heidenen is gekomen. In veel gevallen
verheft men ook in onze dagen de Staat Israכl boven andere. Menselijkerwijs is het niet
verkeerd om welk land dan ook financieel te steunen. Maar als men ook in deze tijd Israכl
een bijzondere bijbelse positie toekent, dan begrijpt men de openbaring van het geheimenis
nog niet!
Zo zeg ik dan: "Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden?
Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid voor de heidenen geworden, om hen tot
jaloersheid te verwekken; En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering
de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid! Want ik spreek tot u, heidenen, voor
zover ik de apostel der heidenen ben; ik maak mijn bediening heerlijk; Of ik zo mogelijk
mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht. Want indien hun
verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven
uit de doden?" (Romeinen 11:11-15).
Dat wij nog steeds onder de bedeling van genade leven is, omdat de val
van Israכl nog steeds voortduurt. Ook hun vermindering is duidelijk: Het volk dat...als
het zand, dat aan den oever der zee is" zal zijn (Genesis 22:17) telt na 2000 jaar
nog steeds 14.000.000 mensen. God verwerpt zijn volk nog steeds. Uiteraard beschouwen veel
bijbel- gelovigen de oprichting van de Staat Israכl in 1948 als vervulling van het
profetische Woord. Wij geloven ook in de soevereiniteit van God. Maar in eerste instantie
worden wij gevraagd om de Schrift te geloven en deze verklaard duidelijk, dat de tijd
waarin wij nu leven nooit eerder in de profetische schriften bekend was, maar eerst aan de
apostel Paulus bekend is gemaakt. Onder deze bedeling van genade is God niet met volkeren
als zodanig bezig, maar met individuen. God is niet met de meerderheid, de ongelovigen in
Israכl bezig, maar met de minderheid. Diegenen, die namelijk Zijn gave van eeuwig leven
uit genade hebben aanvaard (Romeinen 6:23; Efeze 2:8,9).
Het volk Israכl zal, volgens het profetische Woord, in de toekomst
boven de andere volkeren zijn. (Jesaja 60:11-12, 61:6). Maar dit is vandaag de dag
duidelijk niet het geval. Israכl is als volk, zoals de heidenen eeuwen geleden,
opzijgezet. Maar nu, in deze tijd, biedt God individuele Joden en heidenen verzoening aan,
op grond van genade, door de bloed van Christus (2 Korinthe 5:14-21; Romeinen 11:32,33).
Volgens het verbond en het profetische Woord zullen de heidenen door
Israכl gezegend worden (Genesis 22:17,18; Zacharias 8:13), maar nu worden zij juist door
de verwerping van het volk Israכl gezegend (Handelingen 13:44-46; Romeinen 11:28-32).
Zo hebben wij duidelijk kunnen zien, dat de verzoening tussen Joden en
heidenen in deze bedeling van genade niet op basis van verbond is, maar op basis
van Gods genade. Niet door vervulling van profetie, maar op basis van het eeuwige
plan van God, n.l. het geheimenis, dat eerst aan de apostel Paulus is geopenbaard.
"Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is
(opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israכl gekomen
is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn" (Romeinen 11:25).
"Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus,
voor u, die heidenen zijt. Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods,
die mij gegeven is aan u; Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze
verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb; Waaraan gij, dit
lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus)" (Efeze
3:1-4).
DE OLIJFBOOM, DE WORTEL EN DE TAKKEN
"En zo enige van de takken afgebroken zijn, en gij, een wilde
olijven boom zijnde, in hun plaats zijt ingeent, en de wortel en de vettigheid van de
olijven boom mede deelachtig zijt geworden; Zo roem niet tegen de takken; en indien gij
daartegen roemt, gij draagt de wortel niet, maar de wortel u; Gij zult dan zeggen: De
takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeכnt worden; Het is terecht; zij zijn door
ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hooggevoelende, maar vrees;
Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook
mogelijk u niet spaart; Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de
strengheid wel over hen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in
de goeder-tierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden; Maar ook zij, indien
zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeכnt worden; want God is machtig om ze weer
in te enten; Want indien gij afgehouwen zijt uit de olijfboom, die van nature wild was, en
tegen nature in de goede olijfboom ingeכnt, hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke
takken zijn, in hun eigen olijfboom geכnt worden?" (Romeinen 11:17-24).
"En zo enige van de takken afgebroken zijn, en gij, een wilde
olijven boom zijnde, in hun plaats zijt ingeent, en de wortel en de vettigheid van de
olijven boom mede deelachtig zijt geworden; Zo roem niet tegen de takken; en indien gij
daartegen roemt, gij draagt de wortel niet, maar de wortel u; Gij zult dan zeggen: De
takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeכnt worden; Het is terecht; zij zijn door
ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hooggevoelende, maar vrees;
Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook
mogelijk u niet spaart; Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de
strengheid wel over hen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in
de goeder-tierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden; Maar ook zij, indien
zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeכnt worden; want God is machtig om ze weer
in te enten; Want indien gij afgehouwen zijt uit de olijfboom, die van nature wild was, en
tegen nature in de goede olijfboom ingeכnt, hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke
takken zijn, in hun eigen olijfboom geכnt worden?" (Romeinen 11:17-24).
De apostel Paulus gebruikt het voorbeeld van de olijfboom om nogmaals
te laten zien, dat God Israכl niet heeft verstoten. Paulus waarschuwt de heidenen om niet
hoogmoedig te zijn voor het feit, dat God hun tijdelijk de plaats van het ongelovige
Israכl heeft gegeven.
Om de hoofdstukken 9-11 van de Romeinenbrief goed te kunnen begrijpen,
moeten wij ons goed realiseren, dat de apostel hier niet over de LEER van
RECHTVAARDIGHEID UIT HET GELOOF spreekt, maar over de BEDELING WAARHEID.
Over het algemeen wordt geloofd, dat de olijfboom Israכl
vertegenwoordigt. Men beschouwt de afgebroken takken als de ongelovige Joden en de
overgebleven takken, de gelovigen Joden (Romeinen 11:5,7).
Maar wie is de WILDE OLIJFBOOM, die is INGEENT en deel is
geworden van de WORTEL en de VETTIGHEID? Dat zijn niet de heidenen uit de
volkeren, omdat het hier om gelovigen gaat! Het gaat hier ook niet over de Gemeente: "HET
LICHAAM VAN CHRISTUS". De joodse gelovigen in de boom zijn niet uit de wilde boom
gekomen. Het zijn daarentegen de gelovigen uit de volkeren, die worden gewaarschuwd (vers
22) en niet de GEMEENTE.
Ongetwijfeld wordt met de EERSTELING en WORTEL van de boom ABRAHAM
bedoeld en de zegening die hij door het geloof heeft ontvangen. Het volk, dat uit Abraham
kwam (Israכl), is niet in het geloof doorgegaan. Zij zijn de afgebroken takken. Intussen
zijn de gelovige heidenen in de belofte van Abraham ingeכnt, samen met het restant van de
gelovigen in Israכl, van welke Paulus de eerste was.
"En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel
van de rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou
zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, opdat ook hun de
rechtvaardigheid toegerekend worde" (Romeinen 4:11).
"En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad,
en naar de beloftenis erfgenamen" (Galaten 3:29).
Kunnen de heidenen het 'zaad van Abraham' worden? Ja, als zij IN
CHRISTUS zijn, omdat Hij ook het zaad van Abraham was! Nogmaals willen wij de lezer
attent maken op het volgende feit: Als de apostel Paulus over AFGEBROKEN en INGEENT
spreekt, heeft hij het over een bedeling-waarheid. Het begrip 'bedelingwaarheid' wil
zeggen, dat de woorden 'AFGEBROKEN OF INGEEENT' geen betrekking hebben op de relatie met
God of met behoudenis, maar met de plaats van Israכl en de heidenen in Gods plan.
Als de apostel Paulus, in Romeinen hoofdstuk 11, over individuele
behoudenis had gesproken, zouden degenen, die AFGEBROKEN waren, nooit opnieuw INGEENT
kunnen worden! (Wordt vervolgd)
^^^^^^^^^^^^^^
|